weer zo druk op de weg wordt.’ Tot zijn verbazing ziet Key dat het gedrocht zich, niet zonder steunen en kraken, in twee helften splitst. Het tweekoppige hoofd had hem al op het idee gebracht dat dit misschien een parend tweetal mensen was, maar hij ziet nu duidelijk dat bij beide helften, die overigens geheel naakt zijn, de geslachtsorganen stevig bekleed zijn met panterhuid en nopjesgoed. Het is dus duidelijk dat pater Key weer een heel nieuwe diersoort heeft ontdekt, en zojuist heeft gezien hoe deze strandorganismen zich voortplanten: door overlangse deling.
Hij verlaat het strand en neemt de bus naar de hoofdstad. Daar komt hij langs het huis van de kantonrechter en hoort de vrouw van de kantonrechter naar beneden roepen: ‘Liefje, kom je slapen?’ ‘Nee vrouw, ik moet nog wat stukken doomemen, ik heb er maar twee weken de tijd voor, en er is heel wat aan door te nemen’ is het harteloze antwoord. Voor hem op tafel ligt een et[s] van de heer A. Veldhoen waarop een fragment van een coïtus is afgebeeld. De kantonrechter neemt dit stuk aandachtig door. Zijn vrouw boven bijt in het kussen. Key loopt mistroostig door. Deze reis is het al te gek. Hij heeft veel meegemaakt. Een dag sudderen in een kookpot waar de inboorlingen vergeten hebben zout in te doen, het gezelschap van de doorzichtige uitwerpselen der Worstelbormen. Het treiteren van brandnetels en viooltjes. Alles had hij verdragen. Maar deze toestanden werkten hem op de zenuwen. Gezonde volwassen mensen die zich door kledings- en gerechtelijke stukken laten weerhouden van hun natuurlijke functies het vervult Key met weerzin.
Ten einde raad neemt hij de trein naar 's-Hertogenbosch en belt aan bij monseigneur Bekkers, de bisschop die al zoveel priesters uit hun gewetensnood heeft ver-