dol, bij het diner was ik al te veel aangeschoten om eventueel misprijzen jegens mij nog te registreren. Sprak met allerlei oude vriendjes en vriendinnetjes. (Voor het eerst sinds jaren! Griezelig zo oud als iedereen is geworden. Ben ik zo?) Uitvoerige conversatie met (Magister Juris) Isack van Lest, een van deftigheid omhoog gevallen onbenul op Justitie, graue Eminenz van talloze minister(tje)s. Op het ogenblik zet de goede Isack alle (neurotische) zeilen bij om ‘ons’ te bestrijden, vernam ik uit zijn eigen mond. De huidige minister, een (oninteressante) vriend van de moffen (bij alle internationale verdragen is hij de eerste van de conferenten die omhoog springt, salueert, met de hakken klapt, en ‘Jawohl Herr Oberst, Generalleutnant, Sie haben recht’ zingt), heeft hij er al bijna van overtuigd dat ‘wij’ een gevaar op de weg zijn, een bedreiging voor God, Nederland en Oranje, de geestelijke en lichamelijke volksgezondheid, het gesundes Volksempfinden en het huwelijk.
Isack heeft geen idee van mij, de koe (ziet mij als een wat uit het nest gevallen telg), en ik heb hem dus lekker zitten uithoren en opsarren. Heb gezegd dat ik ook vind dat ‘zulke mensen’ ziek zijn en zich moeten laten behandelen, of althans strikt celibatair leven, desnoods na sterilisatie, pardon: castratie. Dat vond hij prachtig!
‘Ook hun vergaderzalen en vermaakslokaliteiten moeten door krachtige razzia's bestreden worden,’ zei ik. Hij aarzelde toen even, maar ik keek bloedernstig, dus hij lachte ten slotte blij. (Toevallig weet ik van een ander vriendje, schout-bij-nacht Hans le Roy van Benten, dat Van Lest volslagen impotent is. Dat verklaart iets, hoewel niet alles.)
Liefste, ik mis je heel erg en wilde dat je hier was en ik je al mijn kleine gedachten kon vertellen. Vannacht heb ik weer gehuild - dat is in zeven jaar niet voorgekomen; ik nader zeker de menopauze -, het is absurd en ik vraag je excuus voor mijn bespottelijke gedrag, het ‘telgenwezen’ onwaardig. Bovendien heb jij het volste recht liever met leeftijdgenoten op reis te gaan. Maar mocht je je nog bedenken, ik ben het merendeel van de tijd bereikbaar in ‘ons’ hotel te Marrakech.
Over de reacties van mijn ouders en andere ‘bloedgenoten’ meld ik je wel eens mondeling, bij je terugkeer. Wanneer?
Pas verschrikkelijk goed op je zelf, je bent nog maar zo klein.
Ik denk veel aan je en (...)