| |
| |
| |
Deel II
Aunque sepa los caminos
yo nunca llegaré a Córdoba.
federico garcía lorca, 1898-1936
| |
| |
| |
I
Alle Hollandse lezers die denken dat boeken in de ik-vorm geschreven echt zijn gebeurd, alle sompige moerasdwergen en aardappeleters die menen dat litteraire creatie een kwestie is van bevlogen hijgen in de trant van de Tachtigers, weest gewaarschuwd.
Wij zijn op een punt aangekomen waar de bewust structurerende schrijver (zeg: alle schrijvers behalve 98% van de Nederlandse) voor een martelende keuze staat. Wie zal Stéphanie zijn en hoe zal het contact met mij, Jean, verlopen? Het bestaan vertakt zich hier, en terwijl in de ene wereld, als het diplomatenijs eenmaal is gebroken, de ene vrouwelijke conversatie na de andere (over personen en gevoelens) wordt gevoerd, zal in een andere, iets geroteerde wereld die bovendien een kleine translatie heeft ondergaan, door Stéphanie en mij worden gebouwd aan de commando opleiding ter bevrijding van de halve mensheid, terwijl in een derde wereld, hogere synthese en tevens antimaterie van de vorige, Stéphanie geheel ontbreekt en ik in onbegrijpelijke avonturen en verwikkelingen in Attica en West-Turkije zal verdwalen, steeds meer en tegenstrijdiger taken op mij nemend, links en rechts al copulerende karmische bindingen aangaand, om falende en zondigende tot de essentie van dit bestaan: levenslange eenzame opsluiting in een lichaam, door te dringen.
Nee, de litteratuur stroomt niet vanzelf, gelijk het water uit de neus van een door hooikoorts getroffen maaier. Zij dient gemaakt te worden: de taal getemd als een wilde, hoogmoedige maagd, de vorm bevochten als de liefde van een weerbarstige geliefde.
Stéphanie verstrekte mij, op de mededeling dat ik alleen te Marbella vertoefde, een vrijkaartje voor het Bataafs Ballet, groette mij de avond van de uitvoering driemaal (bij binnenkomst, tijdens de pauze en bij het weggaan) en liet mij verder links liggen voor de deftige gasten wier entertainment blijkbaar haar taak was.
| |
| |
Bij een tweede bezoek aan de ambassade, niet alleen om haar te bedanken, deelde ik mee dat een van de beroemdste cabaretliederen van Guus Vleugel (in feite het op een na geniaalste na De Mannen van Plezier) op ons van toepassing was.
‘Hoezo, wat bedoelt u?’ vroeg zij humorloos en, naar mij leek, humeurig.
‘Wat ons bindt is immers sterker dan hetgene wat ons scheidt,’ zei ik, ‘op de wijze van Seit umschlungen Millionen. Ik bedoel,’ - net zoals psychiaters vaak moralisten zijn, revolutionairen autoritaire ijdeltuiten, priesters ikzwakke neuroten, zijn diplomaten soms mensen die hun gevoelens van onbegrip en irritatie maar al te duidelijk op hun gezicht laten aflezen, en ik werd zenuwachtig van Stéphanies onwillige onbegrip - ‘ik bedoel dat geheel afgezien van de door u en mij wellicht umschlungen Millionen waar we wederzijds niets mee te maken hebben, er iets is wat ons bindt. Zo we al niet dezelfde partner hebben liefgehad, we hebben in elk geval van dezelfde partner de liefde geweigerd.’ (Met opzet vermeed ik het woord vrouw of meisje in dit stadium.)
‘Ik vrees dat u zich wat duidelijker zult moeten uitdrukken,’ zei Stéphanie. ‘En ik verzoek u er rekening mee te houden dat ik om half elf een volgende afspraak heb.’
‘Juffrouw Kruybold,’ zei ik, ‘Laïs Lefèbre heeft mij verzocht contact met u te zoeken. Zij is erg ongelukkig over uw abrupte stilzwijgen, en zag geen andere oplossing dan mij naar u toe te sturen. Ik heb deze voor mij onaangename en hoe dan ook ondankbare taak aanvaard, omdat ik mij enigszins schuldig voelde over het feit dat ik, evenals u blijkbaar, haar gevoelens voor mij niet kon beantwoorden.’
Bij ‘Laïs Lefèbre’ was Stéphanie bleek geworden, en ik betwijfelde of zij de rest van mijn (geprepareerde) zinnen had verstaan.
‘U komt van Laïs?’ vroeg zij, op heel andere toon dan daarnet. Er was zoveel emotie in haar stem, dat ik mij een schoft voelde met mijn cynisch geconstrueerde attaque.
‘Ja. Ze heeft mij hierheen gestuurd.’
| |
| |
‘Ik heb... Is alles goed met haar?’
Stéphanies handen trilden, er kwam een blos op haar wangen en het zou me niet hebben verbaasd als ze was gaan huilen.
‘Haar werk gaat goed, maar ze lijdt aan een hevige depressie omdat ze niet begrijpt wat u...’
‘Juffrouw Brookman,’ zei Stéphanie, terwijl ze haar handen om haar stoelleuningen klemde, ‘u moet mij nu verontschuldigen. Ik krijg hier zo meteen de Engelse gezant. Komt u als u wilt vanavond naar mijn flat toe, daar kunnen we rustiger praten. Dit is mijn kaartje. Schikt het u vanavond, of hebt u andere afspraken?’
‘Nee, ik ben speciaal hiervoor naar Málaga gekomen,’ zei ik. ‘Hoe laat wilt u dat ik kom?’
‘Na het eten, om een uur of negen?’ vroeg Stéphanie. ‘Of eet u laat, zoals de Spanjaarden?’
‘Ik kom graag om negen uur,’ zei ik.
Ik heb, misschien te lang, vermeden Stéphanies uiterlijk te beschrijven. De lezer heeft haar nu geschapen naar zijn beeld en zal geschokt en geërgerd zijn als hij verneemt dat zij slank en wat rossig is; dat ik haar op een kwart of een achtste Indisch bloed aanzag: felle bruine ogen in een zeer blanke huid; dat zij het haar kort droeg op een manier die haar voor de buitenwereld jong en sportief zou doen lijken, maar die haar voor insiders ogenblikkelijk als een g.g. (gevoelsgenote) herkenbaar maakte.
Overigens: hoe komt het dat kappers zo feilloos de coupe spéciale aanbrengen, ook bij de langharigste, schuwste, zich van zich zelf nauwelijks bewuste g.g.'s, zodra die zich laten knippen? Of is het de haarinplant die hen verraadt en niet het werk van de kapper? Of bestaat er noch een samenzwering der coiffeurs, noch een genetische, in het haar manifeste deviatie, maar is het de aura, die buitengewoon plezierige, magnetische, lustgolven inducerende aura (die voorkomt dat wij ooit onontvankelijken hoeven te choqueren), waaraan wij elkaar herkennen, terwijl wij op grond van onze materialistische opvoeding geneigd zijn te denken dat
| |
| |
het zulke uiterlijke kentekenen als haren (of kleding; of gebaren) zouden zijn? Hoe zouden wij anders de sportieve, geëmancipeerde, a-, solo- of he-seksuele carrièrevrouwen weten te vermijden, de lieve, zachtmoedige grapevine meisjes kunnen ontdekken?
Maar misschien bestaat het hele probleem niet, en is er alleen maar al dan niet aanwezige mutuele inductie?
In elk geval was het in eerste instantie de snit van Stéphanies haar die mij ontroerde (zulke haren in zo een sociale positie), in tweede instantie de masculine, wat humorloze autonomie die zij uitstraalde, en toen ik haar beter leerde kennen de kwetsbare vrouwelijkheid die hieronder schuilging.
Wat mij het meeste trof, die eerste avond, was de absolute, weerloze, totale liefde van Stéphanie voór Laïs. Ik werd er koud van dat een zo reserveloze overgave tussen mensen blijkbaar bestond. Voortdurend moest ik denken aan mijn eigen relaties: het voorbehoud dat ik maakte, de sluimerende kritiek die er meestal van begin af aan was, het egocentrisme van mijn gevoelens, dat hele bastion van emotionele afscherming en intellectueel verweer, van energieke hanigheid.
Stéphanie daarentegen was monomaan, blindelings overgeleverd aan haar gevoelens. Als dit de ware vorm van liefde was, dan kende ik die niet, en had ik nauwelijks het recht mij te rekenen tot het gezelschap der femmes aux femmes. Bewondering van deze orde maar dan zonder seks, had ik alleen ooit gevoeld jegens enkele mannen.
Wat passieve overgave leek, bij Corinne, bij Laïs, was een rol mij opgelegd door het leeftijdsverschil, een van de tientallen mogelijkheden van approach.
Was ik psychisch een heterofiel? Was Stéphanies reactie te wijten aan het zuidelijke klimaat? Was het een vorm van zelfvertrouwen om zó verliefd te durven zijn als zij?
Aan het einde van de eerste avond wist ik veel van Stéphanie, en had ik geleerd dat ik mij zelf niet kende.
's Nachts, terug op mijn hotelkamer in Marbella waar Stéphanie mij in een groene Sunbeam heenreed, droomde ik ‘urenlang’
| |
| |
(de maatloze uren van de droomwereld) dat Stéphanie naast mij kwam liggen in een bed, dat midden in een vertrek stond waar ook Corinne, Kiki en Laïs aanwezig waren, en nog andere vrouwen die ik kende, maar waar ik de namen niet van wist. Terwijl de staande gasten met elkaar en met mij spraken, bezig waren, goede raad gaven, sociabel in de weer, en ik ook beleefde antwoorden gaf, was Stéphanie, zwijgend, onder de dekens bezig mij te beminnen. Althans, zij legde haar linkerhand op mijn geslacht, de vingers rustend op de venusheuvel, en een onbeschrijflijk warme, vredige sfeer ontstond. Zij was geheel naakt, en ik streelde dankbaar haar kleine, stevige borsten, de bijna magere armen, daar in de verborgenheid van onze bed tent, terwijl ik ondertussen correct voortconverseerde met degenen die rond ons stonden.
Graag had ik de droom willen voortzetten, vasthouden, maar hij brak af. Er ontstond een verwarring, ik moest opstaan uit het bed, en het was ochtend en ik stond op.
Stéphanie had mij duidelijk gemaakt dat een loyaliteit, nog sterker dan die van haar gevoelens aan Laïs, haar dwong voorlopig van ieder contact met haar geliefde af te zien. Ik begreep niet waar zij over sprak. Een andere liefde kon ik mij naast deze liefde niet voorstellen.
Stéphanie zei, dat als het mogelijk was zij mij deelgenoot zou maken van haar geheim, van dat wat haar dwong te zwijgen, maar zij moest eerst nieuwe orders hebben, en onder geen enkele omstandigheid mocht ik Laïs in dit stadium wat dan ook berichten.
Ik schrok, dacht aan spionage, aan afschuwelijke complotten waar ik mij (waarom?) in verwikkeld had. Ik wenste mij zelf in Marrakech, en vervloekte mijn besluit om voor Laïs naar Málaga te reizen.
Enkele dagen later, toen Stéphanie mij opnieuw uitnodigde, zoals zij beloofd had, sloeg mijn spijt om in opwinding.
Op de kamer van Stéphanie trof ik ditmaal aan: een man, Span- | |
| |
jaard, en een eveneens Spaanse vrouw, van hoge adel zoals later bleek, die zich voorstelde als ‘Paola’. De man gaf een hand maar stelde zich niet voor. De naam van de vrouw was een schuilnaam, bleek later.
Paola was heel lang, uiterst mager, droeg een rijbroek en laarzen en had vrijwel gemillimeterd grijs haar. Ze was niet ouder dan vierenveertig leek me, maar haar gezicht was gegroefd, door een leven in de buitenlucht, of door het soort lijden waar Spanjaarden het geheim van kennen. Ze had een zeer lage stem, bijna een bariton, en de bruuske, dominerende manieren die ik in een wat afgezwakte Westeuropese vorm van Corinne kende.
Paola nam het woord, nadat Stéphanie ons voor zover mogelijk had geïntroduceerd, glazen Campari-soda voor ons had ingeschonken, en de radio zacht had aangezet om ons gesprek te overspoelen, voor wie van plan mocht zijn het af te luisteren.
Stéphanie bleek Paola gemeld te hebben dat ik ‘betrouwbaar’ was. Waar ze die mededeling op baseerde, na een avond waarop zij in hoofdzaak tegen mij had gepraat over haar gevoelens voor Laïs, begreep ik niet.
Er was grote behoefte aan een nieuwe, betrouwbare contactpersoon, die de autoriteiten nog niet kenden. Berichten moesten worden overgebracht, voorraden getransporteerd, bijeenkomsten geannonceerd. Ik zou, als ik wilde meewerken - en het werd goed betaald, Paola's familiekapitaal was voorlopig onuitputtelijk - een ideale figuur voor de beweging kunnen zijn.
‘Maar welke beweging?’ riep ik verbijsterd uit. ‘Neemt u mij niet kwalijk, maar ik begrijp niet meer waar u het over heeft.’
‘De Spaanse bevrijdingsbeweging natuurlijk,’ zei Stéphanie, zich in het gesprek mengend. ‘De revolutie wordt voorbereid, al gaat het ongelooflijk moeizaam.’
Het bleek een partij te zijn die voor een oligarchisch, humaan, aristocratisch bewind was. Geleidelijk zouden zij het volk opvoeden tot alfabetisme, politiek bewustzijn en uiteindelijk democratie.
| |
| |
Die eerste avond duizelde het mij. Jarenlang loopt een leven volgens een vast patroon en volgens vaste variaties daar op. Geleidelijk krijg je het gevoel te stikken in die sleur. En dan, ineens slaat het lot een hoek om, en totaal nieuwe bestaanswijzen, waarvan je je een paar weken eerder zelfs geen voorstelling had kunnen maken, blijken mogelijk.
Zonder mij ook maar in het minst voor politiek, en zeker Spaanse politiek, te interesseren - wat had ik te maken met al die mannencongsi's die elkaar de macht bestrijden onder dekking van hoge woorden, waarna de overwinnende groep voortgaat de vrouwelijke mensheidshelft te onderdrukken en te exploiteren - werd ik ineens voor de keuze gesteld: meedoen met de partizanen of terug in de sleur.
Ik interesseerde mij nog nauwelijks voor Spanje, geloofde in geen enkele ideologie die gebaseerd was op de traditionele uitbuiting van mijn sekse als huis- en lastdier (dat wil zeggen: alle bestaande politieke ideologieën, van links tot rechts), maar ik interesseerde mij voor Stéphanie, voor Paola, voor hun nog ondoorzichtige ambities en relaties, en voor de strijdtechnieken die ik van de naamloze Spanjaard ongetwijfeld zou kunnen leren, en die ik ooit, als de tijd gekomen was, tegen hem en de zijnen hoopte aan te wenden vanuit mijn academie voor hulp aan de vierde wereld.
Ik zal een vijfde colonne zijn binnen hun vijfde colonne, dacht ik. Als iemand mij kan leren hoe je discriminatie moet bestrijden, dan deze Spanjaarden. En hun maatschappij van vrouwenslavernij zal een van de eerste zijn die valt.
Ik lachte naar Paola, die stug teruglachte. Ik lachte naar Stéphanie en zei: ‘Het is niet mijn probleem maar het dijne. Maar mijn of dijn, wat doet het ertoe. Als jullie mij hebben willen, doe ik mee.’
De kleine Spanjaard die zich niet had voorgesteld negeerde ik. De Campari-soda werkte ongewoon heftig, evenals een paar dagen geleden de sangría. Blijkbaar was ik allergisch voor de combinatie van alcohol en zuidelijke warmte. Ditmaal was het
| |
| |
echter geen misselijkheid die mij overviel, maar een grote woordroes.
‘Jullie mogen mij instructies geven zodra je wilt,’ zei ik. ‘Ik ben in principe tot alles bereid voor deze goede zaak. Het is de hoogste tijd dat Spanje wordt bevrijd van zijn onderdrukkers. (Hierbij dacht ik aan wat anders dan zij.) Lang genoeg is meer dan de helft van dit volk gediscrimineerd, vernederd en uitgebuit. Daar moet een einde aan komen en als ik een instrument kan zijn in jullie strijd, dan wil ik mij daar graag toe lenen.
Het lieflijke, bloesemende Spanje zal ik helpen zegevieren over het wrede, bloeddorstige Spanje. Het intellect en de creativiteit zullen het winnen van de machtswellust en het geweld.’
Stéphanie keek mij aan met een blik van ‘voel je je wel goed’. Maar Paola luisterde aandachtig, of taxeerde althans mijn persoonlijkheid, mijn gebruikswaarde voor de beweging.
De kleine Spanjaard maakte steeds aanstalten om in zijn neus te gaan boren, maar bedacht zich dan op het laatste moment, maakte omtrekkende wrijfbewegingen, ging eens verzitten, trok zijn pochette recht, totdat hij zich weer vergat en de pink met de extra lang gehouden nagel weer richting neus ging. Daarna herhaalde de cyclus zich.
‘You,’ zei Paola plotseling met lage stem en zwaar accent, ‘be quiet and listen.’
Ik schrok, en zweeg direct.
‘Now listen, dear,’ ging zij voort, ‘je moet niet zoveel praten. Als je wilt werken voor de beweging, moet je voorzichtig zijn. Dit is geen kinderspel, en geen woordenspel. Kijk.’
Zij deed het corduroy jasje uit dat zij de hele avond had aangehouden, en tilde van achteren een eindje de werkmansblouse op die zij daaronder droeg. ‘Zie je het?’
Ik verstarde en kon niets zeggen.
‘Je hebt het gezien, ja? Ik heb vijf maanden in de gevangenis gezeten, in voorarrest, in Badajoz, dat is een plaats in Extramadura. Begrijp je nu dat je voorzichtig moet zijn?’
Ik knikte stom.
| |
| |
Paola richtte zich tot Stéphanie, en in snel Spaans overlegden zij wat hun nu te doen stond. Zou ik nog terugkeren naar mijn hotel? Of kon ik beter meteen met Paola meegaan voor instructies?
Na lang gepraat werd besloten dat het kleine mannetje mijn bezittingen zou afhalen en de rekening voldoen, en dat ik mijn training ten huize van Paola zou ontvangen. Ik zou maar enkele weken actief zijn, daarna kon ik naar Nederland terugkeren, waarbij ik moest beloven dan voorlopig niet weer in Spanje te verschijnen tenzij ik daartoe werd opgeroepen.
Ik stemde met alles in.
Terwijl Paola het mannetje instructies gaf, fluisterde ik naar Stéphanie: ‘Maar wat moet ik Laïs nu schrijven? En waarom heb jij zo abrupt ieder contact moeten verbreken?’
‘Paola is jaloers,’ zei Stéphanie. ‘Ik geloof niet dat het echt noodzakelijk is dat ik Laïs niet schrijf, maar ik heb het moeten zweren. Het is een gevaarlijke vrouw. Ze heeft hoge idealen, maar pas op voor haar, ze is gevaarlijk. Ik zit op het ogenblik in de...’
Op dat moment kwam Paola weer naar ons toe, en Stéphanie zweeg.
‘We gaan zo weg,’ zei Paola. ‘Hij brengt straks wel je kleren. Neem afscheid van Stéphanie nu, liefje, je ziet haar morgenavond, weer.’
‘Ik schrijf haar wel,’ zei ik lachend tegen Stéphanie, in het Nederlands.
‘Ja, goedenacht,’ zei Stéphanie, ‘en tot morgenavond. Bij jou?’ Ze keek vragend naar Paola.
‘Zeker, bij mij. Kom mee liefje.’
Alles was anders dan ik verwachtte. Paola's huis bleek een gigantische villa, bijna een burcht, achter hoge blinde muren, in een verwilderde tuin. Weliswaar woonde zij in het koetshuis (de villa was vervallen en buiten gebruik, ten dele een schuilplaats en opslagplaats voor de beweging, ten dele een onderkomen voor
| |
| |
haar studerende zoon, als die overkwam uit Barcelona), maar dit alles was haar bezit en het was in flagrante tegenspraak met de werkmans- en sportkleding waarin zij rondliep.
Niet zonder enige trots leidde zij mij door zalen vol familieportretten, een wapenzaal (niet van de beweging, maar antieke wapens waarmee haar voorouders hadden geduelleerd en gevochten), langs kamers in kostbare stijlen.
In het koetshuis sliep zij op de grond, op een breed veldbed, at uit pannetjes die op de kachel werden gewarmd, dronk uit de leren fles als een herder of een landarbeider.
Ik voelde me ongelukkig bij haar, hoewel ik haar bewonderde. Meteen de eerste nacht nodigde ze mij uit bij haar te slapen. Ik moest mij uitkleden, terwijl zij, al naakt, op mij lag te wachten. Ze was erg mooi, maar ik begeerde haar niet.
Alles had ik liever gewild dan dit: met Stéphanie praten, alleen op mijn hotelkamer zijn, brieven schrijven aan Laïs, aan Corinne, aan Kiki, desnoods weer doelloos op jacht gaan naar een vrouw in het Spaanse mannenland.
Afwachtend ging ik naast haar liggen op het harde veldbed. Eerst zei zij niets, toen draaide zij zich half om, naar mij toe, en vroeg: ‘Wil je niet?’
‘Ja,’ zei ik, ‘maar...’
Ik was bang dat ze zou denken dat het om haar littekens was dat ik niets wilde, maar het was geen afschuw, het was fysieke onverschilligheid.
Ze tilde haar hoofd met die krankzinnig korte haren, een aristocratisch hoofd met de haren van een grondwerker of een gevangenisboef, een eindje op en zei: ‘Je hoeft bij mij niet passief te zijn, voor mij ben jij een man.’
Ik vond het geen prettige opmerking. Het deed me denken aan de vader van de nu in Barcelona studerende zoon, met wie ze eens samengeleefd moest hebben.
‘En jij?’ vroeg ik om tijd te winnen.
‘Ik ben een vrouw, voor jou,’ zei Paola. ‘Je wordt nu een soldaat in onze beweging, en soldaten hebben voor ze naar het front
| |
| |
gaan recht op een vrouw. Kom...’
Ik aarzelde nog steeds, maar ik zag geen eervolle en voor haar niet kwetsende uitweg. Ik ging op haar liggen en begon haar te kussen. Het was prettiger dan ik verwacht had. Ik raakte opgewonden. Paola sloot haar ogen en ontspande.
Ik vermeed het haar rug aan te raken. Terwijl ik haar borsten kuste, opende ik haar schaamlippen en streelde heel zacht haar clitoris, tot ik in haar vagina kon binnendringen.
Zij steunde en mompelde woorden die ik niet begreep. Plotseling werd ik meegesleept door haar opwinding. Ik begon haar clitoris te likken, ondertussen in haar stotend en roterend. Ik schrok van de heftigheid van haar orgasme. Ze schreeuwde en klampte zich aan mij vast en hield niet op. Ik durfde niet op te houden voor zij zou zeggen dat het genoeg was. Abrupt, zonder dat ik daar op verdacht was, kreeg ik zelf een orgasme, verlammend en slaapwekkend. Ik viel over haar heen in slaap, mijn hoofd op haar buik.
Enige tijd later wekte ze mij, en nu was zij het die op een vrouwelijke, haast onderdanige manier het initiatief nam. Weer vielen we in slaap, en weer maakte ze mij na verloop van tijd wakker.
De hele nacht ging het door, met wildere variaties en langere tussenpauzen.
De volgende ochtend stonden wij om tien uur op. Ik moest mij met koud water wassen in het keukentje van het koetshuis. Overal rook ik naar haar. Terwijl ik met verbazing mijn gezicht bekeek in het spiegeltje boven de gootsteen, besefte ik dat Paola inderdaad een ‘man’ van mij had gemaakt, een volwassene.
Ik had de lief de bedreven uit willekeur, zonder noodzaak. Nog nooit was ik zo rustig en zelfverzekerd geweest. De beweging kon mij nu gebruiken.
|
|