| |
| |
| |
21 Op de tenen staan
P. Ik wilde graag terugkomen op Toon van Duinkerken. Die kende eenvoudig op bepaalde punten geen twijfel, of liever: liet ze niet tot hem toe. Hij heeft een gedicht geschreven bij de dogmaverklaring van Maria's Tenhemelopneming. Daar staat de regel in: ‘Wat zuiver is, kan niet bederven.’ Die waarheid was voor hem voldoende om al het Drum und Dran van de dogmaverklaring te nemen; een simpele oerwaarheid die voor hem alle eventuele vraagstukken overbodig maakte. Daar was ook een diep gevoel van verbondenheid met het volk, de voorvaderen, Brabantse tradities bij. ‘Ik heb mij gestoken in 't zondagse pak en ik ben onderweg naar de kerk.’ Met de anderen, begrijp je? ‘Temidden der zondagse vreugden van 't volk zij mijn lied het eenvoudig refrein.’ Dat was oprecht. Voor ons misschien weinig begrijpelijk, maar wél echt. Ik denk dat hij de Claudel van de ‘Oden’ eigenlijk de dichter vond die hijzelf had willen zijn. Als Toon iets moeilijks had, dan lag het voor mij eerder op een ander vlak, nl. ongeveer hier, dat hij tegen je kon zeggen (ik geef het nu maar eens even in grove lijnen aan) dat je als christen levensblij, en levensbejahend schrijven moest. En hij sloot als het ware bij je uit, bij zijn christelijke ‘broeders in de kunst’, dat je grübelde. Dat vond hij niet helemaal in orde. En daarin vond ik hem krampachtig, en in zekere zin onoprecht, want hij was zelf een veel meer grübelnde man dan oppervlakkig uit zijn woorden en geschriften zou blijken.
B. Ja, dat blij zijn... Ik vond wel dat Van Duinkerken die vorm van onvolwassenheid op de meest volwassen manier beoefende en ik vond mezelf ook een hele tobber als hij binnenkwam. Maar hoe zit dat nou eigenlijk? Wordt er weer niet iets weggelaten? En die blije, het leven aanvaardende gedichten, hoe zat het dáármee? Krijg je ook niet, als je oude versjes overleest, het idee: wat heb ik toch verschrikkelijk op mijn tenen gestaan?
P. O, schei uit, verschrikkelijk soms.
B. Dat is toch onoprecht geweest?
P. Nee. Waarom is dat onoprecht geweest?
B. Omdat ik moeilijk kan aannemen dat je dat allemaal ge- | |
| |
meend hebt.
P. O, maar dan vergis je je. Natuurlijk heb ik dat gemeend. Ik heb altijd alles gemeend wat ik geschreven heb. Maar zoveel ‘roomse’ poëzie heb ik nu ook weer niet geschreven.
B. Ik schreef nooit vanuit het katholicisme, mijn werk - voorzover dat tot die tijd teruggaat: ‘Pieter Bas’ en ‘Erik’ - heeft niets met het geloof te maken, en dat gebeurde vanzelf omdat ik van daaruit eenvoudig niet creëren kon. Maar als lid van de Sint Vincentiusvereniging of meedoend aan een kerngroep van de katholieke staatspartij - want mijn vader vond dat ik daarin hoorde - had ik wel het idee: wij zitten nu gesepareerd van de wereld een partijtje voetbal te spelen, wat met de grote competitie in het stadion niets te maken heeft.
P. Ja, ik snap dat. Ik heb altijd bezwaren gehad om ‘katholiek dichter’ genoemd te worden. En ik ben, toen ik journalist werd, met opzet bij een niet-katholieke krant gegaan, en daar gebleven. Ik heb nooit bij een katholieke krant willen werken.
B. Maar je hebt toch veel in ‘Roeping’ geschreven?
P. Ja, ik ben er redacteur van geweest, een paar jaar. Waarom? Daar hoopte ik, geloof ik, met anderen een soort van - hoe moet ik dat zeggen - gezamenlijke presentatie te geven van wat er in ons land geschreven werd vanuit een christelijke inspiratie. Want ik geloofde dat mensen die schrijven vanuit een christelijke inspiratie iets te zeggen hebben wat hen onderscheidt van mensen die die inspiratie niet kennen. Je zult zelf ooit ook wel ervaren hebben dat bepaalde geschriften, afkomstig van protestanten of katholieken, in een niet-christelijk milieu vaak niet begrepen werden, niet goed gelezen kónden worden omdat daar een bepaalde faculteit van goed begrip ontbrak. Nu spreekt dat achteraf misschien tegen onszelf, omdat wij er dan ook niet in slaagden om boven ons eigen parochiedenken uit te komen, dat kan heel goed. En misschien was het bijeen willen zitten wel een bewijs van onvermogen om grote kunst te maken.
B. Ja, eerst moet het mooi zijn. Het gevaar bestaat, dat de religieuze dichter zijn hoge bedoelingen voor kunst aanziet en dan krijg je die verschrikkelijke ‘godslyriek’ uit de begintijd van ‘Roeping’.
P. Het moet natuurlijk eerst mooi zijn. En toch geloof ik dat er geschriften zijn in de literatuur, die toch alleen maar voor
| |
| |
een christen, ja zelfs - om het nog iets meer toe te spitsen - alleen maar voor een katholiek mooi zijn en dat die voor anderen niet zo zijn, omdat de anderen de wereld die daarin geopenbaard wordt niet helemaal mee kunnen maken. Ik geloof dat dat toch bestaat. Neem nu bijv. de Oden van Claudel.
B. Ik geloof dat niet. Het echte kunnen wordt altijd herkend, ook als de inspiratie uit een bron komt die de lezer niet deelt. De Apologie van Newman is voor iedereen boeiend, eenvoudig omdat de man iets te vertellen heeft en dat dan goed doet. In kunst geloof ik niet in aparte tuintjes, waar andere groepen niet in kunnen, de collectieve ontoegankelijkheid dus. Een voorbeeld dichter bij huis is Gezelle. In het onderwerp van veel van zijn gedichten zou hij voor een niet-gelovige onbereikbaar moeten zijn, maar hij is dat niet, omdat hij behalve priester ook een waarachtig dichter was. Ik zie hier geen probleem. Het moet eerst poëzie zijn, de rest komt vanzelf.
P. Natuurlijk, dat moet het zijn. Maar ik wilde zeggen, dat alleen een christen - en in bepaalde opzichten, wat een ander deel van Gezelle's werk betreft, alleen een katholiek - maar de schoonheid van zekere onderdelen van zijn poëzie kan ervaren, en anderen niet.
B. Goed. Wat ik intussen in Gezelle het christelijke vind, is het besef van ontoereikendheid, het idee een arm, zwak schepsel te zijn, dat tegenover Gods almacht bijna hulpeloos staat: en ook zijn wonderlijk vermogen om in riet en wilgen en gras tekens te zien van een daaronder liggend mysterie. En tegelijk gebeurt dat ‘moeiteloos’, terwijl ik het bij zo vele christelijke dichters, zoals in het vroegere ‘Opwaartse Wegen’ en ‘Roeping’, geforceerd vond, erbij gehaald, niet echt.
P. Nee, dat is waar. En die hebben het ook niet gehouden.
B. Die hebben het niet gehouden en zijn door de tijd allang weer weggeblazen. Het gaat om de stem van binnenuit, wat je bij Mörike zo merkt. Die kun je je ook niet voorstellen zonder zijn domineeschap, zijn hele poëzie is daarvan doordrenkt. Dat is mijn man. Ik zeg niet dat Gezelle minder was, maar hij is inzoverre kleiner, dat hij in Vlaanderen woonde, in een uithoek, daar in Kortrijk, een reus tussen de dwergen, waarvan hij de grootheid toch zag, maar hij moest het allemaal uit zich zelf halen, terwijl achter Mörike heel Duitsland stond, in die poëzie klinkt ook de stem van Goethe, daar was een veel gro- | |
| |
tere literaire traditie. Dat merk je toch.
P. Dat ben ik met je eens. Waar je, vind ik, bij dichters van christelijke huize wel oneerlijkheid zou kunnen aanwijzen is in ‘het gedicht uit plicht’, dat zij zich hebben laten aanpraten, om daarmee de gemeenschap te stichten. Ik heb me daar zelf vroeger ook wel voor laten lijmen. Toon van Duinkerken heeft bijv. dat afschuwelijke gedicht geschreven: ‘Het vierenswaardig wonder’, bij het zeshonderdjarig herdenken van het mirakel van Amsterdam; ik geloof in 1945.
B. Goed. Maar hoe komt het, dat ik bij Stalpert van der Wielen, Jan Luyken en Revius dit obligate geluid niet hoor? Hun tekst is religieus, maar je merkt meteen: die man meent wat hij zegt.
P. Ja. Maar je vindt dat misschien ook zo, omdat je van Luyken, van Stalpert of Revius vermoedt dat hij een groter, echter geloof had dan je christelijke tijdgenoten, - aan wie je dan eenzelfde skepsis toeschrijft als jezelf bezat en bezit. Ik wou intussen nog wel dit zeggen: ik geloof dat een gedicht, in opdracht geschreven, ook kan uitgroeien tot een meesterwerk, zie maar naar Gezelle.
B. Ja, maar het gaat erom dat het niet te merken is. En ik merkte het bij ons in die tijd wèl. Het zit misschien zo: een man als Vondel stond in een christelijke dampkring, het was het normale geluid, terwijl nu de wereld gelaïciseerd is, en daar staan nog die eenzame koraalriffen van christenheid. Die gaan dat nog eens doen en dat krijgt dan iets archaïsch. Je moet ook je tijd meehebben. Zonder klankbord wordt het wat dun gepingel.
P. Dat is waar. Je hebt bij Stalpert van der Wielen bijvoorbeeld al die gedichten op heiligenfeestdagen.
B. Ja, dat is toch mooi?
P. Prachtig. Nu, in onze tijd, vieren wij geen feestdagen van heiligen meer. Het zou dus dwaasheid zijn om plichtmatig een stel heiligenfeesten...
B. Ja, precies. Dichten is geen solitaire bezigheid, en zeker niet het maken van religieuze verzen. Die zijn op een echo afgestemd. Blijft die uit, dan verschraalt het gedicht.
P. Maar toch is er wel enig onderscheid, vind ik. Er bestaan bijv. van W.H. Auden drie schitterende gedichten met de titel ‘Ode on St. Cecilia's day’, dus een ode op de feestdag van St.
| |
| |
Cecilia, de patrones van de muziek. Het zijn wonderschone gedichten, van iemand die gewoon geïnspireerd werd, zonder dat hij daarmee een gemeente behoefde te stichten, door een heilige, zoals die Cecilia. En dat blijft natuurlijk wel voorkomen.
B. Ik ken in Nederland geen voorbeeld, zelfs bij Wijdeveld niet.
P. Ik vond die ‘Ode aan de engelbewaarder’ van Wijdeveld anders wel heel erg mooi.
B. Ja en nee. Nee, voor zover je aan het gedicht zelf merken kunt dat hier iemand aan het woord is, die het nog eens doet.
P. Maar stel je nu voor dat er in 1969 een gedicht zou verschijnen ‘Ode aan de engelbewaarder’.
B. Ondenkbaar.
P. Ondenkbaar! Al in zijn titel: ‘Ode aan’, dat is al iets wat niet meer bestaat in onze jaren; en dan: aan de engelbewaarder, iets waar - dacht ik - toch vrijwel niemand meer aan gelooft. Maar de onoprechtheid waar jij het over had is aanwijsbaar geweest. Dat kwam ook wel door het milieu: het milieu bevorderde de onoprechtheid bij zijn kunstenaars; dat geldt niet alleen voor dichters, maar ook voor beeldende kunstenaars en voor architecten. De parochie eiste als het ware van zijn kunstenaars dat die hun kunst dienstbaar zouden maken aan de gemeenschap, en vorderde hen op tot werken, die tot stichting van de gemeenschap zouden dienen. En daarmee, vind ik, laadde die gemeenschap toch wel iets op zich van een - ja, schuld vind ik een groot woord, maar laten we het maar even zo gebruiken voor het gemak -: schuld, waar het die kunstenaars betrof. Want niet zelden kregen ze beperkingen opgelegd waar ze zich als vrije kunstenaars voor moesten schamen. Vooral beeldende kunstenaars.
B. Ja. Maar mijn bezwaar gaat niet alleen tegen de katholieke dichters van toen. De socialistische verzen van Gorter en Henriëtte Roland Holst smaken me ook als zand in de mond. Al die goede bedoelingen, ze knarsen tussen mijn tanden.
P. O ja. Ook daar is de plichtmatigheid van: ik moet die gemeenschap waartoe ik behoor - in dit geval de socialistische gemeenschap - toch voorzien van een eigen literatuur, van strijdliederen. En dat is hetzelfde, vind ik, bij de socialistisch-realistische literatuur in de Sovjet-Unie en andere communistische landen.
| |
| |
B. Niet te lezen.
P. Verschrikkelijk, ja. En het is ook aanwijsbaar bij dichterdominees natuurlijk.
B. Ach ja, Beets, Da Costa en al dat christelijk gespuis.
P. Ik wou even terugkomen op wat we bespraken toen we het hadden over die katholieke indoctrinatie, omdat ik heb geprobeerd te taxeren waar nu eigenlijk vandaan is gekomen wat toen heette: mijn priesterroeping. Want toen ik elf was wilde ik naar het seminarie, en ik had ‘roeping’. Wat was dat nu eigenlijk, waar kwam dat eigenlijk vandaan? Als ik nu probeer het een beetje te reconstrueren, dan komt het er, geloof ik, op neer dat de eerste kiem daartoe werd gelegd toen er een heerneef van mijn vader eens bij ons thuis kwam. Hij was in de missie, in Litauen, en hij bracht mooie postzegels mee voor ons. En hij legde zijn hand op mijn schouder, keek mij diep in de ogen en zei: Jij komt later in onze orde.
B. Wat was dat voor een orde?
P. Capucijnen. En ik was tien jaar en meende in deze godsman - want dat vond ik hem wel met zijn grote baard - een roepstem van God te hebben vernomen. En die vergat ik wel een tijdje, maar het bleef toch aan mij knagen, dat woord van die man: jij komt later onze gelederen versterken, of iets dergelijks. Ik probeerde trouwens op mijn manier al bekeringswerk te doen. 's Zomers woonden we in Kijkduin, aan zee, en trok ik veel op met een jongen die naast ons woonde. Hij was tien, even oud als ik, en hij zei dat hij heiden was. Ik besloot hem ten snelste godsdienstles te geven, want ik dacht: stel je voor dat hij nog eens ongedoopt in zee verdrinkt, dan gaat hij regelrecht naar de hel. Hij heette Wim Bloem; hij was (bleek mij twaalf jaar later) de zoon van J.C. Bloem en Clara Eggink. Wim Bloem wou best katholiek worden, dat leek hem wel wat. Op een middag, in een stille duinpan, zou ik hem dopen, hadden we afgesproken. Het is niet doorgegaan. Ik weet niet wat er tussen is gekomen. Misschien dat Klaartje Eggink hem binnenriep, - net op tijd. Dan waren er verder al die missieblaadjes bij ons thuis: Katholieke Missiën, Carmelrozen, De Heraut van dit, en De Heraut van een ander Hart - er waren heel veel harten -. En daar las je dan steeds advertenties in, en daar stonden foto's bij...
B. ‘Edelmoedige jongelingen...
| |
| |
P. gevraagd...’ Maar er werd een onderscheid gemaakt: er bestonden twee afdelingen; bij de ene stond: ‘flinke jongens kunnen zich opgeven voor broeder’; bij de andere werden er ‘edelmoedige jongens’ gevraagd; die konden priester worden.
B. Niet jongens. Jongelingen.
P. Ja, edelmoedige jongelingen. Dus ‘flinke jongens’ kwamen voor broeder in aanmerking, en ‘edelmoedige jongelingen’ werden gevraagd voor het priesterschap. Nu vond ik dat ik liever edelmoedig dan flink wou zijn. Dus dat stond al vast: als ik ooit die richting in zou gaan, dan moest het in de eerste klasse zijn, en niet in die tweede. De eerste divisie. Maar nu denk ik dat dít de doorslag heeft gegeven: er stonden foto's bij van ‘onze jonge seminaristen’, en dan zag je een voetbalveld, en daar waren jongens van mijn leeftijd, twaalf, dertien, veertien, iets ouder dus ook wel, aan het voetballen, op een heus veld, met een echt doel, met echte krijtlijnen, en met een echt vijfje als bal. En dát vond ik het meest aantrekkelijke, en ik dacht: daar moet ik heen, naar zo'n school, want daar mag je voetballen op een groot eigen veld. Dat is wat anders dan de Herschelstraat en het Newtonplein. Of helemaal aan het eind van de Laan van Meerdervoort, dat gesjok met Bennie Dahlberg.
B. Dat is heel onverwacht.
P. Ik wil niet zeggen dat dat uiteindelijk dé doorslag heeft gegeven, maar het was wel een van de voornaamste aantrekkelijkheden. En dat werd later ook bevestigd, want men deed op seminaries veel aan voetballen, zij het dan wel met lange zwarte kousen aan, want de knieën mochten niet onbedekt zijn.
B. Waren er geen korte broeken?
P. Er waren natuurlijk wel korte broeken, maar daar moesten dan lange zwarte kousen onder. In onze seminarietijd, dat duurde tot '46, mochten er geen korte broeken gedragen worden die de knieën vrijlieten; nee, alles was bedekt; zoals wij ook, wanneer wij tweemaal in de week voetenbad hadden, op kleine krukjes voor de voetenbadjes zaten, - zeg maar een soort laag op de grond staande bidets -, maar er tussen de onderscheidene voetenbadjes een afscheidinkje stond op kniehoogte, zodat je elkanders voeten niet zou kunnen zien. Anno domini '46 nog, op Hageveld. Maar dat wist ik thuis nog niet, van die voetenbadjes. En als ik op de foto's die idiote lange zwarte kousen zag, wilde ik ook wel weer zo'n edelmoedige
| |
| |
jongen zijn dat ik die op de koop toe nam. En verder waren er dan ook de verhalen die er over missionarissen werden verteld; want dat wilde ik op de eerste plaats wel worden, missionaris. Die gingen later verre reizen maken, kwamen in tropische landen, beleefden daar geweldige avonturen en bekeerden intussen toch ook nog maar hele stammen voor Christus. Dat apostolische ijveren, dat had ik wel in mij zitten. Zie mijn overigens mislukte bekering van Wim Bloem. Dat alles tezamen, met een zekere vroomheid, bracht mij tenslotte naar het seminarie, en dan is het eigenlijk geen kunst meer, want hoe weinig roeping je dan ook misschien objectief gehad zou mogen hebben, je zit dan in een machinerie, je komt dan in de vroomheidskwekerij en in het proces van een gezamenlijk voor-uit-willen naar het verre doel van het priesterschap. Dan is er eigenlijk geen houden meer aan.
B. Ik vind het erg leuk dat je dat zegt van het hoe en waarom, omdat de meeste mensen die hierover gevraagd worden toch zouden bezwijken voor de bekoring iets nobelers naar voren te brengen. En je ontmoet heel weinig in dergelijk soort explicaties de ware reden. Intussen valt die me natuurlijk wèl tegen. Het zich opgeven als werkend lid van Ajax lijkt me een kortere weg, maar Gods wegen zijn onnaspeurlijk. Ik zelf heb als jongen bij vlagen wel aan het priesterschap gedacht, maar het werd direct weer windstil als ik bedacht dat daarmee de vrouw van tafel werd geveegd, want daar keek ik altijd naar uit. Ik begreep: dat wordt tobben geblazen, mij niet gezien. Verder had ik geen bezwaren, want mensen op het hogere wijzen, dat was een kolfje naar mijn hand, maar altijd met een vrouw achter de rug. Ik heb me altijd vreselijk onveilig gevoeld en het is eigenaardig, maar wat dat betreft bood het priester-zijn een onverwacht facet. Ik weet nog goed, ik fietste langs het Spaarae op een zomeravond en kwam door Haarlemmerliede. Daar was een kerk, en daar zaten de pastoor en drie kapelaans in een boomgaard thee te drinken. En dat vond ik het opperste van geluk. Niet die boomgaard, of dat comfort, maar de zekerheid, de geborgenheid, de veiligheid, de intimiteit waarin die mensen daar zaten. Wat mij in het priesterschap geboeid heeft, dat is het leven in de moederschoot van de heilige katholieke kerk, klotje op het hoofd en alles vast om je heen. Ik vond het leven wild, onzeker en eng, ik vond
| |
| |
het een enge boel, vooral in de puberteit stond alles scheef - het is in de puberteit nl. gebeurd, dat fietstochtje - en toen zag ik die mensen daar zitten, dat middeleeuwse groepje, dat begijnachtige, en ik stikte bijna van heimwee. Dat was dus angst voor het leven, dat was het. En ik vraag mij wel eens af of misschien een deel van de roepingen daaruit zou kunnen ontstaan: uit de behoefte aan geborgenheid.
P. Dat laatste speelde bij mij zeker een rol; ik had sinds heel vroeg al een sterke behoefte aan clubvorming. Ik richtte voortdurend verenigingen op. Ik las het liefst jongensboeken die zich in clubverband afspeelden: ‘Zeven Jongens op een oude Schuit’, ‘De Padvinders van Duinwijk’, ‘Ab en zijn Vrienden’.
B. Dat gaat al in die richting.
P. Alles ging daarheen; boeken waarin een club jongens gezamenlijk iets ondernam.
B. Waarin je snor zat.
P. En deze club had dat ook. Als ik dan ook in de missieblaadjes groepsfoto's zag van jongens, zoals er onder stond ‘bezig aan hun gezonde ontspanning’ (je zag ze nooit in de kapel zitten, natuurlijk), clubjes met een gezamenlijk figuurzaagwerk, of een ploeg bezig met het bouwen van een grote toren, opgesteld op het voetbalveld, of wandelend door de heide, dan trok mij dat ook.
B. Vanuit Haarlem zag je in de verte de koepel van Hageveld, en dat beeldde voor mij architectonisch die overhuifdheid uit, die jongens zijn onder de pannen dacht ik. Dat gevoel had ik alleen in de puberteit, toen de aarde ‘woest en ledig’ was, later niet meer. Maar ja, het is juist in die periode dat de roepingen ontstaan, het kan een factor zijn.
P. Bovendien was die koepel blauw. Een soort hemel. Er stond in die koepel rondom ook nog de tekst: ‘Niet gij hebt mij uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren’, waardoor je al spoedig - daar eenmaal zijnde, bedoel ik - dat ‘uitverkorene’-idee kreeg: ik mag wel heel dankbaar en gelukkig zijn, want God heeft mij uit die kwade wereld uitverkoren, tot zich geroepen. ‘Gij zijt mijn zeer bijzondere vriend’, werd er ook altijd namens hem gezegd. ‘De engelen zullen voor u knielen.’
B. Ik heb me dikwijls verbaasd over de combinatie van nederigheid, die een van de eerste deugden in zo'n gemeenschap is, en de zekerheid van uitverkoren zijn. En dit niet door de
| |
| |
eerste de beste, maar door God zelf. Maar goed, dit even terzijde. Je zult wel momenten van groot geluk gekend hebben op dat seminarie. Ik denk aan wandelingen met zo'n klas, aan de avonden in de tuin na zo'n strenge dag en vooral het voortdurend opgenomen zijn in een gezamenlijk willen.
P. Dat was geluk, ja. Het gekke is - ik begrijp niet hoe het ontstaan is -, dat ik sinds mijn twintigste een levendige afkeer heb gekregen van al wat maar naar groepsvorming, massa en dergelijke tendeert. Daar is een volledige omkeer gekomen.
B. Een reactie.
P. Ik ben wel een gezelligheidsmens gebleven, maar niet meer dan wat dat woord zegt.
B. Ja, je bent daar natuurlijk van verzadigd geweest.
P. Maar het was geluk. Geluk was bijv. de zondagochtend, na de hoogmis; dan werd het zogenaamde ‘Overbos’ gemaakt - ik geloof dat het zo heette -, een bepaalde lange wandeling door het bos, met alle klassen. Dan mocht er ook gerookt worden; dan liepen we allemaal, van de jongens van twaalf jaar af, pijprokend en sigarenrokend (sigaretten waren verboden) door het bos -, en dat was geluk. Dat was de psalm: ‘Ja, dat doet deugd als broeders in één huis samen te leven.’
B. Ik kan me dat goed voorstellen.
P. Of ook soms wel 's avonds, de completen in de kapel. Die volle kapel met driehonderdzestig, vierhonderd jongens, dat machtige zingen samen; want dat klonk daar onder die koepel natuurlijk geweldig. Dát was geluk af en toe. Niet altijd natuurlijk, omdat je toch weer steeds andere spanningen kreeg. Maar soms kwam 's avonds dat ‘In vrede leg ik mij neer en ik slaap al’ over je heen als de hand van God zelf die over je voorhoofd streek. Dat tere Gregoriaans, en die zegen toe. Dan liep je, in de stilte, als op wolken naar de slaapzaal. Alles was goed. Engelen begeleidden je. Ieder had dezelfde droom. Ja, ik heb ook geluk gekend op het seminarie, althans zeker in de eerste jaren. Speciaal wanneer ik er dat onderdeel vond van het complex dat mij er naar toe deed gaan, dat wat ik zoéven het clubverband noemde, het gemeenschapsverband. Allemaal tegelijk op de cour, in spanning of de vrije dag zou komen of niet. De eivolle aula bij het jaarlijkse ‘treurspel’. De prefatie op Pasen, uitnodigend tot het losbarsten van het Sanctus. Samen, samen.
|
|