weer, het schip verging, en iedereen verdronk behalve Pater Key die na drie dagen ronddrijven aanspoelde op een gerieflijk eiland. Hij droogde zijn kleren en bijbels in de zon, en betrad welgemoed het binnenland.
De eerste mensen die hij tegenkwam waren twee oude mannen die er bezig waren een knoop van ongekende afmetingen te ontwarren. Key herinnerde zich Alexander de Grote en de Gordiaanse knoop, en hij trok zijn zakmes. ‘Ja, dat kennen we,’ sprak de ene oude man, terwijl de ander met zijn lichaam de knoop verdedigde, ‘dat hebben we in 333 v. Chr. ook al meegemaakt: Alexander hakt de knoop met zijn zwaard door. Het heeft ons tot 333 n. Chr. gekost voor we hem weer helemaal gereconstrueerd hadden: alle afgehakte eindjes weer aan elkaar vastgeknoopt zonder de oorspronkelijke knoop te bederven. Pas toen konden onze voorouders met de ontwarring verder gaan.’
Key begon de zich verzamelende menigte zijn evangelische boodschap te brengen. Men applaudisseerde beleefd, maar een eider trad naar voren en zei: ‘Inderdaad, waarde pater, zullen wij ons bekeren als de tijd daar is. Eerst moeten er nog wat dingen afgemaakt worden. Bovendien staat in Matt. xii, 37 dat Christus na zijn dood nog eens op aarde zal komen. Zorgt u daarvoor, dan zien we elkaar als alles klaar is. En wilt u nu alstublieft onze nederzetting verlaten, er is nog veel te doen.’
De pater, voorbereid op kookpotten en steniging, maar niet op deze beleefdheid, ging verder. Het volgende dorp werd bewoond door driekante wezens, die Key met een ongelovig schaterlachen ontvingen. Daar was hij op getraind. Hij lachte terug en vroeg om twee bedienden om zijn bagage te dragen. Hoeveel? Twee. De inboorlingen, hoe slim ook, begrepen er niets van. Maar