| |
| |
| |
22 Het klooster
B. Heb je wel eens heimwee naar die tijd?
P. Naar het seminarie? Nee, nooit. Ik heb ook andersom op dat seminarie nooit heimwee naar huis gehad. Er werd, als je daar kwam als twaalfjarige jongen, meteen gezegd: Je zou de eerste weken wel heimwee hebben, en dan moest je maar naar de subregent gaan, die zou je daar wel van af helpen. Ik heb nooit heimwee gehad; ik voelde mij daar wel thuis, en was blij in die jongensgemeenschap. Wat ik wel soms heel erg vond was, dat sommige jongens je bij je achternaam noemden.
B. Ja, dat gaat ook tegen de club in.
P. Precies, tegen de club. Dat deden de zeven jongens op een ouwe schuit toch ook niet?
B. Ik ben ook eens in een klooster geweest, twee weken maar, hoewel het toch lang is als je het meemaakt. Dat was een Italiaans klooster. Je moest dan naar Siena reizen, en van Siena met een bus naar Asciano, daar moest je uitstappen en dan stond je al helemaal in de eenzaamheid. Maar dan was je er nog niet, van Asciano liep een bergpad naar Chiusure, een ezeltje met mijn twee koffers liep achter me aan en zo kwam ik in Chiusure, dat was helemaal van God verlaten en de mensen hadden er kleine oogjes van de slaap. Van daar uit zag je in de verte een berg en dat was de Monte Olivete. En daarop stond een klooster van de benedictijnen, die noemden zich de olivetanen. Het was bedoeld voor wel achthonderd paters, maar er waren er maar twintig van over en die liepen helemaal krom van de vroomheid en de ouderdom. Het klooster zelf was ook onnoemelijk oud en bleef alleen overeind staan omdat het niet kapot te krijgen was. De gangen waren er eindeloos en deed je er een deur open dan stond je telkens in een nieuwe zaal, waar nooit iemand in was. En overal reusachtige schilderijen van recht naar de hemel varende heiligen, allemaal dik onder het stof. Maar er was toch ook een abt, die toddelde met zijn laatste krachten op me af en vouwde me een ogenblik in zijn pij, daarna heb ik hem niet meer gezien. Ik vermoed dat de aanblik van een jongeman (ik was toen 19) in die gemeenschap van louter grijsaards hem te zeer heeft aangegrepen. Maar
| |
| |
laat ik eerst even zeggen hoe ik erin gekomen ben: In Laren woonde een mevrouw Breman. Is dat een begrip voor jou?
P. Nee.
B. O. Dat was een heilige vrouw; ze was getrouwd met Ko Breman, een schilder, die van al die hoge dingen niets hebben moest en dol op garnalen was, resten hiervan waren voortdurend op zijn jasje te zien. Hij floot ook altijd op de gang, als een protest tegen het Gregoriaans, dat in de andere vertrekken te horen was. Zij heette van zichzelf Schouten. En deze Lizzy Breman-Schouten wat katholiek geworden door Frederik van Eeden. Haar katholicisme had ook het sterk gevoelsmatige daarvan, waarbij nog pater van Ginneken kwam, die haar peetvader was. Men ging niet zomaar naar de kerk en dan afgelopen, nee, men leefde in een voortdurende staat van opperste vervoerdheid, en men meende ook dat dit extatisch tot alles bereid zijn ook een teken was van het ware geloof. Ik was meteen helemaal weg en zij was ook een bijzonder wezen. Ik had nog nooit een vrouw ontmoet, die tegelijk zeer vroom en van een verfijnde cultuur was, die twee gingen nooit samen, het was volstrekt nieuw voor me dat dit kon. Zij nodigde me uit om bij haar te komen, ze woonde op de Torenlaan in Laren. Ik zat meteen midden in haar spinneweb. Het interieur was heel sober, maar van een uitgekiende soberheid, plankenvloer, hier en daar een delicaat meubel, ik durfde me bijna niet te bewegen. Ze omhelsde me en gaf me een kruis op het voorhoofd, verder weinig woorden, ik voelde direct: ik ben erbij, hier gelden alleen de hoogste maatregelen. Er was ook nog een andere jongeman in het vertrek, die sloot alleen even de ogen om aan te geven: dit is het moment van je leven en tegenspartelen is zinloos.
P. Hoe oud was zij?
B. Ze was tijdeloos. Ik heb nooit geweten hoe oud ze was en daarnaar informeren was natuurlijk uitgesloten, niemand had dat trouwens geweten, al waren er veel discipelen om haar heen, maar die hadden wel wat anders aan hun hoofd. Ze was heel mooi: klein, met vurige Spaanse ogen die je doordringend aankeken, een laag voorhoofd - dat is mij altijd opgevallen -, een grote neus, wat veel heiligen hebben, en een stem die me helemaal dronken maakte van geluk. Haar man was schilder en die kwam binnen met zijn vest vol garnalen en een liedje
| |
| |
neuriënd, want die beoefende een geheel andere zijde van het leven. Zij sprak daarover niet met afkeuring, maar met liefdevolle deernis: ‘Ko’, zei ze, ‘zal ooit de omarming van Christus voelen.’
P. In mild begrijpen...
B. Ja, maar zo'n zin stond toch maar even recht overeind in de kamer. Ik wilde hem ook niet verachten, iedereen deed trouwens zijn best om gewoon met hem te praten. Het was zelfs geen onprettige verschijning, want je voelde dat je om te beginnen al verder was dan haar eigen man. Elke geruststelling was daar meegenomen. Pas veel later ben ik hem als een monument van nuchterheid gaan waarderen.
P. Zo gaat het meestal.
B. We gingen vrijwel meteen aan tafel, aan zulke dingen werden niet veel woorden verspild. Het was een soort gesublimeerde rauwkost, met voor ieder een glas water. Daarna lazen we in de Heilige Schrift en er volgde een discussie. Er was ook een pater bij, met wit haar, die liet af en toe een diepe blik op mij rusten. Ik begreep dat er geen redden meer aan was. Een van die jongens is karthuizer geworden, een ander norbertijn en een derde werd trappist. Er waren er ook die zingend de wereld ingingen om daar iets uit te dragen, Jezus kon alles gebruiken. Maar toen werd het penibel, want ik was de enige die overbleef. Ik voelde me een ouwe taaie. De situatie werd onmogelijk, want ik kon toch die rauwe wortelen niet blijven eten zonder iets groots terug te doen. Lizzy Breman liet iedereen natuurlijk volkomen vrij, dat was het enge ervan, ik moest het natuurlijk helemaal zelf weten, maar tussen gewoon een glas bier drinken met de andere proleten en het omhelzen van Christus en zijn kruis was geen middenweg, dat stond wel vast, je kon het alleen extreem doen of laten. Zij had het extreme gekozen en meer zei ze niet. De situatie duurde een jaar. Wat ik eruit overgehouden heb is muziek. Ze had maar één wereldse grammofoonplaat en die vond ik op zolder. Het was de Kleine Nachtmusik. Die draaide ik eindeloos, tot ik bijna niets meer hoorde.
P. Ging je nu met haar om, of ging je met haar zonen om?
B. Zij had maar één dochter, die is nu benedictines.
P. Was die mooi?
B. God mag het weten, dat deed er niet toe. Ja, ze was heel
| |
| |
mooi.
P. Ik vraag me af waarom je er bleef komen, en met wie je nu eigenlijk omging?
B. Het was allemaal adembenemend, ik heb ook nooit geweten waar in dat huis het toilet was, ik geloof ook niet dat iemand daar gebruik van maakte. Ja, die dochter viel ook maar steeds niet om, we waren op het laatst twee burchten, die maar zinloos overeind bleven. Maar ze is toch benedictines geworden, in Schotenhof bij Antwerpen, en na enige tijd stierf ook Ko, die was met al zijn garnalen mijn laatste strohalm, en toen werd zijn atelier veranderd in een kapel, dat was ook een krachtige vingerwijzing. Ik kon in dat huis nergens meer heen, alles was gewijde grond. Er kwamen wat nonnen, het werd helemaal een klooster met een klok op het dak, die luidde als je aan tafel ging, je kon niet heen of weer. Ik heb daar niettemin momenten van groot geluk en vervoering gekend, alles wat ze zei was even diep en fijnzinnig, maar in haar enorme ogen bleef natuurlijk de vraag: komt er nog wat van? Ik voelde me in al dat hoge een polderwerker, die probeert het bij te houden en wiens geringe zieleadel het best achter zwijgen verborgen kon blijven. Dat zwijgen werd door haar heel anders uitgelegd: als het aangeraakt zijn door de hand Gods.
P. En het zich reeds op de derde trap bevinden, of in de vierde kring.
B. Ja. Successievelijk waren al die jongens verdwenen, ik weet nog goed dat Joost Laudy wegging, naar Monte Olivete; die vertrok met een bus naar Utrecht - want alles ging heel sober natuurlijk - en dan met de nachttrein naar Monte Olivete. Wij stonden samen op de weg, mevrouw Breman en ik, en ze ging toen midden op de weg staan met haar handen wijd ten hemel, en Joost keek door het achterruitje met tranen in de ogen, want dat betekende: alles geven. Je begrijpt hoe ik er als een boerelul naast stond. En toen begreep ik dat ik ook moest gaan, alleen al als inlossing van een soort ereschuld, maar ik wou eigenlijk niet. Toen ben ik ziek geworden, een maand lang, ik was helemaal verscheurd. En toen ik weer overeind kwam heeft ze een gesprek met me gehad, we liepen over de hei en ze zei: ‘Gill,’ - zo heette ik, we hadden allemaal een andere naam -, ‘wij moeten samen praten.’ We liepen over de hei, maar ze roerde dat niet aan, ze wou dat ik er
| |
| |
over begon. En toen we na een uur weer terugkwamen bij die verheven plaggenhut, zei ze: ‘Ik heb mijn halssnoer verloren.’ En toen moesten we die wandeling opnieuw maken. Ze was hem helemaal niet verloren, dat heb ik pas veel later begrepen, aan Gods genade moest alleen een nieuwe kans geboden worden. Ook toen heb ik het niet gezegd. Tenslotte ben ik toch gegaan, maar ik was ziek, in de war, ondersteboven, je moet weten: ik kon er met niemand over praten, dit is trouwens de eerste keer. Er was geen andere mogelijkheid. Ik kwam in Siena, waar ik het huisje van de heilige Catharina bezocht. Dat leven werd bij Lizzy Breman druk gelezen, we zagen frappante gelijkenissen, die ze overigens nadrukkelijk van de hand wees, wat de overeenkomst nog versterkte, want het was vooral een nederige heilige geweest. En toen heb ik die tocht gemaakt, die ik je beschreven heb en kwam in dat enorme klooster, dat helemaal grauw van de oudheid was, met die paar schimmelige paters. Die waren heel aardig, ze hadden ook baarden, wat bij de benedictijnen niet gebruikelijk is. Ik kende al een beetje Italiaans, dat had ik geleerd, en ik heb het daar twee weken uitgehouden en ben toen weer teruggereisd. Waarom ik het niet gedaan heb? Ik had een gevoel alsof ik op mijn tenen stond, alsof het allemaal subliem en tegelijk niet waar was. Verder kan ik er niets van zeggen. Ik begreep dat het althans voor mij een leugen was en dat ik daar niet in mocht volharden. Ik vond het vreselijk om naar huis te gaan, want mijn ouders waren erg ingenomen met die stap, in tegenstelling tot jouw vader. Wat een genade voor iemand, die aan alle kanten dreigde scheef te gaan. En toen ik terugkwam was ik weer de oude flapdrol.
P. Trof je daar, in dat klooster, je oude vriend aan die daar was ingetreden?
B. Ja, Joost was er.
P. En die was er nog gelukkig?
B. Ja, ja, die was in een zo laaiende mystiek terechtgekomen... Hij had daar ‘Het leven van de Heilige Catharina van Siena’ van Jörgensen bemachtigd en was van louter vervoering bijna tegen het plafond gegroeid, dat was me een heel ander katholicisme dan wij in Nederland gewend waren, je rolde van de ene extase in de andere, de geringste handeling was pneumatisch geladen. Dat was ook de bekoring van La- | |
| |
ren geweest, waarvan ik tegelijk voelde dat ik dat met mijn Nederlandse hoofd onmogelijk bij kon sloffen. Maar die zaak is gecompliceerd, ik moet er toch even nog iets van zeggen. Kijk, dat geloof bij ons thuis in Haarlem, dat was een bekende zaak. Je moest God liefhebben, maar je hoefde je nu niet voor hem onder de trein te gooien. Als je nou maar deed wat hij je zei, dan was dat ruim voldoende. En wat zei hij? Dat had de kerk voor je opgevangen en het zó doorgegeven, dat het best te doen was. Maar juist door die overzichtelijke uitvoerbaarheid ontstond er een zekere sleur, het rijk Gods was van een zekere stoffigheid niet vrij te pleiten. Je vond op het laatst alles heel ‘gewoon’. En daarin verscheen nu plotseling Lizzy Breman. De oude dingen kregen plotseling een geweldige gloed, ze zagen er opeens fonkelnieuw uit. Ik hoorde die versleten waarheden voordragen op de manier zoals de relativiteitstheorie van Einstein wordt uitgelegd, wat ook een verbinding is van waarheid met iets ongehoords. Ik had nooit het katholieke geloof gecombineerd met het begrip nieuw, sommige bekeerlingen kunnen dat, zoals Chesterton in zijn ‘Orthodoxie’. Lizzy Breman kon dat ook, je liep opeens in de avant-garde. We liepen zelfs door de korenvelden rondom Laren luidop te bidden en te zingen. Een geweldige geestdrift om de oude waarheden.
P. Jullie liepen aren te lezen achter de maaier, bij wijze van spreken.
B. Ja, het was allemaal zeer opwindend. Ik vond het ook in dat klooster erg mooi, ik heb daar heel dierbare herinneringen aan. Ik vond het er zó mooi dat ik wat dat betreft best had willen blijven, ik was er niet ongelukkig, ik vond het er heerlijk, in die kale refter. Het was zo prachtig oud. Je moet denken: de Nederlandse kloosters zijn niets vergeleken bij zo'n oud Italiaans geval, waar bij sommige deuren de muren helemaal hol en glad gesleten waren van de pijen, die er al die eeuwen langs geschuurd hadden. En al die doodstille binnenplaatsen met zo'n ruisend bronnetje! Er waren wel dertig patio's.
P. En een kloostergang die echt schaduw biedt in het middaguur.
B. Ja, en 's avonds in je cel hoorde je het sjirpen van miljoenen krekels buiten en binnen in die gewelfde gangen het slof- | |
| |
fen van een oeroude pater, die nog ergens naar toe moest. Dit brengt me op de w.c.'s daar. Dat waren uithollingen in de muren naar buiten toe met een gat in de vloer en de religieuze uitwerpselen vielen van daaruit recht naar beneden. Je zag het ook buiten, als er binnen iemand bezig was. Een pij heb ik nooit aan gehad, daarvoor was ik te kort natuurlijk. Wel had ik een eigen cel, zo'n stenen kamertje met een stromatras en verder niets erin, prachtig is dat, met dat hoge bovenlicht. Ook deed ik mee met het koorgebed, dat heel vroeg in de ochtend begon als het nog bijna donker was. Dat zingen van die twintig grijsaards klonk heel dun en ijl langs de onmetelijk hoge gewelven, ik hoor het nu weer helemaal. Het voornaamste was dit: ik beminde ze stuk voor stuk. Dat gevoel heb ik later nooit meer in die mate gekend, de neiging om iedereen te omarmen en aan het hart te drukken, tot de koeien en de schapen toe, een soort kosmische liefde en dat is een onbeschrijflijke ervaring, ik kan er niet eens over praten. Ken je dat, dat over sommige dingen liever niet gesproken mag worden, omdat er anders een licht bederf in slaat? Het heeft iets te maken met verraad, maar de taal is te arm om dat precies uit te drukken.
P. Ja, dat begrijp ik. Maar ga vooral door.
B. Ik was natuurlijk verreweg de jongste en daarom moest ik dikwijls iets halen, want die gangen waren eindeloos lang en voor die oude monniken niet te belopen. Dan hoorde ik dat dunne psalmodiëren heel in de verte, ook weer niet te beschrijven, ik zweefde over de vloer. Bezoek kwam er nooit, de stilte stond maar suizend om je heen. Wel herinner ik me een kaartje in het kloeke handschrift van Lizzy Breman. ‘Avanti!’ stond erop, meer niet. Ja, maar hoe? Het was daar pas-op-de-plaats, die mensen waren er, dat zag je aan hun kalme blije gezichten. En opeens begreep ik, dat ik op dit geluk geen recht had, dat wat bij hun een verovering bij mij een vlucht was. Hoe kan ik het uitleggen? Er is een zaligheid, die je niet als toerist mag bezoeken en dat besef kwam langzaam over me. Ik had er geen recht op, dichter kan ik er niet bij komen. Ik praatte er nog over met een pater, die wat Frans kende. ‘Des nuances nordiques’, zei die vanuit zijn klare latijnse hoofd. Hij begreep geen bal van dat germaanse gespin. Meer olijven eten, zei hij nog, hij had daar veel baat van ondervonden en ging nu weer elke dag. Ik voelde me beschamend ingewikkeld, maar het was
| |
| |
nu eenmaal voor mij de waarheid en ik vertrok. Bij de poort stonden ze allemaal te wuiven. Ik heb ze nooit teruggezien. Ze zijn nu allemaal dood. Ik zou alleen dat kerkhofje willen zien, waar ze nu op een rijtje liggen. Ik zag dat altijd vanuit mijn raam.
P. En Joost?
B. Die heeft daar nog een jaar gezeten, ik ben hem later uit het oog verloren.
P. Hoe was het eten?
B. Daar weet ik niets meer van, in zoverre was ik echt een discipel van Laren gebleven, daar lette de waarachtig ontrukte niet op. Wel herinner ik me het eetgerei, dat was indrukwekkend mooi, vooral die houten nappen. En niet ontworpen door een gevoelige, omdat het zo ‘sober’ was, maar gewoon hout uit armoe en zelf gemaakt, je ziet dat direct. Die mensen waren zich trouwens totaal onbewust van wat hen omringde, niet de flauwste neiging om dat ‘pittoresk’ te vinden en daarom mochten ze er ook blijven. Ik ben blij dat je mij dit gevraagd hebt, want hiermee heb ik precies de reden aangegeven waarom ik weg moest.
P. Je verhaal doet me een beetje denken aan mijn bezoek aan Taizé, dat ik met Ton Neelissen gedaan heb. Het ligt niet in een woestijn, want rond Taizé, bij Cluny, is er nogal een vruchtbaar land (het is door die monniken van Taizé, protestantse monniken zoals je weet, behoorlijk in cultuur gebracht). Maar daar hing toch iets van die sfeer die jij nu beschreven hebt. Ik weet nog heel goed hoe wij daar samen werden rondgeleid door een Nederlandse broeder van Taizé, en die bracht ons tenslotte ook in een ruimte waar de produkten van de handenarbeid van de broeders, eenvoudige kruisen en zo, lagen opgestapeld, en die vatte toen - er was zo'n tafel met allemaal kruiken erop - een aarden kruikje in zijn witte handen en vroeg ons waarom dit nu zo mooi was. Daar wisten wij zo gauw geen antwoord op. En toen zei hij: ‘Dat zal ik u vertellen; omdat het gemaakt is van water, van lucht, van aarde en van vuur.’ Toen wendde hij de blik af en staarde in de oneindige verte. En toen konden Ton en ik ons lachen niet houden; wij lachten die man, zonder dat we dat wilden, midden in zijn gezicht uit. En Ton zei: ‘Kan het ook zijn dat er van hetzelfde ook iets ‘lelijks gemaakt wordt, af en toe?’
| |
| |
B. Dat was dus geen zuivere koffie.
P. Nee. En daar werd ook veel omhelsd. En steeds lagen er handen op je schouders.
B. Goed. Zo was het dus met mij. Maar ik kan er nog steeds geen afscheid van nemen. Ik had het begraven en nu komt alles weer terug. Er was daar ook een novicenmeester, die viel bijna om van de ouderdom, hij zat ergens apart te mummelen en deed aan niets meer mee. Die legde dan zijn hand op je hoofd of kneep je in de wang. Op moeilijkheden werd verder niet ingegaan, God was oneindig goed en dat kwam allemaal best in orde. Dat vond ik een heel aardige opvatting, dat heeft mij erg goed gedaan. Maar waarom ik eruit gegaan ben, dat houdt me nog steeds bezig, het is opeens een zaak van leven of dood voor me. Ik kwam in een groot geluk terecht, wat jij incidenteel ook gekend hebt, maar ik (vermoed ik) in een veel grotere mate, in dat verre land waar alles zo meewerkte. Maar wat was dat? Een enorme geborgenheid, voor het eerst van mijn leven, en toch, dat is het vreemde, te vroeg. Ik vond dat het die oude paters volledig toekwam, ik gunde ze trouwens alles, maar ik meende dat ik te vroeg in een holletje wegkroop. Ik heb nog iets vergeten te zeggen. Ik was net daarvoor in Siena geweest, en had daar door de achterbuurten gelopen. Dat beeld zag ik steeds maar voor me en ik dacht: ik sla iets over. En ik moet werkelijk toegeven - dat mag ik toch wel zeggen - dat het weggaan voor mij een offer geweest is, dus een omgekeerd offer: dat ik de wereld inging.
P. Waar het veel moeilijker was.
B. Ja, zoiets. Ik zag opeens dat ik naar de universiteit moest, en lid worden van het corps, en in Amsterdam op kamers wonen. Niet om de wereldse genietingen - want ik dacht dat ik daar nooit aan toe zou komen - maar juist omdat ik er bang voor was. Ik vond de hele zaak te gesepareerd en te cosy.
P. Wat jij daar vertelt treft mij, omdat ik dat ook ineens herken. Zo'n hand op je schouder: een volwassen man legde jou met jouw achttien jaar een hand op de schouder, en dat gaf - dat weet ik nu van mezelf - je als het ware een rilling van onverwacht geluk. Ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Nee, je kreeg er tranen van in je ogen. En wel - zo geloof ik achteraf - omdat dat ineens een teken was van een hartelijkheid en tederheid, die je zó in het geheel niet kende, dat, wanneer
| |
| |
het dan kwam, het een compensatie was voor wat je eigenlijk miste. Dus je was geneigd het als geluk te overschatten. Begrijp je wat ik bedoel?
B. Ja, ik ken natuurlijk jouw gezin niet, maar wij kwamen uit een gezin waar de affectie zeer spaarzaam beoefend werd. Je stelde je al gauw aan. Omhelzingen en zoenen waren uitgesloten, zelfs een hand om een schouder was ondenkbaar. Genegenheid mocht niet naar buiten blijken.
P. Nee, bij ons ook niet...
B. Komend vanuit die reserve was je daar dus erg gevoelig voor.
P. Precies. Dus kon je ook erg gevoelig zijn voor dit soort kleine tekenen. Waar je ook niets achter hoeft te zoeken, geloof ik, achteraf, van homosexualiteit of zoiets.
B. Patriarchaal was het, vooral daar in Italië, waar bijna niemand onder de zeventig was. Maar ik was een uitgehongerde, ook ten opzichte van mijn vader, en ik beschouwde ze allemaal als vaders. Er liepen daar allemaal vaders rond. Het woord pater betekent trouwens vader en in het Italiaans is er geen verschil tussen die woorden. Het voordeel van een Spartaanse en gevoelsarme opvoeding is dat alles later meevalt en steeds feestelijker wordt, maar het nadeel is ook niet mis. Je houdt je hele leven de trekken van een jongetje, dat lief gevonden wil worden.
P. En kon jij nu, als niet-Italiaan, daar opgenomen worden in een toch - neem ik aan - overwegend Italiaanse gemeenschap?
B. Ze wisten niet waar ze bleven van blijdschap. Niet om mij, maar omdat ik jong was. Het klooster stierf uit.
P. En wat is er geworden van mevrouw Breman?
B. Mevrouw Breman is vorig jaar gestorven.
P. Zeer oud geworden?
B. Ja. En nu iets vreemds. Ze werd opgenomen in een ziekenhuis in Laren en heeft daar negen maanden lang met wijd geopende ogen voor zich uit gekeken, languit in bed. Ze zag iedereen en zei niets. Ik heb een dokter gesproken, die zei: ‘dat hebben we nog nooit meegemaakt’.
P. Was ze wél bij kennis?
B. Volkomen.
P. En haar hersenen functioneerden?
B. Ja. Maar ze zei niets.
| |
| |
P. Had zij, meende je toen, of later, mystieke ervaringen?
B. Wij dachten dat ze bijna niet de aarde raakte als ze liep. Ik was ook overtuigd dat zij allerlei visioenen had, die ze uit deernis voor ons, die zoveel lager stonden, niet vertelde. Ook meende ik dat haar ‘gewoonheid’ (ze was heel lief en hartelijk) op acteren berustte. Je moet dit niet verkeerd begrijpen, alsof ze dat niet meende. Ik zag het zo: als ze met ons verkeerde schakelde ze gauw op een meer menselijke versnelling over. Alléén was ze natuurlijk helemaal aan de aarde ontrukt. Daarom maakte het bericht van dat doodsbed zo'n indruk op me. Alles kwam weer terug. Ik dacht niet: het spraakcentrum is gestoord, wat natuurlijk best mogelijk is. Ik dacht alleen: die is waar ze hoort te zijn. Ik heb haar ook niet opgezocht.
P. Kleedde zij zich ook in ruwwollen stoffen?
B. Ja, ik begrijp je, die vrouwen met oorbellen en houten kralen, die zo begrijpend binnenkomen, maar zó eenvoudig was het niet. Nee, ze kleedde zich heel ingehouden, bijna geraffineerd van eenvoud, alleen herinner ik me een gouden kruisje om haar hals bij bijzondere gelegenheden. Ze was uit een patriciërs-familie en die afkomst doortrok alles wat ze deed, zoals een fijn parfum. De attractie hiervan werd nog verhoogd doordat zij tegelijk katholiek was. Het middenstands-achtige daarvan was haar volkomen vreemd. Haar gratie was moeiteloos en dat gecombineerd met een hevig geloof was iets om je ogen op uit te kijken.
P. Die vereniging was toen inderdaad zeldzaam.
B. Ze was vermogend, en heeft later, toen ik mij al losgemaakt had, het huis aan de overkant erbij gekocht. En uit heel Nederland kwamen daar tobbers, zoekers, worstelaars en ook natuurlijk religieuze halvegaren met haar praten. Zij gaf dan kracht. Dat deed ze, tot haar dood. Haar hele vermogen heeft ze daarin gestoken. Torenlaan 55.
P. Je hebt nooit nadien meer, toen je eenmaal in Amsterdam terecht gekomen was, in het corps zat, een heimwee gehad naar die tijd?
B. Jawel, maar toch nooit gedacht: ik moet terug. Toen ik in de Spinhuissteeg op dat kamertje zat en later vanuit de Huidenstraat naar de universiteit slofte, had ik, wringend door al die auto's heen, en in de collegezaal met driehonderd jongens waarvan ik er geeneen kende, wel eens heimwee naar dat klei- | |
| |
ne groepje grijsaards op die berg, die daar in het halfduister de oudste dingen van Europa deden. Ik heb dat nog wel eens. Maar altijd zonder spijt.
P. Ik heb niet ver van jouw kamers gewoond, nl. op de Leliegracht, op de sterfkamer van Potgieter. En het heimwee dat ik kreeg was naar het gezelschap, de vriendschap op het seminarie, dus weer naar de club, terwijl ik daar op het laatst toch verlangde naar het alleen zijn, op een kamer wonen. Maar daar eenmaal gezeten, draaide ik weer een halve slag om.
B. Het was de zekerheid, niet zelf verworven, maar klaarstaand om je heen. Je hoefde er maar in te stappen. Ik denk wel eens: zou die nú nog ergens bestaan? In katholiek Nederland dan?
P. Ik weet het niet, ik weet het niet.
B. Nee, ik denk van niet. Mijn broer was vijfentwintig jaar priester, dat werd gevierd in een benedictijner klooster. Ik heb daar toen aandachtig rondgekeken, maar er was veel twijfel, een deel van de paters was eruit gelopen, een ander zat in Nijmegen op kamers te experimenteren. Wat er overbleef sprak over ‘dialoog met de wereld’, ‘het contact aandurven’ en ‘openstaan’, enfin, je kent dat gesnor. In het klooster van Arnold trouwens ook: gespreksgroepen, getourmenteerdheid, zich afvragen: wat doen we hier eigenlijk? Maar wat ik daar op die berg gevonden heb: die kolossale zekerheid, die ook als zekerheid lief was, niet die zekerheid van: we hebben het gevonden, maar een gezamenlijk elkaar beminnen in de volstrekte overtuiging: wij zijn op de enig juiste weg, ik geloof niet dat dat hier ergens nog bestaat. Die mensen stopten bij een bepaalde graad van introspectie, aan dit soort tobben deden ze niet, ze begrepen niet eens waar je het over had en die onbewustheid hoort er wél bij. Het is een soort liefheid. Ken je de Matthäus Passion goed? Daar ‘hoor’ je dat. Dat is niet alleen zekerheid, maar er klinkt ook een eigenaardig soort piëtisme door, een Zuidduitse liefheid. Dat was daar.
P. En ook: hoe goed is het met broeders samen te wonen. Die psalm.
B. Ja, maar dat is toch ook zo?
P. Zeker. Een vriend van me gaat zeker drie, vier keer per jaar een lang-weekend of een week hetzij naar de benedictijnen in Egmond, of naar de trappisten bij Tilburg.
| |
| |
B. O, dat doet ie?
P. En voelt zich dan helemaal bijkomen. Wat hij daar zoekt is natuurlijk stilte, die vindt hij ook, maar toch ook de atmosfeer - dat heb ik geloof ik wel van hem begrepen -, van: hoe goed is het met broeders samen te wonen.
Had je het idee daar, in dat klooster, met heiligen te doen te hebben? Waar jij als worm tussen opgenomen werd, tijdelijk.
B. Ja, toch wel eigenlijk. Maar ik dacht - en ik meen ook dat dit waar is - dat die mannen op hun twintigste jaar ook zo fervent en zo hevig gewild ingetreden waren, maar dat ze gaandeweg geworden waren wat de Engelsen ‘mellow’ noemen - wat ik zo'n mooi woord vind - en dat ze al die verbetenheid hadden afgelegd en helemaal in die pij gegroeid waren, als in een huid. Die mensen waren lief en vanzelfsprekend, alles wat ze deden was natuurlijk. Dat vond ik bij mevrouw Breman niet zo zeer. Met alle verering die ik haar toedroeg voelde ik daar toch nattigheid: een hoog op stelten lopen.
P. Want wat wíj heilig noemen is toch onder meer dat je in iemand harmonie aantreft, en wat jij daar aangaf met het woord ‘vanzelfsprekendheid’?
B. En, laat ik er dit aan toevoegen: werkelijke vrolijkheid. Die mensen glansden van geluk. Ze waren ook erg extravert. Bij de recreatie was het net een kinderklas, maar toch niet hinderlijk, zoals ik in Nederland wel heb meegemaakt, waar religieuzen opeens de ‘blijheid’ beoefenen. Het is met die blijheid vreemd gesteld. Je kunt je dat niet voornemen, je moet het werkelijk zijn, anders wordt het griezelig van gewilde onvolwassenheid. Ik heb het veel meegemaakt: zo'n pater, die je blij allerlei kinderlijke dingen vertelt en onder het lopen af en toe een huppelpasje maakt, dat zit niet snor. Vooral zusters beoefenden dat graag. Moeder vindt het goed dat ik een eindje met u meeloop, is dat niet fijn, moeder is toch zo ruim! Zeer, zeer eng. Er werd blijkbaar in het noviciaat niet op gewezen, die vreemde verkramptheid, dat lopen in te kleine schoentjes. Chinees was het. Ik zag het overal, het heeft me vreselijk gestoord, die goedkope manier om aan de seksualiteit te ontkomen. Want dat zat er achter. Ik ben geen vrouw. Ik ben een kind. Ja, morgen brengen.
P. Ik vraag dat hierom: ik heb een brief gekregen van de kunstredactie van ‘Elseviers Weekblad’, waarin wordt ge- | |
| |
vraagd...
B. Ja, die heb ik ook gekregen.
P. Of wij antwoord zouden willen geven op de vraag: ziet u nog kansen voor de hagiografie? En ze vragen verder: hoe zouden die benut kunnen worden? Op het niveau van de religie, of de psychologie, tot inspiratie of tot psychiatrische verklaringen, als een historische bijdrage of als een fabel? En ze vragen verder nog: als u zelf eens over een heilige zou schrijven, wie zoudt u kiezen, en welk aspect zoudt u belichten? Ik heb daar dezer dagen een beetje over nagedacht, maar als er staat of wij voor het schrijven van een heiligenleven nog kansen zien, dan dringt zich onmiddellijk bij mij deze vraag op: wat nu eigenlijk een heilige is. Want als ik zie wie door ons voor heiligen zijn aangezien en wat als heiligenleven is aangemerkt, dan zijn dat alleen de levens geweest van door de kerk van Rome heiligverklaarde mensen. En daar zijn natuurlijk wel grote mensen bij, maar de levens die ik daarover gelezen heb zijn in het algemeen niet zo boeiend geweest voor mij om te zeggen: ik zie voor de hagiografie nog kansen. De eerste vraag die zich aan mij voordoet is gewoon: beschouwen wij nu, 1969, die mensen die door de kerk van Rome heilig zijn verklaard, ook als de mensen die heilig verklaard zouden moeten worden? Zijn dat nu eigenlijk de heiligen? Een vorige keer hebben we gesproken over die Aloysius van Gonzága.
B. Zeg jij ‘van Gonzága’? Wij zeiden ‘Gónzaga’.
P. O, goed; maar als ik dat leven lees dan kan ik zo moeilijk instemmen met wat ik nu versta onder heiligheid.
B. Elke heilige heeft de omvang van zijn biograaf, en daarom lijken de meesten peuterig. Ze zijn als geesten in te kleine flesjes gestopt. Om zo iemand te beschrijven moet je zelf wat zijn en daar mankeerde het aan. Had je dat ook? Je las: de zalige X was afkerig van luit, schalmei en ijdel snarenspel. Dan dacht je: ja, maar was hij wel muzikaal? Van lichtzinnige poëzie wendde hij zich vol walging af. Ja, maar kon hij wel verzen schrijven? Of was hij, voor de bekoring bezweken, niet verder dan sinterklaasrijmen gekomen? Ik werd altijd kwaad als ik las dat de eerbiedwaardige zuster of de dienaar Gods in edele opoffering iets naliet wat hij waarschijnlijk nooit gekund zou hebben. Het was allemaal in edele verontwaardiging cheques verscheuren op een kapitaal, dat er misschien hele- | |
| |
maal niet was. Ja vader, dacht ik, door die ascese voorkom je dat je als een erbarmelijke knoeier door de mand valt. Vooral over die nobele onthouding in de erotiek maakte ik me kwaad. Een goeie minnaar is ook wat. Dat loopt maar met neergeslagen ogen door als hij een rok ziet, maar ten eerste: zag hij wat als hij ze opendeed en vooral: werd er naar hem gekeken? Er werd zoveel maar aangenomen. Genieten van het leven is een talent en dat moet je eerst hebben voor je het weggooit. Maar ga door, ik zit me hier kwaad te maken voor niks.
P. Maar ik vind dat vooral de vraag van belang is, welke criteria je aanlegt. De kerk van Rome legt, als ik me niet vergis, de criteria aan: dat je de deugden heldhaftig beoefend moet hebben, verder dat er in je geschriften en uitspraken niets gevonden mag worden dat ook maar enigszins afwijkt van de officiële leer, en verder dat je nog enkele wonderen gedaan moet hebben.
B. Maar het zat hem vooral in die heldhaftigheid.
P. O, zeker.
B. Dus de ascese: dingen niet doen, dingen nalaten. Terwijl ik dacht, dat de moderne heilige bekeken werd vanuit het punt welke dingen hij doet.
P. Juist.
B. Dan krijg je een heel ander leven.
P. Ja. Dus als ze mij zouden vragen: als jij nu eens zelf over een heilige moest schrijven, wie zou je dan willen beschrijven? dan zou ik niet gauw een heilige kiezen die mij door de kerk van Rome als heilige gepresenteerd is...
B. Schrijf mij maar in voor Franciscus van Sales.
P. Ik ken dat leven onvoldoende om te kunnen zeggen: diens leven zou ik wel eens willen beschrijven.
B. O, dat is erg mooi. Hij had ook een vriendin, wel in het hogere, maar goed, het begin was er.
P. Ik stap liever van het begrip ‘heilig’ af zoals het door Rome gebruikt wordt. Een mens van wie ik graag een biografie zou willen schrijven is bijv. H.M. van Randwijk. Dan zeg je: dat is geen hagiografie, dat is een biografie. Maar dát leven is voor mij voorbeeldig. Want als je mij vraagt: een heilige, wat moet dat voor je zijn?, dan moet dat toch ook iemand zijn wiens leven jou voorbeeldig voorkomt, uitdagend navolgenswaard, uitdagend compleet, vol ijzeren consequenties vasthou- | |
| |
dend aan een ideaal; en dan ga ik denken aan een man als Van Randwijk. Of Columbus. Of paus Johannes.
B. Die Van Randwijk is toch voor de televisie geweest?
P. Lange tijd ja, veel.
B. Hij is toch dood?
P. Ja, hij is dood.
B. Heb jij hem ook gekend?
P. Ik heb hem niet goed gekend, nee. Ik heb hem redelijk gekend. Ik heb vooral veel gelezen van wat hij schreef: in ‘Vrij Nederland’, en elders. En ik heb hem vaak horen spreken. En zoals die man op mij afkwam, dat was voor mij nu een complete mens, wiens leven en werken en idealen een uitdaging voor me vormden, en nóg vormen. Zó'n leven is voor mij inspirerender dan veel levens van door Rome heilig verklaarde mensen, van wie dan verondersteld wordt dat wij hun levens navolgen. Begrijp je?
B. Het ideaal van heiligheid is voor elke generatie weer anders, en ik geloof dat het nu zou zijn de mate van medemenselijkheid die je vertoont, verder niet. Ascese? Daar moet je permissie voor hebben. Zonder geldig toegangsbewijs volgt bekeuring wegens frustratie. Kunt u beminnen? Goed, hier hebt u uw stempeltje om het te laten. Het gaat zomaar niet. Daarom trokken zondaars, die later heilig werden, me zo aan. Die hadden eerst het bewijs geleverd. Maar zomaar, op de bonnefooi: wordt niet af gestempeld. Ja. Hetzelfde geldt natuurlijk ook - maar dan zijn we al een stap verder - voor de wonderen die aan heiligen worden toegeschreven.
P. Ja. Je hebt volkomen gelijk. Maar er zit ook zoveel twijfelachtigs in de keuze van de personen die men gaat heilig verklaren. Dat komt bijv. omdat allerlei ordes en congregaties, die nog steeds geen eigen heilige hebben, hun stichter of stichteres, of een grote voorman of voorvrouw van hun orde of congregatie, nu eigenlijk wel eens tot de eer der altaren verheven willen zien; en daardoor zijn er nog een heel stel van de oude stempel die heilig worden verklaard. En het ligt ook aan je nationaliteit. Hoe verklaar je anders het feit dat driekwart van alle heiligen uit Italië en Frankrijk stammen? Ik kan me nauwelijks voorstellen dat die twee landen door God speciaal zijn uitverkoren om de rest van de wereld te stichten. En dan al die andere dubieuze factoren. Neem nu zo'n heiligverklaring
| |
| |
als die van Maria Goretti; dat is toch een moeilijk geval geweest, vind ik.
B. Ja, dat is zeer dubieus. Ik ken geen portret van haar. Misschien moet die man wel heilig verklaard worden.
P. Ja; die haar wilde verkrachten. En heldhaftig weigert zij. Zo is dat uitgelegd: heldhaftig. Kijk, ik voor mij dacht, en denk nog altijd, dat waarschijnlijk negenennegentig van de honderd meisjes zich op dezelfde wijze verweerd zouden hebben.
B. Ja, dat is een heel zwak voorbeeld, Maria Goretti. Don Bosco weer niet. Maar heiligheid is dus een ideaal dat voortdurend wisselt, wij kunnen met die oude heiligen niet meer uit de voeten, er wordt ook geen enkele biografie meer over geschreven, dat bestaat niet meer. Er wordt überhaupt geen heiligenleven beschreven. Dat komt omdat het hele idee van de ascese in de malaise is geraakt De aandelen van het lichaam zijn sterk gestegen. Vroeger was dat een jutezak om die zijden ziel, je zat ermee, het was behelpen geblazen. Zelfs Franciscus spreekt nog van broeder ezel. Daar moest de zweep over. En hoe! Ik las dat altijd ademloos, die staaltjes van onthechting, bij de ene heilige nog rigoureuzer dan bij de ander. De ene sliep op een ijzeren richel, de ander gooide zich regelmatig in de brandnetels, een derde droeg een gordel met ijzeren punten op zijn blote bast het was allemaal zo spectaculair. De zaak is: ascese laat zich zo boeiend beschrijven. Het eigenlijke: de verhouding met God, is bijna onformuleerbaar. En nu de ascese, althans in die sensationele vorm, is weggevallen, blijft alleen dat laatste over. Hoe moet je dat uit de doeken doen? Dat kunnen alleen heiligen zelf. Het toekomstige heiligenleven zal autobiografisch zijn en dat is ook het beste genre. Zie Theresia van Avila.
|
|