levende na drie dagen ronddrijven bij een ander eilandje aankwam.
Een rijtje kleurige badhokjes wees erop dat Key geen Robinson Crusoë S.J. was geworden en de celibaatsbelofte dus zijn inhoud behield.
Een man in een keurig tropenkostuum stelde zich voor als Wa, aannemer. De uitleg van de aangespoelde priester werd direct aanvaard: er kwam wel eens meer iets aandrijven.
Ze waren dicht bij de stad, zei hij, en als de pater mee wilde lopen, zou hij hem onderdak bezorgen. Zo'n hartelijke ontvangst was wel zeer onverwacht. Toen ze aan het begin van de betonweg stonden, die naar de grote, moderne stad voerde, bekroop de pater een merkwaardig gevoel. Hij krabde zich dan ook op de rug er hield opeens iets in zijn hand. Verbaasd staarde hij naar een beestje van ongekende kleur en vorm. Zijn begeleider was minder verbaasd, maar moest toegeven dat het een ‘merkwaardig gevoel’ was. ‘Een merkwaardig insect’ verbeterde Key.
Ze kwamen bij een huis, waar een zuster van de aannemer, een weduwe, bleek te wonen. Ze was bereid de kamer van haar overleden man aan de pater te geven maar, zo zei ze, ‘mijn Kees is onder zware pijnen gestorven en ik heb de sterfkamer niet opgeruimd.’ He was een heel gesjouw voordat de zware dozen en pakken met de onaangename substantie uit de kamer verdwenen waren.
Wa nam hem mee naar zijn sociëteit waar hij werd voorgesteld aan de elite uit de stad, die zeer verlangend bleek iets te horen over de wereld waar Key vandaan kwam. Ze hadden er via vissers en verdwaalde handelaars wel eens contact mee gehad, maar al deze mensen waren na een paar dagen vreemde vragen gaan stellen