| |
| |
| |
19 Naar Heiloo
P. Ik wou nog even op de stijlloosheid terugkomen. Ik dacht dat die misschien verband kon houden met veel anti-clericalisme van vroeger. Want hoe opvallend stijlloos waren priesters dikwijls niet.
B. Er was onder de priesters wel een soort bonhomie, een handenwrijvend, vergoelijkend en iedereen op zijn gemak stellend binnenkomen, die, dacht ik, twee oorzaken had. Enerzijds de overtuiging: ik sta te hoog om nog iets op te houden, anderzijds: wat doet 't er allemaal toe, dadelijk zijn we in de hemel.
P. Het gemak waarmee ze mensen tutoyeerden.
B. De afschuwelijke pastoriekamers waarin ze huisden, wat een vreselijke interieurs waren dat...
P. Nu jij het woord pastoriekamer noemt, hier speelt alles door elkaar wat we de vorige maal hebben besproken: de nonchalance van vrijgezellen mét de afkeer van de kunsten, het gebrek aan goede smaak, gebrek aan durf, gebrek aan oorspronkelijkheid...
B. De totale afwezigheid van alles wat vrouwelijk is. Die malle levensgrote beelden, die schuine kleden op tafel, de dwaze gemakkelijke stoelen, ga zitten kerel en neem 'n sigaar, altijd sigaren, het niet gecoördineerde van zo'n vertrek, behalve het bureau waarop alles in stapeltjes lag rondom 'n enorm crucifix. Hoe kon je daar nou de hele dag tegenaan kijken en dan ergens aan de wand 't portret van de moeder, een brave vrouw waar ik veel aan te danken heb, vader trouwens ook, ja, dacht ik dan als jongen, je bent toch in een bed verwekt, daar helpt geen lieve vader en moeder aan. Vreemd eigenlijk, dat die mensen voortkwamen uit een instituut, dat door iedereen beschouwd werd als een meesterlijke regisseuse met een schitterende liturgie en dat juist dit gevoel voor decor privé zo jammerlijk falen moest.
P. Ja. Dat zijn we trouwens vergeten toen we het hadden over wat er nu aantrekkelijk was in het katholicisme: je had een aangeklede kerk, en daar werden de zinnen gestreeld, je rook wierook, je zag kaarsen, je zag beelden, je zag mooie
| |
| |
kleuren die nog wisselden ook in de loop van het jaar, er was mooie muziek.
B. Ja, maar dit zegt iets aardigs van het geloof, niet van de katholiek.
P. Ja, maar de mensen werden er toch mede door gevormd. Ze werden er vast aardiger door.
B. Het blijft toch vreemd dat wij die stijlloosheid moeten signaleren bij de bedienaren van een zeer stijlvol huis. Zo'n man droeg toch elke dag de mis op in een Romeinse toga, hij sprak daarbij duizendjarige gebeden en elk van zijn gebaren was tot in de vingertoppen uitgekiend. Stijl kon je hem dus niet ontzeggen, maar alleen in functie en op bepaalde uren. Een relatie met het gewone leven scheen dit niet te hebben, er trad geen osmose op. Dit idee van een prachtig geborduurde jas, die na afloop weer werd weggeborgen, is interessant. Die mensen leunden zo zwaar op een grote traditie, dat hun eigen vormvermogen niet ontwikkeld werd. Natuurlijk kwam daar nog het celibaat bij. Vrouwen hebben gevoel voor stijl in het gewone leven. Maar het belangrijkst is toch dat enorme geraamte van vormen, dat helemaal klaar lag, waardoor ze aan een eigen expressie niet toekwamen.
P. Precies. Je was dus niet aangemoedigd tot oorspronkelijkheid. Maar je komt toch terecht in een kerk waar de oorspronkelijkheid bestaan heeft, waar men mooie dingen heeft uitgedacht, die je klakkeloos overneemt. Je zingt bijv. Gregoriaans omdat dat nu eenmaal zo hoort. Maar je hebt zelf niet het vermogen meegekregen om vormgevend te werk te gaan.
B. De discrepantie werd blijkbaar niet gevoeld, de man trad uit dat kazuifel waarin hij helemaal priester was en een monument van stijl, een kamer binnen met zijn bolle buik en begon maar wat te zwetsen, hij was nergens meer. Het blijft vreemd. Want het mag dan waar zijn dat een sterke en vooral onpersoonlijke stijltraditie kan leiden tot een verzwakking van eigen vormvermogen, van de andere kant zou je verwachten dat iemand die daarin opgevoed is, er toch wat van mee moet krijgen? Dat dit zo zelden gebeurde is zonderling, omdat je elders wél zag dat men buiten de kring iets overhield van de fleur daarbinnen, bijv. bij de figuur van de dominee en in nog sterkere mate bij die van de rabbijn.
| |
| |
P. Weet je wat ik me ineens herinner? Hoe mijn klasgenoten op het seminarie, een heel groot deel ervan, al met liefde konden spreken - toen waren wij, moet je even nagaan, pas veertien, vijftien - over het brevier dat zij zich later zouden aanschaffen: marokkaans leer moest er dan omheen zitten, en het zou goud op snede wezen. Er werd al gesproken over de mooie moderne kazuifels die men zou dragen; over de kelk die men wenste, hoe kostbaar die moest wezen, en of hij klassiek of modern zou moeten zijn. Met andere woorden: het gekke is dat men zich toch al mooie dingen toeeigende.
B. Jawel, maar dat verklaart nog niet waarom men, als de mis afgelopen en de kelk opgeborgen was, 'n kwartier later thee uit erbarmelijk gebloemde kopjes dronk. Er had geen enkele prolongatie plaats van het schitterende stuk aan de andere kant van de muur.
P. Nee. Maar één ding vind ik daarvan achteraf wel sympathiek: het mooie, waardevolle werd verlangd voor al wat de eredienst betrof. Voor de persoonlijke materiële behoeften werden geen normen gesteld.
We hebben het gehad over bepaalde karakteristieken van katholieken, maar ik vraag me af of al die dingen in hun algemeenheid nog toepasselijk zijn op de katholiek van dit ogenblik. En ik geloof dat dat niet het geval was.
B. Nee, we hebben het over het verleden, het is nu allemaal anders geworden en daarom lijkt het me nuttig het hier te fixeren.
P. Om eens iets te noemen: het streven naar waarachtigheid is nu toch wel duidelijk en algemeen aanwezig.
B. Heel geprononceerd, in dat opzicht verschillen wij niets meer van de anderen, of het moest zijn dat we daarin van de weeromstuit nog verder gegaan zijn.
P. Wij zijn opgenomen in de grote golfslag.
B. Ik weet niet of jij dat ook merkt: vroeger had ik een zekere gêne te overwinnen als ik zei dat ik katholiek was, dat heb ik niet meer.
P. In het openbaar, bedoel je?
B. Ja, een kruisteken maken in een restaurant, ik ging altijd door de grond heen. Dat odium van stoffigheid is volledig van het katholicisme af, van het Nederlandse althans.
P. En maakte je toen het kruisteken?
| |
| |
B. Nou, als mijn ouders erbij waren deed ik 't natuurlijk, maar altijd diepbeschaamd. Heb ik je wel eens verteld, dat wij in een weiland knielden en daar het ochtendgebed baden? Wij zouden oom Jozef bezoeken die in Krommenie pastoor was, en daar ook de mis bijwonen. Wij gingen om zes uur weg, de mis was om half acht. Krommenie was aan de overkant van het Noordzeekanaal, we moesten dus flink doorfietsen - er was nog geen tunnel, alleen een pont -, en voorbij Beverwijk zei mijn zusje opeens: Grote genade, we hebben 't ochtendgebed vergeten. Ze stapte van haar fiets af en legde hem aan de kant van de weg. We zijn toen niet in de berm gaan knielen, maar zijn eerst de sloot overgesprongen, we vonden toch dat er een separatie moest plaatsvinden met de gewone wereld en die ordinaire fietsen. Goed, daar knielden we neer en begonnen met zijn vijven op een rij hardop te bidden. En toen kwam er een boer voorbij op een kar, ik zal nooit het gezicht van die man vergeten, die daar midden in het weiland, tot hun middel door de ochtendmist omgeven, als een soort geesten vijf prevelende kinderen zag opdoemen.
P. Dat moet je waarschijnlijk even gênant en bespottelijk hebben gevonden als ik dat moment vond toen ik (en toen was ik notabene in de grote groep van seminaristen) met driehonderdzestig man in Noordwijkerhout rondtrok bij het genadeoord van de martelaar Jeroen; het was een grasveld en daar was hij of gehangen, of doodgeslagen, of verbrand, dat weet ik niet meer. Eens in het jaar trokken wij daarheen, op een zomerse morgen, het werd als een uitje beschouwd, maar er werd van ons verlangd dat wij op die open weide, met de dorpelingen er nieuwsgierig omheen, gingen staan bidden en zingen, en ik voelde me enorm gegêneerd, als wij daar stonden te zingen: ‘Wij priesters en levieten ons vaderhuis verlieten, als gij, op 's Heren stem’.
B. Maar die anderen deden het toch ook?
P. Ik voelde me toch gegêneerd.
B. Nou, als iedereen het doet... Wij fietsten elk jaar naar Heiloo, daar was ook een genade-oord. Ik vond het heerlijk, dat fietsen met de hele school door de prille ochtend naar iets vrooms in de verte, daar ben ik nog altijd dankbaar voor. Je had jongens die liepen - Harry Prenen bijvoorbeeld heeft altijd gelopen, van Haarlem naar Heiloo -, dan moest je dus
| |
| |
om één uur 's nachts je bed uit. Bij Limmen haalden we dat groepje in, die liepen daar in geur van heiligheid, dan werd er met de fietsbellen gerinkeld als een hulde aan deze heldhaftige zielen, want praten mocht je niet. Rector Vlaar fietste voorop, met overdreven armbewegingen als we rechts of links moesten en zijn gezicht was helemaal gevernist van geluk. De school reed achter hem aan, luidkeels Maria-liederen zingend, want in Heiloo deed ze regelmatig wonderen, hele kleine overigens, maar net groot genoeg om niet door het ‘licht van de rede’ verklaard te kunnen worden.
P. Heiloo? Was dat niet Willibrordus? Het Willibrordputje?
B. Ja, Willibrordus was daar wel ergens in de buurt, maar dit was een Mariabeeld. Je had er ook een kapel, die was helemaal kaal, daar werd door pater Vlaar de mis opgedragen en hij hield ook persoonlijk een preek. Altijd over de genietingen van deze wereld en meer in 't bijzonder het strandleven, zonder verder details te verstrekken, wat mij wel eens speet. Hij maakte zich daar op een soort stijfselachtige manier boos over, in een van alle kanten bedwongen kwaadheid, het was echt wat je heilige verontwaardiging noemen kunt. Ik deed daarin helemaal mee. Ik herinner me nog dat ik dacht: als pater Vlaar nou op het strand gaat staan en daar een groot kruisteken maakt, dan is de zee tot Engeland toe alleen maar wijwater en wat kan ons dan nog gebeuren? Als de mis was afgelopen, dan at je aan lange schragen in de buitenlucht broodjes. Die werden door broeders klaargemaakt, en er was koffie. En dat geluksgevoel als die mis zijn einde naderde; die kerk was hol, moet je weten, er waren geen beelden, het was een hele arme kerk; en dan buiten, daar zongen de vogels, en dat klonk heel schel door die gewelven, dat fluiten; en dat zal ik nooit vergeten; dát, met de geur van koffie die heel ver doordringt. En dan hoorde je een broeder: hier nog vier krentebollen! Dat geluk van tegelijkertijd heel schoon en braaf te zijn en heilig - want je had dan toch maar dat hele eind gefietst - en dadelijk die krentebollen te krijgen. Ik bedoel daarmee dat de gewone dingen van het leven veroverd werden na een enorm aantal hordes genomen te hebben, en na de zevende horde mocht je dan languit gaan liggen. Dat gaf toch aan de dingen die dan eindelijk toegestaan werden een enorme spanning.
P. Het weer mogen praten na drie dagen retraite: dat was een
| |
| |
bevrijdingsfeest.
B. En als zo'n retraite zijn einde naderde, dan was er altijd een soort feest, een beetje grotere maaltijd. Het was altijd in de lente, de retraite. Ik heb zelfs een negendaagse retraite meegemaakt, in Grave...
P. Wat was je schoon dan, na zoiets; helemaal gewassen. Er staat ook zoiets in mijn herinnering geëtst, dat ontbijt van jou, dat koninklijke ontbijt, althans de komst ervan, het aanstaande zijn...
B. Het ontbijt viel altijd tegen, na die enorme verwachting.
P. Ja, precies. Maar dat spreekt vanzelf. Gelukkig maakt vooral het aanstaande zijn van iets fijns, zoals hét gelukkigste moment van de liefde niet de eerste kus zelf is, maar de seconde ervoor, vind ik, als je weet dat hij onvermijdelijk komen zal. Maar goed. Zo staat in mijn herinnering geëtst de schreeuw van de pauw, wanneer wij aan de avondstudie zaten, en het was zomer. De ramen van de studiezaal stonden open, er hing een lome hitte, er kwam een zuchtje wind door die ramen, en midden onder zo'n avondstudie schreeuwde de pauw buiten. Dat had voor mij iets van een geweldige belofte, maar tegelijkertijd iets van een geweldige dreiging. Dat snierde door de avond, de boeken werden overbodig en tegelijkertijd moesten ze ingekeken worden want, o God, als je je zou begeven in die geheimzinnige wereld van die pauweschreeuw. Daar dreigde geluk.
B. Maar dan was die schreeuw toch veel meer geladen dan hij nu is voor jouw zoontje. We kregen, na flink wat betaald te hebben, toch ook wel wat terug, vind je niet?
P. Bijvoorbeeld zo'n schreeuw.
B. En die verre kreet: nog vier krentebollen hier, dwars door de kerk heen; en die vogels. In de ontbering krijgen de dingen, die dan eindelijk zijn toegestaan, een reliëf dat ze voor onze kinderen niet meer hebben.
P. Het zat knap in elkaar, denk ik nu wel. Zo'n seminarie ook, dat was geheid opgezet. Elke hogere klas had zijn geheimen. Je keek altijd vooruit Ook zoals zo'n kerkelijk jaar in elkaar zat. Knap. Daar zijn katholieken nu weer meesters in, in het doseren van ontberingen en bevrijdingen daaruit; de vastentijd en de paastijd, de adventstijd, nog een klein tijdje ellende en hup: kerstmis er weer bom bovenop.
| |
| |
B. De veer opwinden en dan het vrolijk slaan van het uurwerk.
P. Ja, wat knap was dat bedacht; ook zoals op zo'n seminarie de vrije dagen gedoseerd waren: we hadden soms ineens midden in het trimester een vrije dag; wanneer hij kwam wist je niet, wel dat hij zou komen.
B. Die lag ergens in een doosje. Bij ons was dat als de provinciaal van de augustijnen kwam, dan had je een vrije dag, maar die werd niet direct gegeven, hij ging in het doosje en omdat je nooit wist wanneer hij eruit zou komen kregen alle andere dagen een vreemde spanning. Weet je wel dat wat wij allemaal meegemaakt hebben van de jezuïeten afkomstig is? De hele seminarie-indeling, en ook de regie van zo'n katholieke middelbare school, met zijn wisseling van arbeid en recreatie, allemaal uitgedacht door de jezuïeten. Geboren regisseurs.
|
|