deze jonge Worstelborm, die naar de naam David luisterde, was gewaarschuwd. Niet voor niets hadden de kranten de laatste dagen vol gestaan met berichten over het signaleren van mensen, dode en levende, in het plaatselijke drinkwater (U bent toch niet vergeten dat in het derde hoofdstuk een oceaanstomer is vergaan, waarvan vele opvarenden dezelfde weg als Key waren gegaan). Weliswaar had de waterleidingmaatschappij meegedeeld dat het drinken van water met mensen, waarvan het lichaam immers voor negentig procent uit water bestond, geheel ongevaarlijk was, een fris idee vond niemand het. Men had al tonnen chloor door het water gemengd, maar de mensen bleken daar heel goed tegen te kunnen. David had alles wel in de krant gelezen, maar hij had nog nooit een mens uit de waterkraan zien komen. Toch twijfelde hij er geen ogenblik aan dat dit er eentje was. Met zijn tandenborstel wurmde hij Key uit het drinkglas en zette hem in zijn after-shave stick. ‘Moeder’ gilde hij, ‘een mens in het water!’ Moeder kwam bezorgd aanzetten: ‘gatsie ja, jongen, gooi hem maar gauw in het gootsteenbakje.’ ‘Mag ik hem niet in mijn aquarium houden?’ vroeg David. ‘Maar ik wil helemaal niet in het water,’ zei Key, ‘heeft u niet een terrarium?’ ‘U hoeft geen u te zeggen’ zei de jonge Worstelborm, die een vriendelijke Worstelborm was. Moeder vond dat de autoriteiten op de hoogte moesten worden gesteld. Het idee dat ze dat kereltje in zijn zwarte jas in haar theekopje had kunnen vinden deed haar kokhalzen. ‘Maar mevrouw’ zei Key beleefd, ‘bedenkt u eens hoe het mij te moede is wanneer ik eraan denk dat ik wel met een slok thee in uw keel had kunnen verdwijnen.’
‘Ja’ zei mevrouw Schiet, want zo heette de moeder van David, ‘daar heeft u natuurlijk wel gelijk in, van die