voor de kinderen, maar ik ben eenenvijftig.’
Hoewel de Amerikanen nog steeds lachten en knikten, was er plotseling een koele onderstroom van geschokte preutsheid in hun reacties.
‘Tamara’ registreerde dit, en na een korte pauze hernam ze feilloos: ‘Mijn eerste man, die wilde eerst niet trouwen. Maar in Amerika is dat onmogelijk, niet? Daar moet je getrouwd zijn. Hier in Europa is dat heel anders.
In Amerika is het onverdraaglijk als je niet getrouwd bent. Andere vrouwen belagen je man, op party's, voor je ogen. En wat kun je zeggen als je niet zijn vrouw bent? Niets.
Dus ik zei: ‘Als je niet met me trouwt, ga ik weg.’
‘Oh nee,’ zei hij. ‘Niemand verlaat mij. Ik ben degene die anderen verlaat.’
En daar kwam hij, op zijn knieën, huilend, of ik alsjeblieft met hem wilde trouwen.
Zijn vrienden waarschuwden me, maar ik deed het toch. We zijn tien jaar getrouwd geweest. But it didn't work.
Als ik straks naar Londen vlieg, volgende week, dan ontmoet ik daar mijn beide mannen.’
De Amerikaanse lachte weer.
‘Ik ben niet arm, natuurlijk. Maar wat kun je kopen? Juwelen, bont, kleren... tederheid kun je niet vervangen.’
De Amerikaanse lachte.
Al die mensen, gelijktijdig geïncarneerd op Uw troosteloze, aan de mannen vervallen wereld, Moeder, wat hebben zij gemeen? Niets dan hun lijden. Is deze Tamara, waardig, dronken en eenzaam klagend op een luxehotelterras in Santiago de Compostela de stem van alle vrouwen: Chinese, Indische, Europese, Russische, Afrikaanse, Griekse, Spaanse, Amerikaanse, Turkse, Indiaanse, Australische, Eskimose, Koreaanse, Arabische?
Al die verdrukte, vernederde, van zich zelf vervreemde vrouwen, die niet meer begrijpen waarom en waardoor zij gekweld zijn?