over de kilometerslange haag voortgleed. Alle bloemen die hem langs zagen komen, leken verheugd te zijn hem te zien. ‘Wat is de lente vroeg dit jaar,’ hoorde hij fluisteren. Hij passeerde een kolonie geraniums die een bloempot in hun midden hadden, waarin zich enkele vreemde voorwerpen bevonden, die Pater Key noodzaakten zijn ogen te sluiten.
Eindelijk was Key waar de planten hem hebben wilden: voor de troon van de koning, een enorme tijgerlelie. Deze beval hem zich uit te kleden. Toen Key aan dit verzoek had voldaan barstten alle aanwezigen in huilen uit. Tijgerlelie werd kwaad. Gooi hem in de brandnetels en geef hem dan aan de vleesetende orchideeën, riep hij. Maar een slimme krokus fluisterde hem wat in, wees op het op de grond liggende zwarte priesterkleed en wist Tijgerlelie te overtuigen Key te laten leven. De arme man, die niet begreep wat hij misdaan kon hebben, werd in braamstrengen weggebracht naar een grote kas. Dit was een enorm glazen flatgebouw waar honderden zielige mensen elkaar voor de voeten liepen. Gedresseerde bijen vlogen rond en dwongen iedereen tot regelmatige copulatie. Key keek zijn ogen uit, en begreep er niets van. Een eunuch lichtte hem in. Hij bevond zich, zo luidde het trieste verhaal, in de mensenkas, waarin de bloemen hen kweekten met de bedoeling om hen als ze rijp waren van de geslachtsdelen te ontdoen, waar dan boeketjes van gemaakt werden, die gretig gekocht werden. Kleine vaasjes van manlijke planten voor hun minnaressen; grotere werden door kinderen van burgemeesters aan rondtrekkende prinsessen aangeboden; terwijl de grootste werden gebruikt voor grafkransen voor overleden planten. Key herinnert zich wat hij bij de geraniums zag, en begrijpt waarom koning Tijgerlelie zo teleurgesteld was.