| |
| |
| |
25 Toon
B. Heb jij van Duinkerken goed gekend?
P. Ik heb hem heel goed gekend, ja.
B. Was je erg bevriend met hem?
P. Ja dat was ik. Ook hij had dat nog, dat oprechte en blij van de hemel spreken, hoewel hij het goede der aarde bepaald niet versmaadde en het, wat hem betreft, heel lang mocht duren voor het zover was. Buddingh' heeft een prachtig grafschrift op hem gemaakt: ‘Engelen genoeg, maar nergens een kroeg’.
B. Als een bom sloeg bij ons het verschijnen van ‘De gemeenschap’ in. Het volstrekt nieuwe ervan zat hierin dat het katholieke leven kritisch bekeken werd door... katholieken. In dat getto van onderlinge bewondering stond ineens een stelletje puinruimers op. Dat was een even grote schok als toen de Maginot-linie vanaf de Franse kant werd aangevallen. Niet te geloven. Ik zoog het allemaal op als een mijnwerker die boven de grond komt. En nu gebeurde het volgende. Er was een groot feest op school, waarom weet ik niet meer, vermoedelijk een heilige. De schoolvereniging, waarvan ik dat jaar voorzitter was, mocht een spreker aanwijzen. Ik koos Anton van Duinkerken. Dat was een hele zet, ik begrijp, achteraf, nog niet waar ik het lef vandaan haalde, want bij ons thuis werd die als de ergste van het hele stelletje beschouwd. Pater Vlaar en de conrector hadden bezwaren, maar sommige leraren, waaronder Gerard Wijdeveld, waren vóór. Er werd vreselijk vergaderd en Van Duinkerken kwam. Ik moest hem afhalen van het station en daarna inleiden. In welk jaar is hij eigenlijk geboren?
P. In 1903.
B. En ik in 1913, hij was dus maar tien jaar ouder. Laat ik nou vijftien geweest zijn, of zestien, dan was hij zesentwintig. Maar ik vond dat een hele oude man. Vooral op het afhalen had ik mij zorgvuldig voorbereid. Tot die voorbereidingen behoorden ook een aantal zinnen, waarvan ik vermoedde dat ze een zekere diepgang hadden. Ik weet nog dat er een over Ruusbroec ging, waarvan ik nooit een letter gelezen had.
| |
| |
De tekst hiervan luidde: ‘Gelooft u niet, dat Ruusbroec zeer, zeer overschat wordt?’, wat volgens mij van een onafhankelijke geest blijk gaf. Van Duinkerken zei hierop kort ‘nee’ en bleef toen door het raam van de taxi naar buiten kijken. Van mijn inleiding en zijn voordracht herinner ik me niets meer, het geval Ruusbroec had me totaal in de grond geboord. Na de lezing bleef de spreker nog een uurtje met het bestuur ‘gezellig bijeen’ en we zaten met ons vijven verbijsterd tegen die waterval van woorden op te kijken. Telkens als ik net klaar was om daar mijn eigen emmertje tegenaan te gooien was hij alweer met iets anders bezig.
P. Ik kan dat in zekere zin aanvullen, want toen ik vijftien was kwam Anton van Duinkerken, het was onder de oorlog, in '43, op het seminarie op bezoek. En dat had al iets heel geheimzinnigs, want die man, dat wisten we wel, was ondergedoken. Hij was toen net ontslagen uit Sint Michielsgestel. Bovendien kregen we de Grote Katholieke Emancipator op bezoek. Weken tevoren werd er al over gesproken, dat hij zou komen. Daar zit dus al een enorm verschil met wat jij vertelde, want bij jou kwam een rebel, een katholieke schrijver weliswaar, maar een jongere, en deswege, in die tijd althans, een zeer suspect iemand.
B. Ja. Bij ons moest zijn komst doorgedrukt worden.
P. In onze tijd was de emancipatie intussen een feit geworden, dus kwam de grote Van Duinkerken, die dan toch maar in Nederland de ‘katholieke zaak’ in de literatuur verdedigde.
B. Weet je daar nog wat van af?
P. Van de lezing zelf weet ik helemaal niets.
B. Dat is wel typerend.
P. Ik weet alleen dat ik met een diepe, maar grenzeloze bewondering aan zijn voeten heb gezeten, en die stem maar heb horen orgelen, want dat kon hij. Zinnen van drie minuten, met ontelbare bijzinnen, die stuk voor stuk op hun pootjes terechtkwamen. Toen was hij natuurlijk ouder dan zesentwintig jaar, een stuk ouder. Net zoals jij die speech had voorbereid, had ik ook iets gedaan, namelijk een gedicht geschreven, tevoren, gericht aan de letterkundige Anton van Duinkerken; en aan de Nederlandse leraar van mijn klas, van der Poel, had ik gevraagd of hij dat aan Van Duinkerken bij zijn bezoek zou willen overhandigen. Ik begreep wel dat ik niet in Zijn Gezel- | |
| |
schap toegelaten zou worden. Maar misschien zou hij zich verwaardigen dit te lezen. Dat gedicht was een ballade en begon met de regel: ‘Jawel, mijnheer, gij noemt u katholiek’. Natuurlijk was dat afgekeken van zijn eigen ‘Jawel, mijnheer, ik noem mij katholiek’, in de ‘Ballade van den katholiek’. Dus het was een soort antwoord, een hulde aan de grote medekatholiek.
B. O ja? Het klinkt anders erg ironisch.
P. Ja, gek hè? Toen had ik er de bedoeling mee hem een hommage te brengen. En ik beluisterde zijn rede alleen maar als zware orgelmuziek, maar toch ook met de spanning en de hoop dat na afloop Van der Poel dat gedicht van mij aan hem zou overhandigen. Dat heeft hij gedaan. Ik heb nooit vernomen hoe het is aangekomen. Het was erg slecht, waarschijnlijk.
B. Heb je dat nooit gevraagd, later?
P. Ja. Maar Toon wist er zich, gelukkig, niets van te herinneren. Dat was de parallel. Op precies dezelfde leeftijd als jij viel mijn eerste kennismaking met Van Duinkerken.
B. Mijn omgang met Van Duinkerken was sporadisch, ik zag hem bij vlagen. Ik mocht hem graag. Als ik naast hem liep had ik het idee dat ik nodeloos aan het tobben was. Die indruk wekte hij. Hij had die brede zwaai over zich, waardoor hij zonder het te zeggen zei: het is allemaal veel eenvoudiger dan je denkt. Het Brabantse optimisme. Ik kan je niet zeggen hoezeer ik dat wantrouw. Maar het boeide me wél, die glinsterende waterval van woorden. Soms was ik kwaad op mezelf en dacht: geef je nou toch over, maar ik kon het niet, omdat ik dacht: die woorden zijn er al vóór de gedachte er is, hij schenkt ze al pratend vol. Een pratende lettergieter. En tegelijk gebeurde dat weer zo onschuldig en trouwhartig, dat ik met een warm gevoel naar die gieterij stond te kijken. Ik ben er nooit helemaal uitgekomen. Echt contact had ik niet met hem, omdat de antwoorden er al waren voor ik de vragen gesteld had. Ik heb een paar lezingen met hem gehouden, in Vlaanderen, waarbij ik wel zorgde dat ik vóór de pauze kwam en hij daarna, omdat het geen zin heeft een voetzoeker af te steken als er net een atoombom ontploft is. Ik kijk wel uit. Ik had trouwens al een voorproefje van zijn vitaliteit gehad vlak voor de oorlog, in 1939. We waren alle twee uitgenodigd om voor de medische missiezusters iets te zeggen, die woonden in een ver- | |
| |
stopt kloostertje ergens bij Maastricht, dat plaatsje heette Amstenrade. In Maastricht rolde ik als een wrak uit de trein, want Toon had me onderweg alles verteld over de briefwisseling van Lamartine met nog iemand die ik niet kende. Hij zei: kom, we gaan lopen. Na twee uur kwamen we in dat klooster aan. De eerwaarde moeder kwam ritselend te voorschijn met een non, die een pot thee droeg. Toon wuifde die pot opzij en vroeg een fles jenever. Intussen was hij met die lezing alvast begonnen, hoewel we pas in de ontvangkamer zaten en het gehoor maar uit twee zusters bestond, want in die dingen was
hij niet benauwd. Halverwege die fles opperde de waarde moeder schuchter of we niet naar de zaal wilden gaan, want die zat maar te wachten. ‘Maar m'n goeie ziel,’ zei Toon hartelijk, ‘had dat toch eerder gezegd,’ en al pratend gingen we erheen, waar hij meteen doorliep naar de katheder en daar verder sprak, alleen wat luider, want het was nog een flink zaaltje, met veel boeren uit de omtrek en wat middenstanders van het dorp.
P. Ja. Ik hoor het weer. Tijdens de inleiding van de voorzitter hád Toon eigenlijk al het woord; hij sprak dan halfluid met de naast hem zittende secretaris of de vrouw van de voorzitter, alsof hij niet wachten kon tot hij op mocht.
B. Aan deze mensen ging Toon nu vertellen dat ze zich vergisten als ze dachten dat Erasmus met Melanchton over het vraagstuk van de vrije wil van mening verschilde. Ieder die zijn vijfde brief aan deze Melanchton kende wist wel beter en hij las die dan ook niet voor. Maar er was iets anders dat misschien minder bekend was en daar wilde hij nu even de aandacht op vestigen. De aanwezigen, die nog nooit van beide personen gehoord hadden, keken hem verbijsterd aan. Maar er straalde hem ook een grote genegenheid tegemoet, want men werd dan toch maar verondersteld dat allemaal te weten en na een tijdje dachten de mensen werkelijk: heb ik toch de brieven van die twee niet ergens thuis liggen? De vraag is: was Toon zich van die mateloze overschatting van zijn gehoor bewust? Ik denk van niet. Hij wist niet met wie hij praatte. Hij zag mij ook niet. Hij zag geloof ik niemand. Er zit daar wel iets aardigs in, omdat het op onschuld wijst, maar ik had er geen contact mee. Het eerste wat ik denk is: wat denkt de ander van mij? Deze zwakheid was hem volkomen vreemd, maar voor
| |
| |
mij is dat de essentie van het leven. Hij vatte dat onder ‘tobben’ samen, maar dan breken bij mij de draden, ik heb geen verbinding meer. En dan die ontmoedigende vitaliteit! Ik stel me dat zó voor, dat het geslacht Asselbergs eeuwenlang gespaard heeft om dit fenomeen van onvermoeidheid voort te brengen, zwijgend het pakje doorgevend tot eindelijk deze tijdbom te voorschijn kwam, de uiteindelijke ontploffing van zo'n zestig bierbrouwers, die het allemaal hadden opgekropt. Ik weet nog, dat we weer terugliepen naar Maastricht en hij wou toen nog de Sint Servaes zien. Ik zei: zullen we niet even gaan zitten? Hij stond toen stil en vroeg: maar je bent toch niet moe? Die verbazing was echt, hij kon zich die toestand niet indenken.
P. Nee. Hij dichtte jou zijn eigen constitutie toe.
B. Vooral in Vlaanderen heb ik dat gemerkt. We hielden daar wat lezingen voor studenten en na afloop werden we telkens naar een café gebracht. Daar bracht men de z.g. ‘salamanders’ uit. Dat kennen we bij ons niet. Men brengt daarbij het glas bier afwisselend ter hoogte van de voeten, de knieën, het middenrif, de hals, de mond enz. en houdt daarbij telkens een toespraak. De eregast wordt dan verondersteld daarop te antwoorden en zoiets houd ik wel een uurtje vol. Maar Toon ging daarmee tot de dageraad door. Ik zie hem nog staan in dat enorme café in Leuven, ik geloof dat het ‘Germania’ heette, hij stond op een stoel, want dat hoort zo bij een salamander, achter hem was 't raam al helemaal licht, en hij sprak maar door, met dat hartelijke, betrouwbare geluid dat vanuit de buik komt en ik dacht opeens: een heleboel mensen zullen nu misschien denken dat hij daar staat te pralen met zijn geweldige eruditie, ‘de pauwenstaart der ijdele belezenheid opzetten’, zoals van Deyssel het zegt, maar het tegendeel was waar, men moet juist van eenvoudige huize zijn om voor een troep jongens telkens maar weer zijn reputatie op het spel te zetten, het kan de twintigste keer mislukken en dat risico wordt dan toch maar genomen. Het was al helemaal dag toen ik hem eindelijk meekreeg, maar hij wilde niet naar een hotel, hij wist in Leuven een familie te wonen en die waren erg goed in spekpannekoeken. Goed, ik waggel achter hem aan en die mensen staken onmiddellijk het fornuis aan. Toon at die pannekoeken staande in de keuken en legde aan die mensen uit
| |
| |
waarom Vergilius nooit op die brief van Petronius geantwoord had, hoewel hij toch, zoals we allemaal wisten, wel degelijk met Petronius bevriend was. Hoor eens, zei ik opeens, ik ga nu naar bed. Het was aardig om de bezorgdheid te zien, waarmee hij me van toen af behandelde, ongeveer zoals je met een zwaar zieke omgaat, want hij kon eenvoudig niets anders veronderstellen dan dat ik iets onder de leden had, omdat het verschijnsel vermoeidheid hem totaal onbekend was. Toen ik 's avonds wakker werd hoorde ik, dat hij de familie nog uitvoerig had ingelicht over de rol van Louis Veuillot op het eerste vaticaans concilie en toen de trein genomen had naar Gent, waar hij diezelfde middag een lezing moest houden over de gebroeders van Eyck. Hij vertelde me eens dat hij dat een week kon volhouden zonder naar bed te gaan. Dat was geen opschepperij, want hij vertelde het met spijt, het scheen vroeger meer geweest te zijn. In de trein praatte hij ook voortdurend en hij keek me daarbij aan alsof ik een heel eind van hem af zat. Door het schudden van de trein had ik een techniek van jaknikken ontwikkeld, die alle inzinkingen overbrugde. Ik dacht wel eens: als er in mijn plaats nu iemand anders zou zitten, zou hij dat merken? Ik heb eens iets dergelijks meegemaakt en dat was in het begin van ‘Elseviers Weekblad’, ik was toen met Van Duinkerken mede-redacteur. Het gebeurde in Americain, daar was een feestje op een bovenzaal. Toon stond rechtop aan Werumeus Buning iets uit te leggen. Jobs dacht: daar gaat m'n feestje en week ruggelings achteruit, terwijl hij Spier in zijn plaats schoof. Jo begreep dat onmiddellijk en nam het luisteren over en werd na een kwartier afgelost door Arntzenius. De laatste in de rij was een ober, die wilde afrekenen.
P. O, mijn God.
B. De man stond rammelend met zijn wisselgeld in zijn broekzakken te luisteren naar het verschil in opvatting over de vrije wil tussen Arminius en Gomarus, waarbij hij tot zijn verbazing hoorde dat datgene, wat hij over die zaak altijd gedacht had, helemaal fout was. Dit is het sterkste staaltje dat ik ooit heb meegemaakt van het niet-zien van de ander, als je het negatief wilt uitdrukken, of van het bezield zijn door een onderwerp wanneer je het positief wilt zeggen. Bij mij overheerst dan het eerste, maar dat is geen veroordeling, het is een
| |
| |
instelling. Ik denk: wat gaat de ander nu zeggen, hoe komt het aan? Toon was uitsluitend geïnteresseerd in het vraagstuk zelf, dat hij helemaal transparant voor zich zag, onverschillig wie er op dat moment voor stond, hij keek daar dwars doorheen. Ik ben al een paar jaar af van de mening, dat in die dingen sprake is van meer of minder, je neemt het maar zoals het er ligt en moet daar niet direct een hiërarchie in zien, dat maakt de ruimte om je heen kleiner. Wel heb ik veel nagedacht over die gewoonte van hem om bij de toehoorders een enorme kennis te veronderstellen, waar zijn lezing dan een kleine verlenging aan toevoegde. Ik heb dat vaak bij hem meegemaakt. Wat was dat nu eigenlijk?
P. Het was uitermate strelend voor zijn gehoor.
B. Ja, de mensen begonnen te gloeien van geluk dat ze dit allemaal bleken te weten. Niemand dorst natuurlijk op te staan en te vragen: wat zijn nu eigenlijk Arianen en Nestorianen, daar was het ook te ver voor, dat ging niet meer, je kunt ook niet op sinterklaasavond vragen of Sinterklaas wel bestaan heeft, je hebt je handen vol met al die pakjes open te maken en zo was het ook met die lezingen van Toon, de mensen zaten midden in de nuances van de zaak en konden niet meer terug naar het vertrekpunt, dat de spreker had overgeslagen omdat hij dacht dat iedereen dat al wist. Maar wat zit ik te praten, jij hebt hem veel beter gekend dan ik. Klopt dat, wat ik zei van die vitaliteit?
P. Ja, dat heb ik ook meegemaakt.
B. Eten, drinken, praten, alles gebeurde op een reusachtige schaal. Wat was het woord ook al weer, dat altijd bij hem gebruikt werd? Bourgondisch. Wat het precies betekende weet ik niet, maar je voelde wel dat je daar zelf niet aan beginnen moest.
P. Mijn omgang met hem was niet sporadisch. Als vrijgezel op kamers in Amsterdam (hij had ze voor me uitgezocht: Leliegracht 25, waar Potgieter leefde, werkte en stierf) zagen wij elkaar twee, drie maal per week; middagen, avonden, nachten, ochtenden. Ik blijf er eeuwig dankbaar voor. Hij deed en zei de wonderlijkste dingen op de allernormaalste manier. Ik ben verschillende malen met hem naar Vlaanderen geweest. De eerste keer in '48. We waren toen met zijn drieën, Toon, Gabriël Smit en ik, en we hielden vijf, zes dagen achtereen gezamen- | |
| |
lijk lezingen. Precies op het moment dat de trein voorbij Roosendaal België binnenreed begon Toon Vlaams te spreken. Hij richtte zich ineens tot Gab en mij met ‘gij’ en kreeg het over de ‘statie’ van Antwerpen, ‘een pint vatten’ en overstappen ‘op den omnibus naar St. Niklaas’. Dat hield hij vol tot we na vijf dagen weer bij Maastricht Nederland binnenkwamen. Hij was er thuis en vond dat wij ook maar onderling de taal van onze gastheren moesten bezigen, desnoods liefst met inbegrip van de gallicismen, - zo van: ‘ik verwacht mij aan een groot bezoek, vermits men reeds zo deftig is geweest van het Davidsfonds te verwittigen.’ Hij beheerde de kas; niet al te verstandig, want hij besteedde soms aan bier wat voor eten gereserveerd had moeten worden. In die vijf dagen onderrichtte hij ons volledig in de geschiedenis van België, Nederland, Spanje. Bij de lezingen zaten Gab en ik er voor Piet Snot bij. De gastheren beschouwden ons, niet helemaal ten onrechte, als slippedragers of paranimfen, - hoewel Toon ons allerwegen voorstelde met een zin als: ‘Gij gaat luisteren naar den gekenden jongen dichter Gabriël Smit.’ Op één nacht tijdens die toernee, ik geloof in St. Niklaas, deelde Gab 's nachts een kamer met hem. In de vroege morgen werd hij wakker en Toon
zat rechtop in zijn bed en zei in zijn slaap: ‘Wanneer nochtans Joan Baen in 1634 Vondel wijst op belangwekkender stof voor zijn meesterpen, antwoordt de geboren Keulenaar, in wie de Antwerpenaar nog niet gestorven was, gelijk gij weet met de woorden...’, enzovoort. Het ging 's nachts in de slaap door, de lezing. Het was heerlijk, Toons reisgezel te zijn, - en het was dodelijk vermoeiend.
B. Hij stond ook heel vroeg op in zo'n plaatsje, waar we dan spraken, vijf uur, half zes, en dan ging hij om het stadje heenlopen, ‘de oude wallen langs’, zei hij altijd, ook als die er niet meer waren, dat was de manier. En als die muren er nog wél waren, dan moest je daar bovenop helemaal om zo'n gemeente heen klauteren, anders kreeg je er niet het goede idee van, dat kon hij me niet genoeg aanraden. Ik zei altijd dat ik dat bij een vorige lezing al gedaan had en dat nam hij direct aan. Als ik hem dan om half negen aan het ontbijt trof, dan had hij heel wat achter de rug. Hij had ook aan de pastoor van de kerk uitgelegd wat er allemaal in zijn kerk stond, dat wist hij al voor hij er naar binnen ging, geloof ik.
| |
| |
P. Ja, hij wilde geen uur missen van het bestaan op aarde. Hij wilde het allemaal indrinken. Hij wilde alles zien, hij wilde alles weten.
B. Het kan wel zijn dat die enorme dorst en honger er niet in die mate geweest zou zijn als hij niet in de Ypelaar - of waar was het, dat seminarie - zes of tien jaar had opgesloten gezeten. Ik herken dat hongeroedeem, ik kom weer terug op dat naar buiten stormen van die hele strenge school. Ik geloof niet dat een mens met een normale opvoeding dat heeft. Toon wilde inhalen.
P. Ik weet het niet. Het is mogelijk. Ik geloof het niet. Toon was een buitengewone man, hij was, denk ik, al met die honger geboren, hij wilde namelijk ook al op dat seminarie inhalen; in deze zin: heel de geschiedenis die achter hem lag en die hij gemist had, van Cannae tot Waterloo, van Hadewych tot Chateaubriand, dat moest opgevreten en ingedronken, dat moest zijn bloed in en zijn zintuigen. Van zijn fabelachtige belezenheid is de kiem gelegd op het seminarie. Hij las al op twaalfjarige leeftijd meer dan alle andere jongens van zijn klas bijeen. Hij had met zijn achttiende de Franse klassieken allemaal al verwerkt, plus nog een rij Duitsers, alsmede wat er verder nog aan filosofie en geschiedenis en er zo omheen te halen viel. Die man kwam altijd boeken tekort. Daar viel niet tegen aan te leveren door een boekhandel.
B. Las hij vlug?
P. Hij las vlug, ja; hij nam het vooral vlug in zich op. Maar hij kon ook excerperen. Hij had - heb ik wel eens gedacht - een geheugen met allemaal laatjes en vakjes die hij op de geeigende tijd kon opentrekken, en waar dan ook uitkwam wat hij nodig had, voorafgegaan door, zoals jij zei, de zin: ‘Zoals je weet’. En de beste ogenblikken met hem waren 's nachts, wanneer hij gedichten uit zijn kast ging halen en voorlas. De dichters van wie hij het meest hield. Gezelle, Van de Woestijne, Werumeus Buning, Nijhoff, - en parels van de ‘minor poets’, zoals Jan Prins, Schepers, Winkler Prins, Staring. Nee, ik geloof dat dat een hem aangeboren hongeroedeem was, nieuwsgierigheid; het was ook het leven in een voortdurende verwachting.
Ben je ooit wel eens sigaren met hem gaan kopen? Hij ging dan een winkel binnen en zei: ‘Goedemorgen, mevrouw, ik wens
| |
| |
verscheidene zaken van u te kopen, zoals een van de onmogelijke zinnen luidt uit het boekje “Hoe zeg ik het in het Italiaans”, - hetgeen voor u geen beletsel moet vormen om mij de beste produkten te tonen die er in de prijsklasse van 19 tot 39 cents voorhanden zijn.’ Of zoiets. Met een kleine lezing toe over de historische achtergronden van door sigarenfabrikanten weer tot leven gebrachte figuren als Elizabeth Bas, of - ‘zoals u weet, mevrouw, eerder door Van Lennep der vergetelheid ontrukt’ - Ritmeester Buat. Zo'n mevrouw was dan het bestuderen waard. Ze dacht eerst met een halve gare te doen te hebben, maar tegen de tijd dat Toon de winkel uitging zag je haar gezicht stralen in de zekerheid dat ze iets heel bijzonders had mogen meemaken en dat deze dag - op Toons verzekering - haar iets buitengewoon opwindends zou bezorgen.
Hij heeft jaren rondgelopen met het plan om een groot gedicht te schrijven over de bruiloft van Kana. Hij zou er al de figuren die in het evangelieverhaal over de bruiloft van Kana aan bod komen, in aan het woord laten, hij zou dus steeds in de huid gaan kruipen van een andere figuur; en hij kwam nooit verder dan de eerste regel. En die eerste regel van dat grote gedicht zou gesproken moeten worden door de vader van de bruid van Kana, en die regel had hij al, die luidde: ‘Het wordt een mirakels festijn’. Een erg leuke regel, omdat de man het vermoeden uitspreekt, nee, de zekerheid dat het een groot feest zal worden. Maar in dat ‘mirakels’ zit de dubbelzinnigheid dat er een wonder gaat gebeuren. En in die verwachting heeft Toon altijd geleefd. En daarom mocht hij geen uur missen.
B. Had hij ook de verwachting dat de goede wijn op het eind kwam?
P. Nee, die was er altijd. We hebben het eerder aangeraakt. Het goede was goed en dus lofwaardig. En er was alle reden voor lof en prijs, vond hij. Vandaar dat hij je als dichter a.h.w. kon ‘verbieden’ om te somberen. Hij zag er zelf geen enkele reden toe. Hij zat in de traditie van Chesterton, - die ballade met de stokregel ‘I think I will not hang myself today’. Bij nader inzien had niemand daar reden toe, vond hij. Om niet eens aan het ‘nader inzien’ toe te hoeven komen, bleef hij zelf liever voortdurend met wijdopen ogen zien wat vlakbij was. En
| |
| |
aan alles kon je merken dat hij een ander gedicht van Chesterton van harte onderschreef:
There is one sin: to call a green leaf grey,
Whereat the sun in heaven shuddereth.
There is one blasphemy: for death to pray,
For God alone knoweth the praise of death.
Somberen zonder reden, dat was eigenlijk een zonde voor God. En wat die wijn betreft, ik had het idee dat hij elke wijn goed vond, als het maar wijn was; hij was geen gourmet; hij kon nou niet zó goed wijnen van elkaar onderscheiden. En met hem eten betekende niet: zoeken naar het lekkerste; een biefstuk was goed. Hij wou véél eten, hij wou uitbundig eten, uitbundig drinken, maar hij was geen kenner, hij zocht er ook niet naar. Toch leefde hij altijd in de verwachting van het wonder, maar het was het wonder dat in het gewone gebeuren zou. Toen hij dood ging, dacht ik: nu gaat de laatste rooms-katholiek dood; ik geloof dat hij ook gestorven is met een nog geweldig geloof in de hemel die komen ging.
B. Ja? Had hij dat?
P. Het mirakel dat onderweg was. Dat mirakel stond hem nog te wachten. Hij wilde wel oud worden, hij wilde héél oud worden. Hij heeft ook gespeeld met de gedachte om nog eens een groot gedicht over Methusalem te schrijven. Shaw, diep in de negentig, dat vond hij een benijdenswaardige leeftijd; die richting moest het opgaan. Dat wel; dus zo lang mogelijk hier; maar daar kwam dan bom bovenop dat veel grotere feest van de hemel.
B. Maar jij zegt: hij leefde in die verwachting; was dat een verwachting op het hiernamaals?
P. Nee. Niet exclusief. Elk ogenblik kon er hier op aarde een wonder gebeuren. Dat gebeurde ook herhaaldelijk, voor hem. En hij wilde dat niet missen, hij wilde geen seconde van de tijd missen, want dan zou hij het misschien niet tegenkomen, dan zou het hem misschien voorbijgaan. Weet je, hij beoefende de deugd van hoop.
B. Hm. Wat ik in hem wel bewonderde, en wat door veel mensen is uitgelegd op een zure manier, als showing-off, dat was dat hij in elk gezelschap bereid was om te improviseren.
| |
| |
Hij deed dat al als je er maar eventjes op aandrong, zonder zich te laten bidden, ik heb dat in Teisterbant meegemaakt, in zeer moeilijke omstandigheden, 't was daar een rookhol, veel lawaai, en dan ging Toon à la Bilderdijk, Rhijnvis Feith of da Costa op rijm improviseren, en zo, dat de eerste regels van alle strofen nog Teisterbant vormden, dat noem je geloof ik een distichon. Niet te geloven.
P. Ja, ja, dat kon hij ook. Maar hij vond het verschrikkelijk om te doen.
B. Hij zag lijkbleek, zijn ogen kregen een vreemde glans, het zweet liep langs zijn hoofd, het is me ook wat, want één stap ernaast en je maakt een doodsmak. En dat hij toch altijd weer bereid was om op dat koord te gaan staan, dat vond ik eigenlijk meer dan de prestatie zelf.
P. Het was eigenlijk een kwelling; het was steeds weer een examen dat hij moest afleggen. Ik heb wel eens gedacht dat hij dat eigenlijk in menig gezelschap had. Men verwachtte zoveel van hem, en de roep was hem vooruitgegaan, als causeur, als onderhoudend verteller, als improviseerder, hij moest dat elke keer maar weer waarmaken.
Ja, het was nederigheid ook. Want hij bracht zijn gehoor bijv. ook graag in de waan dat een lezing hem meer pijn kostte dan het hem in werkelijkheid kostte. Hij legde altijd een papiertje op de hoek van de katheder, dat hij dan af en toe onder het spreken raadpleegde. Eén keer, toen ik op de eerste rij zat, woei het van het spreekgestoelte, en ik raapte het op en legde het terug, en in de gauwigheid zag ik zoiets staan als ‘sokken meenemen, J.E. bellen’. Dat papiertje was maar schijn.
Nu moest hij van zichzelf ook misschien iets te veel waarmaken; hij stelde zichzelf op bepaalde gebieden eisen waar hij misschien onderdoor is gegaan; ik denk met name aan zijn professoraat. Ik heb wel eens het idee gehad dat hij daarmee wellicht zichzelf heeft overschat. Hij verlangde naar dat professoraat, hè?, in Nijmegen.
B. Waarom, overschatten? Waren die andere hoogleraren dan meer?
P. Dat weet ik niet. Overschat is niet het goede woord. Ik bedoel het zo: dat hij zijn wetenschappelijke kennis omstandiger ging bewijzen, in voetnoten, dan wellicht nodig was geweest. Hij bleef vinden, geloof ik, dat hij zijn geleerdheid moest be- | |
| |
wijzen. Er zijn uit zijn professortijd veel - vind ik - nauwelijks leesbare stukken, in die krampachtige bewijsvoering van geleerdheid. Wat hij helemaal niet nodig had.
B. Ja, dat kom je bij meer tegen.
P. Met andere woorden: ik geloof dat dat professoraat hem niet zo gelukkig heeft gemaakt als hij zich voorgesteld had. Zoals Amsterdam en wij uit zijn omgeving, een stuk armer werden door zijn vertrek naar Nijmegen. Want hij betekende veel in Amsterdam.
Hij is in groot geloof gestorven, en mensen die hem de laatste paar weken aan zijn ziekbed hebben bezocht, zijn er stuk voor stuk diep onder de indruk vandaan gekomen.
B. Ben je toen ook bij hem geweest?
P. Nee. Ik heb het niet gedurfd. Het was laf, ik weet het. Daar openbaart zich bij mij een zwakheid die ik graag beken: ik kan een mens niet in zijn aftakeling zien. Toen Bekkers aan het doodgaan was, heb ik er ook niet heen gekund; die herkende ook helemaal niemand, maar daar gaat het niet om. Het moet verschrikkelijk geweest zijn, zoals hij eruit zag, ik bedoel Bekkers. Dat had ik gehoord, en ik kon het niet over me krijgen om de man, die ik als vriend gekend had in volle gezondheid, als een afgetakelde te zien. En dat heb ik met Toon ook niet kunnen doen. Ik ben het laatst een paar maanden voor zijn dood, toen hij nog niet in het ziekenhuis lag, bij hem geweest, met Gabriël Smit. Dat is ons laatste bezoek aan hem geweest. En toen sprak hij heel open over zijn ziekte, en heel realistisch over zijn levenskans. Het is, voor wat ons betreft, eigenlijk genoeg geweest. Meer dan genoeg. En nu schijnt het dat hij op zijn sterfbed, in zijn laatste dagen, op ieder die er kwam een geweldige indruk heeft gemaakt van mildheid, van optimisme.
B. Had hij pijn?
P. Hij had natuurlijk pijn, maar je weet, in veel carcinoomgevallen weet men de pijn soms tamelijk wel te onderdrukken, voor enige tijd.
Op zijn doodsprentje staat een gedicht van hem, ‘Er is een God’, dat geloof staat erin.
| |
| |
Wanneer mijn werk gedaan zal zijn,
Mijn adem stil, mijn ogen dicht,
Geneest mij van de laatste pijn
Dit nooit verloren vergezicht:
Er leeft een God, die alles schiep
Wat zichtbaar en onzichtbaar is,
Die mij tot zijn aanschouwing riep
Uit ondoorgrondbre duisternis.
Voorafgetekend loopt zijn pad
Dwars tegen mijn begeerten in,
Doch die ik 't liefst heb liefgehad
Gaf aan mijn heil zijn eerst begin.
In dat geloof is hij gestorven, en bepaald niet in de kou. Hij is in de warmte van zijn geloof gestorven.
B. Zo.
P. Ik heb hem altijd benijd. Je had het daarnet over dat met hem wandelen, en je bekommernis uitspreken, en dan zijn reactie daarop; hoe vatte jij dat ook weer samen, hoe hij daarop antwoordde?
B. O ja, dat je maar niet moest tobben, het was allemaal veel eenvoudiger dan je dacht.
P. Het was allemaal veel eenvoudiger, ja. Daar heb ik hem om benijd. Ik geloof dat je dat ook alleen maar kunt zeggen, dat het allemaal veel eenvoudiger is, wanneer je een groot geloof hebt. Dan wordt alles zo relatief, waarom je tobt. Kijk, als er een God is, dan is er verder geen enkele moeilijkheid. Want áls er een God is, dan is het een almachtige God, en dan heeft die God al die eigenschappen die wij vroeger in de katechismus van hem leerden: een God die oneindig liefderijk is, en oneindig rechtvaardig. Als dat zo is, dan valt er ook niets meer te tobben in het leven. En dan kun je natuurlijk opsommen, bijv. voor wat de schepping betreft, hoeveel er op natuurlijke wijze ontstaan is, enzovoorts, maar intussen blijft er dan toch te geloven dat jouw God dat allemaal vooruit geweten heeft en het ook zo bedoeld heeft. De grote God die de oorzaak is van alle mogelijke gevolgen. En als er dan zo'n God is, dan is het in de almacht van die God besloten om tegelijkertijd aan de
| |
| |
anderhalf miljard mensen samen te denken die op deze wereld wonen, én aan elk van die mensen apart.
B. Ja, eenmaal dat aangenomen is die particuliere attentie een kleinigheid. Dat houdt hij op zijn sloffen bij.
P. Precies. En daarom denk ik dat Toon met zoveel overtuiging tegen jou en tegen mij kon zeggen: ‘Niet tobben’; het ligt zoveel simpeler, het is allemaal zo eenvoudig. Daarom ben ik altijd een beetje bang voor termen als: ‘de eenvoudige gelovigen’; daar zit haast iets denigrerends in, alsof het om mensen gaat die het eigenlijk niet weten, die zich helemaal niet bekommeren over het wezen der dingen. Maar de ‘eenvoudige gelovige’ is benijdenswaardig. Zoals Toon dat was; mét al zijn kennis, zijn historische en kerkhistorische kennis, en met zijn mensenkennis en zijn theologische kennis. Er was door die kennis nauwelijks reden voor Toon, lijkt het, een ‘eenvoudig geloof’ te hebben. Hij wist overal veel te veel van. En toch. ‘Dit nooit verloren vergezicht. Er leeft een God.’
B. Ja, maar er is toch in zo'n genuanceerd leven dan blijkbaar een gebied waar het hoofd gebogen wordt. En die wonderbare spreuk van Jezus: zalig de eenvoudigen van geest, ik geloof niet dat dit slaat op dat je eenvoudig bent, maar op het vermogen om in bepaalde kardinale vragen de persoonlijke analyse uit te schakelen. En dat vermogen had Toon: hij gaf zich over; over die dingen ging hij niet meer nadenken, blijkbaar. Hij wist wel een hoop van kerkgeschiedenis, apologie en exegese, maar hij ging zich toch niet verdiepen in de vraag of God wel bestond. Dat stond vast. Met andere woorden: daar dacht hij niet over na.
P. Ik denk het niet.
B. Kijk, dat is voor mij het gekke, dat je een dergelijke discriminatie kunt toepassen, dat je dus een apparaat op je nek draagt dat helemaal getraind is in het analyseren van alles wat je om je heen waarneemt, en dat je die klok opeens stilzet, zo gauw je dat bepaalde gebied nadert.
P. Ik heb daar al eerder van gezegd wat het volgens mij bij Toon was. Hij wou niet wijzer zijn dan zijn eigen Brabant, zijn voorouders, zijn vader en moeder. Over het sterven van zijn vader heeft hij indertijd een gedicht geschreven. Zijn vader ging op Kerstmis dood. Hij zegt daarin: ‘Leefde hij niet zoals een herder leeft?’ Het eenmaal weten dat er een God is, en
| |
| |
dat je hem gezien hebt, zoals een herder in Bethlehem hem gezien heeft, ach, daarmee kon, geloof ik, wat Toon van Duinkerken betreft, elke ontkenning van God ‘en bagatelle’ behandeld worden.
B. Maar dán betekent dat ‘eenvoudig van geest zijn’, dat je je op een bepaald terrein als een kind gedraagt.
P. Ja, dat is het. Maar hij had ook nog wat anders, en dat vind ik even benijdenswaardig. Hij, die de geschiedenis van de kerk zo goed kende, de menselijke zwakheden die daarin begaan zijn in de loop van de eeuwen, en al de schandalen die door pausen en gepurperden en heiligen en zondaars om hem heen gebeurd zijn, schandalen ook die hij aan den lijve heeft ondervonden in de roomse gemeenschap van Nederland, hij sprak er nooit met rancune over. Hij wist ook wat Graham Greene ooit geschreven heeft: ‘Er is geen zonde, hoe groot en erg ook, of hij is al ooit eerder vóór ons door een heilige begaan.’ Als hij ons de afgelopen maanden had horen praten, dan had hij ons gezegd: ‘Niet tobben, jongens.’ Ik heb hem nooit bittere kritiek horen oefenen op mensen. Hij had een grote mildheid. Hij wist dat de dogmata de mensen afschuwelijke parten konden spelen en ze tot verblinde partijgangers maken. Maar hij weigerde de heerschappij van de dogmata, welke ook, over de levende mensen en hun samenleving te aanvaarden. Hij was maar jegens één ding intolerant: de intolerantie. In dat opzicht is hij voor mij een levensgrote uitdaging. De kou waarin we zitten is reëler omdat mensen als hij er haast niet meer zijn. Ik mis hem. Niet alleen zijn persoon, maar vooral ook wat hij met zich meedroeg. De warmte van zijn geloof en zijn hoop.
Maart/oktober 1969
|
|