een arm rond haar schouders, nam haar hand in de mijne. ‘Hier ben ik toch, stil nou maar.’
‘Ik wil terug naar Goffroy,’ zei Daphne.
Miletes ruïnen lagen op een heuvel, achter een hek, een eindje van de weg af. Ik klom naar boven en keek over het golvende land, dat eens golvende zee moet zijn geweest. Kaal, laag, vruchtbaar land. Dichtgeslibde havens.
Ik liep tussen de tempelresten, sprinkhanen en krekels rond mijn voeten. Getsjirp van onverloste doden. Lawaaiige stilte.
Ik begon de volgende heuvel, die steil achter het Odeon oprees, te beklimmen. Hijgend, me vastklemmend aan grassprieten, stukjes steen, kroop ik omhoog. Eindelijk stond ik boven, in het niets dat zich aan de top van bergen bevindt. Geen duidelijke afdaling, geen verdere weg was zichtbaar.
Plotseling schenen de struiken te wijken, ik hoorde geritsel als van kleren. Ik keek niet, en wist dat de vrouw daar stond die ik al op de heuvels van Attica had gezien, toen ik bij Mamy woonde.
‘Het is onmogelijk. Onmogelijk,’ dacht ik. Ik strekte mijn handen uit, in de richting waar de Dochter moest staan.
Hoewel ik wist dat zij daar stond, kon ik Haar niet aanzien. Het leek alsof de zon daalde: een zwarte bal die ons naderde.
‘Pas op!’ wilde ik schreeuwen, maar mijn mond was een weke vrucht geworden, uit mijn ogen traande vocht, mijn oren suisden.
Als zachte, tropische stengels hingen mijn ledematen langs mijn lichaam, ik smolt, en werd opgezogen in de punt van een draaikolk, zodat Zij, die stilstond op de bergtop, leek te vallen.
‘Het omgekeerde vallen,’ dacht ik nog. Toen ging ik door een strook van hitte, verwarring en duizendvoudig lawaai. Daarboven was het blauw en wijd en stil. In dat lichte blauw voelde ik mij opgenomen.
Waarschijnlijk viel ik op zeker moment in slaap, want toen ik weer bijkwam, bevond ik mij in het hotel, kennelijk goed thuisgekomen.