| |
II
Op de grens van België en het troosteloze landschap van Noord-Frankrijk bevindt zich een smerig dorp, Mont-Piété, dat door het Europese tol-, accijns-, belasting-, invoerrechten- en douanewezen wordt gehalveerd. Ons absurde grenzensysteem berust in zoverre op realiteit, dat de bewoners van het Belgische deel van Mont-Piété typische Zuid-Belgen zijn: luchthartige levensgenieters die van een lied en een drankje houden, terwijl de Franse Mont-Piétanen tot de stugge, sombere, vergeefs arbeidzame noordelijke variëteit van Europa's meest geciviliseerde volk behoren.
In dit dorp maakten wij ons eerste bivak, daartoe gedwongen zowel door uitputting van het rij den over België's morsige keien, als door motorpech die eerst bij daglicht verholpen zou kunnen worden.
Dorpen van dit soort, waar het al te fletse gele lamplicht vaag door ramen van matglas of door grauwe vitrage van ouderwetse snit en structuur schijnt, overweldigen mij met een bodemloze melancholie.
Als ik in kale, met somber en goedkoop houtwerk gemeubileerde vertrekken (soms is een ijzeren ledikant, bedekt door een vaalroze deken zichtbaar) onder het slechte lamplicht een kind en zijn grootmoeder (in zwart) hun eenvoudige maal met de vork zie eten, komen herinneringen bij mij op die nauwelijks van dit leven schijnen.
De volstrekte machteloosheid van een kind, en vooral: de
| |
| |
woordeloze, grondeloze weemoed, die hun walgelijke climax zullen vinden als het ‘nu moet je naar bed’ valt.
Zijn dit herinneringen aan een voorgeboortelijke hel? Mijn jeugd bracht ik door op de zonnige berghellingen van Bandung, tussen blijde ouders, zorgzame bedienden en vrolijke speelgenoten, in een schitterend landschap. Voor de Jappen kwamen verhuisden wij naar het lieflijkste deel van Kent (Zuid-Engeland), en na het (kortstondige) vertrek der duitsers uit Nederland, naar een riante, naar omstandigheden zonnige villa in Bloemendaal.
Sinds het vertrek van mijn ouders naar het tot bedaren gekomen Indonesia heb ik hun behuizing niet meer gezien, maar die zal, tot op drift geslagen Sumatranen hen verraderlijkvermoordden, hun huis in brand staken en hun al schaars geworden bezittingen roofden, niet minder comfortabel zijn geweest dan alle vorige.
In elk geval was Mont-Piété bij uitstek geschikt om mijn toch al gedrukte stemming nog treuriger te maken. Ik verzocht mijn reisgenoten mij te verontschuldigen, en terwijl zij afwisselend bier dronken in het Belgische, en landwijn in het Franse grenscafé (een streep op de met zand bestrooide vloer gaf de grens aan), ging ik eenzaam wandelen in de verlaten duisternis bij wijze van homeopathische therapie (de droefheid met droefheid bestrijden).
De nacht waarin ik Corinne mijn nieuwe besluit vertelde, had zij ononderbroken gehuild. Zeven zakdoeken stroomden vol, en nog hielden haar tranen niet op. Ik begreep nauwelijks wat haar niet boos maar zo verdrietig maakte. Ergernis en koel dédain had ik verwacht, hulpeloos verdriet van iemand die in alle opzichten aan mij superieur was verbijsterde me.
Radeloos zocht ik naar woorden om haar te troosten, de situatie uit te leggen, haar van mijn eeuwige bondgenootschap te verzekeren. Maar zij bleef huilen.
Misschien was het opgekropt verdriet van jaren, wat zij - noblesse oblige - nooit had kunnen uiten, en wat nu bij deze toevallige aanleiding een eruptieve uitweg vond, hoopte ik. Maar ook
| |
| |
daar kwam ik niet achter.
Corinne stond er op mij met mijn zware studentenbepakking persoonlijk naar het huis van Kiki Asberg te rijden, waar om vijf uur 's ochtends het busje zou voorrijden. Het verscheen om half zeven, en al die tijd stonden wij om de hoek te wachten, want Corinne dacht dat ik het niet prettig zou vinden als de studiegenoten de zoveel oudere vriendin in de fraaie Volvo zouden zien.
Ze huilde niet meer, en ik probeerde, vol weeë ochtendslaap, redelijke en troostrijke taal uit te slaan, met de ongevoeligheid van het jeugdig egocentrisme. Corinne zei weinig terug, en niets wat mij enig houvast gaf ten aanzien van haar buitensporige reactie.
Ik was van plan geweest bij deze ‘ongezochte gelegenheid’ Corinne, eindelijk, de existentie van Laïs te onthullen en daarmee mijn abrupte wijziging van plannen te verklaren. Haar heftige verdriet deed mij van dit voornemen afzien. De reis naar Málaga bleef als ‘meerijden met studenten’ in Corinnes voorstelling achter. Zelf was zij besloten nu wat meer tijd aan haar familie te besteden, en daarna - de heren Vierstroom, Tweebeen en Eenling waren op dit minor point onverzoenlijk, zei ze - alleen naar Marokko te reizen.
Op dit moment had ik graag zowel Laïs als Kiki willen meedelen dat ik alsnog van mijn plannen afzag. Hun ongetwijfeld nog minder perfecte zelfbeheersing en belangeloosheid dan van Corinne, weerhielden me ten slotte. Nog meer tranen en explicaties en troostwoorden en verklaringen en vergiffenis en zieligheid en fier gedragen leed schenen mij onverdraaglijk.
Op het moment dat ik Laïs mijn bereidheid verklaarde Stéphanie te bezoeken had zij, nog eenmaal, zij het met minder verve dan de eerste keer, mij teder bemind. De herinnering daaraan, en aan mijn gretige overgave, was niet prettig, noch voor mijn zelfrespect, noch voor mijn verering voor de van verre bewonderde.
De duisternis in Mont-Piété was nu volkomen, op de schaarse
| |
| |
kieren en spleten van zuinig licht uit de vervallen huizen na.
Ik schrok, toen ik plotseling voetstappen achter mij hoorde. Ik draaide mij om en zag een Algerijn, die mij met snelle stappen trachtte in te halen.
‘Niet weglopen als je bang bent,’ had mijn moeder me vroeger geleerd. (Ik was zeer bang voor honden, nadat een ‘hij blaft alleen maar, hij doet niets’ - dier mij als driejarige op de pasar had aangevallen en omvergelopen.)
Ik bleef staan en wachtte af wat er zou gebeuren. De Algerijnse gastarbeider of refugié sprak mij aan in duidelijk Frans, en bleek zich er over te verbazen dat ik, een jong meisje, bij avond en duisternis alleen door het dorp liep.
‘Ja,’ zei ik, ‘en u loopt ook alleen hier, en in Frankrijk (of zijn we in België?) is dat zowel uw als mijn goede recht. U bevindt u hier in West-Europa en niet in Noord-Afrika, waar u uw vrouwen in slavernij houdt. Ik groet u. Goedenavond.’
Moreel, wijsgerig, historisch, de facto en sociologisch had ik het grootste gelijk van de wereld. Tactisch maakte ik echter een grote fout. (Ik ben nooit sterk geweest in ethologie.) De Algerijn luisterde, net als een hond, niet naar wat ik zei, maar naar de toon van de woorden. Ik sprak hem aan als een mens, in plaats van zwijgend door te lopen, in een boom te klimmen, te gaan huilen of gillen, of angstig te snauwen.
‘Je bent erg mooi,’ antwoordde hij. ‘Loop een eindje met mij mee, ja?’
‘Laat mij met rust,’ (fou-moi la paix; fiche-moi le camp; vert.) zei ik, en versnelde mijn pas.
Maar het hormonale mechanisme van de man was nu in volle werking. Hij herhaalde dat mijn hemelse schoonheid hem verblindde, en dat hij mij wilde begeleiden.
Terwijl hij halfholde om mij met zijn korte beentjes bij te houden, legde hij een hand op mijn arm. De drift begon in mij te kolken, en ik wierp tersluiks een blik op de vettige zwarte krulharen ter hoogte van mijn schouder. Zou ik hem aankunnen? Had hij een mes?
| |
| |
‘Ik houd van je,’ riep de gastarbeider of refugié, terwijl ik abrupt mijn pas inhield. ‘Ik wil...’ Verder kwam hij niet, want met de linkervuist haalde ik uit, en raakte hem op de mystieke plek tussen neus en ogen.
Blijkbaar zat al het bloed reeds in zijn onderlichaam, want tegen alle wetten der fysiologie in kreeg hij geen neusbloeding. Perplex hield hij even zijn handen voor het gezicht. In dezelfde seconde bedacht ik dat mijn extra-curriculaire academie voor onderwijs aan bijzonder begaafde meisjes minstens tien procent van de schaarse beschikbare tijd aan lichamelijke weerbaarheid zou moeten besteden. Al het intellect van de wereld zou het feit van onze fysieke onderdrukking niet kunnen opheffen. Wij zouden pas bevrijd zijn als wij èn aan de cultuur deelnamen op volwaardige wijze, en ons in de samenleving konden bewegen zonder fysiek bedreigd te worden door de geweldzuchtige sekse.
De Algerijn, weer enigszins bij zijn positieven gekomen, herinnerde zich hoe men in zijn land met vrouwen omging, en stompte mij in de maag. Ik boog dubbel, en voelde een slag op mijn achterhoofd.
Ondanks de pijn kwam ik iets overeind, en gaf de man een kniestoot in het gezwollen kruis. Nu hoorde ik hem dierlijk janken, maar mijn eigen pijn belette mij de voldoening daarover te genieten. Ik strompelde weg, en wat ik eerst aanzag voor bloed, bleken tranen van pijn en woede te zijn die langs mijn wangen liepen.
Nadat ik mij had gewassen met koud water en een wat grijzige handdoek op het hotelkamertje dat ik die nacht met Kiki zou delen (een andere kamer was voor Jaap en Eva, Marty sliep alleen en Hubert zou in de auto overnachten), en een schone pullover had aangetrokken, voegde ik mij bij ons gezelschap in de gelagkamer.
Ze waren reeds krachtig aangeschoten door de ongewone mixture van Zuidbelgisch en Noordfrans vuurwater, en merkten mijn ontredderde toestand niet op.
| |
| |
Hubert schoof een stoel voor mij aan, en ik probeerde door snel te drinken hun stemming in te halen.
Plotseling ging de deur open en mijn, naar ik tot mijn vreugde zag nu wel zeer verfrommelde, Algerijn verscheen in de deuropening. Ik sprong op.
‘Que veux-tu?’ vroeg de kastelein nors aan de nieuwe gast.
Deze antwoordde niet, maar strekte zwijgend een beschuldigende of dreigende vinger in mijn richting. Ik deinsde achteruit, tot verbazing van mijn dronken vrienden, die het allemaal zo gauw niet konden volgen.
De Algerijn deed enige wankele stappen in mijn richting, en ik ging nog iets verder naar achteren.
‘Halt!’ riep de kastelein. ‘Niet over de streep. Je weet dat je geen paspoort hebt voor België.’
De Algerijn hielt halt in het Franse gedeelte, en ik verwerkte de nieuwe informatie door mij geheel tegen de noordelijke wand van het ruime doch kale vertrek aan te drukken.
‘Si tu veux boire, montre-moi ton argent d'abord,’ ging de onvriendelijke, slechtgeschoren caféhouder voort, die mij nu evenwel als een trouwe en charmante bondgenoot voorkwam.
De Algerijn vloekte in zijn eigen taal, waarbij hij woorden gebruikte die ik in onze platencursus maar ten dele was tegengekomen.
Hij draaide zich om, en om hem te laten horen dat ik ook niet van gisteren was, riep ik hem achterna: ‘De bal van het kind. Het haar van uw moeder!’
Als een geslagen hond verdween hij in de nacht.
Reeds in Orléans moesten wij weer aanleggen de volgende dag. De reparatie van het busje, waarop ik veilig in de hotelkamer had zitten wachten, had een groot deel van de reistijd in beslag genomen, evenals het uitslapen en bestrijden van katers.
Ik vond de korte etappes geen bezwaar, want hoe meer dagroutes, hoe meer nachten, en aan mijn voornemen om Kiki het hof te maken, had ik door mijn uitputting en haar bloedverlies
| |
| |
nog geen gestalte kunnen geven. Het lot wilde echter dat wij met het hele gezelschap op één kamer vol eenpersoonsbedden de nacht moesten doorbrengen.
Hierna reden wij zonder verdere tegenslagen naar Bordeaux, en daar, aan de kade, lukte het mij mij met Kiki af te zonderen en haar voor een gezamenlijk bezoek aan het plaatselijk museum te winnen. Wij excuseerden ons, en na vluchtig de kunstschatten van Bordeaux te hebben geïnspecteerd, beklommen wij de trappen naar het platte dak.
Het uitzicht was overweldigend. Tegen een schoorsteen van rode baksteen staken Kiki's lange blonde haren allerliefst af, en het blauw en wit van de lucht harmonieerde met het grijsblauw van haar ogen.
‘O Jean,’ zei Kiki ten slotte, ‘weet je dat ik nog nooit...’
‘Dat weet ik,’ zei ik, ‘want dat zeggen ze allemaal.’ Maar gelukkig zei ik het heel zachtjes, van binnen, en hoorbaar fluisterde ik: ‘Nee, werkelijk?’
De hierop volgende lange verklaring was onverstaanbaar, en vermoeid maar vrolijk voegden wij ons een uur later weer bij onze reisgenoten, die op het terras van een eenvoudig café sla en rosbief, een van de rijkste maaltijden van onze tocht, zaten te eten.
Nadat we in Pamplona samen in een slaapzak hadden gelegen, op gehoorsafstand van het busje waarin Eva en Jaap de triviale gewoonten van de soort beoefenden, ontstond even voor Burgos het conflict.
Tijdens een verfrissingspauze in een taveerne langs de weg, begon Marty ons mede te delen, namens Eva in de eerste plaats (zij was sinds een maand zwanger, hoorden wij nu, en daardoor nog gevoeliger dan normaal), dat op haar de buitengewoon pijnlijke taak rustte de ergernis van alle vier aanwezigen tot uitdrukking te brengen. Hoewel wij theoretisch bezien het volste recht hadden op onze afwijkende gedragingen, zij in ieder opzicht medelijden had met en begrip voor de ziekte, respectievelijk problematiek waar wij onder leden, en ieder vooroordeel haar vreemd was, leek het haar toch dat zij vieren, de meerderheid, het recht had- | |
| |
den niet gehinderd te worden door een feitelijke confrontatie met wat ieder gezond mens nu eenmaal als stuitend ervaart.
Ik voelde een steen langzaam naar mijn maag zinken, en keek tersluiks naar Kiki, die bleek was geworden en voor zich uitstaarde.
Behalve door Marty's woorden, de blikken van Eva, Jaap, Hubert, Kiki's gekwetstheid en mijn eigen verbijstering, was ik nog het meest geschokt door mijn gevoelens van schuld die onweerstaanbaar opkwamen. Ik was de dupe van mijn argeloosheid, ontstaan doordat ik in hoofdzaak met zeer intelligente of artistieke lieden placht om te gaan, dan wel met van hoogmoed tolerante aristocratie.
Welk recht had ik acceptatie te verwachten? ‘Op zijn best worden jullie getolereerd,’ had de marxistische gedragstherapeut Karel Wasser tegen mij gezegd, toen ik hem tijdens een cocktail bij Corinne zijn fanatieke en fascistische sociale dogmatiek verweet. ‘Ik maak mijn patiënten alleen maar gelukkiger door ze te herconditioneren.’
‘Hoezo patiënten? En waarom herconditioneer je je eigen burgerlijke bekrompenheid niet?’ riep ik vol machteloze ergernis.
Nu twijfelde ik even over zijn gelijk.
Kiki bleef zwijgen.
‘Ik zal weggaan,’ bracht ik ten slotte uit. ‘Ik bedoel: Ik reis wel alleen verder naar Málaga. Dan kunnen jullie verder ongestoord als gezonde Ariërs onder elkaar zijn.’
Niemand zei iets.
‘Dan kunnen jullie verder zonder ergernis genieten van Eva's zwangerschap, van Marty's ongerepte maagdelijkheid die zij reserveert voor een afgestudeerde Corpspijper met goede perspectieven, van Huberts impotentie buiten het bordeel, de arme jongen, en van het boerengebonk waar Jaap zich zelf tweemaal twee minuten per dag op trakteert op het lusteloze lijf van zijn zwangere verloofde.’
Terwijl ik zocht naar nieuwe, nog snijdender grofheden, schrok ik wakker. Mijn hoofd lag op Kiki's schouder. Ik was inslaap ge- | |
| |
vallen in het busje onder het rijden door het eentonige Noordspaanse landschap. Kiki lachte naar me. Marty zei: ‘Ha, ben je weer wakker?’ Eva bood mij een koekje aan, om het bloedsuikergehalte te herstellen, de jongens keken achterom en stelden voor dat wij even zouden stoppen ‘om bij te komen’.
Er was niets aan de hand. Iedereen interesseerde zich te exclusief voor zich zelf om wat dan ook op te merken, laat staan zich te ergeren. Toch beschouwde ik mijn droom als een voorspellende, een teken dat ik niet mocht negeren.
Die nacht in Burgos deelde ik Kiki mee dat het gezamenlijke gedeelte van onze reis ten einde was, en dat ik haar later, in Holland, weer zou bezoeken. Zij huilde een beetje, en smeekte mij - zonder haar gebruikelijke koele waardigheid - nog een paar dagen mee te reizen. Maar ik was onverbiddelijk.
Na vriendelijk van iedereen afscheid te hebben genomen, het gezelschap voor de gastvrijheid bedankt, en nadat ik Kiki nog gauw even f 100,- had geleend omdat ik vond dat zij te weinig geld bij zich had, bleef ik in Burgos achter de volgende ochtend. Ik wuifde het busje na, voelde mij even bedrukt, een schoft en opgelucht.
Met die mengeling van gevoelens begaf ik mij per taxi naar Las Huelgas, een cisterciënzer klooster en koninklijk retraiteverblijf sedert de dertiende eeuw, even buiten Burgos, en geschikt om mijn gedachten te verzetten.
|
|