Mijn Engelbewaarder

Daarboven in de hemel waren zoveel stoeltjes leeg gebleven, toen al die slechte engelen waren verjaagd. Die stoeltjes zijn nu voor de mensen. Want je weet zeker nog wel, wat moeder verteld heeft? Alle mensen, die goed gehoorzaam zijn aan God, die altijd alles doen, wat Hij wil, mogen later bij Hem in de hemel komen. Er staat daarboven in de hemel al een mooi stoeltje voor je klaar. Als je nu maar braaf blijft!.... Maar nu is er iemand, die dat niet wil hebben. Dat is de duivel! Hij is daar kwaad om en zegt: Wat....! Zal dat kind daar in die mooie hemel komen, die ik niet kreeg? Zal dat kindje op mijn stoeltje komen?.... Nee, dat mag niet - dat wil ik niet. En weet je, wat die lelijke duivel nu doet? Hij gaat de kindertjes opstoken om stout en ondeugend te zijn. Ja, dat kan de duivel! Wij kunnen hem niet zien, gelukkig maar, hè, maar hij kan toch de kinderen opstoken om stout te zijn. Luister maar!
Er was eens 'n jongetje: Henk. Henk wist wel, dat hij altijd dadelijk moet komen, als moeder roept. Op 'n keer was Henk met zijn treintje aan 't spelen. Dat had hij van St. Nicolaas gekregen. 'n Trein met rails en als je die trein met 't sleuteltje opdraaide, dan ging hij zo vlug over de rails. Maar nu was het tijd om te eten. Moe had al twee keer gezegd: Henk, gauw opruimen. Henk hoorde het best. Maar heel, héél vlug ging het door zijn hoofdje: Moeder is nog aan 't tafeldekken, ga gerust nog maar even door met spelen.
't Stoute duiveltje zat dat op te stoken bij Henk. De duivel probeert dat bij alle kinderen wel eens. Hij wil niet, dat ze mooi bidden, dat ze lief spelen en dat ze dadelijk doen, wat vader en moeder zeggen.
Gelukkig maar, dat daar boven in de hemel onze goede Vader woont. Lieve Heertje houdt zoveel van de kindertjes. Hij wil ze later allemaal bij Zich in de hemel hebben. Maar Hij weet best, dat de duivel de kindertjes stout wil maken. En luister nu toch eens, wat lieve Heertje doet.... Je weet wel, dat er véél, véél engelen in de hemel zijn. Als er nu 'n nieuw kindje op aarde komt, roept God een engel uit de hemel en zegt: Kom, engel, jij moet nu voor dit kindje zorgen, je moet er altijd bij blijven en je moet het kindje helpen om braaf te zijn, om later bij Mij in de hemel te komen. Alle kindertjes krijgen zo'n engel, Jij hebt er ook