De huilende libertijn
(1970)–Andreas Burnier–
[pagina 66]
| |
Eigenlijk zag ik tegen de ontmoeting op. Wat moest ik haar zeggen? Wat vragen? Laïs zag het natuurlijk al te gemakkelijk. Het was mogelijk dat wij geen contact zouden hebben, dat Stéphanie mij afpoeierde met alle beleefdheid en bekwaamheid die je van een diplomaat mocht verwachten. En als ze nog verliefd was op Laïs, zou het haar irriteren dat die mij zo in vertrouwen had genomen. Ik besloot mij zelf in elk geval een paar dagen te gunnen om uit te rusten van de reis, bruin te worden en aan de zuidelijke sfeer te wennen. In mijn hart vond ik het niet erg als ik Stéphanie zou mislopen. Terwijl ik zocht naar een terras waar ik in de avondwarmte zou kunnen wijn drinken, passeerde ik twee vrouwen met een kinderwagen. De baby lag strak omhoog te kijken, alsof hij net als ik genoot van de sterren. Of misschien verlangde hij terug naar de wereld van licht waaruit hij zo pas was afgedaald. Je bent een mens, en je hebt nog maar zo'n klein lichaampje ter beschikking, dacht ik. Dan moet het hier nog moeilijker voor je zijn dan voor ons, met onze grote lijven, dikke pantsers. Ik lachte hem toe en het kind keek, even, ernstig terug. Daarna richtte hij zijn blik weer omhoog. Geen baby ziet in Nederland ooit de sterren, dacht ik. Dat is het verschil. Misschien is dat wel de oorzaak van al dat zure moralisme, de bemoeizucht later. Op een terras dat mij wel vriendelijk leek, bestelde ik een portie sangría, waarvan ik snel begon te drinken. Tegen de kelner zei ik dat hij ook een glas moest klaar zetten voor mi marido, die spoedig zou komen. Dat hield de mannetjes, die hier hinderlijk waren als vliegen, van je af, had ik gemerkt. Zodra de kelner zich omdraaide, deed ik een bodempje wijn in het andere glas, en legde mijn linnen jasje over de lege stoel. Ik vroeg mij af of Corinne nog door de alleenheersende sekse gehinderd zou worden, in Marokko. In het diepe zuiden zou de grens tussen de hinderleeftijd en de negeerleeftijd wel wat opschuiven. De eenzaamheid overrompelde me zodra ik aan haar | |
[pagina 67]
| |
dacht. Hier zat ik, alleen, aan de zuidrand van Europa. Waartoe? Ik kreeg spijt van mijn twee glazen manoeuvre. Zelfs een zeurende man leek mij beter dan niets op dit moment. Nergens zag ik een vrouw. Alleen twee touristenechtparen, en vele Spaanse mannen alleen. Op straat liepen ook bijna uitsluitend mannen. Mijn oog viel op een aanplakbiljet dat ik niet eerder had opgemerkt. Pas toen ik halverwege was, realiseerde ik me dat het Nederlands was en geen Spaans wat ik las. Málaga
Op woensdag- en vrijdagavond aanstaande
treedt op voor de Hollandse Club
het bataafs ballet
onder leiding van Eduard Roos.
Kaarten verkrijgbaar op de Nederlandse Ambassade,
bij de Sociëteit van de Golfclub
en 's avonds aan de zaal.
Volgden prijzen, een lijst van medewerkers, plaatselijke Nederlandse beschermheren. Volgde: de datum, en mr. S. Kruybold, cultureel attaché (dus geen eerste secretaris; dit was Stéphanie). Ernaast hing een soortgelijk biljet, in het Spaans. Mijn depressie was ineens over. Hoe eenvoudig was het nu contact met Stéphanie op te nemen. Haastig ledigde ik de karaf sangría, rekende af, en begaf mij opgelucht wankelend naar het hotel, waar ik, zonder aandacht voor verbaasde blikken, naar mijn kamer slingerde. Gekleed stortte ik neer op het bed. Een golf braaksel kwam omhoog en spreidde zich onstuitbaar over mijn kin en het bovenlaken. Ik probeerde op te staan, maar een tweede braakgolf weerhield me. Stromen sangría vermengd met maagzuren, waarin hier en daar nog onverteerde vruchten dreven, veroorzaakten een smerige stank in de kamer die snel ronddraaide, als een schip in een cycloon. Ik hoestte en huilde. | |
[pagina 68]
| |
Een laatste golf, pijnlijk nu, meer lichaamssappen dan drank. Met het soort angst dat ik vroeger voor hospita's gekend had, voor Corinne zich over mij ontfermde, besloot ik dat het laken gewassen moest worden eer ik in slaap viel en het kamermeisje dat het ontbijt bracht mij morgen betrapte op bevuiling van het propere hotel. Geheel verslapt en bevend, de tranen nog in de ogen, een walgelijke smaak in de mond, rukte ik het laken van het bed af en sleepte het naar de douche, een spoor van vocht op de tegelvloer achterlatend. Ik struikelde over een punt van het laken en viel op de grond in slaap, nog voor ik de badkamer had bereikt.
Wegwerkers boorden gaten met elektrische drilboren in weerbarstige keien, Chinezen verhoorden mij onder ondraaglijk schel licht, tot ik eindelijk mijn ogen kon openen. Een jong meisje in wit en zwart, ze was niet veel ouder dan veertien jaar, ondanks haar zware borsten en ouwelijke kapsel, zette een blad met koffie en toast naast mijn bed op het nachtkastje. In veel te rad Spaans, bovendien een dialect, zo te horen, sprak ze mij toe. Ik beduidde haar dat ze kon weggaan door wenkend te gebaren met de rechterhand (zuiderlingen keren onze wenken afweergebaren om); een stekende pijn in mijn slaap was het gevolg. Het meisje verdween met bekommerde blik, nadat ze nog een blik op het laken had geworpen dat naast mij op de vloer lag. Ik wachtte vijf minuten en kroop toen voorzichtig op handen en voeten tot aan het bed. Na weer tien minuten had ik de inmiddels lauwe koffie te pakken. Deze gaf mij de kracht om tussen onderlaken en matras in het bed te gaan liggen, waarna ik in een zware slaap viel. Toen ik weer wakker werd, was het middag en voelde ik mij zwak, maar redelijk verkwikt. De hoofdpijn was weg, ik had honger. Via de telefoon naast het bed bestelde ik een forse maaltijd: gebakken eieren, jus d'orange, sla, kip, alles wat ze maar over hadden van de lunch, en een grote fles mineraalwater. Bij het | |
[pagina 69]
| |
dessert raakte ik vermoeid, en viel opnieuw in slaap. Het was avond: een donkere sterrenhemel achter het raam waarvan de rolluiken niet waren gesloten, toen ik opnieuw wakker werd. Via de bedtelefoon vroeg ik een gesprek met de ambassade te Málaga aan. Het duurde lang. |
|