VII
De wind waait en jaagt de golven tegen de kade van Kuçadasi. Witte koppen rollen dreigend aan, breken op het smal geworden strand.
's Nachts sta ik op het dak van mijn hotel, zie de sterren, de minaretten, het gewriemel van mensen daar beneden, en hoor de treurige, onverloste roep van de mu'adhdhin. Van de omloop van de minaret bij de grote moskee klaagt hij om het uur dat wij zijn geboren.
Overdag zet ik het kleine tafeltje op het dak, in de schaduw van drogende lakens, en schrijf: Beyond Reductionism, het gezicht nu eens gewend naar de heuvels, dan weer naar de zee.
Ik schrijf. Negen jaren zijn voorbijgegaan, en het tiende is bijna vol. Soms zing ik. Liederen om de eenzaamheid te verdrijven, de chaos te ordenen, de angst te bezweren.
De bomen buigen als jonge hertogen. Het is stil om mij heen.
Korrelig stof verzadigt hier de lucht en sneeuwt via de zeven lichaamsopeningen tot in het hart.