| |
| |
| |
18 Tegen de kunsten
P. Wij hebben wat je zou kunnen noemen een vertrouwelijke omgang met het heilige gehad. Bovendien hadden we een vertrouwelijke omgang met de bedienaren van het heilige, want we kenden moppen over de biecht, en over de verkondiging, over de preek. Wat hebben wij niet verschrikkelijk gelachen op de verjaardagen van Anton van Duinkerken in de Lomanstraat, wanneer die, te beginnen om ongeveer elf uur, tot één uur achter elkaar liet horen hoe verschillende predikanten het deden. Herinner je je dat nog? Dan stond hij daar in het midden tegen de ingeschoven suitedeur. Heel de late avond preekte hij dan maar door. Ik herinner me bijv. dat hij voordeed hoe een jezuïet zijn lijdensmeditatie bracht; dat ging dan met de zin: ‘Beminde gelovigen, wij zullen in het komende halfuur overdenken hoe onze verlosser ten eerste be-, ten tweede ge- en ten derde veroordeeld is.’
B. Ik heb eens een preek gehouden, daarin nodigde ik de gelovigen uit om ‘in den geest’ met mij mee te gaan naar de achterbuurt van een zekere stad X, ik noem geen namen. Dan beschreef ik eerst de weelderige straten met bioscoopaffiches en zinnenprikkelend plaatwerk, en dan gaan we een zijstraat in en ook daar heerst nog een betrekkelijke welstand, en dan gaan wij die steeg in en ach, hier slaat de schrik ons al om het hart, maar we dolen verder in den geest en komen tenslotte in een slop, ja beminde gelovigen, een slòp, al is het misschien mogelijk dat gij, dáme met uw bòntmantel, dat woord niet eens kent, en hier betreden we een bouwvallige woning, waar een nooddruftige weduwe zich door naaien en verstellen in het leven houdt, ha, als we dat tenminste leven mogen noemen, en dan had ik als clou altijd dat er geen ruiten in de ramen waren, maar die waren beplakt met kranten, en dan riep ik uit: goddank, het is de roomse pers!
P. Geweldig. Had jij dat vroeger ook: dat je opeens je oren spitste als er ‘een ware gebeurtenis uit het leven’ werd aangekondigd? ‘Een onzer confraters heeft het zelf mogen ervaren: Op een late avond in december komt er een man naar hem toe die zegt: Pater!’ Of: ‘Het gebeurde in de grootstad. In het
| |
| |
klooster wordt naar een onzer paters gevraagd. Hij spoedt zich naar de wachtkamer, en daar...’, enzovoorts. Beroemd was ook de preek: ‘Beminde retraitanten, volgt mij nu een ogenblik in het huis der schande’.
B. Wat was dat? Een hoerenkast?
P. Ja, maar dan zoals een retraitepater dat onder woorden bracht. Ik was altijd gefascineerd door de preken van retraite-paters, omdat ze zo manipuleerden met hun horloges. Die legden ze vóór zich op de rand van de preekstoel, en bij bepaalde anekdotes verschoven ze ze een stukje of wonden ze ze op. In de preekstoel van de kerk in Overveen zit nog een echt horlogekuiltje. Ik weet het, omdat ik er twee jaar geleden zèlf gepreekt heb. Vlak na Biesheuvel, overigens. Wat hebben Roomsen wat afgelachen over preken.
B. Nou, als kind lachte je daar niet om. Dat lachen om Van Duinkerken was een bevrijding uit een verschrikkelijke druk. Het was weldadig, omdat het eindelijk eens gerelativeerd werd.
P. En die vastenmeditatie: ‘En Pilatus, hij trad naar buiten en sprak: ik vind geen schuld in onzen goddelijken zaligmaker.’ En de schildering, in de vastenmeditaties, van de smarten. ‘Nu kenden de Romeinen drie soorten van de geseling. De eerste was de zogenaamde gestrenge geseling; die werd hier niet toegepast De tweede heette de dodelijke geseling; ook deze kwam hier niet aan bod. De derde soort had geen naam. Zij was zo wreed, dat men er slechts bij de allergrootste misdadigers gebruik van maakte. Het was deze die, dien avond, door de hoofden der beulen spookte.’ En die paaspreek: ‘In den naam van den vader en den heiligen geest amen. Waar is de zoon gebleven? Hij is verrezen gelijk hij voorzegd heeft!’ Dat waren beroemde, fijne preken. Ook hoorde je dikwijls: ‘Petrus, hij trad naar buiten’; ‘Paulus, hij zegt het zo mooi’. Dat invoeren van ‘hij’ na een naam.
B. Soms had je ook predikanten, die ‘Christus Jezus’ zeiden.
P. In plaats van Jezus Christus.
B. Dan was er ook: Christus-Jezus-en-die-gekruisigd, allemaal snel achter mekaar, spelen met de vaktaal. Hans de Kat heeft eens gehoord: En denken we dan dat het goddelijk hart daar genoegen mee neemt? Ja, het goddelijk hart zal gek zijn!
P. En waar ik ook altijd op zat te wachten was: ‘En als wij dan eenmaal voor Gods rechterstoel moeten verschijnen’. Dat
| |
| |
was aan het einde. Kapelaan Zegers zei het in elke preek, daar kon je vast op rekenen. Mijn broers en ik keken elkaar dan aan en knikten: Daar is hij weer. Onze pastoor had dikwijls deze: ‘Als wij zo het nieuwe jaar ingaan, zullen wij niet alleen gelukkig zijn, maar ook gelukkig wezen, amen.’ Ja, om de bedienaren konden we lachen. Neem de biecht. Het klassieke verhaal was dat van een grote zondaar die van zijn schulden af wou zonder er pijn bij te hoeven lijden. Zijn vriend wist raad. In de kathedraal van Den Bosch, de tweede biechtstoel links, daar zat een stokdove oude priester. Hij erheen. Binnen knielt hij neer en prevelt binnensmonds. ‘Wat zegt u?’ vraagt de man achter het schuifje. Hij mummelt verder. ‘Luister eens,’ zegt de priester, ‘als je soms bij die dove moet zijn, dat is een deur verder.’ De vraag is: relativeer je als katholiek in dat soort spot wezenlijke dingen van je geloof? Ik geloof toch niet.
B. Je moet eens opletten waarover nooit gespot werd: over het sacrament des altaars; daar heb ik nooit een anekdote over gehoord.
P. Nee. Over Maria ook niet.
B. Het sacrament des altaars werd nooit gebagatelliseerd. Wat wèl? Het kerkelijk gezag in hoge mate, van de sacramenten de biecht, dan de verkondiging en het leven van de priesters, dat geloof ik, onberispelijk was en daarom irriteerde.
P. Openbaarde zich daar niet verdrongen anti-clericalisme?
B. Ik vermoed van wel. Cornelis Verhoeven signaleert het tenminste in het Brabant van toen. Hij geeft niet die reden. Maar ik denk dat het gebeurde om zelf als getrouwd man overeind te blijven.
P. Natuurlijk. Het was niet allemaal zo mooi; de pastoor, zelf onaantastbaar, hoorde uit op huisbezoek en dicteerde, was de baas. God in Frankrijk. Het enige verweer was waarschijnlijk de relativering van zijn gezag in moppen.
B. Maar het kon zonder dat die pastoor zelf aangetast werd, en dat zat hem in zijn priesterschap, in het onwrikbare van zijn gezalfd-zijn. Dat is een werkelijk verschil met de dominee, die dat nog persoonlijk moest bewijzen, die had geen wijding.
P. Ik zit me af te vragen of aan die zelfspot, dat aardige relativeren, ook niet iets onaardigs zat; of wij ook niet een bepaalde stijlloosheid hebben gekend.
| |
| |
B. Ja, in hoge mate; en een vreselijke argwaan tegenover alles wat ‘muzisch’ was.
P. Waarom is dat zo geweest?
B. Het suspect zijn van alles wat naar kunst zweemde is niet inherent aan het katholicisme als zodanig, hoogstens aan een nationale vorm ervan, want in de middeleeuwen heeft het niet bestaan.
P. In de Renaissance toch ook niet?
B. Die verschrikkelijke verschraling.
P. Schrijvers en schilders waren toen de grootste vrienden van de pausen. Maar dat waren - werd ons geleerd - dan ook wèl de slechte pausen.
B. Dat werd er ook altijd bij gezegd.
P. Ja: ‘Julius II omgaf zich aan zijn weelderige hof...’
B. Hou dit even vast. Ik geef nu geen verklaring, maar er schiet mij een kenmerk uit die dagen te binnen: dat is het gering vermogen om op eigen benen te staan. Wij waren zo omgeven door gezag, dat wij ook in de gebieden buiten het strikt religieuze verenigingen stichtten. Een katholiek, die niet lid was van tenminste twintig genootschappen, was een rare seigneur. Nu is schrijven, schilderen en componeren een solitaire bezigheid, het gebeurt alléén. Het is mogelijk, dat wij voor dit soort op eigen benen staan te weinig spierkracht hadden.
P. Maar waarom waren ze tegen de kunsten? Ik geloof dat er twee redenen waren, maar misschien zijn er meer. Op de eerste plaats geloof ik dat de argwaan tegen de beoefening van de kunsten voortkwam uit angst voor het zesde gebod: kunst leidde al gauw tot de vrouw, en vandaar naar de val was de afstand niet groot.
B. In elk geval tot het bevredigen van een esthetische behoefte.
P. De streling der zinnen. En in een klerikaal getinte en aan het celibaat hechtende, ja het celibaat overschattende kerk was dat uit den boze.
B. Ja, een beeldhouwer kan het naakt niet voorbij, iemand die romans schrijft, kan de erotiek niet passeren. Daar bleef men dus liever vanaf. Je kón geen katholieke romans schrijven. Dat was wèl een illusie, dat weet ik nog goed. Mijn vader vroeg altijd vertwijfeld: waar blijft de katholieke roman?
| |
| |
niet begrijpend dat die nooit kon bestaan.
P. Die kon niet bestaan omdat op hetzelfde moment dat hij uitriep: waar blijft de katholieke roman? er gezegd werd dat de katholieke schrijver bepaalde onderwerpen niet mocht aanraken. Een katholiek mocht bijv. niet een echtscheiding behandelen.
B. Nee, en dan kun je natuurlijk de hele romanliteratuur meteen weggooien.
P. En dat heeft nog lang bestaan; kijk naar Graham Greene; die mocht na de oorlog niet bij het Spectrum uitgegeven worden; order van de aartsbisschop.
B. Als katholiek romancier zou je Mauriac kunnen noemen, maar toch ook omdat hij die gebieden niet voluit beschrijft. Mauriac kent wel de verzuurde liefde, dat proces analyseert hij adembenemend, maar van de geslachtsdaad blijft hij af, zonder dat je dit overigens als gemis ervaart. ‘Le noeud de vipères’. Bernanos, dat is een echte katholieke romancier die het bestaan heeft om binnen die beperking kunstwerken te maken. Wat bij Graham Greene niet het geval is, die overschrijdt ze gewoon. Bernanos niet. ‘Le journal d'un curé de campagne’ is dan ook in die zin een katholieke roman dat het verhaal zich afspeelt binnen de perken van het celibaat.
P. Ik vraag me af of een tweede reden waarom de kunsten en de beoefening der kunsten suspect waren misschien is: dat er gevreesd werd voor de oorspronkelijkheid. Op het seminarie was het in ieder geval wel zo. Zoals men in militaire dienst, en op internaten in het algemeen, bang is voor geesten die zich door oorspronkelijkheid onderscheiden, omdat zij de esprit de corps ondermijnen, of omdat ze de kadaverdiscipline bedreigen, die ook in zo'n groot lichaam als de roomse kerk toch moest bestaan bij de schapen jegens hun herder. Zo, zou ik me kunnen voorstellen, was men bang voor elke oorspronkelijke geest, niet alleen schrijvers, maar ook voor oorspronkelijke geesten op het gebied van de bijbelwetenschappen, of op het gebied van de theologie, op het gebied van de moraal, de filosofie. Is dat, denk je, niet een factor?
B. Mijn vader had nog nooit ‘De Gemeenschap’ (toch eigenlijk weer een typisch roomse naam!) gelezen, maar er ging geen dag voorbij zonder een philippica aan het ontbijt tegen de zgn. ‘jongeren’, die het allemaal zoveel beter wisten. Nog eens, hij
| |
| |
las het tijdschrift niet. Maar het feit, dat daar blijkbaar zelfstandig gedacht werd over bepaalde dingen was voldoende. Alles binnen de kerk was sacrosanct, alles daarbuiten niet de moeite waard. Overigens geloof ik, dat wat jij op het seminarie hebt meegemaakt, niets anders geweest is dan een wat sterkere reproductie van wat hier gebeurde. Een glazen stolp over een zorgvuldig bewaakt leefgebied, dat luchtdicht tegen elke originaliteit werd afgesloten. Terecht. Want oorspronkelijkheid betekent verandering.
P. Ik herinner me het volgende: ik had een vriend op het seminarie, Harry de Jong, we waren toen een jaar of achttien, en die jongen kon uitstekend piano spelen. Wij hadden de gewoonte om een paar maal in de week in een klaslokaal muziek te maken - d.w.z. hij zette zich dan achter de piano en sloeg een album open dat de liederen van Schubert bevatte. Hij had ze allemaal, drie banden. Ik stond er dan naast, en wij zongen samen naar hartelust. Vals weliswaar, maar allez. Dat hebben we weken en weken gedaan, tot de subregent een keer binnenkwam en het boek meenam. We waren net bezig met het lied: ‘Wer ist Sylvia, was ist sie?’ Dat boek werd meegenomen, zonder pardon, zei de subregent, want het bevatte slechte liederen. En nu was het gekke dat wij dat helemaal niet wisten, dat wil zeggen: ons niet bewust waren, dat we over iets slechts, dus over de liefde stonden te zingen. Maar onze zinnen werden natuurlijk wel vervoerd, terwijl we zongen. Door de muziek, en natuurlijk ook door de daarbij passende woorden, maar zonder dat ons de zin der woorden helemaal duidelijk was. Hij verdacht ons ervan dat wij ons in gemoede afvroegen wie Sylvia nu wel was. Achteraf gezien, vroegen we ons waarschijnlijk ook wel onbewust af wie en wat Sylvia was, maar niet in de zin waar hij aan dacht. Sylvia was vaag. Sylvia was buiten; de wereld.
B. Zou het? Ik geloof dat het loutere feit van Schubert zingen in plaats van Gregoriaans al voldoende was. Ik zie die prefect nu voor me, gestaald tegen duizend verzoekingen ‘in gedachten en in daden’ om een vrouw te beminnen en waarachtig, hij heeft 't gehaald. Wat is er in die overwinning niet geinvesteerd! En verdomd, daar hoort hij door een deur heen een soort muziek, waarvan elke noot het tegendeel bewijst. Als hij daar twee minuten naar luistert gaat hij er met de werk- | |
| |
ster vandoor. En hetzelfde denkt hij van jullie. Dat is trouwens uitgekomen, al ben je niet speciaal met de werkster getrouwd.
P. Dat zat hem natuurlijk in het adagium ‘in principiis obsta’: de bekoring meteen de kop indrukken; anders was je reddeloos verloren. Iets anders: vind je het niet opvallend, dat in Nederland nooit een katholiek - tot in onze dagen - tot de avant-garde heeft behoord, bijv. in de literatuur?
B. En zeg ook maar: in de wetenschap.
P. Voor de wetenschap zou je een verklaring kunnen vinden in het feit dat de katholiek zich pas zo laat heeft kunnen ontwikkelen; er bestond vijftig jaar geleden nauwelijks een katholieke middelbare school.
B. Maar ik bedoel niet zozeer fysici, wiskundigen en biologen, want daar speelt het geloof geen rol. Meer de wijsbegeerte, daar is van katholieke zijde niet veel bijgedragen. Ik hoor altijd van één exceptie: Marcel, want Teilhard is geen filosoof. Maar van de kracht van Russell, van Wittgenstein, van Sartre, van die klasse hebben wij geen man.
P. Nee. Daar is alweer het oorspronkelijke denken in het geding.
B. Je kunt binnen de krijtlijnen geen filosofie bedrijven, met de gedachte: ik moet bepaalde dingen respecteren.
P. Speculatie was uitgesloten eigenlijk, zoals nu de speculatieve theologie verdacht is. Wat betreft de verhouding van de katholieken tot het lezen schiet me dit te binnen: de katholieken, aldus het leesrapport dat door de CPNB een jaar of tien geleden is uitgebracht, bleken van alle bevolkingsgroepen in Nederland het minst te lezen. Men is nagegaan wat het gemiddelde boekenbezit was, en hoe vaak men een boek las, en daar kwamen de katholieken als bevolkingsgroep steeds het slechtste af. Dat is wel verklaard (op een milde manier, vind ik) door het feit dat bij de katholieke bevolkingsgroep veel zuiderlingen zitten, Limburgers en Brabanders, van wie vooral de Brabanders motorisch werden genoemd van aanleg, dus weinig geneigd tot verstrooiing in de lectuur, en meer tot lichaamsbeweging, sport, dansen, volksdansen, vendelzwaaien, toneel. Ik herinner me dat bij de persconferentie, die daar gehouden werd, ook het cijfer ter sprake kwam (want men had alles uitgezocht) over wie er het meest in bed lazen; eerst in het algemeen: hoeveel er in bed gelezen werd, en ook daar bleken de
| |
| |
katholieken het minst in aantal. Ik herinner me levendig dat Gabriël Smit toen opstond en riep: ‘Wij katholieken hebben in bed wel wat beters te doen.’ En ik moet zeggen dat me dat uitermate sympathiek in de oren klonk.
B. De voorzitter had kunnen antwoorden: en hieraan danken we de aanwezigheid van de geachte spreker en diens waardevolle bijdrage.
P. Maar hier speelt natuurlijk ook de bijbel een rol. Waarom kwam het protestantse volksdeel er zoveel beter af wat zijn boekenbezit betreft? Omdat op vroege leeftijd iedere protestant een bijbel kreeg, bij de doop, of bij de bevestiging of wanneer dat dan ook was, maar daar was een bijbel in huis in ieder geval.
B. Waarbij vermoedelijk nog kwam dat na het Oude Testament, als je dat tenminste helemaal moet lezen, elke andere vorm van lectuur meeviel. Als je door dat roggebrood heen gebeten bent is alles verder beschuit.
P. Maar ik wou nog even terugkomen op de vraag, hoe het komt dat de katholieken, althans wat de letteren betreft, in Nederland nooit of te nimmer de avant-garde hebben gevormd tot op de huidige dag. Ga nu eens na wat er aan bewegingen sinds '80 in Nederland is geweest, waar is dan in die bewegingen de katholiek die meedoet? Je krijgt bij de Tachtigers Thijm en wat terzijde Erens, maar Thijm is dan al niet meer katholiek...
B. Het kan wel waar zijn wat je zegt, maar ik verbind geen waardeoordeel aan het feit, dat een kunstenaar in de avant-garde loopt, dat moet ik terloops toch even zeggen. Don Quichotte is de laatste van de ridderromans, maar het is tevens de beste.
Na de vernieuwers komen soms de mensen, die er werkelijk wat mee doen, omdat zij pas de volle mogelijkheden zien. Kun jij het echte tachtigers proza lezen? Nee, maar wèl de trilogie van Van Looy, die toen in de achterhoede marcheerde. Niets veroudert zo snel als wat de tijdgenoten voor volstrekt nieuw aanzien. Gezelle gold toen voor ouderwets, nu zien we dat geen enkele dichter uit die tijd in zijn schaduw kan staan. En hier hebben we nu een man, die met kop en schouders boven de toenmalige avant-garde uitsteekt en wiens prestaties tevens ondenkbaar zijn zonder zijn katholiciteit. Maar goed, niet in de
| |
| |
voorhoede dus. Vermoed je daar een reden voor?
P. Kan het geweest zijn omdat katholieken, in het algemeen al niet tot revolutie geneigd, dat ook niet waren ten aanzien van het doorbreken van gevestigde tradities in de kunst? Neem nou eens de vormvastheid. Fens wees mij daar een tijdje geleden op, hij zei - en het is eigenlijk heel merkwaardig - dat de enige keer dat een katholiek aan het hoofd staat van een nieuwe letterkundige beweging, dat Ed Hoornik is, vlak vóór de oorlog, bij het tijdschrift Criterium en daarmee ontstaat er dan een groepering. Maar ten eerste is hij dan al niet meer katholiek, en ten tweede blijft hij zelfs in die nieuwe richting uitermate vormvast. Dat geldt ook voor Aafjes, het hechten aan de vorm, aan de strakke vorm.
B. Maar je moet dan toch toegeven, dat een ‘Voetreis naar Rome’, en ‘Het koningsgraf’ destijds waarlijk groot opzien baarden.
P. Dat gebeurde vooral vanwege het feit dat een voor katholiek aangezien man dit durfde te schrijven. Hij zette zich met die boeken niet aan het hoofd van een letterkundige beweging. Zijn gedicht werd niet als avant-gardistisch beschouwd, het werd hoogstens als gedurfd beschouwd, omdat het kwam van een katholiek. En het is dan ook opvallend dat de katholieke critici - althans sommige pastoors in de oude ‘Linie’ - zich stortten op Aafjes als katholiek.
B. Goed. Ik heb dat boek altijd verklaard vanuit een zaterdagmiddaggevoel - na een verschrikkelijke week, ik vind het echt een seminarist, die de vrouw ontdekt en in een soort orgie van zaligheid het ene vers na het andere schrijft, wat hij nooit gepresteerd zou hebben, als hij tevoren het leven had gekend dat nu de jonge dichters leiden. Een regenbui na een lange droogte.
P. Kun je begrijpen hoe dat boek op mij afgekomen is? Ik ging weg van het seminarie in juli '46, en daarop volgde een vakantie. Ik trok met een vriend van mij naar Brabant, Baarle-Nassau. Daar kampeerden we op de hei, en toen kocht ik in Tilburg in een boekhandel het net uitgekomen ‘Voetreis naar Rome’. Dat heb ik meegenomen naar de hei, en ik herinner me nog levendig de gelukzaligheid en het gevoel van finale bevrijding waarmee ik dát boek heb liggen lezen, midden in de hei, op mijn buik; dat was voor mij geschreven. En toen pas,
| |
| |
toen ik het uit had, wist ik: nu ben ik van het seminarie af.
B. Ja, dat begrijp ik heel goed, zo was het.
P. Wat heb ik aan dat boek gehangen. En ik ben het met je eens; dit kon door niemand anders geschreven zijn dan door een ex-seminarist.
B. Het is van iemand die jarenlang in roggebrood gebeten heeft. Maar je moet eens opletten: dat Evelyn Waugh, Graham Greene, Julien Green, Chesterton, allemaal - afgezien nog van Belloc, die ik zeer hoog schat...
P. Bekeerlingen zijn.
B. Het is mogelijk dat ze hun reliëf gekregen hebben doordat ze de onafhankelijkheid van denken en vrijmoedigheid van behandeling, die ze vóór dat moment bezaten, konden combineren met de stof die hun daarna in handen viel.
P. Van het Reve is een bekeerling. Heb jij eigenlijk ook iets tegen het woord bekeerling?
B. Het is een hoogmoedig woord.
P. Dat komt waarschijnlijk omdat er vroeger zo vaak het karakter van het triomfantelijk binnenhalen aan vastzat; die hadden we dan toch óók in de club gekregen. 'n Greene, 'n Waugh, zo heette dat dan.
B. Het is opvallend hoeveel namen je noemen kunt.
|
|