‘Ik ben vierenveertig jaar,’ zei Laïs, ‘Stéphanie is eenenvijftig. We hebben nog maar zo weinig tijd. Die zouden we graag samen doorbrengen, rustig ergens buiten, weet je wel. Ergens in de stilte wonen en lief zijn voor elkaar, en attendant Godot.
De academie, daar heb je gelijk in, werkt goed. Maar honderd of duizend vrouwen op sleutelposities kunnen de revolutie nog niet maken, zolang de mannen het leger in handen hebben: geweren, kanonnen, tanks, gevechtsvliegtuigen, traangasbommen, gummiknuppels, raketten, al die dodende macht in penis-vorm.
Het leger en de politie overnemen, dat zal ons nooit lukken. En al zouden ze ons alles afstaan, of de wereld in vrede met ons delen, wie de dodende wapens heeft, heeft de macht. Zodra het ze verveelt, kunnen ze wegslaan of vermoorden wie ze niet bevalt.
Er is geen oplossing.’
‘En daarom geven jullie het nu op?’ vroeg ik verbitterd, geheel vergeten dat ik zelf in deze trant was begonnen.
‘Het kan niet,’ zei Stéphanie. ‘Zo'n beweging als van Paola, dat is wel uitzichtloos voorlopig, maar op den duur zou het kunnen lukken, in principe. Ze hoeven alleen maar het leger en de politie op hun hand te krijgen. Onze revolutie kan niet lukken, want alle beroepsagenten en beroepssoldaten zullen hun dodende kunstpenissen nooit in dienst van iets anders willen stellen dan het geweld ten behoeve van hun eigen sekse.’
‘En samengaan met andere revolutionairen...?’
‘...is zinloos. Je weet zelf hoe hun frustraties ze nog meer geneigd maken tot seksefascisme dan de upperdogs van het moment, die zich veilig en onaantastbaar en geslaagd voelen.’
Wij waren opgestaan van de tafel waarop een ravage van tangen en schalen en wijnvlekken en broodkruimels achterbleef, hielden een taxi aan buiten, omdat een van de beruchte korte stortregens van Santiago de Compostela neersloeg, en lieten ons rijden naar het klooster dat wij gezamenlijk moesten bezoeken.
‘Dit is dus onze laatste gezamenlijke werkvisite, begrijp ik?’