| |
| |
| |
17 Waarachtigheid
P. Ik wou het hebben over wat katholieken onderscheidt. Hoe ze als groep in de gemeenschap staan, in de maatschappij.
B. Als zodanig worden de contouren steeds vager en daar ben ik blij om. Als individu blijft hij zich nog wel aftekenen en dat lijkt mij dan ook een boeiender onderwerp. Laten we dan beginnen met wat ongunstige kenmerken. Dan zou ik als ongunstig willen signaleren: een groter vermogen tot oneerlijkheid. Ik geloof dat de katholiek makkelijker liegt en het met de eerlijkheid minder nauw neemt. Waar dat aan ligt, dat vermoed ik wel. Ik constateer het nu alleen.
P. Ik ben het met je eens. Ik heb dezer dagen een boek zitten herlezen dat nog niet zo lang uit is, de uitwerking van een rede die de schrijver tijdens het concilie in Rome heeft gehouden voor concilievaders en journalisten: een boek van Hans Küng over de waarachtigheid. Dat zou je eigenlijk moeten lezen. Hij gaat uit, in het eerste hoofdstuk, van de constatering dat de katholiek bepaald niet uitmunt door waarachtigheid; integendeel, zegt hij, er is een verregaande verwaarlozing van de waarachtigheid bijv. in de moraaltheorie. Hij zegt dat waarachtigheid - heel tekenend - niet behoort tot de vier kardinale deugden. Dat is eigenlijk heel gek.
B. Ja.
P. Hij zegt ook dat dat voortkomt uit de casuïstiek van de moraal; hij constateert eerst het feit dat in de moraaltheologie ons altijd, zielzorgers zowel als gelovigen, allerlei uitweggetjes getoond zijn waardoor we konden ontsnappen.
B. Maar dat gebeurde ook in de biecht.
P. Ja. Dus als het zus en zo zat, dan was het niet zo erg. En met name gaat hij dan in op de leugen; hij zegt dat in de moraal van de leerboeken elk vergrijp tegen het zesde gebod al een grote zonde wordt genoemd, en dat je bij de behandeling van het achtste gebod geen enkele grote zonde vindt: het is steeds een ‘levis peccatum’, een kleine zonde, en wat die casuïstiek betreft herinner je je ook...
B. Ik moet denken aan de reservatio mentalis...
P. Zeker; je kon dus zeggen: vader is niet thuis, of: de pas- | |
| |
toor is niet thuis, maar dan mocht je de reservatio bij jezelf maken: niet voor jou, ouwehoer. Of: de pastoor heeft wel iets beters te doen dan naar beneden te komen, hij bereidt zijn preek voor, bijvoorbeeld. En nou weg wezen.
B. Er is ook maar één groep waar een bepaalde term bestaat die elders niet voorkomt, nl. de term: het leugentje om bestwil.
P. Ja, dat is onze onwaarachtigheid.
B. Nou goed, laten we met de verklaring nog even wachten. Maar ik zit wel te popelen om die te geven.
P. Küng zegt dan verder nog - en dat vind ik heel erg typerend -: de katholieke kerk in Duitsland is altijd genoemd de kerk van de waarheid, en de evangelische kerk is altijd genoemd de kerk van de waarachtigheid. Daar zit een heel groot verschil in. Roomsen waren ook berekenend. Wat een ethiek hadden wij. Tot zover kon je gaan, dan deed je nog net geen doodzonde. Zelfs in de vroomheid zat veel berekening. Bad je zoveel keer dit, dan verwierf je dat. Elke keer dat je op Allerzielen een kerk binnen ging en er zoveel onzevaders en weesgegroetjes bad, redde je weer een zieltje uit het vagevuur. Dus rende je je rot, van de achterste bank naar het portaal en weer terug. Je mocht trouwens op Allerheiligen 's middags al beginnen. Dan begon het te gelden. Ja, we waren berekenend. In aflaten bijvoorbeeld. En in gunsten. De Eerste Vrijdagen. Negen stuks achtereen te communie betekende bijna zeker zijn van een zalige dood. In het begin van het schooljaar werd je daaraan herinnerd. Eén keer in september zei een Broeder dat het dit schooljaar niet hoefde, want in april zou de Eerste Vrijdag samenvallen met Goede Vrijdag, en dan kon je niet te communie, dus die keten was niet te sluiten. Zo leerde je rekenen; berekenen. Ik geloof dat je gewoon om je heen kunt waarnemen dat je als katholiek ook de naam hebt niet waarachtig te zijn: ‘Roomsen nemen het niet zo nauw’, is toch een term die je gauw om je heen hoort? ‘Jullie kunnen voor alles wel een verklaring vinden.’ Waarin verdisconteerd zit, volgens mij, een skepsis ten aanzien van de houdbaarheid van al die verklaringen.
B. Ja, ja, maar daar zit tegelijk iets aardigs in, die zaak heeft twee kanten. Denk eens aan de bijna volstrekte rechtlijnigheid van het Calvinisme, wat een jammerlijke verschraling van het leven dat heeft teweeggebracht, terwijl dat elastisch zien van de
| |
| |
katholiek rekening hield met de betrekkelijkheid van de waarheid, zodra die gerealiseerd werd in het gewone leven. Daar zat ook een stuk wijsheid in. In de jezuïetische casuïstiek, wat ook de verderfelijke uitlopers ervan geweest zijn, stak niettemin een erkenning van de menselijke zwakheid en een roeien met de riemen die je hebt, wat het leven veel leefbaarder maakte. Ik voel me (eerlijk gezegd!) daarmee heel verwant.
P. Je bedoelt: daar zit in: Er is De Waarheid, maar ze moet altijd nog maar beleden en waargemaakt worden door ons?
B. Er zat bijv. ook Van Duinkerken in, die hele franciscaanse man, het was natuurlijk niet allemaal waar wat hij zei, maar het was zo hartveroverend beminnelijk en weinig rigoureus. Die rechtlijnigheid... och, als ik hem zo zag zitten tussen al die doodeerlijke Hollanders, dan dacht ik: geef mij die zwier maar.
P. Waar komt het vandaan? Op het concilie in Rome zeiden priesters tegen me, als er weer een nieuw stuk teleurstellende theologie in een constitutie ter sprake kwam: ach, je moet maar denken, wij vinden voor alles wel een oplossing. Bij het lezen van een bepaald conciliestuk dacht ik wel eens: wat staat dat onherroepelijk vast, en wat vervelend is dat nou, deze of deze passage, - waarop dan enkele theologen me even duidelijk gingen maken, aan de hand van de tekst, hoe gemakkelijk je er later weer onderuit kon komen. En het is ook zo: als je die conciliestukken leest, dan vind je geregeld regels waaraan je kunt zien: er zijn altijd nog ontsnappingsmogelijkheden. En zowel keiharde conservatieven als progressieven kunnen zich beroepen op dezelfde teksten om hun gelijk te bewijzen.
B. Die hele wolkenkrabber van de katholieke orthodoxie zit vol met brandgangen, nooduitgangen en ladders, waarmee je toch nog op de begane grond terecht kunt komen. We sterven niet op de bovenste verdieping.
P. Wat typisch katholiek is vind ik bijv. een passage in de encycliek die als de inleiding beschouwd is van de ijstijd in de kerk, ‘Humani generis’ van Pius XII. Ik herinner me dat, toen die verscheen, er iets van doffe ellende in de kerk kwam, iets van: nou jongens, nu kunnen alle theologen wel inpakken met hun nieuwe theologie, en de moraaltheologen moeten ook maar ophouden met verder denken, want dit is het eind. Maar dan staat er in die encycliek bijv., wanneer er wordt gesproken over
| |
| |
de vraag of Adam inderdaad de eerste mens is geweest, de stamvader van wie wij alle afstammen, dat dit weliswaar gehouden moet worden, maar: zolang de wetenschap - staat er dan - niets anders heeft bewezen. Of zoiets. Het klinkt definitief, maar het nooduitgangetje voor later is al aangebracht.
B. De katholieke kerk heeft, veel meer dan de andere stelsels, een sterk juridische kant ontwikkeld, met mogelijkheid tot procederen, en appèl, en cassatie zelfs. Wij hebben dat allemaal uitgedokterd en vastgelegd, boekdelen vol, je kon je op de wet beroepen. Die mogelijkheid was er bij de anderen niet, die hadden een persoonlijk geweten, en dat zei ja of nee. Maar wij hadden dat buiten het geweten getild in een stelsel, en dan krijg je een paleis van justitie, en daar kon je nog wel eens een aardige rechter treffen.
P. Maar zelfs in die rechtspraak was er dan toch sprake van veel onwaarachtigheid. Je kent toch het leven van Petrus Codde?
B. Ja, die werd van Jansenisme verdacht.
P. De vicaris van de Hollandse Zending die in Utrecht zetelt en naar Rome moet komen om even duidelijk te maken dat hij het Jansenisme niet aanhangt. Als je leest hoe de man in Rome behandeld wordt en hoe hem allerlei ontsnappingsmogelijkheden worden gewezen: als je nu maar dit zegt of doet, als je dit maar tekent, ach, dan wissen we dat weer uit. En Codde zelf, in zijn ontwijkingen, afgewisseld met koppige momenten van rechtlijnigheid, - ook dìe tragedie. Net zo goed slachtoffer van de onwaarachtigheid. Als je dat leest, het is een lang verhaal, dan komt de hele dubbelhartigheid op je af.
B. En weet je uit welke zin de daaraan tegengestelde mentaliteit het duidelijkst spreekt? Die zin van Luther: hier sta ik, ik kan niet anders. Dat is een echt protestantse uitspraak, daar zit de hele reformatie in. En juist omdat hij dat niet gezegd heeft is het zo tekenend dat hem die woorden in de mond geschoven worden, want men voelde: dat had hij moeten zeggen, tegenover de reservatio mentalis ‘eppure se muove’ van Galilei, waardoor die zich van een rustige oude dag verzekerde. Een mooi contrast. Met de reformatie komt de eerlijkheid in Europa, maar ook de intolerantie, want dat is het kind van de rekening. Als je ziet hoe men in Engeland geleefd heeft... Ken je ‘Father and Son’ van Edmund Gosse? Een meesterwerk. De
| |
| |
oude Gosse was bioloog, had op dat gebied een hele plank boeken geschreven en ging uit van de opvatting dat de aarde zesduizend jaar bestond en dat alles pasklaar gemaakt was, meteen, bij ‘the creative act of God’. Goed, er waren fossielen, maar die schreef hij weg door de z.g. catastrofe-theorie: er was een ramp geweest. Dan komt ‘The Origin of Species’ in 1859, en dan moet die man, met dat rigoureuze geloof, dat boek lezen, en die vindt dan als oplossing dat die fossielen, waarvan hij het bestaan niet ontkennen kan - hij had zelf een hele collectie - door de satan in de rotsen gelegd waren om ons te verleiden tot de gedachte van evolutie. Dáár heb je nu een vorm van eerlijkheid, een hardnekkig vasthouden aan het woord Gods, dat net zo goed tot leugens leidt. Je zult zeggen: in de middeleeuwen wist men ook van wanten, maar dit verhaal speelt in 1870. Ik dacht, dat de katholieke kerk in die zin buigzamer geworden is, dat zij vasthoudt aan bepaalde noties zolang het tegendeel door de wetenschap niet bewezen is.
P. Ja, hoewel intussen dan wel vereist wordt dat iedereen zich neerlegt bij die theorie en er verboden wordt dat men de theorie die daarmee strijdig zou zijn nog nader leert. Trouwens, was en is er ruimte voor gefundeerd wetenschappelijk onderzoek? Je weet wat er is gebeurd na ‘Humani generis’. Toen zijn er veel theologen en moraaltheologen van naam van hun leerstoel verdreven, zijn er publikatieverboden opgelegd. Ik hoef je maar te herinneren aan het leed van Teilhard, aan het verdriet van een Congar, die dan nu weer publiceren mag en onderwijzen. En ook - over onwaarachtigheid gesproken -: in ‘Humanae vitae’, de recente encycliek, staat ergens dat men de pil wel mag gebruiken indien er een medische indicatie bestaat, indien de vrouw door hem niet te gebruiken ernstig lichamelijk lijden zou, bijvoorbeeld. Nou: slimme moraaltheologen - en dat is dan een soort slimheid die ik in de katholiek verafschuw - zeiden toen onmiddellijk: medische indicatie is voor bijna alles te geven, hoor. Die meneren kunnen er altijd wel uitkomen. Ik vraag me af of bij die oneerlijkheid van de katholiek, ook dit feit een rol speelt dat hij altijd zo'n sterk gezag in de kerk heeft gekend, in de vorm van de bisschoppen, maar ook in de vorm van de pastoor, die vroeger een veel sterker gezag had dan nu. Wat deed hij? Hij beriep zich op het gezag, waardoor hijzelf buiten schot bleef.
| |
| |
B. Ik herinner me: in de vastentijd dan was er een kaartavondje, en dan wou mijn moeder ook wel eens een croquetje op tafel gooien. Dan belde ze een pastoor op. Ze koos ten eerste een pastoor waarvan ze verwachtte dat hij wel ja zou zeggen - wat natuurlijk een vorm van onwaarachtigheid is - en die pastoor zei dan: welja, doet u het maar moedertje, want vrouwen werden door de clergé in deze niet-erotische hoek gezet. En dan schoof ze die croquetjes in de oven, terwijl ze wist, natuurlijk, dat volgens haar geweten het vasten nú werkelijk vasten zou geweest zijn. Met andere woorden: ze had de stem van haar geweten tot zwijgen gebracht en haar verantwoordelijkheid voor deze daad gedelegeerd aan een autoriteit en op zijn schouders gelegd wat op haar rug behoorde. Dit soort afschuiven, waar ik overigens met genoegen aan terugdenk, bevordert natuurlijk niet de waarheidszin.
P. En je herinnert je hoe er geschipperd kon worden met het nuchter blijven tot 's nachts twaalf uur. Iemand had uitgevonden dat het in plaats van twaalf uur, geloof ik, best tien over half een mocht worden: dat had te maken met de zomertijd. Er is van protestantse zijde dikwijls tegen katholieken gezegd, op het werk, op de kantoren, in de omgang: jullie kunnen je niet zelf verdedigen; of: jullie hebben niet zelf iets te zeggen, jullie moeten maar aannemen wat de pastoor zegt. En dat werd door hen gezien als onwaarachtigheid van ons, omdat wij niet de consequentie durfden te trekken uit datgene waar wij misschien aan twijfelden. Van de andere kant lag en ligt er in katholieken, vind ik, een bepaald vermogen tot relativering, wat hun toch eigenlijk weer siert. Ik vind dat de katholiek in staat is tot veel groter zelfspot dan de gemiddelde protestant; ben je dat met me eens?
B. Ja. Ik heb ook wel eens gedacht aan de opvallende frequentie van anekdotes, die eigenlijk de waardigheid van de clergé devalueren: de z.g. pastoriemoppen. De meest krasse hadden betrekking op voorwerpen, die in hun bedden werden aangetroffen en die alleen verklaard konden worden door het vermoeden, dat ze daarin de nacht niet in eenzaamheid hadden doorgebracht. Meer milde vormen werden door de betrokkenen zelf met veel animo ten beste gegeven. Dit werd door protestanten met de uiterste bevreemding beluisterd. Dat kon bij hen niet. Ik denk, dat het verschil hierin zit, dat een do- | |
| |
minee staat of valt met de waardigheid van zijn persoonlijk leven. Hij is beroepen door zijn gemeente, hij kan ook afgezet worden door die gemeente, terwijl het priesterschap zoals je weet een ‘eeuwigdurend merkteken’ is. De gedupeerde was allereerst priester, onafhankelijk van zijn persoonlijke verdienste, en je kon dus een pastoor gemakkelijk devalueren zonder hem als priester ook maar een centimeter omlaag te krijgen, hij was buiten zijn persoon om een standbeeld dat niet om te trekken was; en dat geeft natuurlijk een enorme ruimte aan anekdotes.
P. Hij stond toch op de rots van Petrus, wou je zeggen?
B. Ja, maar charismatisch, als een gezalfde; als hij eraf viel was hij nog priester; daar kon je nooit onderuit. Je kon die verf niet afkrabben; als je dat deed vond je weer een nieuwe laag goud.
P. Ik had zelf ook nog een veel minder edele overweging dan jij nu geeft, nl. deze: ik verdacht protestanten ervan, als ze ons kwalijk namen dat wij moppen vertelden over pastoors, dat zij bij zichzelf dachten: je moet je eigen nest niet bevuilen. En daar verbond ik dan de volgende redenering aan: dat wij, met die machtige club van ons, dat wel konden hebben, ons lichaam kon wel een stootje velen; en hun veel kleinere club kon dat niet en moest dus de eigen bedienaren des woords op een veel hoger voetstuk plaatsen.
B. Ja, maar dat zijn kwantiteitsoverwegingen, terwijl ik de kwaliteit bedoel. Niet in deze zin dat priesters beter zijn dan dominees, maar wel dat ze onafzetbaar zijn, een toegevoegde kwaliteit dus in het ambt. En dan is er nóg iets: het celibaat. Men kiest iets hogers, althans zo werd het voorgesteld, en in die term zit een lichte discriminatie van de huwelijkse staat. De pastoorsmop neemt daarop revanche en ik geloof dat hier de eigenlijke reden zit.
P. Ik zei: het is een bijkomstige reden, maar ik hoorde altijd: onze kerk bestond twintig eeuwen en die van hun pas vierhonderd jaar. Ik vond overigens wel altijd dat dat ‘twintig eeuwen’ niet klopte, en dat klopte ook niet.
B. Ja, mijn vader hield redevoeringen voor de Katholieke Staatspartij. Ik zat dan als kind op de voorste rij in zo'n stampvolle zaal en dan kwam altijd die trotse zin dat wij al tweeduizend jaar bestonden. Ik meende dan toch een weifeling te
| |
| |
bespeuren, het jaartal was tenslotte 1920 en hij corrigeerde dat ook wel eens vrijwillig door de toevoeging: bijna. En dan dacht ik: wat heerlijk, over tachtig jaar kunnen we dat eens eindelijk voluit zeggen, dan zijn we daarvan af.
P. Maar met zo'n historie achter je kreeg je toch wel een beetje het idee: ja, hoor eens, wat willen die vijanden van ons nu eigenlijk.
B. Ja, wat hadden we als kerk al niet meegemaakt... Mijn vader sprak ook altijd over de rooie rakkers, zoals je over kwajongens spreekt, die een enorme kerk bestormen en niet verder kwamen dan een ruitje ingooien.
P. Ja, men bagatelliseerde dat zelfs. Bovendien leefde hij in de tijd dat een Van Ginneken, met anderen, het had over de bekering van Nederland die nu aanstaande was. Nog even en we zouden de meerderheid vormen. En daarna zou het ook met de Socialen gauw gedaan zijn.
B. Mijn vader was gedeputeerde van Noord-Holland en reisde die dorpjes af; en dan kwam hij thuis en zei dat Edam al voor een derde katholiek was, dat ging al aardig de richting van Volendam uit. En hij rekende ons op een papiertje voor dat als dat zo doorging over twintig jaar de helft het was en dan over dertig jaar, dan - en dát was de uitdrukking die ik me heel goed herinner - ‘was de raad om’.
P. Ik denk dat hij ook wel de uitdrukking gebruikte: ‘Dan was geheel Edam gewonnen voor de katholieke zaak.’ Mijn moeder zei vroeger als wij voor tafel niet baden: Zou je niet bidden, ben je soms protestant? Dat zeiden meer Roomsen. Daarmee miskennend wat protestanten misschien nog beter deden dan wij, nl. bidden voor en na tafel; want ik ben altijd wel onder de indruk gekomen van de bijzonder ingetogen wijze waarop protestanten helemaal gebogen, veel meer voorover dan wij, zaten te bidden.
B. Bij een protestantse begrafenis keek ik altijd mijn ogen uit. Ik weet nog goed dat ik die voor het eerst meemaakte. Er trad een man naar voren en die zei: ónze váder, dié in dén hémelen zíjt, heel nadrukkelijk en met stijf dichte ogen, ik wist niet wat ik hoorde, bij ons werd dat afgeraffeld. Ik heb toen met een paar mensen gesproken en die zeiden: maar zoals jullie dat ook doen, dat lijkt helemaal nergens op. En volgens mij komt dat weer uit hetzelfde voort: het gebed heeft een kracht,
| |
| |
onafhankelijk hoe je het uitspreekt, net zoals die priester, onafhankelijk hoe hij zich gedraagt, priester is. Daar is een uitdrukking voor, die jij beter kent dan ik: ‘opere operato’, dat het ding zelf kracht heeft, onafhankelijk van de intentie van de bedienaar.
P. Dat gold ook voor het bidden van het rozenkransgebed: dat hoefde je eigenlijk niet zo eerbiedig te bidden, je hoefde echt niet bij elk weesgegroetje alles te beseffen wat je zei. En die hele litanie, met Gouden Huis, en Ark des Verbonds, en Morgenstond.
B. Prachtige woorden waren dat.
|
|