De huilende libertijn
(1970)–Andreas Burnier–
[pagina 4]
| |
Ieder gebrek aan overeenkomst tussen de beschreven personen en hun levende voorbeelden berust op onmacht van de schrijver. | |
[pagina 5]
| |
Voor de fotograaf Griekenland-Bulgarije-Spanje-Tsjechoslowakije-Portugal-Cuba-Rusland-Egypte-Noord-Ierland-Afrika 1970 | |
[pagina 7]
| |
Deel IOh claro honor del líquido elemento, | |
[pagina 9]
| |
I‘Het begin en het einde van het leven zijn even smartelijk. Met een schreeuw worden wij geboren, met een schreeuw sterven wij.’ Dat waren de eerste twee volzinnen die ontroering bij mij opriepen. Zoals er een eerste landschap is dat gezien wordt met een perspectivische renaissanceblik: twee duinen en wat brem, een waterige horizon, zo is er een geboorte van het gevoel, ergens diep in de puberteit. Tussen die kreten in ligt de kronkelige, s-vormige, spiraalsgewijs stijgende en dalende tijdsperiode die wij levensweg (cammin di nostra vita) noemen: een golfje tijd, geprojecteerd als ruimte op de zeekaart van het zelfbewustzijn. (Het is niet mogelijk zo een verhaal te beginnen. Niet elk cliché is een waarheid, maar elke waarheid van het gevoel is een cliché.) Bedenk wat in die momentopname: een god houdt even de adem in, zoal niet mogelijk is. Het is niet mogelijk twee heren te dienen, noch drie vrouwen te regeren. Un homme averti en vaut deux, une femme invertie en vaut trois stond jarenlang op de linker binnenwand van de linker openbare telefooncel in de Poort, het magistrale, vrijwel altijd lege gebouw, waarin de universiteit van Amsterdam niet was. Links in dat lage, hoefijzervormige doch hoekige monstrum was een van de drie hoofdingangen, leidend via kale trappen en kille seminaria voor paleontologen, oceanografen en lymfatischvasculaire amfibiologen, naar een in hoofdzaak uit lege vitrines bestaand vertrek, waarachter zich een ‘tussenhal’ bevond, alwaar weer links van de toegang - de werkelijkheid spot met de behoefte der gebochelde esthetici aan variatie en met de nood van kosmische symbolisten: hoeveel liever had ik geschreven rechts, maar het was niet rechts - een ladder stond die, als men hem beklom, via een hoog, zelden gewassen raam een blik verschafte over wat morsige achtertuinen recht in de achterste kamer van de vertrekken bewoond door Laïs. Het huis dat zij eens bewoonde is thans tot universiteit ver- | |
[pagina 10]
| |
klaard, en waar haar brede bed stond, werken nu jonge, trouwlustige secretaressen met lange roze nagels aan metalen bureaus. De vaak bewonderde antieke kolenkachel is gemetamorfoseerd tot een drietal slordige archiefkasten vol gestencilde tentamina, college-syllabi, en in traag Nederlands gestelde administratieve mededelingen voor juristen en ander tuig. Haar eeuwig rommelige eet- en kookvertrek is verworden tot de smalle en grauwe werkcel van een met roos bestofte, door carrière-eczeem aangevreten doctorandus. Haar geheimzinnige zolder, waar alleen de allerintiemsten mochten komen, is nu een seminariumzaal voor clichés uitbrakende, agressie zwetende, verveling pissende ouderejaars studenten. Maar damals als die Welt (lees: ik) noch jung war, was alles chaotischer, vreemder, zoeter. Soms, vanaf mijn hoge wacht, zag ik na slechts enkele uren van hoop en wanhoop Laïs verschijnen door de tussendeur die voor- en achterkamer scheidde. Zij liep eerst naar het fonteintje, geflankeerd door twee met geblokt zeil bedekte keukentafels, rechts (van de zaal uit gezien: links) in de hoek. Rond deze minimale structuur (als er vijanden op bezoek waren wel aangeduid als ‘aanrecht’: ‘Olga, liefje, denk je dat er nog een kopje op het aanrecht staat?’) zocht zij vermoedelijk naar een lepeltje, zoals ik kon deduceren. Van de hoek met de keukentafels begaf zij zich naar de beide kamers scheidende dunne wand, waar zich een witgeverfde staande kast bevond. Hieruit haalde zij wat zo te zien een bekertje Bulgaarse yoghurt was. Dit begon zij leeg te eten met een theelepeltje, en soms deed zij nog andere dingen die mensen doen als zij zich alleen en onbespied wanen. Maar niemand is ooit onbespied! Van de naar schatting veertig keer dat ik de nimmer verplaatste, nimmer opgeruimde ladder beklom om Laïs, in wier huis ik zonder meer welkom was, à la Florentine te kunnen gadeslaan, is het maar enkele keren gebeurd dat ik haar inderdaad zag. Maar welk een machtige belevenis. | |
[pagina 11]
| |
Onbegrijpelijke masochistische mechanismen deden mij vermoeden, elke keer opnieuw als ik via de koninklijke weg Laïs bezocht, dat zij mij ditmaal de toegang zou weigeren. Elke keer ontving zij mij even vriendelijk als de vorige. Als ik dan, zwijgzaam van bewondering, alleen of te midden van andere bezoekers en vereerders in haar nabijheid was, leek het onmogelijk haar ooit iets van mijn heimelijke aanschouwingen te openbaren. In zekere zin behoorden Laïs die in een rood ribfluwelen pak of in modieus verschoten strakke blue jeans lijfelijk aanwezig was, en de in de verte, achter twee glaswanden en een luchtlaag bewegende Laïs, in onbestemde kleding van onbestemde snit en kleur (ik ben wat bijziend), niet geheel tot dezelfde wereld. Zomin als iemand zijn dromen, visioenen of nachtmerries vertelt aan een zakendiner, zijn heimelijkste verlangens aan een toevallige echtgenoot, en daar in feite ook zelf niet aan denkt, zomin kon ik tijdens de gewone bezoekuren iets zeggen over mijn uren en gedachten op de ladder, en herinnerde ik mij die zelf dan nauwelijks. Wat ik vanaf de ladder zag was een andere achterkamer, een andere Laïs. Degene die haar aanschouwde was een andere Jean. De wereld die ons dan scheidde was niet deze wereld.
Het liefste luisterde ik naar Laïs' stem als er anderen aan het gesprek deelnamen. Op herfstmiddagen dat de gracht bruin bloeide, de zon nog scheen door de open vensters op het westen, was ik het gelukkigst als er snelle meisjes aanwezig waren die Laïs in de conversatie aanvuurden, als geestdriftige supporters die hun skiff-held toejuichen. Zelf waande ik mij een niet-aanwezige: het oog onder de Tarnkappe, maar minder treurig en minder vervuld dan op de ladder. ‘De beschaving is nog nauwelijks begonnen,’ zei Laïs. ‘Noem mij drie werkelijk grote schrijvers, twee schilders, één componist.’ Joyce, het meisje met de lange rosse lokken, waaronder haar diepbruine ogen vloekten, opende de mond. | |
[pagina 12]
| |
‘Noem mij er één,’ zei Laïs. ‘Eén is genoeg.’ Ze draaide zich om naar de kachel, om thee in te schenken. ‘Joyce,’ zei Joyce. ‘Dat heeft toch niets met cultuur te maken? Zijn helden zijn mannen, zijn vrouwen convenabele (ze sprak het als Nederlands uit) holten waarin hun dierlijke sappen wegstromen. Holten waaruit zij, de toekomstige generaals, handelaars, overige moordenaars en oplichters, de aarde opkruipen. Holten waarin zij eens zullen terugkeren: terra mater, in het uur van het laatste en volledigste orgasme. Ik ken geen grote vrouwelijke kunstenaars of geleerden, ik bedoel nu van de upper-upper klasse. Zolang zij ontbreken kan ook de man-mens niet worden verlost en is de mensheid non-existent, nog in kiemvorm.’ ‘In Noord-Afrika...’ zei Virginia, die haar studie in de sterrenkunde bijna had voltooid, de enige tussen honderden mannen. ‘...is expliciet zichtbaar wat hier met verbale rechten en vrijheden wordt versluierd: dat de vrouwen geen deel hebben aan deze wereld,’ zei Laïs. ‘Ze besturen niet, regeren niet, creëren niet. Ze maken geen steden, en geen oorlog die ze weer verwoest. Ze stellen niet vast wat wetenschap zal zijn, wat kunst zal heten, hoe onze gedragscodes zullen zijn. Vrouwen zijn mooi, omdat mannen dat wensen. Wat mooi is, wordt niet door hen bedacht. Hun leven staat in dienst van de cultivatie van hun lichaam en de lijfelijke zorg voor anderen. Hun werk is bijkomstig en dienend, omdat zij gezien worden als de bijkomstige en dienende variatie van de mens.’ ‘Jij bent zelf een intellectueel, en een kunstenaar,’ zei Ariëtte verlegen. Ze was nauwelijks achttien, en door haar reislustige ouders in de voorbereidende klas van de tekenacademie achtergelaten, met een klein kamertje in Zuid erbij om te kunnen slapen. ‘De spreker is altijd uitgezonderd,’ zei Laïs, de kleine Ariëtte vriendelijk toelachend. ‘Ik doe niet ter zake, noch één van jullie. Wij hoeven van elkaar niet te beoordelen of wij het begin zijn van de geboorte van de volledige mensheid. Tot heden is het in | |
[pagina 13]
| |
elk geval niet gelukt.’ Als Laïs mij in het gesprek betrok, als tweeëntwintig jarige meestal de oudste van haar volgelingen, voelde ik mij als een gast in een luxehotel, die tot zijn verbazing 's ochtends vroeg ongevraagd wordt gewekt. Ik probeerde mij los te scheuren uit mijn afasie en een verstandige opmerking te maken. Althans in dit opzicht was de ladder volmaakter: daar kon Laïs mij niet uit de droom over Laïs halen en hoefde ik niet te ongelegener tijd intelligente mededelingen te doen. Nadat de jongere bezoeksters waren vertrokken - hoe jonger men is, hoe minder men het comfort of het genot weet te continueren: altijd wachtte hun een werkgroep, college, tentamen, bespreking, vergadering, receptie, sociale verplichting, noodzakelijke inkoop, of desnoods alleen het wassen van hun haar - ontspande Laïs zichtbaar. Zij die te midden van haar aanbidsters zo natuurlijk en ongedwongen was, dat wil zeggen: altijd haar complexe, cerebrale, overgecultiveerde zelf, was met alleen mij tot gezelschap zo mogelijk nog ongekunstelder. Ze las mij haar bewerkingen van laat-middeleeuwse Arabische poëzie voor. Parallelle vertalingen in middeleeuws Frans (voor het vervreemdingseffect) en modern Nederlands (voor de informatie). Ze besprak met mij haar commentaar op de Byzantijnse geschiedschrijving (niet van, maar over de Byzantijnen; onze taal is beperkt en al te vaak meerzinnig). Naar haar mening was door de vrijwel uitsluitend manlijke historiografen van de eerste rang de geschiedenis vervalst ten nadele van de vrouwelijke mensen die vooral in Byzantium, die wonderlijke uithoek van de geschiedenis, enigszins hebben deelgehad aan de vorming van hun cultuur. Daarbij bedoelde Laïs uiteraard directe deelname. Van de indirecte deelname van vrouwelijke mensen aan de cultuur der mannen, doordat zij van de juiste, invloedrijke man of mannen de penisbehoeften mochten bevredigen, is genoegzaam bekend. | |
[pagina 14]
| |
Het weinige dat de erkende geschiedschrijvers over femina faber en femina sapiens in Byzantium mededelen, was naar Laïs' mening volstrekt onvoldoende, en berustte op een bewuste onvolledige benutting der beschikbare bronnen. Dergelijke gesprekken, waarbij Laïs soms achter mijn stoel stond, mijn schouder vluchtig beroerend als zij zich vooroverboog in de gloed van haar betoog, of waarbij ik uitgenodigd werd aan haar zijde te komen zitten op het brede bed, opdat ik mij zelf van de kwaliteit der miniaturen in haar Arabische Originaltext (Leipzig & Dresden, 1887) kon overtuigen, waren voor mij van een bijna ondraaglijke verrukking. Zoals de hoogste fysieke lust op de grens van pijn kan liggen (niet de pijn wordt ervaren als lust, maar de lust als bijna-pijn, o treurige sado-masochistische moerasdwergen en aan dezelve u verrijkende calvinistisch-fascistische Madurodammers onder de lezers), zo was Laïs' ongedeelde nabijheid en aandacht van het soort genot dat bij de geringste aanleiding tot snikken zou kunnen leiden. Het beperktere, eenzijdige, abstracte en ook wat treurige genot op de bijna bovenste trede van de gemeenteladder op haar verschijning te wachten was zo niet aangenamer, dan toch in elk geval draaglijker. ‘Jean,’ zei Laïs op een keer, als aanvang van een zin waarvan ik het einde nooit zou weten. Het horen van mijn naam, die zij zelden uitsprak, was zo schrikbarend heerlijk, dat ik opstond en wegsnelde om mijn verlegenheid te verbergen. Ik rende, niet naar huis, maar naar de Poort, stormde de trappen op en alle lege zalen door, tot ik mij bevond op de plek waar ik mijn tranen ongestoord kon laten stromen. Ik keek, urenlang, maar niets bewoog achter dat heilige venster. Waarschijnlijk zat Laïs nog steeds op het bed waarop ik haar had achtergelaten. Toen ik diezelfde avond, tegen half tien, weer bij haar aanbelde, zat zij daar inderdaad. Of liever: zij lag er in. Een serveerblad met thee en biscuits (Hoe was dat daar gekomen? Ik had niemand in de keuken gezien, dat wist ik zeker. Zouden mijn tranen mij | |
[pagina 15]
| |
zó hebben verblind?) stond op een stoel naast het bed. Over het incident van die middag spraken wij, als vanzelfsprekend, niet. Laïs zei mij dat zij wat hoofdpijn had en daarom in bed was gaan liggen. Ze vroeg mij haar voor te lezen uit Rabelais, voor privé-lectuur haar lievelingsauteur. Ik las het twintigste hoofdstuk uit Pantagruel voor. Daarna moest ik naar huis en ging Laïs slapen. Ik dekte haar toe, kuste haar op het voorhoofd, doofde de lampen, en ging zachtjes, om de in dronkenschap kwaadaardige hospes niet te wekken, de trappen af.
De vrouw bij wie ik in die tijd woonde, en met wie ik de rustigste en prettigste vriendschappelijke affaire had die ik ooit heb gekend, wist van mijn betrekkingen tot Laïs niets af. Ofschoon van adel, had zij haar zin doorgedreven om medicijnen te studeren, een beroepskeuze die in haar kringen geenszins werd gewaardeerd. ‘Voor een vrouw is het voldoende als zij voor een hooiwagen opzij kan gaan,’ was de lijfspreuk van Corinnes voorname en maatschappelijk gewichtige grootvader. Hij bedoelde wat hij zei. Freudiaanse symboliek was en is in aristocratische kringen even onbekend als de gewoonte van oppassende en nette burgers om elkaar ‘smakelijk eten’ toe te wensen, enig gerecht of drank al dan niet te ‘lusten’, koffie of thee te ‘moeten’, ‘het toilet’ te bezoeken, dan wel ‘op bed’ te gaan liggen als zij ziek zijn met hoge koortsen. Bovendien vond de man, en al zijn stam- en sibbegenoten, dat zo een vrouw al meer zou willen leren dan tijdig uit te wijken voor een zwaar beladen gevaarte (mijn ongunstige afkomst verraadt zich in het eeuwige zoeken naar dieptepsychologische puns, in de geest van een bekrompen Victoriaanse burgerman van oninteressante Weens-joodse herkomst, met een benepen en verwarde geest, schepper van slecht geschreven cultuursprookjes, en behept met de typische taboes van de lagere standen), dit in geen geval in de richting van een zo banausisch handwerk als het | |
[pagina 16]
| |
veredelde barbiers- en slagersvak behoorde te liggen. De adel studeert rechten en, als de telg ongewoon neurotisch en introvert is uitgevallen, desnoods kunstgeschiedenis of een taal (uiteraard geen Germaanse, om dezelfde al dan niet ogenblikkelijk duidelijke, maar nimmer te expliceren reden waarom handel in dranken accepté, handel in voedingswaren daarentegen volstrekt onmogelijk is). De adel studeert geen exacte vakken (tenzij een buitengewone, volstrekt geniale begaafdheid dit onvermijdelijk maakt), nimmer een van de toegepaste wetenschappen zoals de landbouwkundige, de economische of de technische, en nooit, helemaal nooit en te nimmer, dat toegepaste vak dat een zekere handvaardigheid en manuale bezigheden onvermijdelijkt maakt (hoewel schilderen in orde is), en waar de middle-classes als sociale stepping-stone en/of windhandel om snel rijk te worden van dromen. Toen mijn dierbare Corinne aldus, niet voorzien van de voor studie en carrière onmisbaar geachte penis en testikels, en met de adelsbrieven, titels en gewoonten die haar onmiddellijk als één van de clan zouden doen herkennen, eigenzinnig het medische pad bleef volgen (daartoe in staat gesteld door een klein legaat van wijlen haar grootmoeder van moederszijde, die zich vele malen in het familiegraf moet hebben gewenteld), werd zij uitgestoten uit de kring der haren en, voor zover de Nederlandse erfrechtwetgeving en het vernuft der verenigde familieadvocaten dat mogelijk maakten, via schenkingen bij het leven aan haar broer en zuster, onterfd. Pas op late middelbare leeftijd kwam zij zodoende in het bezit van het ongewoon kleine bedrag van slechts f 300.000,- (na aftrek van rechten en lasten), en heeft zij haar hele jeugd moeten verdoen met het op eigen kracht de kost verdienen als microbiologisch specialist, tevens verbonden aan het academisch ziekenhuis, en daarnaast buitengewoon lector in de speciële microbiologie voor post-kandidaten. Zij leed geen honger, maar ze moest hard werken en was veel afwezig. Wij zagen elkaar in hoofdzaak tijdens weekends, voor | |
[pagina 17]
| |
zover administratieve taken en lectuurstudie haar dan niet bezighie[l]den. Dat onze vredige, en zoals ik al zei in wezen meer bundgenossische dan erotische relatie ooit afbrak, was uitsluitend mijn schuld. Of de schuld van Laïs, die mij haar bizarre opdracht gaf. Maar wat praat ik van schuld? Slechts gehuwde of huwende priesters, het masturberen moe, en het juristentuig interesseren zich voor het schijnconcept ‘schuld’. Empirisch is dit een leeg begrip. (Rolph Cohn-Austen, in zijn commentaar op Wittgenste[in], Tract. Flex., Vol. iv, pp. 833 sqq.; Melzer Verlag, Darmsta[dt] 1968.) ‘Jeannot,’ zei Corinne op een klefwarme voorjaarsdag in het begin van mei, ‘je ziet er wat bleek uit.’ (‘Kind, wat zie je wit, je moet nodig op vakantie,’ zou op deze plaats een al te gruwelijke parodie zijn. Hoewel ik wreder ben dan de meesten, een schizofrene psychopaat volgens mijn achterneef, de weledelgeleerde dope-peddler en aborteur - een kleine maar vasthoudende bouwer van Spa's en andere lucratieve modderbaden voor neurasthene dames met een hang naar de geheimenissen van het occulte, en het erfgeld los in de zak voor wie hun sinds tientallen jaren getransformeerde seksuele behoeften met langdurige gesprekken en een overvloed aan goedgehonoreerde aandachtvisites wil bevredigen - kan ik in deze exponerende fase van het verhaal mijn mij werkelijk zeer dierbare Corinne niet attaqueren.) ‘Ik ben misschien wat moe,’ zei ik, mijn woorden wegend. ‘Ik heb nogal lang in de universiteitsbibliotheek zitten werken vandaag. Wat ben jij vroeg thuis.’ ‘Op donderdag kom ik toch altijd vroeg uit de kliniek,’ zei Corinne. ‘Nu ja, ik bedoel: je bent vroeg klaar. Vroeg present uit je werk-boudoir.’ Corinne ging mij voor naar de keuken, waar wij op hoge houten krukken aan onze ontbijtplank 's avonds een whisky dronken. De krukken en de stevig in de muur geslagen plank waren een vondst van onze voormalige huisbediende Henk Papiertje, | |
[pagina 18]
| |
een handige jongen en manusje van alles, ten slotte toch ontslagen omdat de wollen truien die hij bij voorkeur droeg, ook na tactvolle opmerkingen en zelfs kostbare sinterklaassurprises onzerzijds (een spuitbus Tabac in een tabakszak van echt Egyptisch leder) nimmer geheel okselfris waren. (Enkele maanden na het pijnlijke ontslag bleek dat de handige man gezocht werd wegens bigamie. Gelukkig bleef deze malhonneur na zoveel malodeur ons huis bespaard.) Terwijl wij dronken, vertelde Corinne mij haar belevenissen van de dag, en ik haar de mijne, voor zover voor publikatie vatbaar. De onvermijdelijke gaten in mijn verslag vanwege bezoeken aan Laïs vulde ik aan met korte samenvattingen van lectuur van jaren her, die ik in de ub beweerde te hebben geraadpleegd, geannoteerd en geëxcerpeerd. In mijn jeugd heb ik gelukkig veel gelezen. ‘Jeannot, ik herhaal: je ziet er vermoeid uit. Moeten wij niet weer eens een reisje maken?’ We bespraken de mogelijkheden. Corinnes nicht, Amanda de la Pied aux Prix Bas, was zojuist teruggekeerd van een maand Martinique, met haar vriendin Gorrie Bol. Zag ik iets in Martinique? Was ik toe aan Madeira? Louter uit Germaanse alliteratiedrift riep ik: ‘Marrakech. Laten we naar Marrakech gaan.’ ‘De witte stad in de woestijn,’ zei Corinne. ‘Korancultuur, kasbah, courtisanes,’ zei ik. ‘Zand...’ ‘...zeep en zoda,’ vulde ik aan. ‘Jongensbordelen, juchtleder beurzen, joodse bruidjes,’ antwoordde Corinne. ‘Oosterse oasen,’ zei ik vermoeid. ‘Ja,’ zei Corinne. ‘What is good for the goose is good for the gander. We gaan op reis.’ ‘Dan zien we stationsreclame,’ zei ik. | |
[pagina 19]
| |
Maar we gingen niet op reis. Laïs, de voor Corinne non-existente, hoogstens gemanifesteerd als ongrijpbare ‘uren inde ub’, zou beletten dat de beste kameraad waarmee ik ooit voor anker heb gelegen in de oceaan der lusten, met mij de Marokkaanse woestijn zou betreden. De vele en langdurige voorbereidingen die wij troffen maakten de situatie des te pijnlijker, juist tegenover Corinne, die vroeger niet alleen met moeders pantoffel had geleerd correct te eten, maar ook met vaders zweep nooit en te nimmer enige afspraak of belofte niet na te komen, om welke urgente reden dan ook, behoudens geboorte of dood. Wij reisden naar Den Haag voor vederlichte doch ijzersterke koffers. Terug naar Amsterdam voor tropenkleding. Naar Rotterdam voor superbe informatie over schepen, vliegtuigen, treinen, helikopters, kamelen, benevens hun onderlinge aansluitingen, al dan niet te perfectioneren door Rent-a-Car-episoden, die gelijk katalysatoren onze reis zouden bespoedigen, zonder daar echter een intrinsiek element van te vormen. Corinne was tijdens vakanties het Arts en Autowezen beu. Zij wilde comfort en cultuur. (Comfort, orgasmes en cultuur, drie bestanddelen die helaas ontbreken in de dagelijkse levenspraktijk van onze hardwerkende doktersstand.) Het gerenommeerde reisbureau Vierstroom, Tweebeen en Eenling, n.v., sinds 1897 gevestigd aan de Boompjes 13-15, verschafte ons niet alleen tabellen, time-tables en tarieven, maar ook mappen, kaarten, reisgidsen, fotoboeken, vrijblijvende verzekeringspremies, wisselkoersen, douanerechten, visa- en vaccinatie-eisen, taalgidsjes, reistips en reisschema's. Wij zouden zeven weken wegblijven, en in die tijd alle culturele en landschappelijke essentialia, alle pittoreske plaatsen en historische baaien bezichtigen, en tevens tijd vrijhouden voor ontspannen rustpauzes in gunstig gelegen luxehotels, waar wij suites zouden huren met air-conditioning; terras met handdouche en bidet; bad met zeezicht; twee telefoons; kleurentelevisie; een hi-fi stereo-installatie; een zessporen professionele bandrecor- | |
[pagina 20]
| |
der (merk Uher; aanbevolen door David Frost en Sneer Verkade, de beroemde Hollandse art-house reporter) in het bed gebouwd; en ochtendservice naar keuze door één kelner of twee kamermeisjes. In Heemstede kocht Corinne een camera die speciaal geschikt was voor fotografie bij schel tropenlicht, met een soort film die zelfs kon worden ontwikkeld door Arabieren waarvan de linker hersenhelft geheel door endemische syfilis is weggevreten. In Hilversum tikten wij een verrekijker op de kop (een degelijke, antieke Laudorc) die ons een oase van een fata morgana zou kunnen doen onderscheiden als wij op onze kamelen, aan het eind van onze krachten en de bodem van de veldfles in zicht, naar het volgende luxehotel sjokten door de eindeloze Sahara, terwijl de zandstormen ons om de oren joegen, de hyena's huilden, de poema's blaften en de gieren gonsden. In Otterloo (Hoge Veluwe) kochten wij antigif tegen slangebeten. Op de Heiligeweg huurden wij een cursus Arabisch (Algerijns, omdat ons dat meer Marokkaans leek dan Egyptisch) op 78-toeren platen. ‘Verwittig uw tante dat wij haar de gewenste manchetten en boordeknopen zullen zenden, zodra de regen ophoudt.’ (Les 23; maar zo ver kwamen wij nooit.) ‘Dat grote witte huis is van mijn oom. Dit kleine blauwe huis is van mijn zuster.’ (Les 5; alleen Corinne maakte die af.) ‘De stoel van mijn vader. De bal van het kind. Het huis van mijn oom. (De cursus was concentrisch opgebouwd.) Het haar van uw moeder.’ (Les 2.) Les 1 bestond uit het bijzonder priegelige alfabet: een verzameling meer of minder gekromde haaltjes, al dan niet voorzien van een weerhaakje en een puntje er onder of boven, met de uitspraak van deze barbaarse tekens. Ik kocht een boekje over Arabische poëzie: A.J. Arberry, Arabic Poetry (A primer for students); Cambridge University Press (tweetalig; helaas was het Engels toch nog wat moeilijk | |
[pagina 21]
| |
voor mij). Een editie van de koran in een boekwinkel voor progressieve jongeren. Een Pelican History of the Moslim Culture bij een universitaire boekhandel te Leiden, waarvan de vriendelijke eigenaar mij en passant de verzamelde werken van Anna Freud - volgens hem veel beter dan haar ten onrechte beroemd geworden vader - trachtte te verkopen. Ook gireerde ik f 8,90 op een nummer van iemand te Nijmegen, die in het litteraire weekblad Leesvers geregeld adverteerde met de mededeling dat bij hem een boekje te bekomen was met de adressen van alle bars, cafés, clubs, restaurants, sociëteiten, hotels, sauna's, tearooms, pissoirs, parken en straathoeken in de gehele wereld plus alle thans bereikbare planeten, ‘waar u uw vrienden kunt ontmoeten’. Het leek mij een nuttig boekje, want al stond er maar één Marokkaans badhuis of drenkplaats voor kamelen in, allicht kon ik daar dan aan een vriendelijk, liefst wat jonger persoon vragen of hij ons naar een soortgelijke plek ‘waar u uw vriendinnen kunt ontmoeten’ kon doorverwijzen. Corinne en ik waren er dol op gezamenlijk slumming, painting the town, brimming the broads, gauging the girls, whopping the wenches, fucking the femmes, bumping the butches, digging the dykes te beoefenen. Ook daarin onderscheidde zij zich van al mijn voorgaande, volgende en gelijktijdige relaties. What is good for the goose is good for the gander, stond in Corinnes familiewapen. Bij de anderen was het immer Quod licet Iovi non licet bovi, een mentaliteit die veel levensvreugde bij voorbaat uitsluit. De adressenman te Nijmegen bleek echter zelf spoorloos te zijn. Na verloop van tijd kreeg ik mijn f 8,90 van de ptt terug, met de mededeling Onbestelbaar. Soms, in nachten als de slaap niet wil komen, vraag ik mij af of wij net als de Amerikanen, maar dan zonder dat dit bekend wordt gemaakt, een zeden-censor in onze ptt hebben. Hoe komt het anders dat ik tot driemaal toe een brief stuurde naar het Engelse tijdschrift Arena 3, correct geadresseerd aan het juiste postbusnummer zoals in de New | |
[pagina 22]
| |
Statesman-advertenties vermeld, en die steeds als ‘onbestelbaar’ terugkreeg?Ga naar voetnoot* Corinne werd jonger en vrolijker naarmate onze reis vastere contouren begon te krijgen. Het vooruitzicht van een goedgeplande, intensief gezamenlijke reis door een nieuw werelddeel, gaf haar moed het slopende bestaan tussen kliniek, praktijk en universiteit nog even vol te houden. In haar depressiefste momenten vroeg zij zich wel eens af of wijlen haar grootvader het toch niet bij het rechte eind had gehad, en zij beter niet had kunnen studeren (en ongebrouilleerd met de familie van haar renten enlegaten leven), dan wel een acceptabel vak had moeten kiezen: kunstgeschiedenis en Italiaans, of desnoods oceanografie. Dat zou haar tijd voor een privé-leven, enige culturele activiteit, wetenschappelijke bevrediging en wat meer contact met mij hebben gegeven. (Corinne was achtendertig, en voelde zich louter op grond van de zestien levensjaren die ons scheidden altijd enigszins schuldig tegenover mij. Een absurde, zeer Germaanse, althans on-mediterrane gedachte.) Op sommige momenten van mijn leven ben ik, en ik weet dat dit geen verdienste is en dat vrijwel iedereen het fenomeen kent, helderziend. Ik wist met pijnlijke precisie dat Corinne en ik niet gezamenlijk Marokko zouden bereizen, lang voordat ik door Laïs op alternatieve reizen werd gestuurd. Geen enkele reden was mij bekend waarom ik niet met mijn makker, vriend, beschermer, bondgenoot, onze zee zou oversteken de woestijn intrekken. Enthousiast werkte ik aan alle voor- | |
[pagina 23]
| |
bereidingen mee en samen met Corinne genoot ik van de zoals bekend allerplezierigste ‘voorpret’ (avant-joie; pre-joy; Frühfreude). Maar ik zag ons niet samen in Marokko.
Het ging Laïs wat minder goed. Zodra de zomertijd naderde, begonnen meer en meer van haar kleine meisjes hun goedkope koffertjes, rieten mandjes, rugzakjes, door oudere familieleden afgedankte echt lederen reistassen, hutkoffers van geperst karton versterkt met plastic en bedekt met skai (een soort kunstplastic), vliegtuigkoffers met leeropdruk, touwnetjes, plunjezakken en Griekse wollen schoudertasjes in te pakken, om hun vrije en avontuurlijke bestaan te Amsterdam te verruilen voor de saaie regelmaat van de vakantie. Naarmate al die bewonderende gezichtjes, van eerbied half open mondjes, van verbazing gespreide beentjes verdwenen, de zachte vingertjes van Ariëtte ontbraken, die Laïs' haren eenmaal per week waste en eenmaal per maand knipte, de sterke knuistjes van Manon, die zo goed masseerde (weg hoofdpijn, weg hernia, weg zenuwtrekkingen, weg kuitkramp, weg rugkriebel, weg erectio clitoridalis), naarmate zij het charmante zang- en luitspel van de muziekstudente Isa langer moest ontberen (volgens tout Amsterdam expert in wat Nabokov met de onvoorstelbare botheid van de fallisch gefixeerde man door een dienstbode laat beschrijven als een ‘dubbele baring’ in zijn overigens niet onverdienstelijke meesterwerk Ada, werd Laïs somberder, stiller, bleker. Ik wist niet hoe ik haar in de moeilijke eerste zomermaanden zou kunnen bijstaan. Laïs ging schaars op reis, dat was bekend. Haar werk ging voor, en aangezien zelfs de beste hotels zelden zijn voorzien van goede schrijftafels en behoorlijke bureaulampen, en het in nieuwe steden slecht zoeken is in boekhandels en bibliotheken waarin men de weg niet kent, nauwelijks welkom is, en niemand van het personeel tot bijzondere inspanningen voor je bereid, verliet zij Amsterdam en haar eigen huis zo min mogelijk. | |
[pagina 24]
| |
Als er toevallig een studie voltooid, een publikatie geheel persklaar was, ging zij wel eens, op de vreemdste momenten, eind november of ergens in maart, voor een tiental dagen op reis. Maar meestal was zij lang voordien al weer terug, klagend over te lage toilettafels waaraan het slecht schrijven was, gebrekkige boekwinkels in overigens geroemde reisplaatsen, gehorige hotelwanden waarachter zij niet durfde te typen (anderen wel hun afstotende, inspiratie vernietigende, bonkende liefde durfden te bedrijven), en zware sauzen vergezeld van zware wijnen, die haar het denken na de verplichte maaltijden beletten. Hoe moest ik Laïs troosten, hoe haar vermaken, in de voor haar lege en dode maanden dat de kleine meisjes vakantie hielden? Ik probeerde het met scherts. ‘Kon ik de kleine meisjes maar voor je vervangen, Laïs!’ Wij zaten bij het geopende raam, op een door Laïs zelf getimmerd vurenhouten bankje, bedekt met roze en bruine kussens. Verbaasd keek Laïs mij aan. ‘Jean, ik heb jou het liefste bij me. Waarom denk je dat ik de meisjes mis?’ Laïs was niet beleefd, dat was een van haar charmes. ‘Je bent zo treurig, Laïs.’ ‘Ja, dat is waar. Maar niet om de meisjes.’ ‘Wil je mij zeggen wat je kwelt?’ ‘Misschien. Jean...’ Plotseling nam Laïs mijn hoofd tussen haar handen en kuste mij lang en begerig. Ik zat als verlamd. Kon het zijn dat Laïs, de onbereikbare, de onaanraakbare, de van verre ladders aanbedene, de heimelijk bezochte, zich om mij treurig zou voelen? Zou zij, die alle meisjes van de wereld kon krijgen, op de perfecte leeftijd (achtentwintig jaar), met een perfect lichaam, een benijdenswaardig Amsterdams appartement, voortreffelijke conversatie, geheimzinnige charme, zich om mij bekommeren? ‘Oh Jean,’ zei Laïs, en nu lagen wij op het brede bed waarop wij zo vaak kuis hadden gezeten, en Laïs was overal, haar haren stroomden over mijn lichaam, haar huid zette mijn huid in | |
[pagina 25]
| |
brand, haar verkoelende tong baande zich snelle wegen, maar er was iets mis, en terwijl ik dacht: ‘Dit heb ik altijd gewild, nauwelijks durven hopen,’ en kreunde: ‘Oh Laïs,’ en ‘Oh... oh’, was ik tegelijkertijd - met de andere hersenhelft? - zeer ongelukkig en wist dat ik nu voorgoed Laïs had verloren en dat er nooit meer iets goed zou komen. In tegenstelling tot Corinne die meestal vrij snel in slaap viel (nauwelijks een verwijt, gezien haar werkdagen), bleef Laïs alert, teder, ook na de vierde en vijfde omhelzing, bleeft zacht strelen over mijn rug toen ik zelf, kort, in slaap viel.
Après cvoir fait l'amour, le premier qui dit un mot dit une bêtise. ‘Oh Jean, dit was goed. Ik was zo ongelukkig,’ zei Laïs. ‘Leg het mij uit,’ zei ik. ‘Ik durf je nu alles te vertellen. Jean, je was zo lief voor mij, oh, dank je wel,’ zei Laïs, en kuste opnieuw mijn wangen, voorhoofd oren, armen, benen, voetzolen. ‘Kom mee naar de zolder, dan zal ik je wat laten zien.’ Ik stond al half op, maar zag opeens op mijn horloge dat Laïs naast het bed op de grond had gelegd, dat het kwart over vijf was. ‘Ben je vanavond thuis? Ik moet nu dringend naar huis, het spijt me verschrikkelijk,’ zei ik. ‘Natuurlijk, ga gauw. Maar kom gauw terug. Zo gauw als je kunt.’ ‘Je begrijpt dat Corinne...’ ‘Natuurlijk, ga gauw. Het is niet erg. Maar kom gauw terug.’ Wij omhelsden elkaar, ik met het wanhopige vermoeden dat als ik die avond terugkwam, Laïs weer gewoon vriendelijk en gereserveerd zou zijn, zoals altijd. Zij wuifde naar mij uit het raam toen ik op de gracht liep, iets wat zij anders nooit deed.
Tot de moeilijkste opgaven van het volwassen bestaan behoort het snel kunnen wisselen van sociale rol, de bliksemadaptatie aan | |
[pagina 26]
| |
een andere atmosfeer en andere gedragscodes. Ik vind het nog steeds moeilijk van kroeg naar receptie te snellen of vice versa, zonder gevoelens van zelfverwijt dat ik niet ‘echt’, niet mij zelf zou zijn. Maar-er-is-geen-zelf, behoudens-het-zelf-in-relatie-met-anderen, met-situaties. Alleen-de-wijze-van-interactie-is-uniek. Toen, in het begin van mijn twintiger jaren, was ik nog minder soepel dan nu. Als de adaptatie aan een wisselende omgeving en andere gedragsverwachtingen al sneller ging, de gevoelens van ego-failure waren er des te sterker om. ‘Geheel ten onrechte,’ zegt Marianne van Lelieveld, voorzitster van een van de vijf Freudiaanse secten die ons land rijk is, ik geloof de chicste. ‘Het is juist een kenmerk van psychopaten dat zij star in één sociale rol volharden, niet kunnen adapteren.’ Misschien heeft mijn geld- en babbelzuchtige achterneef dan toch gelijk. Toen ik de salon betrad waar Corinne op de grond zat: het glas whisky boven haar hoofd op een Louis xvi-stoel, de tapijten en het parket rondom haar bezaaid met reisdocumenten, wist ik mij even geen raad. Ik voelde me blozen, en zag met Corinnes oog mijn verwarde, al te haastig en nadrukkelijk ten dele gekamde haar, mijn bezwete huid (van het hollen naar huis), mijn te glanzende blik, mijn schuldige houding, mijn verkreukelde blouse, mijn vreemde aura. ‘Dag liefje, wat ben je laat,’ zei Corinne. ‘Je weet dat ik vanavond om zeven uur spreekuur heb. Laten we gauw even iets eten en dan nog even samen naar deze dingen kijken. We moeten nu een beslissing nemen over de data en over de route.’ Gauw, gauw, even, even. Waarom jaagt iedereen mij op? Ik ben traag, oneindig vertraagd. Ik wil loom baden, lui soezen, en urenlang slapen in nieuwe lakens. ‘Ik zou wel even een bad willen nemen, als dat nog kan. Het was stikheet in de ub,’ zei ik. ‘Sorry, dat ik zo laat ben.’ ‘Goed, als je het warm hebt, neem dan vlug even een bad,’ zei | |
[pagina 27]
| |
Corinne. ‘Weet je wat, als je het niet erg vindt, ga ik met je mee. Dan zal ik je rug wassen en kunnen we ondertussen praten.’ Een blik op haar horloge. ‘Ik moet al weer bijna weg.’ Mijn beleefde protesten waren tevergeefs. Ten slotte zat ik verwezen op een badkruk, terwijl Corinne het bad liet vollopen, naar Cathy, ons Engelse dienstmeisje, belde om warme badlakens via de huistelefoon tegen Erna, de assistente, zei dat de eerste patiënten die avond tot kwart over zeven zouden moeten wachten. ‘Kom,’ zei Corinne, ‘kleed je uit.’ Gewillig liet ik mij van blouse, Levi's, sandalen en sokken ontdoen. Pas bij de onderkleding werd ik actief, bevreesd dat zij doordrenkt zouden zijn van verraderlijke vreemde parfums. Plotseling wakker stroopte ik razendsnel de laatste kledingstukken zelf uit, frommelde ze ineen en wierp ze in een hoek. Ik stapte in het bad en Corinne zeepte mij in. ‘Het probleem is dit...’ zei ze. Ik probeerde te luisteren naar de voor- en nadelen van een route met de klok mee, respectievelijk er tegenin, door het hete, witte Marokko. Er was iets met een bootverbinding via Napels en Capri, en een ferry via Málaga. Terwijl Corinnes stevige, bekwame doktershanden mijn huid reinigden, probeerde ik aan Laïs te denken, de herinnering aan haar aanrakingen vast te houden, ergens onder de huid, waar niemand ze zou kunnen wegwassen. ‘Beslis jij maar,’ zei ik. ‘Jij bent de knapste. Voor mij met mijn kleine denkraampje is dit allemaal veel te ingewikkeld.’ ‘Je bent geestelijk lui vanavond,’ zei Corinne, één van onze standaardgrapjes. ‘Maar innerlijk beschaafd,’ zei ik. ‘Kom hier, dan zal ik je afdrogen.’ Corinne wikkelde mij in het badlaken dat Cathy om de hoek van de deur had aangereikt, en ik moest vechten tegen de behoefte mij in haar armen te storten. Ik zag dat Corinne dezelfde strijd voerde, alleen was het bij haar de gedachte aan wachtende patiënten die haar weerhield. | |
[pagina 28]
| |
‘Laten we nu gauw even samen eten,’ zei ze, nadat ik mijn tanden had geborsteld.
Laïs' kamer was geheel donker toen ik die weer betrad. Ik riep haar naam, knipte het licht aan, maar zag haar niet. Plotseling ging het zolderluik open, een been verscheen, en Laïs nodigde mij uit bij haar te komen. De zolder, of eigenlijk de vliering, want wat Laïs bewoonde was zelf oorspronkelijk de zolder, was het allerheiligste. Ik besefte het voorrecht dit nu eindelijk te mogen aanschouwen, en vol verwachting beklom ik de trap die Laïs neerliet. De vliering was duister, slechts verlicht door een enkele kaars. Voor- en achterin bevond zich een klein raampje. Tegen de zijwand stond een roodgeverfde kast, onder het voorste raam een bed, veel smaller dan dat van beneden. Aan de achterzijde lag een oud tafelblad op enkele kistjes. En stond een melkkrukje naast. Verder was de vliering geheel leeg. ‘Heerlijk dat je er bent,’ zei Laïs. Ze snuffelde even aan mijn gewassen huid en vroeg: ‘Heeft de hygiënische Corinne je in bad gestopt, nadat ze van onze onhygiënische uitspattingen had vernomen?’ ‘Ik vertel haar niets,’ mompelde ik. ‘Oh, maar dat moet je wel doen. Het nieuwe is niet dat wij elkaar beminnen, Jean. De hele wereldgeschiedenis door heeft dat bestaan, alleen vonden de meeste manlijke auteurs het niet belangrijk genoeg om te vermelden. Ze zijn zo narcistisch, dat ze alleen hun eigen fallische vreugden de moeite van het beschrijven of onderzoeken waard vinden. Maar dat is niet de clou. Ik mag niet de clou zeggen van Isa; die vindt het een lelijk woord, maar ze is met vakantie naar haar ouders. Ik zeg je dus toch: dat is niet de clou. Het nieuwe is dat wij elkaar moeten leren vertrouwen, in vertrouwen nemen, kameraadschappelijk zijn, zoals mannen dat al eeuwen kunnen. Altijd hebben ze ons, de underdogs, onderling laten concurreren om hun gunsten, en ik bedoel niet alleen de erotische, maar | |
[pagina 29]
| |
ook de sociale en vooral de economische. Het zit in ons bloed elkaars vijanden te zijn: op onze hoede voor elkaar, achterbaks, verraderlijk, als gevangenen onder een corrupt en streng regime. Maar de volledige mensheid ontstaat pas als wij ook volwaardige mensen zullen zijn, en punt één is dat we elkaars vrienden zijn. Je moet Corinne alles vertellen. Ik vertel ook alles aan iedereen, als het nodig is.’ ‘Dat kan niet,’ mompelde ik. ‘Corinne is zestien jaar ouder dan ik. Ze werkt heel hard, ze is altijd moe, ze heeft geen tijd en geen kansen om zelf met anderen relaties aan te gaan. Ze zou de dupe zijn van mijn hooggestemde eerlijkheid.’ ‘Probeer het toch,’ zei Laïs, die met hetzelfde gebaar als van 's middags mijn hoofd tussen haar handen nam en mij begon te kussen. Ik ontspande direct, maar ze liet mij los, liep naar de rode kast en haalde daar een fotoalbum en een bundel brieven uit. Ze ontstak een menora (joodse kandelaar met zeven kaarsen; vert.), ging op het bed zitten en begon in het album te bladeren. Het leek alsof ze mij was vergeten. Aarzelend liep ik naar haar toe en ging naast haar zitten. Mijn gevoel van 's middags, dat Laïs meer behoefte aan troost dan aan mij had, bleek juist te zijn geweest. Maar toen ik voorzichtig het gesprek heropende, bleek dat ik mij op het punt van de kleine meisjes had vergist. Laïs bleef hardnekkig ontkennen dat er iets anders dan een stroom van bewondering heen, een stroom van vertedering terug zou zijn. Geen massages? Geen massages, althans niet zulke. Geen ‘dubbele baring’? ‘De vulgariteiten en ongevoeligheden van een mannetjesschrijver die als een haan op de mesthoop staat te kraaien over cock en crisp scrotum (ik citeer letterlijk) van zijn held, laten me koud. Maar wat hij een dienstbode even voor een dubbele baring laat aanzien, zodra de held zelf deze kwantitatieve techniek met zijn geliefde beoefent echter voor een verfijnd en subliem ero- | |
[pagina 30]
| |
tisch genot, dat heb ik nooit gedaan. Ik bedoel: nooit met een van de kleine meisjes, en zeker niet met Isa gedaan,’ zei Laïs, na mijn verbaasde blik. Al gauw, alsof zij de zinnen van tevoren had overdacht, werd mij nu onthuld dat er maar één vrouw was in Laïs' leven, of beter dat er maar één ontbrak: Stéphanie, een meisje waarvan ik de naam zelfs nooit had gehoord. Met dromerige gebaren begon Laïs, op het bed gezeten, met een hand om mijn middel, met de andere afwisselend de papieren in haar schoot bedwingend en bladen in het album omslaand, mij foto's te laten zien. Stéphanie in het zwembad van een hotel te Torquay, Stéphanie roeiend in het Bois de Boulogne, Stéphanie tijdens een bezoek aan Alice B. Toklas in het Amerikaanse hospitaal te Neuilly, Stéphanie paardrijdend in de omgeving van Santiago de Compostela, Stéphanie bij een bezoek aan prehistorische opgravingen te Malta, Stéphanie aan het strand van Aghios Nicólaos, Kreta, Stéphanie tijdens een galareceptie in de Plaza te New York, Stéphanie surf-riding in Miami, Stéphanie bij de ingang van een Japans theehuis, Stéphanie op de trappen van het Vaticaan, Stéphanie, lachend naar Mary Renault die een glas heft in haar richting, op het terras van een hotel in de baai van Sorrento, Stéphanie tijdens een diner te Genève, aan haar linkerzijde de (vrouwelijke) minister van Buitenlandse Zaken van Cyprus, die op deze tafelschikking had geïnsisteerd, zoals Laïs enthousiast mededeelde. ‘Ze reist veel,’ zei ik voorzichtig. Het bleek dat Stéphanie, thans vijfendertig jaar oud, een van de al te schaarse vrouwelijke leden van het Nederlandse corps diplomatique was. Als buitengewoon begaafde juriste tijdens haar korte studietijd te Leiden al opgevallen, wist zij vervolgens dat bolwerk van (briljante) vrouwen hatende ignoramussen: het ministerie van Buitenlandse Zaken, stormenderhand te veroveren. Betere examens afleggen voor de toegang tot de buitenlandse dienst dan de grauwe, in eeuwig antraciet gestoken muizen van goede familie, semi-impotente gladakkers met een iq rond de | |
[pagina 31]
| |
120, die thuis hebben leren zwijgen (bij gebrek aan conversatie van zowel de ouders als de bedienden die hen grootbrachten), en die in het Corps hebben leren drinken, eten en zich voorstellen, was een kleinigheid. Stéphanies feiten-, vak- en cultuurkennis konden slechts in machten van die van het mannetjesgrauw worden uitgedrukt. Het probleem was, zonder met een van de oudere uilebabbels of slijmjurken het bed in te hoeven, op posten te worden geplaatst die met haar capaciteiten en ambities overeenstemden. Discriminatie van mensen op grond van ras, stand, geloof, politieke overtuiging, maar bovenal sekse, is geheel vanzelfsprekende dagelijkse praktijk op het ministerie, dat primair als vangnet voor hooggeboren maar matig bekwame topfiguren dienst doet. Stéphanie redde het. Zij doorbrak de pogingen haar als secretaresse, assistente, adjunct-hoofd, kortom onderknuppel van een of andere imbeciele telg blijvend te exploiteren. ‘Vraag me niet hoe,’ zei Laïs. ‘Ik vrees dat ze toch korte tijd met de een of andere sleutelfiguur... misschien iemand van tres... enfin, ik wil het niet weten. In elk geval is ze nu sinds zeven jaar eerste secretaris of hoe dat heet. En tegen haar veertigste zullen ze haar tot ambassadeur moeten benoemen, dat is zeker.’ ‘Wanneer zien jullie elkaar?’ vroeg ik. Stéphanies taak bracht mee dat zij veel reisde: voor briefings op het ministerie soms voor enkele dagen naar Nederland, voor congressen, internationale conferenties, soms naar oorden waar zij tevens vakantie kon houden en Laïs enkele dagen ontvangen. Maar in het algemeen zagen zij elkaar weinig. In de laatste zeven jaar maar tien keer, vaak slechts voor enkele dagen. Wel werd er intensief gecorrespondeerd. Laïs liet mij de bundel brieven (een van tientallen, zei ze) even ter hand nemen. Verlegen bladerde ik er wat in, zonder te durven of te willen lezen. Tenminste eenmaal per week schreven zij elkaar uitvoerig over hun belevenissen, gevoelens, lectuur, ontmoetingen, gedachten, werk. ‘En, eh...?’ vroeg ik. | |
[pagina 32]
| |
‘En wat?’ ‘Is het, ik bedoel fysiek, niet wat erg weinig zo?’ Laïs lachte. ‘Ik ben niet voor niets somber af en toe. Maar on s'adapte, on se comforte. Mijn dwaze, kleine Jean.’ Haar handen gleden over mijn schouders en knieën terwijl ze mij aankeek met wat mij een spottend lachje leek. Ik voelde me gekwetst en treurig, maar liet dat niet merken. ‘Oh nee,’ zei Laïs, de oudere, ervarene, wijzere. ‘Zo bedoel ik het helemaal niet, Jean. Het is alleen dat Stéphanie... ik mis haar zo verschrikkelijk weet je.’
Kort nadat ik thuiskwam, verscheen Corinne. Ik was eerst even het souterrain ingelopen waar zij tweemaal per week avondspreekuur hield, om de assistente te vragen hoe laat het zou worden. ‘De dokter is bijna klaar,’ zei Erna. ‘Wilt u dat ik haar waarschuw dat u thuis bent?’ ‘Nee, laat maar,’ zei ik. ‘Ze is ook al te laat begonnen door mijn schuld.’ Erna wachtte beleefd met het verder invullen van haar administratie tot ik zou verdwijnen. Ze was een nondescript meisje, uiterst bekwaam en volledig gediplomeerd als doktersassistente, een jaar of negentien, en afkomstig uit een welvarend fabrikantengezin. Pogingen van Corinne en mij om met haar te flirten in het begin, waren afgeketst op haar professionele vriendelijkheid. We hadden geen idee hoe zij leefde, wat zij dacht (in tegenstelling tot Cathy die een sublieme slet was en elke avond een piloot, reclame-executive, autodealer of andere glamour boy thuisbracht; ze pikte ze op in luxehotels), en hadden afgesproken dat we haar op haar eenentwintigste verjaardag, met een reeks genodigden, gezamenlijk zouden aanranden. ‘O.K. dading. Nighty night,’ zei ik, in een poging om mijn lullige aftocht te dekken. Een half uur later, toen Corinne en ik onze night-cap dronken op de keukenkrukken, werd er opgebeld. Corinne bleef drie | |
[pagina 33]
| |
kwartier weg, maar zei niets toen ze terugkwam. We lagen al enige tijd in bed toen ze fluisterde: ‘Slaap je al?’ Ze vroeg of ik bij haar kwam liggen en terwijl ze mij in haar armen nam, vertelde ze wie er had opgebeld. In een mengeling van paniek en hoop dacht ik eerst dat het Laïs zou zijn geweest, maar het bleek dat Corinnes moeder had getelefoneerd om te vragen of zij de vijfenveertigjarige bruiloft van haar ouders wilde meevieren. Dit festijn, ongetwijfeld een functie van de dag bijna een halve eeuw geleden door de beeldschone adellijke bruid uitgekozen, omdat zij dan noch de flow noch een van haar vruchtbare perioden had, bleek thans juist te vallen op het tijdstip (12 juni), waarop wij ons vertrek naar Marokko hadden vastgesteld (met veel moeite, het afwegen van wederzijdse belangen, en allerlei organisatorische rompslomp in het geval van Corinne). Mijn naïeve verwachting dat Corinne zich door haar gehate en hatelijke ouders niet zou laten lijmen voor een familiefeestje (waarop zij ongetwijfeld een rol zou moeten vervullen ten aanzien van de onder het beleefd mompelen kritisch toeschouwende en uithorende clan, waarna haar ouders, voorzien van verse informaties, zich met des te meer ijver en bekwaamheid op het ignoreren, onterven, en tijdens theevisites beroddelen van hun ignobele, in het slagersvak verdwaalde dochter konden storten), werd uiteraard gelogenstraft. De banden des bloeds zijn, althans in de richting kind-ouder, sterker dan het verstand en de rede (Kantiaanse onderscheiding). Corinne aarzelde geen seconde of zij het onverwachte telefoongesprek (het eerste met haar moeder na zeven jaar van verbitterd stilzwijgen; het voorgaande ging over een legaat van haar grootmoeder van vaderszijde, dat voorlopig in het familiekapitaal ingebed zou blijven, om onnaspeurlijke en onbestrijdbare redenen), met de gewenste aanwezigheid zou honoreren. Haar enige probleem was dat zij door dezelfde ouders was geconditioneerd om nimmer enige belofte niet in te lossen. Vandaar dat zij nu koortsachtig zocht naar mogelijkheden (het zelf | |
[pagina 34]
| |
charteren van een vliegtuig? het kapen van een schip?) om toch in de nacht van de twaalfde juni met mij te vertrekken, hoe tot de brim gevuld met champagne, tot de keel gevuld met verse walging jegens de clan zij dan ook mocht zijn. Ons nachtelijk gesprek bleef voorlopig vruchteloos. Corinne zou de besprekingen en onderhandelingen met de reeds zeer vermoeide maar royaal getipte reismeneren moeten heropenen. Het stond niet ter discussie of dit haar taak was, hoewel zij het oneindig drukker had dan ik. Voor wat wij gewoonlijk ‘het buitengebeuren’ (‘het boze buitengebeuren’) noemden, was Corinne naar opvoeding en aanleg nu eenmaal geschikter dan ik, die sociaal nog in de cocon der jeugd sluimerde, intellectueel meer gepreoccupeerd was dan een medica, en niet beschikte over het vermogen uit kapitaal of inkomsten ongemerkt, tactvol en kwistig bedragen uit te delen aan sleutelfiguren.
Het is een opmerkelijke zaak dat in ieder litterair genre bepaalde in het dagelijkse leven fundamentele zaken onvermeld blijven. In boeken van infantiel gebleven schrijvers, genre: wensdroom/narcistische projectie, blijft nogal eens onduidelijk hoe de held aan het benodigde geld voor kost, onderdak, kleding en bewassing komt, om van zijn festijnen en reizen nog maar te zwijgen. (Overeenkomst tussen hippe jeugd en oude aristocratie: geld verdien je niet, geld heb je. Of: geld is iets om te hebben, niet om uit te geven. Les extrêmes se touchent.) In zogeheten dameslectuur ontbreekt ieder spoor van een gezond seksueel leven. Illuster voorbeeld: Lord Peter Wimsey, van de knappe Dorothy Sayers. Een man en een heer, maar: met wie doet hij het? En wanneer? In jongensboeken, ongetwijfeld meestal door pedofielen met zware karakterneurosen vervaardigd, ontbreekt de moeder vaak op mysterieuze wijze. Paps en zijn jongens (door parthenogenesis aan hem ontsproten? - welneen, aan het kale hoofd met de weke, verslapte lippen van de auteur) gaan met vakantie, op avontuur, hopfalderee, hopsakee. | |
[pagina 35]
| |
Is moeder thuis? Nee, moeder is niet thuis. Het huis staat leeg, tot paps, Karel, Guus en Anton (een vriendje van de jongens) vermoeid maar tevreden thuiskomen van hun safari: een kanotocht over de IJsel, waarbij en passant een gemene fietsendief wordt betrapt en bestraft. Die paps. Een man en (naar middle-class normen) een heer. Maar waar komen zijn kinderen vandaan? In cowboyboeken, oorlogsboeken, geschiedenisboeken en wetenschappelijke boeken over homoseksualiteit ontbreken vrouwen vaak ook ten enenmale, mompelt de spitse lezer. En op de televisie, bij politieke beschouwingen en andere serieuze informatie, suppleert Mina. Zeer zeker is dat het geval. U hebt volkomen gelijk. Maar heeft u de makers van cowboyboeken, onderzoekers van homoseksualiteit en vervaardigers van het nieuws en de commentaren in de publiciteitsmedia wel eens kritisch bekeken? Volgens een recent sociologisch onderzoek van prof dr. M.V.M. Scumnovitsch, M.D. (in opdracht van de wetenschappelijke bureaus van scum, now, witch en dolle mina) is 98,7% van deze lieden lid van het gilde der zogenaamde Schotse pijpers. Soepele jongens, die aan de spontane genese van zonen en vrienden allang geen behoefte meer hebben, maar wier droomwereld tijdens het lurken aan hun eigen, niet noodzakelijk met hasjisch gevulde waterpijp, hoe kan het anders, uit louter mannen blijkt te bestaan. In boeken over erotische en andere heldenprestaties (thrillers, detectives, als autobiografie gepresenteerde wensdromen) ontbreekt doorgaans een duidelijke en realistische uiteenzetting over hoe de held zijn talloze veroveringen weer kwijtraakt. Heeft iemand er ooit aan getwijfeld dat het zeer gemakkelijk is vrouwelijke bed partners te winnen? Maar heeft iemand ooit wat anders dan langdurige, slepende ellende ervaren als hij of zij trachtte de lieve meisjes weer het bos in te sturen? Welnu. In vrijwel alle litteratuur, ongeacht het genre, wordt wel gegeten, maar niet gedefaeceerd. Slechts bij Rabelais, Simon Vestdijk, Jan Cremer en Vladimir Nabokov heb ik althans in sommi- | |
[pagina 36]
| |
ge passages een keutel realisme op dit punt aangetroffen. In het onderhavige verhaal is tot hiertoe vermeden een expliciete beschrijving te geven van waar de jeugdige Jean, alias ik, dan wel van leeft, en wat de dagelijkse bezigheden van onze hoofdpersoon zijn. Terwijl Corinne slaapt (ongetwijfeld dromend van een telefooncel van waaruit zij haar moeder tracht op te bellen, maar alle munten trekken krom zodra zij ze in de daartoe bestemde gleuf wil werpen), terwijl Laïs slaapt (dromend van een wit Byzantium waarin zij en Stéphanie op een terras zitten met uitzicht op de baai van Napels, en bediend worden door een kelner die zowel iets van mij als van Mary Renault weg heeft), terwijl Stéphanie nog nauwelijks in het verhaal is binnengetreden, en terwijl de kleine meisjes met vakantie zijn, is er gelegenheid even nader op de dagelijkse realiteit van mij, Jean, in te gaan. Ik studeerde in die tijd, zoals thans zovele louter verbaal begaafde, denkluie, neurotische jongeren, filosofie. Mijn voorkeur had het platonisme, waar ik zowel litteraire als filosofische satisfacties aan ontleende. Van K.R. Popper had ik nog nooit gehoord, en misschien was de man nog niet eens geboren. Over alle filosofie na Plato kon ik mij slechts in de meest geringschattende oordelen uitlaten. Bij het neoplatonisme, zelfs in zijn oorspronkelijke versie bij Plotinus, kreeg ik al het gevoel: ‘Telkens tracht men onze hopjes na te maken!’ Aristoteles was een Spitzbürger, een botaniserende filister. Thomas van Aquino een ongewassen prelaat. Augustinus een sentimentele oude hoer. De zogenaamde grote renaissancedenkers: Descartes, Spinoza, Leibniz, een drietal droogkloten (waarvan Leibniz de sappigste, omdat hij ook wel eens wiskunde beoefende, en hoe!). Voor Kant had ik geen woorden. Hoewel zijn Kritik der reinen Vernunft tamelijk geestig begint (de man had humor: op bladzijde drie moest ik altijd lachen), ontaardt het al gauw in het verwarde, niet aflatende gezeur en gezeik waar 99% van de hele duitse litteratuur uit bestaat, en waar zelfs hun moderne, kwieke | |
[pagina 37]
| |
media zoals het weekblad Der Spiegel berucht om zijn. De post-Kantiaanse mystici met hun ‘rijk van het gelden’ versus het ‘rijk van het zijn’, met hun bewustzijn überhaupt, hun absolute Ik en dergelijke (in die tijd al slecht verkopende en slecht betaalde tralala) deden mij braken. Kierkegaard en Sartre vond ik zwak als litteratoren. Bergson een ijdele hengst. Husserl wiskundig en fysisch al te zwak begaafd. Merleau-Ponty een typische Franse doorprater. De Angelsaksische filosofen waren nog niet in de mode en werden niet of nauwelijks onderwezen. Van baanbrekende vrouwen in de filosofie had niemand ooit gehoord. Het was één dorre penis-extension. De enige bij benadering en naar verhouding wel interessante filosofie na Plato meende ik aan te treffen bij Hegel, die echter voor tijd en duur was gecompromitteerd doorde botte wending die Marx aan zijn geschriften had weten te geven. Als een bedelaar in het rijk van de geest (en het gelden) je zo gemakkelijk kan beroven en uitschudden, dan is dat karma en ontbreekt er iets aan je absolute ik in het bewustzijn überhaupt. Angst, verveling en walging besprongen mij als ik in plaats van Plato's gouden geschriften de opaque woordbrij van wie na hem kwamen moest consumeren. En dat was wat mijn leermeesters van mij verwachtten: zeer weinig Plato, zeer veel anderen, waarover zij netjes uitgetypte collegedictaten van twintig en dertig jaren her in hun bureauladen hadden liggen. Het is duidelijk dat mijn studie traag vorderde hoewel ik veel las. Deze op zich zelf niet onfatsoenlijke, maar wel nutteloze studie had ik aanvankelijk bekostigd uit studiebeurzen voor uitzonderlijk begaafde jongeren van beiderlei kunne, ongeacht hun geloof of stand, benevens enkele werkstudentschappen en de restanten van een spaarbankboekje. Nadat Corinne in mijn leven trad (zij bezocht de reünistenbijeenkomst van George Sand, litterair-filosofisch dispuut en trefpunt voor meisjes die niet om te trouwen aan de universiteit wa- | |
[pagina 38]
| |
ren gekomen, waar ik een inleiding hield over ‘Het verval van de wijsbegeerte sinds Plato’), vielen alle aardse zorgen van mij af. Corinne viel mij aan op slechts twee punten: mijn verering voor Plato, en mijn verachting voor hen die na hem kwamen. Hoewel haar argumenten geen steek hielden en zij oneindig veel minder rauwe wijsgeren had geconsumeerd dan ik (ze kende ze alleen in voorgekookte, gepaneerde en doorgebakken versie uit handboeken, overzichten, inleidingen en commentaren, zoals al gauw bleek), trof haar manier van denken mij als intelligent, en haar denktempo (het enige specifieke verschil tussen de verschillende iq-levels) als hoog. Wij dronken broederschap na het vrij scherp geformuleerde debat in een vriendelijk oud café op de hoek, à deux. Wij werden zeer dronken. Corinne reed mij naar huis. De volgende dag belde zij op om te vragen of ik goed en geruisloos op mijn kamer op vierhoog was aangekomen. En of zij ook eens mocht bovenkomen. Als doorgewinterde Amsterdammer begreep ik meteen wat zij bedoelde. Zodra de ouders toestemming geven dat vriend of vriendin van hun kind mag ‘bovenkomen’, is de verkering in het vaste stadium geraakt. Wat vrijen in het portiek en copuleren onder de trap niet kunnen bewerken, vermag deze magische formule. ‘Ik denk dat pa en moe het wel goedvinden als je eens bovenkomt,’ antwoordde ik. Om elf uur verscheen er een bloemenman met vierentwintig rozen en een kaartje waaruit mij voor het eerst Corinnes nobele afkomst bleek. 's Middags om zes uur verscheen zij, en nodigde mij uit om mee te gaan eten. Ik had niets om aan te trekken, dus gingen wij naar het duurste restaurant van Amsterdam, waar zo iets niet telt. Elke dag verscheen Corinne nu even op mijn smalle studentenkamer, die al gauw met boeken, bloemen, fruit en grammofoonplaten vol liep. ‘Ik moet verhuizen als je zo doorgaat,’ riep ik ergens in de vijf- | |
[pagina 39]
| |
de week van onze courtship-fase. ‘Studentenkamers zijn niet berekend op de overvloed waar jij mij verlegen mee maakt.’ ‘Verhuis dan,’ zei Corinne. ‘En kom bij mij wonen.’ Ook hierna waren wij beiden nog minstens twee minuten verlegen. Tot de hoogtepunten van het moeizame bestaan waar de goden ons van tijd tot tijd in werpen (zoals Batavierenouders hun baby's in de Rijn plachten te smijten), zeldzaam soulaas in dit tranendal vol kwade kwellingen, reken ik de momenten waarop twee mensen weten dat zij elkaar binnen enkele seconden, voor het eerst, zullen omhelzen, maar geen van beiden durft nog te bewegen. Het opluchtende van de liefde is dat twee geïsoleerde, aan hun eigen ik geketende entiteiten, een ogenblik hun ketens onontwarbaar verstrengelen. De eerste keer, ten opzichte van de nog onbekende ander, is de overgave noodzakelijkerwijs het grootst. Terwijl wij wachtten op het door onze blikken reeds onontkoombare, zag ik Corinne voor het eerst als een strenge, voorname, veel oudere vrouw. Op het moment dat de elektrische vonk oversloeg, was zij het verloren en teruggevonden alter ego: één van de stukjes van het zelf dat wij verliezen in de mensheid op het moment dat wij incarneren. Stukjes die wij incidenteel tegenkomen, weer kwijtraken, en waar wij pas ten volle mee herenigd kunnen worden aan de andere kant van het bestaan. Mijn gelukkige herinnering aan die gespannen eerste fase van onze liefde: de krampende eerste passie, het vastzuigen aan en versmelten in elkaar, het brandend verteerd worden in Corinne, het slapend wegglijden in de ander, had nu het effect op mij dat ik, vertrouwd naast haar liggend in het vertrouwde bed, mij eenzaam en buitengesloten voelde. Ik had haar willen wekken om ons met magische woorden weer die begintijd in te praten, maar ik begreep dat het niet kon. Corinne was moe, Corinne moest hard werken, Corinne moest vroeg opstaan morgen, bovendien was zij gepreoccupeerd door het onverwachte telefoongesprek met haar moeder. | |
[pagina 40]
| |
Ik zuchtte, dacht aan Laïs, dacht aan Stéphanie, aan de meisjes, Joyce, Isa, Virginia, Manon, Ariëtte, en voelde mij oud, verlaten en eenzaam met de bodemloze treurigheid van een tweeëntwintigjarige.
Bij elkaar snel opvolgende bezoeken aan Laïs werd ik steeds meer haar intimus, hoewel de tederheden van die ene middag niet werden herhaald. Ik beklom niet meer de ladder. Toen ik het op een ochtend toch wilde proberen, bleek - wat vroeger nooit was voorgekomen - de toegang tot de linkervleugel van het academiegebouw afgesloten. Bij een van die bezoeken - ik vrees op het moment dat Corinne tussen twee spreekuren in naar Rotterdam reed om kostbare herzieningen in ons reisplan aan te brengen bij de nog steeds glimlachende heren Vierstroom, Tweebeen en Eenling - bekende Laïs mij haar grootste zorg en diepste wens. Stéphanie, zich thans bevindend te Málaga, had gedurende een aantal weken plotseling niets meer van zich laten horen. Laïs was ongerust en gekweld hierover. Brieven noch telegrammen hadden Stéphanie kunnen bereiken, haar uit haar lethargie, zware ziekte, rigor mortalis of, gruwelijkste gedachte, de bedwelming van een nieuwe liefde kunnen wekken. (Slechts fysieke ontrouw was toegestaan, begreep ik.) Informaties bij familie of op het ministerie waren contractueel en op straffe van geseling, radbraking, kielhalen, geldboete weekendarrest of berisping verboden. Laïs kon niet weg. Binnen enkele weken, eigenlijk gisteren, moest een nieuw manuscript worden geworpen in de altijd hongerige muil van de uitgeversfederatie waar zij haar creatief-intellectuele arbeid voor verrichtte. Er was maar één mens die voor Laïs, als stoffelijk middelaar, naar het zuiden kon reizen nu al haar meisjes zich in de halfjaarlijkse diaspora (verstrooiing; vert.) bevonden, Iemand moest Stéphanie opsporen, tactvol uitvragen, onzichtbaar schaduwen, | |
[pagina 41]
| |
om achter de onherroepelijke waarheid en de oorsprong van haar abrupte zwijgen te komen. Niemand was voor die taak berekend zoals ik, en alle materieel noodzakelijke voorzieningen zou Laïs voor mij treffen. Terwijl Laïs sprak, zag ik mij in flitsende beelden te Málaga, een blauwe stad aan een groene zee, onder een koepel van bougainvillea. In halflange cocktaildress, quasi nonchalant leunend tegen een witte balustrade, in de schaduw van tamarinden, palmen en oleanders, bezig de in rad Frans of idiomatisch Spaans gevoerde conversatie tussen Stéphanie en een hertogelijke grande af te luisteren, op een koninklijke receptie. In een donkere overall 's nachts liggend op het dak van Stéphanies onschendbare villa, ten einde via de schoorsteen met infrarode apparatuur geheime foto's te nemen. In een uit plastic en andere kunststoffen vervaardigde gemeenroze jasschort, een pruik op het hoofd die de uitgezakte permanent van een werkster moest imiteren, 's ochtends dweilend onder het luisterrijke hemelbed waarin Stéphanie en haar geliefde met welgekozen Arabische troetel woordjes nog lagen na te kozen. Ik legde Laïs mijn verplichtingen aan Corinne zo duidelijk mogelijk uit, maar haar depressie maakte haar egotistisch. Hoe meer argumenten ik aanvoerde over de opofferingen die Corinne zich getroostte om zowel haar ouders als mij op de twaalf de juni bij te staan, hoe eenvoudiger de situatie voor haar werd. Ik moest gaan, en wel zo spoedig mogelijk. Corinne kon dan rustig enkele dagen bij haar ouders blijven na de dramatische verzoening.
In tegenstelling tot wat litteratoren, dominees, mystici en andere Hochstapler ons willen doen geloven, bestaan er vrijwel geen dramatische ogenblikken in mensenlevens (behoudens geboorte en dood), maar slechts geleidelijk culminerende, afebbende en zich vertakkende situaties. Bijna ieder zogenaamd dramatisch moment is te herleiden tot een netwerk, een struikgewas, een mist, een moeras. Vrij wel nooit is het een punt. | |
[pagina 42]
| |
Ik ben geneigd te geloven dat de keuze waar het dilemma Laïs - Corinne mij toe dwong, bij uitzondering een dramatisch moment was. Maar ik ben bevooroordeeld. Had ik al voor Laïs gekozen in de tijd dat ik de ladder begon te beklimmen? Was Corinne al verraden toen ik haar niet durfde te wekken, de nacht na het telefoongesprek met haar moeder? Of koos ik niet ‘voor’ Laïs, ‘tegen’ Corinne, maar louter voor het egoïsme van het avontuur? Ik had gehoopt dat Laïs, ongeacht hoe veel of hoe weinig ik als individu voor haar betekende (daar kwam ik niet achter), op een herhaling van ons herdersuur zou aansturen. Dat had mij de gelegenheid gegeven mij zelf te zien als iemand die, door begeerte verblind, zich bepaalde beloften laat ontfutselen. Maar er was geen sprake van. Ik probeerde gewoon te doen, zoals vroeger. Laïs behandelde mij als een partner, deelgenoot, gezworene. Ik probeerde nieuwe tederheden uit te lokken. Laïs deed niet begrijpend, gereserveerd, ongrijpbaar. Soms voelde ik mij de speelbal van de oudere en listiger vrouwen waaraan ik mij had uitgeleverd. Soms voelde ik mij de superieure versierder: een jeugdige picaro. Wat mij ontbrak was een klankbord: een neutrale luisteraar om mijn problemen mee te bespreken. Toen ik mij zelf er op betrapte dat ik mij verheugde op gesprekken met Stéphanie, aan wie ik onder andere deze problematiek zou voorleggen, begreep ik dat ik innerlijk al gekozen had, lang voordat ik voor mij zelf in woorden had gevat wat ik zou doen.
Behalve ons reisplan was er nog een thema dat de gesprekken tussen Corinne en mij vulde in die dagen. Corinne was van mening dat ik van studie zou moeten veranderen om ooit, in die grauwe en verre toekomst als ik een dertig jarige (o duister schrikbeeld, o ravijn van verval) zou zijn geworden, op nuttige en voor mij zinvolle wijze aan de produktiesamenleving der volwasse- | |
[pagina 43]
| |
nen te kunnen deelnemen. Zelf kon ik mij niets anders voorstellen dan eeuwige consumptie. Alles was ik bereid te leren, de zwaarste studies te volgen en te voltooien, als ik maar, aan het eind daarvan gekomen, een nieuw leercontract zou mogen afsluiten. De gedachte ooit iets met enige studie te moeten doen, geen tijd te hebben voor overvloedige lectuur louter te mijnen behoeve en naar mijn behoefte, maakte mij zeer angstig. Elke andere studie die Corinne mij voorstelde leek mij in principe een verstandige keuze, totdat zij begon te beschrijven wat ik met dat vak na het doctoraalexamen zoal zou kunnen doen. Hoe aantrekkelijk om ingewijd te worden in de geheimen van moderne fysica en sterrenkunde. Hoe walgelijk en deprimerend daarna veertig uur per week verplicht aanwezig te moeten zijn op laboratorium of sterrenwacht, in schoolklas of collegezaal. Hoe opwindend de levenskrachten te analyseren en reconstrueren bij de studie der biochemie en biologie. Hoe smerig met het schrijven van in strompelend Nederlands gestelde technische rapporten daarna nog vijfendertig jaar in het levensonderhoud te moeten voorzien, bij een of andere duits geïnfiltreerde industrie. Hoe boeiend via etnologie, culturele antropologie en sociologie der niet-westerse volken (drie namen voor één niet bestaande wetenschap) toegang te krijgen tot andere culturen en sociale stelsels. Hoe mensonterend daarna op de wijze van de beroemde, veelvuldig gedecoreerde reisjournalist Bodo von Bald (men neme: twee delen Preuves, één deel L'Express, een snufje Figaro Littéraire en lenge dit aan met zes liter spraakwater) de demi-intellectuelen van Nederland van beschaafde weekbladlectuur te moeten voorzien. ‘Nee, o nee!’ riep ik. ‘Laten we dan iets anders bedenken,’ zei Corinne. Ze was zo soepel dat ze zelfs mijn filosofiestudie wel door bijsturing (een handig gekozen nevenvak zoals wiskunde of Arabisch) tot een maatschappelijke toegangspoort, in plaats van een | |
[pagina 44]
| |
adolescenterig dead-end had willen transformeren. ‘Nee, nee,’ riep ik. De ene professor was te streng, de andere te onwetend. De hoogleraar voor het ene bijvak was zo rooms en rechts, dat hij vrijwel een fascist was. De andere had door het intensief lezen van populair-wetenschappelijke boekjes uit de Aulareeks, waarvan de uittreksels, op kaartjes, grondig werden geschud, zelf een reeks populaire geschriften geproduceerd (Vragen van Cultuur en Tijd), waarmee zijn rang en reputatie waren verkregen. Per Aulam ad aulam. ‘En de filosofie zelf?’ vroeg Corinne. ‘Wat wil je daarmee?’ ‘Je weet dat Nederland geen goede filosofen verdraagt,’ antwoordde ik. ‘Zodra het iq van een aspirant-hoogleraar boven de nog net tolerabele 135 punten dreigt uit te steken, wordt hij weggepest. Je kent het geval Alast. Een filosoof en een genie. De Hollandse middlebrows die in hem een toekomstige collega vreesden, werden gek van angst en dol van nijd. Ze hebben hem laten benoemen tot directeur van de kweekschool te Aruba.’ Maar wat Corinne, verblind door haar eigen prestatiedrift en perfecte sociale aanpassing, niet zag, was dat het mij helemaal niet om bepaalde maatschappelijke rollen ging bij mijn protest en weerstand, maar dat elke rol, behalve die van vrijblijvend begaafde leerling, mij angst aanjoeg. Alles was goed zoals het was, en dat Parmenides, die elke verandering ontkent, het over iets anders moet hebben gehad dan over de aardse ervaringswereld, stemde mij bedroefd. Lieve, zorgzame, bekwame, veiligheid scheppende Corinne. Lieve, onberekenbare, ondoorgrondelijke, fijnzinnige Laïs. Zoete wanhoop en twijfel bij de keuze tussen jullie werelden, waarvan de achterkanten het banale en het egoïsme waren. Waarom is het niet mogelijk een vliegtuig tijdens de vlucht even stil te zetten als het panorama op zijn mooist is? ‘Laten we er niet meer over discussiëren,’ zei ik. ‘Zodra je er genoeg van hebt mijn bestaan als eeuwige student in de filosofie (en wat omvat dat? - alles) te financieren, zet je me maar op de keien. Dan word ik door de honger wel gedwongen een bron | |
[pagina 45]
| |
van inkomsten te zoeken, nuttig, zinvol en aangenaam of niet.’ ‘Je praat naar je verstand hebt, zou de werkster zeggen,’ zei Corinne. ‘Het gaat niet om geld. Geld speelt geen rol. Ook onze relatie doet absoluut niet ter zake in dit verband. Je moet eenvoudig op dit moment aannemen, op mijn gezag, dat je straks als dertig jarige en daarna diep ongelukkig zult zijn als je geen carrière voor je hebt. Nu kun je rustig in de ub zitten studeren, kopjes koffie drinken in de kantine, rondhangen in espressobars, naar jullie diepmorele volstrekt humorloze bijeenkomsten gaan. Maar straks, als je wat ouder bent over enkele jaren, zit je niet meer prettig tussen al die ongewassen, zeurende, kiftende en kijvende adolescenten. De jongens zonder talent, die bij gebrek aan beter zich opwerpen als politieke leiders, de meisjes zonder ambitie, die in hun huis van lange haren dromerig wachten tot een aankomende leraar ze komt verlossen van de plicht ooit nog iets zelf te presteren. Wat mij betreft mag je net zo lang en zo veel studeren als je wilt. Maar er moet enig toekomstperspectief in zitten, in je eigen belang.’ ‘Corinne, je bent...’ Ik had willen zeggen: ‘...onuitstaanbaar rechts en conformistisch.’ Maar een blik op haar oprecht bezorgde gezicht (Was Corinne niet de enige die mij ooit werkelijk aankeek? Wie, behalve zij, dacht er over na hoe iets er van mijn gezichtspunt uitzag?) weerhield me. ‘...een lieverd. Ik zal alles doen wat je maar wilt. Volgend jaar, dat beloof ik je, laat ik me inschrijven voor een nuttig vak. Farmacie. Dan kunnen we samen op een dorp gaan wonen: apotheek aan huis.’ Om de een of andere reden vonden wij dit een stimulerend grapje. Corinne lachte, nam mij in haar armen en kuste mij langdurig. Ik zuchtte als een tevreden zuigeling, en liet mij leiden naar wat al drie jaar ons bed was.
De beslissing viel tijdens een bijeenkomst van Dr. Herman Gorter, politicologisch dispuut, waar ik elke week mee lunchte (op don- | |
[pagina 46]
| |
derdag), borrelde (op vrijdag) en eenmaal per veertien dagen mee disputeerde over het reine elan der jongeren en de corruptie der ouderen (op dinsdag). Kiki Asberg, een beeldschone blondharige van het type waar Corinne mij als ze dronken was voor waarschuwde, en waar Laïs in dronkenschap met mij om zou hebben gevochten, vroeg wat ik in de vakantie ging doen. Wij luisterden naar de inleiding van een tamelijk dikke jongen met een baard, student in de economie, reeds afgestudeerd in de rechten, die ons uitlegde hoe het kapitalistische systeem, waarvan de (westerse) wetenschapsbeoefening de uitvoerende macht was, ons exploiteerde en manipuleerde. ‘Hoe weet hij dat?’ fluisterde ik naar Kiki. ‘Hij heeft zelf nog nooit enige wetenschap bestudeerd, laat staan beoefend. Je kunt rechten of economie bezwaarlijk een wetenschap noemen.’ ‘Ik ga naar Algiers,’ zei Kiki. ‘Met een busje. We nemen tenten en slaapzakken mee. Heel primitief. We koken zelf, op spiritusbranders.’ Kiki's vader, Gerard Johan, baron Asberg, was directeur van de City bank te Wassenaar. ‘Ik ga misschien naar Marokko, of naar Málaga,’ antwoordde ik. ‘Met wie?’ fluisterde Kiki. ‘Met wie ga jij?’ vroeg ik, hoewel ik van Corinne geen vraag met een tegenvraag mocht beantwoorden. ‘We gaan met z'n zessen,’ zei Kiki. ‘Marty, Hubert, Jaap, Eva, ik, en misschien Ad. Als Ad niet meegaat, zou jij met ons mee kunnen rijden. Hè ja, doe je dat? Dat is gezellig.’ Ze kneep hartelijk in mijn hand. ‘...zodat, zoals Marx bij herhaling heeft aangetoond, het proletariaat in de westerse, kapitalistische wereld steeds meer zal verarmen,...’ zei de spreker, en nam een slokje water voor hij met zijn sterkste argument kwam. Ik kneep even terug, kort, maar liet mijn hand in de hare liggen. | |
[pagina 47]
| |
‘We moeten er nog eens over praten,’ zei ik, Kiki in de ogen kijkend, ‘maar niet hier en nu. Als we er zo doorheen blijven praten verbannen ze ons nog, naar... Leiden!’ Hier moest Kiki erg om lachen. Zij had haar hand niet teruggetrokken en ik bleef praten, terwijl ik mijn gezicht dicht bij het hare bracht. ‘Waar woon je? Zullen we straks even naar jouw kamer gaan?’ ‘...waarbij de wetenschap die los van de praxis, in dienst van de ideologie van het kapitalisme wordt gemanipuleerd, het instrument is waardoor de vervreemding nog zal toenemen, tenzij wij ingrijpen.’ ‘Hoe?’ riep een achttienjarige, roodharige jongen, waarvan iedereen wist dat hij op school (de rijks-hbs. te Goes) de knapste van de klas was geweest. ‘Laten we daar in de discussie op terug komen, het valt buiten het bestek van deze theoretische inleiding,’ sprak de spreker. Hij wierp een blik op zijn horloge en op de papieren die hem restten om voor te lezen. ‘Ik praat nog drie minuten,’ zei hij. ‘Dat is niet uit te houden,’ zei ik tegen Kiki, die weer moest lachen. Van een korte verwarring in de zaal maakten wij gebruik om weg te gaan, onder dekking van een Corpsstem, die zei dat de spreker ongehinderd moest kunnen klaarkomen.
Zoals alle studentenkamers van dochters van rijke ouders, was ook die van Kiki Asberg van een valse bescheidenheid. In de eerste plaats bevond de kamer zich in het hart van een volksbuurt in het oude centrum, een luxe die alleen de zeer rijken konden betalen. De van ouderdom scheefgezakte gevel was op de verdieping die Kiki bewoonde voorzien van dubbele ramen, waaronder centrale verwarming was aangebracht. In een van de ramen bevond zich, voor het warme jaargetijde en eventuele kookluchtjes, een kostbare ventilator. De scheve, krakende, smetteloos donkerbruin gebeitste vloer | |
[pagina 48]
| |
van Kiki's kamer was bedekt met een tweetal Perzen, die vroeger de vloer in de ouderlijke stallen, en toen ze daar te kaal voor werden de kamers van het personeel hadden gesierd. In een muur was een open haard gemetseld. De wastafel was elegant weggewerkt achter een schot van fraai hout, dat ook de kookplaat aan het gezicht onttrok. Op het bed lag een deken of sprei waarvan het dessin door een bekende Franse ontwerper was gecreëerd. Zuiver zijden kussens uit de India-week van De Bijenkorf lagen overal. Een oude vierzitsbank en een comfortabele stoel, die toen hij nieuw was f 2000,- moest hebben gekost, lieten nog veel ruimte over in het vertrek van acht bij vier meter. Ik bekeek Kiki's boeken, op een stellage van zwaar eikehouten planken en rode bakstenen. Zij studeerde kunstgeschiedenis en las uitsluitend Frans, leek me. Onder de lage ronde tafel met glazen plaat lagen in een rieten mand dure Franse tijdschriften en stapeltjes Le Monde, nog in de adresband. ‘Zal ik een ei voor ons bakken?’ vroeg Kiki. Dat leek mij een goed idee. Terwijl Kiki ei bakte, toast roosterde in een elektrische machine, fleurige servetjes op de tafel spreidde en zich verontschuldigde voor ‘de zooi’, haar povere etensvoorraad en gebrekkige kookkunst, overwoog ik wat ik zou doen. Meerijden met Kiki en de haren, zou betekenen dat ik Laïs' verzoek kon inwilligen, op voor mij amusante wijze en voor haar op een koopje. Het zou prettig zijn een aantal dagen onder leeftijdgenoten te verkeren. Bovendien vond ik Kiki, ten opzichte van wie ik nu eens de oudere en de initiator kon zijn, erg aantrekkelijk. Ze was geen persoonlijkheid van het formaat van Corinne en geen bron van poëtische verrukking en verwarring zoals Laïs. Ze was gewoon een jong meisje, tamelijk ontwikkeld, grappig, fris, lief. Twintig jaar, blond, vrolijk, welopgevoed, stevig. Waarschijnlijk een onbenullige Wassenaarse mevrouw, teruggevallen op het niveau van haar ouders, als ze eenmaal getrouwd zou zijn, buiten de bevrij- | |
[pagina 49]
| |
dende studentenwereld. Maar nu, op dit moment, was ze jong en zelfstandig en een heel klein beetje belust op avontuur. Ik vroeg mij af hoe Corinne, hoe Laïs er had uitgezien en hoe zij zich hadden gedragen toen ze zo jong waren als Kiki nu. Waarschijnlijk waren ze minder mooi, neurotischer, moeilijker benaderbaar geweest. Zo verschillend als ze waren, het waren vrouwen van geestelijk formaat. Ongetwijfeld laatbloeiers. Ik wist dat ik geboeid werd door de superbe médiocrité van Kiki Asberg. Als een gourmet die na jarenlange haute cuisine snakt naar een bord boerenkool met worst en spek. Een weinig vleiende vergelijking. Ik lachte schuldig naar Kiki, die lief terug lachte. Plotseling sloeg ze haar hand voor de mond. ‘Oh, Jean!’ ‘Wat is er?’ vroeg ik verschrikt, bang dat een vergeten afspraak mijn lunchidylle zou verstoren. ‘Ik heb mijn tas laten staan in Pieterspoort!’ (Het zaaltje waar wij naar de lezing van het Dr. Herman Gorter-lid niet hadden geluisterd.) ‘Wat ontzettend,’ zei ik, evenals zij al enkele jaren lid van dit gezelschap, maar er van overtuigd dat sommige van de gefrustreerde en rancuneuze baardmanzen het niet in strijd met hun idealen zouden achten een tasje van slangeleder van een vrouwelijk medelid te stelen als de gelegenheid zich voordeed. ‘Zat er veel in?’ ‘Niet zo erg veel,’ zei Kiki, ‘de maand is bijna om. Ik geloof ongeveer driehonderd gulden. Iets minder misschien. Gisteren heb ik een blouse gekocht.’ Welke student had aan het einde van de maand driehonderd gulden op zak? ‘Maar het ergste is dat mijn collegekaart er in zit, mijn paspoort, mijn pokkenvaccinatiebewijs, en foto's van mijn ouders, waar ik erg aan gehecht ben.’ ‘Hoe lang zijn we hier?’ vroeg ik. ‘Vijfentwintig minuten pas? Dan hol ik even terug. Misschien zijn ze nog aan het discussiëren en is de zaal nog open.’ Ik stond al bij de deur. | |
[pagina 50]
| |
‘Wat ontzettend lief van je,’ zei Kiki. ‘Ik ga door met brood roosteren, anders verkoolt alles. Kom gauw terug. Je bent een engel.’ Ik holde zo hard als ik kon, onverschillig voor de blikken van voorbijgangers. Rood, bezweet, met bonkend hart en hijgend betrad ik het zaaltje. ‘...maar zolang wij de produktiemiddelen niet in handen hebben,’ zei de spreker, die nu tijdens het debat, ongedwongen of vermoeid, dat was voor een laatkomer niet te onderscheiden, tegen de lessenaar leunde, ‘kunnen wij niets bereiken. Het anarcho-syndicalisme heeft gefaald omdat...’ Ik baande mij een weg naar de rij waar wij gezeten hadden, bij voorbaat argwanende blikken werpend op degenen die zich in onze naaste omgeving hadden bevonden. Terwijl ik mij de gezichten inprentte, bedacht ik in een flits de tekst van aanklachten bij de politie en het tuchtrechtcollege van de universiteit, en dialogen met opsporingsambtenaren en advocaten. Het tasje was weg. Dat wil zeggen, nadat wij waren vertrokken waren anderen wat opgeschoven en de stoelen waarop wij hadden gezeten waren nu bezet. ‘Pardon,’ fluisterde ik. ‘Ssst,’ fluisterde de jongen terug die nu op Kiki's stoel zat. ‘U weet even goed als ik,’ sprak een pedante stem van een opposant uit de zaal, ‘dat Trotski al in 1915 heeft gezegd...’ ‘1905!’ riep een andere stem er doorheen. ‘Heb je soms een tasje gezien, van slangeleer?’ fluisterde ik tegen de ssst-roeper. ‘Ssst,’ zei hij. ‘...dat wij de eigendoms-ideologie moeten ontmaskeren, en door systematische chaotisering van de oude maatschappij...’ ‘Mijn vriendin zat daarnet op deze stoel, en heeft haar tasje hier laten staan,’ zei ik tegen de jongen, die om mij heen probeerde te kijken naar het podium (waar niets te zien was, behalve de vermoeid of ongedwongen tegen de lessenaar hangende spreker van daarnet), en aandachtig luisterde. | |
[pagina 51]
| |
De jongen stond op. ‘Mijnheer de voorzitter,’ sprak hij met een geïrriteerde en vuile blik naar mij, die nog steeds half voor hem stond, tot het achterhoofd van een met een hoogwaardigheidsketting behangen jongen op de eerste rij, ‘ik zou willen opmerken dat de geachte inleider een belangrijk punt heeft nagelaten (hier gaf hij mij een duw in de zij, zodat ik bijna omviel) te vermelden.’ Ik struikelde over de voet van iemand die tamelijk luid ‘Au, godverdomme,’ riep, maar wist mijn evenwicht te herstellen. ‘Het punt waarvan ik dacht dat het in een betoog als dit niet gemist kon worden, is de decentralisatie.’ De discussiant ging steeds sneller spreken, waarschijnlijk omdat ik nu kwaad was en terug begon te duwen. In de zaal, waar men hem niet goed kon verstaan, werd het onrustig. ‘Zoek je een tasje?’ vroeg mijn linkerbuurman, die op mijn voormalige plaats zat. ‘Ja, heb je...’ ‘Hier is het.’ Hij reikte mij het tasje aan, dat tussen zijn benen op de grond had gestaan. ‘Waarom heb je dat niet meteen gezegd?’ riep ik ondankbaar. ‘Ik had het na afloop aan de zaaleigenaar willen geven,’ zei hij. Ik wist niet dat je hier voor dat tasje kwam.’ ‘Oh, nou...’ zei ik, maar verder kwam ik niet, want de jongen over wiens voet ik was gestruikeld begon aan mijn broekspijp te trekken, terwijl de debater, die geïnterrumpeerd werd, weer aanstalten maakte om te gaan duwen. ‘Hou je kop of donder op,’ sprak de trekkende jongen. Ik besloot beide bevelen op te volgen, en verdween zonder groet of een woord van dank, het tasje ondersteboven onder mijn arm geklemd.
Op straat overviel mij de gedachte dat er iets uit Kiki's tas gestolen kon zijn. Ik wilde het ding openmaken, maar bij nader inzien leek het mij beter dat ze dit zelf zou doen. Terwijl ik haar trappen beklom, bedacht ik dat ik mijn lid- | |
[pagina 52]
| |
maatschap van Dr. Herman Gorter maar eens moest opzeggen. Ik was te oud geworden om actief deel te nemen aan iets waar ik geen brood in zag: het ondersteunen van de mythologie van de verdrukte en uitgebuite arbeider. Zoals alle mythologieën zal ook deze wel ooit korte tijd realiteit zijn geweest. Maar het grote probleem van onze eeuw: de onderdrukking, uitbuiting en vernedering van de vrouwelijke helft van de mensheid (Azië, Zuid-Amerika, alle mediterrane landen, alle moslimlanden, Zwitserland), daar was aandacht noch energie voor beschikbaar bij mijn vooruitstrevende broeders. Wat doet het ter zake, dacht ik, of rancuneuze baardmanzen of kakkineuze vestdragers hun belangen en die van de bevriende seksegenoten behartigen? Elites zijn onvermijdelijk, in elk type samenleving. Maar wat interesseert mij de wisseling van elites, als die toch steeds voor 90% of meer uit mannetjes blijken te bestaan? De enige weg ter bevrijding van de andere mensheid loopt via het onderwijs. Zonder ontwikkeling geen sleutelposities, ook niet die, welke de vrouwen met geweld en terreur zullen moeten veroveren, zoals de machtsposities in politiek bestuur, industrie en leger. Van het leger zouden wij een internationale sociale hulpdienst en onderwijsbrigade kunnen maken. Wat vrouwen nodig hebben is technische kennis, en kennis van de toegepaste wetenschappen zoals rechten, economie en medicijnen, waar de maatschappij om draait. Ik zou een instituut moeten oprichten voor onderwijs aan bijzonder begaafde meisjes. Een ontwikkelingshulpprogramma voor het meest achtergebleven gebied van de wereld: de halve mensheid. Terwijl ik de deur van Kiki's kamer al opende, zag ik mij nog even als directeur en organisator van een onderwijsinstituut voor op hun verstand geselecteerde meisjes: intellectuele paratroepen. Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik, voor het eerst, een produktief toekomstbeeld van mij zelf had. | |
[pagina 53]
| |
Kiki miste niets uit haar tas, bedankte mij hartelijk, moest lachen om mijn verslag van de verovering van haar bezit, en onthaalde mij op de typische meisjesstudentenmaaltijd. Het leek mij niet opportuun mijn onderwijsplan (infiltratie en machtsovername via vrouwelijke intellectuelen) aan haar voor te leggen. Ze zou er een impliciete kritiek op haar speelse genieten van de kunstgeschiedenis en haar vrijblijvend genot van Romaanse litteratuur in kunnen zien. Het moet een instituut worden naast het bestaande onderwijs, dacht ik. Geen geleerden-gettovorming, maar een vijf de colonne, right in the middle of male power society. Het soort onderwijs dat Amerika aan begaafde, sociaal gehandicapte jongens biedt, en Afrika aan be gaaf de manlijke kleurlingen. De aangename stemming waarin Kiki's persoon (verre van een intellectuele commando trooper) en haar goede zorgen mij brachten, leek me niet in strijd met de plannen voor ontwikkelingshulp aan de vierde wereld. Wat was er tegen lieve meisjes als Kiki Asberg? Niets, mits hun rol niet speciaal aan de ene sekse gekoppeld zou zijn, er ook lieve mannen kwamen in grote aantallen (zonder de narcistische kronkels en glibberigheid van de huidige, socio-psychisch gestoorde nichten), en er tienduizenden bekwame, ambitieuze, maatschappelijk invloedrijke en creatieve vrouwen tegenover stonden voor het kosmisch evenwicht. Ik zuchtte diep. ‘Ben je tevreden?’ vroeg Kiki. ‘Ga je met ons mee? Onderweg zal ik voor jullie koken, dat vind ik enig.’ ‘Is het niet om voor jullie, om via Málaga te rijden?’ vroeg ik. ‘Welnee. Desnoods zetten we je af in Algeciras. Van daaruit wilden we met een ferry oversteken.’ ‘Het lijkt me erg gezellig,’ zei ik, inmiddels weggezakt in een panerotische wolk. Ik strekte een luie hand uit naar Kiki. ‘Het was bijzonder prettig bij je. Als de anderen het ook goed vinden, rijd ik graag met jullie mee. Hoe slapen jullie onderweg?’ ‘We nemen slaapzakken mee,’ zei Kiki, die vanuit haar stoel mijn hand had aanvaard. ‘Maar ik denk dat we onderweg ook | |
[pagina 54]
| |
wel eens in hotelletjes zullen slapen, om te kunnen baden en zo.’ ‘Goed. Vraag maar of ik mee mag. Morgen of overmorgen kom ik even bij je langs, als dat schikt, om te horen of het kan en wat ik mee moet nemen.’ We namen afscheid, en ik begaf mij naar Laïs, om haar mede te delen dat ik haar opdracht zou aanvaarden. |
|