daarlijke hoeveelheid bijgeloof, dat ziet Key zo. De twee inwoners van dit eiland waren namelijk de overtuiging toegedaan dat het eiland geheel door mensenhanden was vervaardigd. Een humanistische mythe waar de pater zich direct tegen keert. Hij wijst op de talrijke gecompliceerde apparaten die zich in de wanden van de hut bevinden en zegt: ‘zien jullie niet, hoe volmaakt dit alles in elkaar zit, hoe alles zoemt en klikt in volstrekte harmonie? Hier moet een schepper aan het werk zijn geweest.’ De mannen lachen wat, kijken op hun horloge: het is vijf uur, we beginnen. Een grote trommel met het opschrift sam en moos gaat open en ze halen er een ronde mop uit. Deze verdwijnt in een apparaat, waama men Max Tailleur hoort: ‘Sam ontmoet Moos en zegt: in de Kalverstraat zag ik twee octopussen arm in arm in arm in arm in arm in arm in arm in arm lopen.’
Pater Key begrijpt er niets van. Het lijkt net een televisiestudio, maar dat kan natuurlijk niet, want wie bouwt er nou een televisiezender op een eiland waar maar twee mensen wonen? Het is duidelijk dat de mannen menen contact te hebben met het geestenrijk. Key ziet op een schermpje in de wand een scène met twee huisvrouwen, die tegen elkaar opscheppen hoe weinig kinderen ze wel hebben, tenslotte zingen ze het refrein ‘dat komt van die pil, dat komt van die pil, dat komt van die fijne, voordelige, veilige pil.’
Aan het einde van het programma vragen de twee mannen of de onverwachte gast misschien de dagsluiting wil verzorgen. Key ziet zijn kans, loopt naar de camera en roept daarin onverschrokken: ‘Verdwijn verdoemde geesten, we geloven niet meer in u, uw heerschappij over deze heidenen heeft afgedaan, het Christendom heeft dit eiland veroverd.’ Daarop trekt hij de stekker