de reis meemaakt op) al is dat niet meer na te gaan. Hij belandt namelijk vele meters buiten het schip en zinkt. De man die tweede werd in het verspringen is sportief en weigert de reep chocolade aan te nemen. Men werpt de reep in zee, in de richting waarin de pater is verdwenen. Een klein visje hapt het op. Een wat groter visje hapt het kleine visje op. En dat gaat alsmaar door, tot er tenslotte een walvis aan te pas moet komen (de chocoladesmaak is nu bijna geheel verdrongen door een krachtige vissmaak) en zo wordt Key gered, want een walvis kan door geen enkele vis meer worden opgegeten, en Key zit op zijn rug. Ze komen nog een schip tegen en Key zwaait wat hij kan, maar het is helaas een walvisvaarder die zijn toegestane kwotum al gevangen heeft, zodat hij moet doorvaren.
De walvis zet Key af op het vriendelijke strand van het eiland Skreta. Een aantal Skretenzers heet hem hartelijk welkom. ‘Heeft u hier nog eigenaardige gewoontes of gebruiken?’ vraagt Key. ‘We geloven van niet.’ ‘Vindt u het goed als ik hier missie bedrijf?’ ‘We geloven dat daar niets tegen is.’ ‘Gelooft u misschien al in God?’ vraagt Key. ‘We geloven van niet’ antwoorden de voorzichtige Skretenzers.
Key gaat preken. Iedereen vindt het erg mooi, maar zegt men, u gelooft al die dingen alleen maar, het hoeft nog niet echt waar te wezen. Nee, zegt Key, het is allemaal echt zo, God spreekt tot mij, ik hoor zijn stem. Nu gebeurt er iets heel geks. Key hoort namelijk ineens de stem van God. Dit was nog nooit eerder gebeurd, maar Key had zich daar allang bij neergelegd. Hij was er van overtuigd dat al zijn collega's die stem wel degelijk hoorden, en had zich altijd geschaamd om te bekennen dat hij die stem nooit hoorde. Maar hier was een stem, en kennelijk die van God. ‘Key’ sprak die