maar hij weet ook wanneer het weer leuk is geweest. Dus scheepte hij zich in en voer zonder morren, maar niet zonder heimwee langs de honderden eilanden met vreemde stammen die er tussen bier en Tristan liggen. Hij kwam aan, stapte aan wal, en achter hem zonk het schip in de haven. Toen de kinderen van het eiland dat zagen kwamen ze juichend op Key af, roepende: de oom van Alice in Wonderland!
Een Tristan da Cunhaan kwam op hem af, gaf hem een noot, waarop met zwarte inkt het cijfer 1 was aangebracht, en legde uit dat in maart 1881 de broer van Lewis Carroll, de schrijver van Alice in Wonderland, op Tristan was aangekomen als Anglicaans missionaris, en dat toen ook zijn schoener, de Henry B. Paul, in de haven was gezonken.
‘Ja’ kwam een andere Tristanees, die erbij was komen staan, vertellen, terwijl bij aan Key een noot met een 2 erop overhandigde, ‘en Lewis Carroll zelf heeft ons ook eens gered. Want hij kende Baden Powell, u weet wel de uitvinder van de padvinderij. Nou, en in 1886 was er hier hongersnood, geen schip deed ons meer aan, en we zouden eraan zijn gegaan als Lewis Carroll toen niet Baden Powell had gevraagd om er iets aan te doen.’
‘Later’ kwam een postbode vertellen terwijl Key een noot met 3 in de hand gedrukt kreeg, ‘kwamen er veel meer schepen. Dat was toen met die John Cramer. John Cramer was een postbesteller die hier de brieven kwam brengen, die de abonnés van The Boy's Own schreven aan een held die in het vervolgverhaal in dat blad op Tristan da Cunha woonde. Die Cramer was een ijverige vent, maar kon de geadresseerde niet vinden. Er is later nog veel over gepraat in het Lagerhuis.’ ‘En toen’ kwam een Cunhaanse dame vertellen, nadat ze een noot met een 4 had overhandigd, ‘toen hadden