V
In een veredelde wastobbe voeren wij over van Pythagórion op Samos naar Kuçadasi aan Turkijes westkust. Tijdens de overtocht sprongen de dolfijnen rond ons scheepje en werd ik vreselijk zeeziek. Daphne hield mijn hand vast, terwijl ik in de klamme kajuit op een harde houten bank lag (ik kon niet meer zitten of staan) en het ene papieren zakje na het andere volkotste met stinkende maagsappen en leversecretie.
Daphne was zo allerliefst, in mijn doodsuur, dat ik besloot dat als de zeegod mij liet leven (ik had vergeten Haar te offeren voor de reis), ik onbeperkt, zolang als ze wilde, haar zou beschermen en verzorgen, en dat ik ook wat meer tijd aan haar zou besteden. Een uur per dag, bij voorbeeld na de warme maaltijd als ik toch wat suf was, kon er best af.
In Kuçadasi, waar wij na tien jaren varen aankwamen, konden wij eerst niet van boord, en later lange tijd niet van de kade.
Er was een grote oploop van Turkse vrouwen, sommigen in lange, vormloze gewaden, anderen in goedkope westerse confectie, die schreeuwden en tierden. Wij kenden geen van beiden Turks, maar Daphne kende wel Grieks, en onze Griekse schipper vertaalde voor haar de leuzen en de kreten.
De betogingen bleken een variant op wat wij in Athene hadden gezien en gehoord, alleen hadden de vrouwen hier, in een mohammedaans land, zo mogelijk nog meer redenen om ge-