| |
| |
| |
24 Aardige kanten
P. Als ik nog eens terug mag komen op die overgang van jou naar Amsterdam, naar de universiteit, daar trof je - neem ik aan - een heel andere wereld.
B. Het was een kaal klimaat in die jaren. Slim alles doorhebben en je door niemand laten belazeren, wat maar een dunne zijstroom van werkelijke intelligentie is. In het begin van de dertiger jaren gingen de mensen lelijk gekleed, ze bouwden lelijk en ze dachten ook lelijk. Het dieptepunt lag vlak daarvoor, in 1928, sindsdien zijn we gaan stijgen, maar het geestesleven hing toen nog laag. Ik vind het nu allemaal veel beter. Je zult zeggen: de Bijlmermeer. Ja, maar dat is oprecht. De Admiraal de Ruyterweg is gelogen eerlijkheid. Architectonisch drukt dat de dampkring van die tijd wel ongeveer uit, ik ga er nooit zonder een rilling door.
P. Ging je in het corps, of ging je in Thomas?
B. Nee, in Thomas, maar ik werd lid van de redactie van ‘Propria Cures’, ik was de eerste katholieke redacteur van P.C. en dat betekende lid van het corps.
P. Daarmee was je dan wel in het hol van de leeuw. Of had P.C. toen nog niet die naam?
B. Nee, dat is later gekomen, maar iets van dat kortademige cynisme was er toen wel. We vergaderden elke week in een steegje, bij de oude Clausen. Ik was er niet erg bij, ik lag nog na te hijgen na die zee van mystiek overgezwommen te zijn. Ze mochten me ook niet erg, geloof ik, niemand trouwens. Terecht, wat heb je aan zo iemand? Ik was een suf persoon, ik zei bijna niets en als ik iets opmerkte bleek het al afgeschaft te zijn. Ik schreef er wél in. Eén recensie is beroemd geworden. Ik kreeg een dik Duits boek mee ter bespreking, ik meen over de Sexualität en ik gaf het meteen buiten aan een klein jongetje, dat toevallig passeerde. Ik schreef er lovend over en eindigde met de zin ‘Niettemin menen wij, dat dit werk niet in te jeugdige handen komen moet’. Aan Thomas heb ik wat meer herinnering, maar dat is nu niet het moment. Na mijn kandidaats ging ik naar Nijmegen. De busrit erheen kostte precies één gulden en in Nijmegen vond ik twee ineenlopende ka- | |
| |
mers met een balkon voor f 42,- per maand, ontbijt en lunch inbegrepen. Dat was wel nodig, want van thuis kreeg ik geen cent meer.
P. Dat was dan niet veel.
B. Je had die gele boekjes van pater Doodkorte, en die kwam daar wel een uur in de week filosofie geven, daar ging ik wel naar toe. De vreugde van naar Nijmegen te gaan was: dat ik iets terugvond van dat klooster; ik zag nonnen, paters, ik hoorde klokken luiden, ik zag groen, en bomen, en een grote liefheid in Nijmegen, die tegenover de hardheid van Amsterdam mij weldadig heeft aangedaan, ik vond het heerlijk.
P. Maar Nijmegen was dan ook een katholieke stad, vergeleken bij Amsterdam.
B. Er waren vooral veel bomen. Dat vond ik fijn.
P. Had je in die tijd aan de universiteit al iets van wat ze tegenwoordigd contestatie noemen?
B. Wat is dat?
P. Kom nou. De kritische geest. Het bestrijden van de gevestigde orde.
B. Nee, o nee. Je rees allemaal op als de professor binnenkwam en dat deed je nog eens als hij weer wegging. Maar er waren veel minder studenten, zodat je bij de hoogleraren op theevisite kwam. Titus Brandsma heb ik zo goed leren kennen, maar hij mij niet. Hij was erg verstrooid. Hij vroeg me eens: en wat doet u al zo, meneer Bomans? Ik antwoordde: volstrekt niets, professor, en dat was ook zo. Toen zei hij: mooi, mooi, én maar volhouden nietwaar?
P. Je had toch wel in het katholieke studentenleven erg veel idealistische organisaties. Drankweer, Heemvaart, Credo-pugno-clubs, missie-clubs.
B. Ik was er allemaal niet bij. Ik kwam op de redactievergaderingen van ‘De dijk’ - ik zat ook in ‘De dijk’, dat was het Unie-blad, daar heb ik heel lang in gezeten - en hoorde daar van al die bewegingen. Ik was na afloop altijd doodop van het doen alsof het me interesseerde. Wat me eigenlijk bezig hield was de vraag: haalt die kastanje het voor mijn huis? Die zag er slecht uit. Het spijt me, maar zo was het.
P. Maar toen zat er toch in de katholieke studenten, als groep, nog veel gemeenschapsidealisme? Ik herinner me bijv. gelezen te hebben over groepjes ‘jongstudenten’ die per fiets 's zondags
| |
| |
op het platteland rondreisden, om midden in een dorp onverwachts al reidansend rond de pomp de katholieke levensvreugde te verbeelden. En moest door deze en andere activiteiten niet de gehele wereld het evangelie worden aangezegd?
B. Ja, daar heb je gelijk in, dat is wel waar. Er moest ontzettend veel gebeuren, zo gauw mogelijk en met de vuisten op tafel, er werd veel op het hout geslagen in die tijd. Maar wat er nou zo nodig gebeuren moest, dat kwam bij mij niet over. Misschien wisten ze het zelf niet, anders had ik het toch begrepen. Maar het was toch aardiger dan P.C.
P. Trof je daar, in Amsterdam, dan het tegendeel aan? Trof je daar - laat ons zeggen - afkeer van de godsdienst?
B. Ja, het was erg anti-rooms, anti-papistisch. Dat is een oude traditie, van 1880, en ik was het enige pispaaltje dat in die redactiekamer voorradig was. Er werd druk gebruik van gemaakt. Ja, dat kamertje in die steeg, dat was een vierde van deze kamer, met die geheiligde tafel waar nog Ter Braak en Frederik van Eeden aan gezeten hadden, hun letters waren gekerfd in het tafelblad. En dat daar een roomse jongen binnenkwam, dat was niet leuk en zelf zag ik er ook iets ongepasts in. Ik werd met de uiterste reserve behandeld. Toen ik begon te schrijven ging het wat beter.
P. Precies, je moest emanciperen op kwaliteit. En kon het.
B. Ja. Zo iets.
P. En sindsdien is het, geloof ik, een traditie, dat er een katholiek in de redactie zit?
B. Ja, daarna is dat onafgebroken gebeurd.
P. Weet je wat mij zo opvalt, tegenwoordig? Dat vooral sommige niet-katholieken zich zo bekommerd kunnen uiten over de situatie in de katholieke kerk. Het lijkt wel of zij veel bezorgder zijn dan de katholieken zelf.
B. Dat is mij ook opgevallen.
P. Als je nu probeert tot de achtergronden daarvan door te dringen, dan vertrouw ik het niet zo helemaal, moet ik zeggen, die bezorgdheid.
B. Er is te veel puin. De mensen zien niet anders dan het instorten van oude vormen om zich heen. En dat er dan tenminste iets blijft staan is een geruststellende gedachte. En daar begint die rots van Petrus ook al te wankelen.
P. Dat is precies hetzelfde als wat ik meemaak. Je hoort dan:
| |
| |
‘Het is bij jullie zo langzamerhand wèl een zootje’, of: ‘Iedereen valt maar af’, en: ‘Die pastoors van jullie zeggen maar alles wat ze voor de bek komt’. Het valt mij op dat het altijd gezegd wordt door nogal conservatieve mensen, die blij waren dat er in Nederland, in die geordende volksgroep, en vooral dan - denk ik - op politiek terrein, in de KVP, een element van rust, van vastigheid aanwezig was. Dat brokkelt nu af, de bekende verhoudingen raken zoek, en dat maakt iedere burger bang: dat zoekraken van de gevestigde orde. Ik heb het idee dat dát het vooral is. Geen werkelijke bekommerdheid om het geloof en zieleheil van de roomsen.
B. Ja, zo iets zal het wel zijn, dat er wéér van het establishment een stuk afvalt, en wát voor brok! Een derde van het hele stuk. Dat vinden veel mensen, die er anders nooit veel in zagen, toch verontrustend. Ik kan me dat wel voorstellen.
P. Ja, want dat was toch een bevolkingsgroep waar je op kon rekenen; daar wist je precies van, wat je eraan had.
B. Dat is voorbij.
P. Bijeengehouden door een episcopaat, in zijn verenigingen, door zijn politici.
B. En die behoorlijk handelden, althans dat werd hun voorgehouden elke zondag: eerbied voor het gezag en al die dingen meer.
P. Maar nee hoor; dat zijn ook al omvallers geworden.
B. Die onrust is verdacht; maar begrijpelijk.
P. We zijn haast niet toegekomen aan de aardige kanten van de katholiek. Ik ken er wel een paar, maar ik weet niet goed of ik het dan over de gemiddelde Nederlandse katholiek heb; want als ik aan de aardige kanten van de katholieken denk, zie ik meestal Brabanders voor me, en hun katholicisme is met een streekaard verweven. De katholieke Brabanders hebben trekken die ze voor mij stempelen tot zo ongeveer de aardigste mensen op de wereld die ik ken.
B. O ja?
P. Ja. Maar inhoeverre dat nu een gevolg is van het katholicisme alleen of verweven met de volksaard, streekaard, weet ik niet.
B. Het aardige van een katholiek is (of was) de tolerantie. Het ontstaan van die verdraagzaamheid zie ik zo: enerzijds was er een nogal ingewikkeld stelsel van wat wel en niet mocht, dat
| |
| |
zich vooral sinds de contra-reformatie ontwikkeld heeft. Om daarin het bestaan leefbaar te houden groef men allerlei tunnels en onderaardse nooduitgangen, want stikken dat wilden de beminde gelovigen niet. Men kan die casuïstiek nu wel met Jezuïtisme aanduiden en er zit ook iets bedenkelijks in, waar we trouwens genoeg op gewezen hebben, maar die zaak heeft ook een andere kant. Zoals de eerlijkheid van het calvinisme tot fanatisme kan perverteren, zo kan dit soort beweeglijkheid tot begrip van elkanders zwakheden voeren. Wat je in Brabant aantrekt is vermoedelijk het besef, dat de soep nooit zo heet gegeten wordt als hij wordt opgediend. Dat vind je leuk. En dat is het ook.
P. Ja. We hebben het lang over de onwaarachtigheid van de katholiek gehad, maar van de andere kant is er, juist in de katholieke kerk, toch ook een hele ruime mate van tolerantie aanwezig; bijv. wat betreft de lichamelijkheid van de mens, een zekere verering van het goede der aarde, laten we maar zeggen.
B. Wacht even. Wèl wat eten, drinken en sigaren roken betreft. Ook in de keuze van anekdotes bestond een brede marge. Maar op het terrein van bloot was de begrenzing van een benauwdheid, die je gerust pathologisch kunt noemen.
P. Dat is waar. Maar als je omging met Brabanders, trof je bij hen altijd, vind ik, een ruimheid van opvattingen voor wat de genietingen des vlezes betreft, ook inzake het vrijen en het bloot, die weldadig afstak bij wat je meestal zo om je heen in het noorden ontmoette. En dan dacht ik wel eens dat de geestelijkheid in het zuiden wellicht een veel grotere marge inruimde voor het genieten van het vleselijke dan men in het noorden deed. Want anders konden toch de Brabantse meisjes met wie je vrijde niet zo veel ruimhartiger zijn dan de doorsnee Noordnederlandse?
B. Waren ze dat dan?
P. Dat vond ik wel, ja. Dat viel mij altijd nogal op.
B. Ik denk dat je het slachtoffer bent van je vriendschap met Van Duinkerken en dat je die geweldige Bourgondiër - zoals hij dan meestal werd aangeduid - vereenzelvigt met Brabant en daardoor een geflatteerd beeld van dat gewest gekregen hebt. Van Duinkerken ging ook weer om met Brabanders, die van zijn postuur waren. Of je op die manier de doorsnee Brabander ontmoet hebt betwijfel ik.
| |
| |
P. Dat kan ik ook niet goed beoordelen. Ik heb natuurlijk meer Brabanders gekend dan Van Duinkerken. Het meest viel mij er altijd een eigenschap in op die ik barmhartigheid zou willen noemen, - hoewel ik weet dat dat woord niet precies dekt wat ik bedoel. Een ingeboren erkenning van gemeenschappelijke zwakheden en een daaruit voortvloeiende royale vergevingsgezindheid ten aanzien van de vergalopperingen van de eenling. En ook die hartelijkheid; ik weet niet of dat Brabants is of dat dat ook katholiek te noemen valt.
B. Ja, dat kan niemand uitmaken. De vraag is: als Brabant, toen het nog generaliteitsland was, calvinistisch geworden zou zijn, was dan de Brabander helemaal anders uit de bus gekomen? Dat is het beroemde geval van de neus van Cleopatra. Was die iets langer geweest, had Caesar dan... enz. Het enige antwoord is: Brabant is katholiek gebleven. Maar nu over die hartelijkheid. Heb je ooit het leven van Beau Brummel gelezen?
P. Nee.
B. O, dat is heerlijk. De man heette eigenlijk George, maar werd met ‘Beau’ aangeduid, wat in de achttiende eeuw de benaming was van een fat. Je had er heel wat in Engeland: Beau Hewitt, Beau Wilson, Beau Fielding, Beau Edgeworth en natuurlijk Beau Nash. De laatste was Byron, maar toen was het eigenlijk al afgelopen, hij is de Don Quichotte van dat geslacht. Beau Brummel zit nog helemaal goed, hij leefde van 1778-1840 en vier jaar later beschrijft een zekere Captain Jesse zijn leven. Ik zal het je lenen, het is verrukkelijk. Maar nu dit: na een bestaan van opperste elegantie en nutteloosheid gaat hij bankroet en vlucht naar Frankrijk. Hier vervalt hij in seniliteit, hij kan zijn stofwisseling niet meer regelen, bevuilt zich en wordt een levende mesthoop. Niemand van de duizenden aristocraten, die hij geamuseerd heeft, bezoekt hem in dat stinkende hol. En dan zonder dat de schrijver het vermeldt als iets bijzonders, wordt hij opgenomen in het bejaardenhuis Le Bon Sauveur van katholieke liefdezusters in Caen. Ze geven dat weerzinwekkend geval een eigen kamer en twee jaar waken de zusters dag en nacht bij hem, tot hij sterft. Wat dit betekent is natuurlijk niet te beschrijven en dat doet Jesse dan ook niet. Hij accepteert die oplossing als de enige en vanzelfsprekende, en dat was het ook. Ik geloof, dat dit punt door ons verwaar- | |
| |
loosd is: de enorme generositeit van het voetvolk van de kerk. Want zo'n man is nergens meer kwijt te raken, ze zijn alle vrienden afgegaan, maar niemand wou die hoop stront in huis hebben, en dat komt dan bij die zusters en heeft er een zalig leven. Ik las het toevallig gisteren en dacht: we zitten nu wel te kritiseren, maar wie betaalt de rekening van zo'n leven? Mijn zusje doet dat ook, in Zuid-Limburg: ouden van dagen van tachtig, negentig jaar, je begrijpt wel wat daarmee aan de hand is, en dat gebeurt toch maar. Och, zo staan er over de hele wereld naamlozen bij de vuilnisbakken van de
mensheid de boel bij mekaar te harken en te verzorgen. Dat is toch een aspect van de kerk dat we niet onvermeld mogen laten, vind je niet?
P. Dat is zo. Het is wat je de triomf van de naastenliefde zou kunnen noemen.
B. Ik doe het ze niet na. Het is groot.
P. Dat is zonder twijfel waar; het ís ook indrukwekkend, vaak. Je hoort sommige mensen zeggen dat, hoewel ze ‘niets’ geloven, ze bij eventuele ziektes het liefst in een katholiek ziekenhuis zouden worden verzorgd.
B. Je hoort dat veel.
P. Ik vermoed dat dit toch in de eerste plaats gebeurt in de hoop dat men dan nonnen als ziekenverzorgsters krijgt.
B. Ja, terecht. Die nokken niet af, als het vijf uur is. Die gaan door.
P. Dat is waar; dat vertrouwen had men. Men wist dat daar een toewijding was die men elders niet zo gauw kon vinden. En dat is natuurlijk op heel veel gebieden zo geweest.
B. Blinden, doofstommen, melaatsen, lammen, krankzinnigen, ze zaten ermee, welke congregatie van religieuzen zullen we daar eens voor vragen?
P. Kinderen van achterbuurten die verzorgd werden en voor wie huizen werden gesticht; die op vakantie gingen met nonnen. En dan al het geweldige werk in de ontwikkelingslanden. Dat is dan ook wel iets meer dan ‘aardigheid’ in katholieken. Wat die ruimheid betreft, als ik daar nog even op terug mag komen, - daar was in elk geval sprake van voorzover het eten en drinken betrof. En dan ging het toch ook om tegemoetkomingen aan de verlangens van het lichaam? In hoeverre heeft dat nu te maken met het geloof dat wij kenden? Je hebt
| |
| |
carnaval, natuurlijk. Aan de vooravond van die aswoensdag waarop je gezegd wordt dat het lichaam tot stof zal vergaan, is er die laatste uitbarsting, dat uitbundige feest, dat toch altijd door de kerk getolereerd is. Er is wel eens tegen gepreekt, tegen de uitwassen, maar tegen het verschijnsel op zich zelf heeft men eigenlijk nooit geageerd. Wat was dat nu? Wat is dat eigenlijk in ons geloof; die losheid, dat zich uitleven van het lichaam, die gelukkige ruimte voor goed eten en drinken, dansen, feestvieren?
B. Ja, maar kunnen we ook hier niet te maken hebben met een compensatieverschijnsel? Juist omdat het zesde en het negende gebod zo benadrukt werden, omdat op dat gebied zo weinig werd toegestaan? Want ik heb nog preken meegemaakt, dat het afscheid nemen van verloofdes in vestibules met de meeste nadruk werd afgewezen. Daar mocht bitter weinig, de speelruimte was miniem, niet groter dan een muizegat. Als tegenwicht werden de andere dingen van het lichaam als eten, drinken en hossen, die buiten de strikte onkuisheid vielen, dan ook dubbel gevierd.
P. Mogelijk. Zoals dat ook bij de priesters in de pastorieën gebeurde, naar iedereen vermoedde. Dat werd door de gelovigen zeer wel begrepen, wanneer die het er eens van namen; ze moesten ‘toch al zoveel missen’, werd er dan gezegd.
B. Zo was het.
P. En als die dan eens een glaasje goede Bourgogne...
B. Daar hadden ze dan recht op...
P. Volledig recht op. Er was alle begrip voor wanneer een pastoor de beste sigaren rookte en zijn wijnkelder gevuld had met de beste wijnen. Hadden jullie thuis ook een ‘pastoorskistje’ met sigaren? Wij wel. Maar verdomme, waarom ook eigenlijk niet. En díe tolerantie - zal ik nu maar zeggen - die er ten opzichte van de celibatairen bestond, bestond bij ons ten opzichte van onszelf, omdat we van ‘het andere’ af moesten blijven.
B. Daar waren we intolerant. Ja, ik opper het maar, hoor; want het ligt nou niet zo bepaald in het katholicisme zelf, dat vleselijke, dat ga-je-gang-maar...
P. Nee, het intrigeert mij ook hierom: omdat het je opvalt bij interconfessionele contacten. Zet op een vergadering eens katholieken en protestanten en humanisten door elkaar. Je kunt
| |
| |
er na een tijdje de katholieken zó uithalen. Dat zijn de jongens die tien minuten te laat komen. Dat zijn de mensen die meteen bier bestellen i.p.v. koffie, en de mensen die op zijn tijd een grap maken, en die de agenda wel eens willen doorbreken. Het gevoel voor betrekkelijkheid en voor humor is bij de katholieken in het algemeen, dacht ik, beter ontwikkeld dan bij protestanten. Of kan jij dat niet onderschrijven?
B. Ik geloof dat de vitaliteit bij de katholieken iets groter is. Dat is iets anders dan humor. De levensvreugde is bij de katholieken groter, zoals die ook groter is bij een strenge school, die om vier uur uitgaat. Het valt mij op dat bij ons mensen die uitbundig creatief zijn geweest en wier oeuvre als een bom insloeg, ik denk aan Aafjes bijvoorbeeld, oud-seminarist geweest zijn, Gabriël Smit, en Van Duinkerken, en je kunt er nog wel tien noemen, die allemaal in de beperktheid gezeten hebben en die plotseling gaan feestvieren. Ik vind ook in de katholieken iets kinderlijks, in die zin dat wat ze doen gedaan wordt met de opgewondenheid van iemand die denkt: nou mag ik eindelijk. Zoals iemand die heel lang in het donker heeft gezeten plotseling naar het circus gaat. Het viel mij ook op in Amsterdam, toen ik student was, dat de jongens die scheef gingen en doorsloegen, allemaal uit strenge, katholieke gezinnen kwamen. Aafjes is typisch zo'n man, in het creatieve dan. Die bedwelmende ontdekking van de vrouw: als hij die tien jaar eerder had leren kennen, dan was dat niet zo'n ontploffing geworden, terwijl het nu een explosie werd omdat hij plotseling die hele gedekte tafel vóór zich zag en nog nooit gegeten had. Iets daarvan - Aafjes was een extreem geval - vind ik bij veel katholieken, een soort opgetogenheid om alles wat er is. Ik heb het zelf heel duidelijk.
P. Maar dat moet dan toch ook iets te maken hebben met het geloof, dat kan toch niet alleen een reactie zijn op een tijdelijke repressie, die opgetogenheid om het leven. Jij stelt het nu iets te veel als reactie voor. Maar er kan toch, in het geloof zelf, een element zitten dat tot opgetogenheid aanleiding geeft? Dat zát er ook naar mijn bescheiden mening, tot voor kort in. Nog maar kortgeleden geloofden wij allemaal dat we naar de hemel zouden gaan, dat de gouden stoelen en de borden met gouden lepels klaar zouden staan, dat de engelenkoren zouden zingen, en dat onze zinnen daar op alle mogelijke manieren ge- | |
| |
streeld zouden worden. Het was weliswaar hier nog even oppassen geblazen, maar je zou er toch komen. En wij leden niet onder die druk van de calvinist, voor wie de uitverkiezing echt een vrije goddelijke uitverkiezing was.
B. Die kant is er ook.
P. Er moet dus theologisch iets achter die opgetogenheid, althans het vermogen tot opgetogenheid, hebben gezeten.
B. Ja, waardoor het leven een wachtkamer was, een soort antichambreren op een verrukking die nog komen moest en waardoor al het leed gerelativeerd werd, want het eigenlijke kwam nog. Zoals ons dienstmeisje, die zong een liedje, ik hoor het haar nóg in de tuin zingen: ‘Bombom, wat maal ik erom, als ik maar in de hemel kom’. Bedoel je dat?
P. Precies.
B. Dat ‘wat maal ik erom’ waait ook door zo'n vergadering heen die je net noemde, het doorbreken van agenda's, het niet zo nauw nemen, omdat het toch allemaal voorlopig is.
P. Ja, en ook het relativeren van het zwaarwichtige van het moment.
B. Goed. Misschien speelt dat mee, hoewel ik mijn repressietheorie meer aannemelijk vind. Want ik heb dat idee van in de hemel komen niet meer, maar ik voel mij wel zeer jong, als ik omga met volwassenen uit een ander nest. Ik merk dan een geblaseerdheid die mij vreemd is en denk: ben ik hier de enige die graag door het raam naar buiten zou springen? En dát leid ik dan af uit die repressie, niet uit de verwachting van een hiernamaals.
P. Toch hadden wij ook dat ‘wie doet me wat’. Wij wisten zeker dat we het bij het rechte eind hadden. Niemand minder dan Christus zelf, de zoon van God, had onze kerk gesticht; dat was de enige heilige kerk. Er werd ons geleerd dat we er altijd heel erg dankbaar voor moesten zijn, want je had dan toch maar het geluk gehad om als katholiek geboren te zijn.
B. Dat werd veel gezegd, ja.
P. En je was toch maar meteen gedoopt door je goede ouders; en je had het voorrecht gekend van een gedegen katholieke opvoeding; en je was in de roomse kerk gebleven. Welk een geluk, beminde gelovigen! Want je was in die ene ware kerk, aan wie Christus voorzegd had dat hij die nooit zou verlaten, en welker leden zich ten overvloede dagelijks konden voeden
| |
| |
aan het brood der sterken en de wijn die maagden kweekt; en je ging dan ook nog eens een keer, later, gesterkt door de laatste teerspijze, hemelen; dan kwam de triomf, dán kwam je bij de triomferende kerk!
B. Je kon alleen maar promoveren.
P. Eerst naar het vagevuur, dan naar de hemel. Eerst nog wat lijden, zeker, maar je zat toch al in het voorgeborchte van de triomferende kerk, daar was niet aan te morrelen.
B. Wij waren de strijdende kerk.
P. Wij waren de strijdende, je kreeg dan de lijdende kerk, maar je zat geheid in de lift.
B. De afdelingen konden ook voor elkaar bidden, dat heb ik altijd een goed idee gevonden.
P. Ook dat; het was van de aarde tot de hemel één grote club.
B. Een geweldige reünie, je zag ze ook op de pilaren staan, die ooms en tantes, die kon je allemaal aanroepen. Alleen de zielen van het vagevuur konden niets doen.
P. Nee. Maar wij waren er ook nog: wij konden ze eruit bidden.
B. Hadden jullie ook in het avondgebed een hele rij dode familieleden, voor wie gebeden werd?
P. Nee, wij vatten, geloof ik, alle doden samen onder ‘de gelovige zielen’. Dat had het voordeel dat je geen namen noemde van zielen die intussen misschien allang sint geworden waren.
B. O nee, nee, wij hadden een hele rij ooms en tantes die allemaal achter elkaar genoemd werden, en dan had je één zin: ‘en vooral voor oom Streuning’.
P. Dat was de jolige oom, neem ik aan.
B. Dat werd niet gezegd, maar een andere constructie was moeUijk denkbaar. Ik heb nooit enig detail vernomen, maar ik dacht wel dat hij helemaal mis was.
P. Als er apart gezegd werd: ‘vooral voor...’, zal hij wel de beest uitgehangen hebben. Die moet tijdenlang op een eiland in de Stille Zuidzee geleefd hebben...
B. In de West, vermoedelijk in de West...
P. Of op een grote plantage in de Oost, met allerlei baboes aan zijn zijde. Onze jolige oom heette oom Jacob. Maar ik geloof dat zijn verdorvenheid niet verder reikte dan de sterke drank. Wat ik wilde zeggen is dat de katholiek, in de volstrekte, heerlijke zekerheid van het gelijk, nù èn later, alle reden
| |
| |
had om vrolijk in het leven te staan, althans veel vrolijker dan de anders-denkenden, zoals dat heette.
B. Ja, je had zekerheid. Als je bepaalde dingen nou maar deed dan kon je er donder op zeggen.
P. Ja, en je keek - dat moet ik zeggen - intussen niet verachtend op de andersdenkenden neer, het was eerder minzaam. Je verwachtte min of meer dat ze nog eens een keer zo verstandig zouden zijn om tot onze club toe te treden. Intussen was het beroerd voor ze dat ze geen enkele heerlijke zekerheid hadden. De preken van vroeger staan stijf van de heerlijke zekerheden die wij allemaal hadden. Blij trokken wij op naar het zalige hiernamaals.
B. Ik had daar helaas geen deel aan, omdat - ik heb 't al eerder gezegd - het voor mij een grote mate van onzekerheid te kennen gaf en ik enorm opzag tegen alles wat anders-denkend was; ik vond wat wij deden vreselijk dilettantisch vergeleken bij wat zij voor elkaar brachten.
P. Ja, zij brachten het voor elkaar. Wij veel minder. Maar dat zat hem dan in het feit dat je vooral niet moest overschatten wat we op aarde deden, uitverkoren, tot hoger heil geroepen mensen die wij nu eenmaal waren. Ik heb het idee dat ons dilettantisme eigenlijk natuurlijk werd geacht, in velerlei opzicht, vanwege ons geloof. Intussen was het er. Ik heb laatst dat proefschrift van Puchinger gelezen over Het einde van de Coalitie. Het begint met de kabinetsformatie van 1918.
B. Ruys de Beerenbrouck?
P. Ja precies, Ruys. Daarin valt mij dit op; dat, terwijl Ruys maar in zeer beperkte kring werd gewaardeerd als staatsman, hij, wat zijn geloofsgenoten betreft, heel wat af mocht schutteren voor hij het bij hen, of liever: een paar van hen, verbruid had. Als hij maar op die eerste minister-stoel blijft zitten. Wij hebben eindelijk bereikt, in 1918, dat ons volksdeel een premier naar voren schuift. En nu vind ik het haast aandoenlijk om te lezen hoe Ruys door zijn geloofsgenoten beschermd wordt, ook door die geloofsgenoten die wel beseffen dat hij niet zo'n groot staatsman is. Maar ja, hij is de enige acceptabele figuur in de kring voor de premier-post. Nolens zelf wil geen premier worden en kan ook natuurlijk als priester geen premier worden. Maar na een paar jaar zijn er dan toch een paar katholieken die het opeens vertikken op alles ja en amen
| |
| |
te zeggen (o.a. jouw vader, die tegen de vlootwet stemt, met negen andere rebellen) en Ruys laten vallen.
B. O, komt die in dat boek voor?
P. Ja. In eigen kring worden de tegenstemmers dan als zeer links beschreven op grond van het feit dat ze Ruys als katholiek premier niet hoger stellen dan het landsbelang. Wij deden zo onvolwassen als katholieken in de wereld. In zo'n boek komt dat ook duidelijk naar voren, hoe dilettantisch wij het bijv. in de politiek deden. Ook is het een dilettantisme dat uit conservatisme voortkomt. We waren gezapig, omdat we het zeker bij het rechte eind hadden. Wanneer je al die zekerheden achter je hebt en het gaat eigenlijk alleen nog maar om het gaan hemelen, ach dan stuntel je hier bij wijze van spreken in het openbare leven maar wat aan...
B. Ik rotzooi maar wat aan...
P. En de mensen die het alleen maar allemaal van hier moeten hebben, zullen er dan wel meer van willen maken, op de aarde.
B. Dat is een van de redenen, waarom wij in het verbeteren van de sociale toestanden zo achter waren.
P. Natuurlijk; en dat we de wetenschap zo relativeerden.
B. Vooral in de emancipatie van de arbeidersklasse zijn wij schromelijk tekort geschoten en is het allemaal van de rooie kant gekomen. Die moesten de stal wel reinigen, terwijl wij alleen naar de zolder verlangden. Zij hadden geen zolder. Daarom mocht die stal niet stinken, terwijl wij best bereid waren om zeventig jaar te stinken. Je zorgde natuurlijk wel dat je er niet bij was, maar om je daar nou zo vreselijk voor in te spannen... je dacht ook bij jezelf: man, klaag nou niet zo, het is toch dadelijk gebeurd.
P. En ondertussen heb je toch nog een proper huisje.
B. Ja. Daar komt nog bij dat de rijken ongeveer zo moeilijk naar de hemel gingen als een kameel door het oog van een naald, dus je zat nog goed ook! ‘De armen zult gij altijd bij u hebben’, ik weet niet of die zin wel in het evangelie staat, maar ik heb hem dikwijls gehoord. Hierdoor kwam sociale bewogenheid in het licht te staan van: doorbreken van Gods bestel.
P. Ja. Maar de echt rijken, daar hebben wij het toch ook niet op. De gegoede middenstand, daar ging het om; de bour- | |
| |
geoisie, daar viel op te bouwen, dat was de ruggegraat van de kerk, in de Nederlandse katholieke samenleving. Nee, de rijken kregen er ook van langs in de preken, toen, althans; hun werd toch steeds wel dat oog van de naald voorgehouden.
B. Ja, maar het inzicht dat het met de verdeling van de productiemiddelen niet helemaal snor zat en dat die rijken eigenlijk leefden ten koste van de minderbedeelden, dat werd toch niet ingezien, evenmin als trouwens nu.
P. En de mensen die er zich druk over maakten kregen de kous op de kop.
B. Ja, er werd bij ons thuis met zeer veel verontwaardiging en duidelijke verwerping over Troelstra gesproken, en natuurlijk over Domela Nieuwenhuys, dat was helemaal schande - ik verstond altijd ‘dominee Nieuwenhuys’ -. Allemaal jongens die niet deugden. Wij deden daar weinig aan.
P. Ook al weer omdat de zolder voor ons belangrijker was dan de vloer.
B. Ja, daarboven was de zolder, en daar ging het toch om, dadelijk klom je die trap op en och, daar beneden...
P. ‘In de hemel is enen dans’...
B. Resumerend had de katholiek van die dagen in zijn optreden iets voorlopigs. Waarmee ik bedoel, dat datgene wat hij verrichtte het accent had van ach behelpen: zo gauw mogelijk, zo snel mogelijk, en zo eenvoudig mogelijk, en verder geen gezeur.
P. Maar dat was de katholiek van gisteren. De katholiek van vandaag zal de hemel niet meer zien zoals onze ouders die zagen.
B. Nee, die is veel meer betrokken in de vloer en dat is razendsnel gegaan. We leven allemaal een etage lager, met vermoedelijk in onze blik nog het afwezige van mensen, die tot nu toe een verdieping hoger gewoond hebben.
|
|