| |
| |
| |
16 Beginnen bij de leegte
P. We hadden het een vorige keer over de ecclesia, wat dat inhield. Ik heb het later nog eens opgezocht; het komt van het Griekse werkwoord: ekklètoi, en dat betekent: naar buiten geroepenen. Dus ecclesia zou dan zijn: een groep naar buiten geroepenen, en dat wordt nog toegespitst in deze zin, dat die mensen samengeroepen zijn in de woestijn, in de wildernis, uit de verstrooiing. En ik moet je eerlijk zeggen: als ik dat lees - en we hadden het er vorige keer over of we nog tot de kerk behoorden of wilden behoren - dat ‘samengeroepen in de wildernis’, dan wordt het weer aantrekkelijk voor me. Want ik ervaar de situatie waarin we leven een beetje als een woestijn, als een wildernis. En als ik dan daarin samengeroepen ben met anderen, om als het ware in het donker elkaars hand vast te houden, dan kan ik zeggen dat ik tot die ecclesia behoren wil.
B. Ja maar, ik dacht toch - hoe bekoorlijk de vergelijking ook is - dat die mank gaat, want die wildernis is in dat oude Hebreeuwse idee van Johannes de Doper de woestijn waar men zich ascetisch terugtrekt en van sprinkhanen leeft; dat is iets heel anders dan wildernis in de zin van verwarring. Ik vrees dat je hier het slachtoffer bent van een woordenspel, waarbij één uitdrukking twee betekenissen heeft. Dat ‘handen vasthouden’ duidt precies op de betekenis die jij aan wildernis geeft, nl. onzekerheid, terwijl hún wildernis juist een enorme zekerheid was. Ik geloof niet dat je daaruit de conclusie mag trekken: nou voel ik me toch weer thuis...
P. Maar ik wíl tot een ecclesia in die zin behoren.
B. Nee, dat is de ecclesia van de onzekerheid, van de vertwijfeling, van niet meer weten, van elkaars hand vasthouden, en dat is niet het begrip ecclesia. In Athene had je de ‘boulè’, dat was B & W, en dan had je de raad, dat was de ‘ekklèsia’, een soort volksvergadering, maar die kerels wisten van wanten, terwijl jij een lotsverbondenheid in de twijfel bedoelt.
P. Ik wou toch nog wel aan de hand van een stukje uit een psalm adstrueren wat ik zoëven zei: dat het me wel aanspreekt, dat ecclesia-idee en dat ik die vereniging-in-twijfel aanvoel als
| |
| |
kerk; omdat ik dan toch te spreken kom over wat een eenling meemaakt op het ogenblik, en waarom hij alle reden heeft om toch maar tot de groep te blijven horen. Er staat, in de tweeenveertigste psalm:
‘Ik dorst naar God, de levende God.
Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God?
Ik heb geen brood dan tranen, dag en nacht.
En altijd weer hoor ik ze zeggen: waar blijft nu je God?
Ik moet er steeds aan denken, en dan schiet mijn hart weer vol, hoe ik meeliep in het gedrang naar het huis van onze God, en dan hoor ik ze weer zingen, heel die feestelijke stoet.’
Wat hier staat is eigenlijk helemaal mijn situatie: als eenling wil ik die God eindelijk nou wel eens zien, die onzichtbare God; en als eenling hoor ik van alle kanten op het ogenblik: Waar blijft nu die God? God is dood. En dan komt de sprong die hier in die psalm gemaakt is, en die kan ik in alle oprechtheid meemaken, al is het hier als herinnering verbeeld:
‘Ik moet er steeds aan denken en dan schiet mijn hart weer vol, hoe ik meeliep in het gedrang naar het huis van onze God,’ enz. Dan voel ik dat het antwoord op ‘waar is nu je God?’ vroeger al gegeven is, en nu weer als kans aanwezig is: in de feestelijke stoet, de groep; in de ecclesia dus, met andere woorden.
B. Ja, maar een ecclesia die voor je ogen uit elkaar valt.
P. Valt de ecclesia uit elkaar? Is dat zo?
B. Als gemeenschap van gelovigen wel, dacht ik.
P. Nou, in haar structuren; maar als geloofsgemeenschap en als gemeenschap van hoop en liefde niet, nee. En áls het zo is dat zij uit elkaar valt, dan blijft de herinnering aan het ‘gedrang’, de ‘feestelijke stoet’ zo levendig, dat ze reden genoeg vormt om haar weer te herstellen, - wil je tenminste een antwoord vinden op de afwezigheid van ‘de levende God’.
B. Heb jij mijn stuk over het pastoraal concilie gelezen? Ik signaleerde daarin een sterke vermindering van het vroegere standsverschil, dat zo duidelijk te zien was als priesters, en vooral hoge prelaten, met leken in één ruimte zaten. De bisschop kwam altijd wat later binnen, meestal zegenend, en iedereen stond dan op. Over zijn gezicht lag die eigenaardige en in mijn ogen bijna vettige glans van opgewektheid, die geen duidelijke oorzaak had en dan ook met roomse blijdschap werd
| |
| |
aangeduid. Zijn handdruk beperkte zich tot de twee voorste vingers en soms werd men dan daarmee bij het oorlelletje gevat.
Mooi vond ik ook altijd het binnenkomen van de pauselijke nuntius, die zijn drie woorden Nederlands langs het middenpad zó verdeelde, dat je echt de indruk kreeg: die man woont hier al dertig jaar, wat ook inderdaad het geval was. Er waren meestal maar twee sprekers. Een vóór de pauze en die vertelde hoe ver paus Pius XI wel vooruitgekeken had toen hij zijn Quadragesimo Anno de wereld inslingerde en een daarna, die Rerum Novarum bij de kop pakte. Hierin had Leo XIII zo verschrikkelijk ver vooruitgekeken, dat men nog steeds bezig was hem te begrijpen. Er was natuurlijk gelegenheid om vragen te stellen, maar niemand haalde het in zijn hersens om daar gebruik van te maken en zo besloot men met een Pontificaal Lof, gecelebreerd door drie priesters, die volle broers van elkaar waren. De moeder kon je ook zien, maar de vader was meestal dood. Zij kreeg na afloop een apart kneepje in het oorlelletje. Het was een soort familiereünie en dat was Noordwijkerhout beslist niet. Een bisschop moest daar wachten als een meneer uit Medemblik iets eerder zijn vinger opgestoken had. Dat is dus winst. Maar die meneer kwam ook niet aan de kernvragen toe. Ten eerste kijkt hij wel uit met die televisiecamera vlak voor zijn neus en ten tweede is hij gekozen uit wat in Medemblik nog gelooft. Hij beperkt zich dus tot wat verschuivingen binnen het gebouw, zoals de vervanging van de zondagsplicht door een ‘geïnspireerde uitnodiging’ en dergelijke, maar dat is allemaal praten over het behang als je in de ruïne van Brederode staat, binnenhuis-architectuur. Je kunt geen meubeltjes schikken als de muren scheef staan. Dan praat je over een grondige restauratie of over een verplaatsen van het gebouw op een heel andere plek. We hebben het daar al eerder over gehad: dat de katholieken van hun fundamentele twijfels geen echo vernamen.
P. Nee, daar ben ik het niet mee eens. Hoe het komt weet ik niet, maar ik heb onder het gesprokene - en daar werden inderdaad, zoals jij zegt, de diepste vragen die in ons leven niet met name genoemd - toch indirect wél een paar van die vragen beluisterd. Ik herinner mij nog heel goed hoe wij in ons allereerste gesprek hebben gezegd: stond daar in Noordwijker- | |
| |
hout op het concilie maar eens iemand op die riep: jongens, bestaat God nou eigenlijk wel? iemand die de fundamentele vragen zou stellen. Maar ik heb ze, zonder dat ze uitgesproken werden, tijdens de laatste zitting toch gehoord. Bijv. wanneer er gesproken werd over de vraag of het doen, het dienen, de diaconie, niet veel meer op de voorgrond zou moeten staan. Daarin hoorde ik op de achtergrond: nu niet praten over de theorie, laten we liever iets doen vanuit onze geïnspireerdheid, waar die dan ook vandaan komt; dan slaan we de kwellende vragen als het ware over, dan doen we iets tegen die vragen ín; dan overstemmen we ze met onze dienst. Dat is één voorbeeld, en zo heb ik er meer meegemaakt.
B. Goed, maar die meer fundamentele twijfels werden toch niet uitgesproken en die kun je niet verzwijgen. Kijk, dat ‘maar doen’, wat ik ook beluisterd heb, het ‘wees maar dienstbaar’, en ‘leef het maar’, roept toch de vraag op: wát eigenlijk?
P. De praktijk van het evangelie zonder dat gevraagd wordt naar de historiciteit van de evangeliën.
B. Maar je moet eerst weten of het waar is wat er staat en vooral of het waar is wat we ervan gemaakt hebben voor je voor die boodschap van het evangelie gaat leven. En ik geloof ook dat dat ‘maar doen’ meer uitgehold zal worden omdat er geen rekenschap aan vooraf is gegaan. Dan freewheelt de kerk nog een tijdje door op die oude stoot die ze gekregen heeft, maar de kracht ervan zal steeds meer wegebben, en op het laatste staan we stil, omdat we niet gevoed worden door een veranderd geloof.
P. Maar ik heb het concilie wel ervaren als een groep van mensen die bang zijn in het donker en elkaars handje vasthouden, en zo iets tegen het donker doen.
B. Moet niet dat donker bestreden worden? Dat vasthouden van elkaars hand is niet genoeg. Ik sta in een wereld waar God helemaal niet aanwezig is, en ik moet eerlijk zeggen, met alle tekortkomingen die het concilie aankleven, dat het voor mij een weldaad was om in een zaal te komen waar men zich nog met hem bezig houdt. Dat is iets dat nergens meer voorkomt. En dat ondervind ik als een weldaad, werkelijk, dat men tenminste ergens bezig is met die vragen, al gebeurt dat dan evasief en verzwijgt men voor elkaar de diepste gronden van de vertwijfeling.
| |
| |
P. Die wordt niet met jóuw vragen uitgesproken. Ik voelde me daar wel verenigd met een groep mensen die net als ik in het donker zitten, elk afzonderlijk, maar het, zodra ze weer verenigd zijn in die ‘feestelijke stoet’ van de psalm, weer aankunnen en weer geloven. En ik geloof ook dat je daarbij iets mag inruimen voor de traditie en voor het je overgeven aan datgene wat je uit het verleden hebt meegekregen van je vader, en je grootvader, en van de hele kerk van negentien eeuwen; dat mag je te berde brengen, dat heeft ook een waarde. Die feestelijke stoet van negentien eeuwen betekent iets meer dan een min of meer toevallige optocht waar je je bij kunt aansluiten of niet. Je zei een vorige keer zelf, dat je je niet kunt voorstellen dat mensen als Augustinus en een hele reeks van grote mannen in de kerk die er wel in geloofd hebben, ongelijk hebben gehad. Die moet je erbij betrekken; ik voel me als het ware opgenomen in die stoet, althans, laat ik het zo zeggen, ik sluit me er weer even bij aan op zo'n moment; zelfs van harte; en ik hoop dat ik in die vereniging met die anderen het geloof, de oude inspiratie wel weer terug zal vinden.
B. Ik respecteer dat gevoel, ik herken het ook wel, ik zei dat je, zo'n zaal binnenkomend, denkt: hè, ik ben even thuis. Maar ik vind het wél erg gevaarlijk, dat clubgevoel, wat iets heel anders is dan verbondenheid met de waarheid. Nog eens, ik herken het, maar ik had toch ook het idee van een verzameling mensen, en in het midden daarvan staat een lijk opgebaard, en niemand spreekt erover.
P. Welk lijk bedoel je precies?
B. Dat van de kerk natuurlijk. Er staat midden in die zaal een dode opgebaard, en niemand spreekt erover. Wat jij zei tegen mij, een tijd geleden: ik kan achter elke zin van het Credo een vraagteken plaatsen, dat betekent dat er een lijk ligt.
P. Of een zwaar zieke.
B. Goed, laten we dat dan zeggen en misschien is dat ook beter. Maar dan niet een patiënt die met wat pillen en af en toe een injectie is beter te krijgen. Want daar komen die theologische finesses over transsubstantiatie en transfiguratie tenslotte op neer. De diagnose moet harder zijn en dieper gaan, zo, dat ook mijn eigen vrienden hun vragen herkennen.
P. Je zei zelf, dat dat niet kon met kardinalen en bisschoppen erbij en bovendien de t.v.
| |
| |
B. Dan zonder. Het gaat immers niet met al die publiciteit eromheen, wil je tenminste aan de kernvragen komen. Maar dat hebben we al vastgesteld. Weet je wat er weleens door me heengaat? De vraag, of het geloof wel een solied blok waarheden is. Ik hoorde dat dikwijls in mijn jeugd: die trots dat het twintig eeuwen ongewijzigd had standgehouden en we moesten het ook weer puntgaaf doorgeven. Het erfdeel der vaderen. Dat lijkt ook heel logisch. Als iets waar is, dan is het voor alle tijden waar. Ik kon daar ook nooit iets tegen inbrengen. Nu wel. Ik ben gaan inzien, dat het geloof een organisme is dat groeit met de tijd. Blijft het stabiel, dan sterft het. Wil het voortleven, dan moet het kunnen veranderen. Neem eens die jongens op Flores of Timor, waar was het ook weer, die een kwartier lang om het altaar dansten, als de consecratie zonder mislukking was afgewikkeld. Die magische visie past daar. Wij zijn er uitgegroeid, maar we hebben het wèl gekend. Want waar komt hocus pocus vandaan? Van de consecratiewoorden ‘hoc est corpus’, gevolgd door de regel uit het Credo ‘sub Pontio Pilato passus et sepultus est’, wat werd Pilatus Pas. Zuivere toverformules, daar is geen twijfel aan. Goed, op die fase in onze evolutie kijken we nu onbekommerd terug. Maar waarom niet op andere? We zitten nog vol met magische restanten van vroeger, de jas trekt van alle kanten, 't zit te benauwd. Goed, gooi het ding uit en kijk waar de knelpunten zitten. Maar eerst uittrekken. Helemaal van 't begin af beginnen. Niet ergens wat verstellen, nee, helemaal uit en dan zien wat je overhoudt.
P. Maar dat proces heb ik eigenlijk, althans voor een heel goed deel, meegemaakt sinds wij samen zijn gaan praten.
B. Daar heb je gelijk in.
P. Want wij zijn ook begonnen met het etaleren van skepsis en negatie en we hebben geconstateerd hoe arm we waren aan overtuiging, en naarmate ons gesprek gevorderd is, ben ik, merk ik nu, steeds positiever aan het worden in mijn adhesie aan het van vroeger overgeërfde, ik bedoel dan het geloof, en niet de vorm. En ik moet je eerlijk zeggen dat de laatste zitting van het pastoraal concilie voor mij op een gunstig moment kwam in de ontwikkeling van onze gesprekken, omdat het er als het ware bij aansloot.
B. Dat wil zeggen, aansloot... wij zijn natuurlijk oneindig
| |
| |
verder gegaan. Maar ik vind een concilie met camera's en journalisten erbij al bij voorbaat, wat deze doelstelling betreft, tot mislukken gedoemd. Ik zou wel eens zo'n concilie willen hebben in besloten kring.
P. Bekkers zei mij privé wel eens waar hij aan twijfelde, maar hij zou natuurlijk nooit op een concilie, met zijn hoofd voor de camera's, gezegd hebben waaraan hij twijfelde.
B. Nee, dat kon die man niet doen.
P. Bovendien hebben wij beiden weleens geconstateerd, dat we het niet zouden toejuichen wanneer een priester op de preekstoel zijn ongeloof mededeelt. Ik moet zeggen: een van de opvallendste dingen op het concilie vond ik, dat er gesproken werd over de vraag of een priester die niet meer gelooft, de preekstoel op mag. Herinner je je dat? Dat is op de laatste dag geweest. En toen hebben prof. Haarsma en Tine Govaart-Halkes gezegd dat er toch wel degelijk verondersteld mag worden dat een priester die op de preekstoel staat of komt, de kernwaarheden des geloofs onderschrijft. Omdat het niet wenselijk is - werd er gezegd - en zeker niet christelijk om de mensen op zondagmorgen thuis te laten komen van een bijeenkomst waarin een priester heeft gezegd: ik weet het allemaal niet meer.
B. Ja. Dat stond in dat overigens erbarmelijk interview met Gabriël Smit: die priester die aan de dochter van een moeder die gestorven is zegt: ‘Waarom zou je voor haar nog bidden? Je bent toch wel wijzer?’ Dat vind ik niet juist.
P. Dus kun je ook niet verwachten dat op een concilie dat zich in de openbaarheid afspeelt iets dergelijks zou gebeuren.
B. Precies, daar begon ik ook mee. Maar wel in een heel ander zaaltje, zoals dat op Curaçao.
P. Maar ik ben ervan overtuigd dat, als wij ergens in Noordwijk zouden zitten met een club, en er geen snorrende camera's waren, het overgrote gedeelte van de club in Noordwijkerhout graag over zou komen, als ze wisten dat een stel mensen het over deze dingen had. En dan zou daar waarschijnlijk een soort van retraite ontstaan die zou eindigen op de wijze waarop jouw avond in Curaçao geëindigd is.
B. Jaja, dat is best mogelijk.
P. En dan denk ik toch - daar hou ik nou maar even aan vast - dat een onderdeel van dat terugkeren naar het geloof
| |
| |
zou bestaan in de erkenning dat men als gemeenschap elkaar ondersteunt en dat men in de gemeenschap met anderen weer doordringt tot het bezit van vroeger; een bezit dat men toen ook in gemeenschap had, maar dat men als eenling tijdelijk is kwijtgeraakt. Ik geloof werkelijk dat die gemeenschap een rol speelt: het samenzijn, het samen in het donker hardop zingen. Nou, laat ik zeggen: fluiten, want het zingen zijn we ook verleerd.
B. Weet je wat ik ook wel eens denk, en ik denk het steeds vaker: dat ons getob over de vraag of het allemaal wel waar is niet helemaal goed is; dat een levensbeschouwing zijn waarheidsgehalte bewijst in de subliemheid van het daaruit voortvloeiende leven. Als dus een missionaris dertig jaar lang in de rimboe zijn beste krachten geeft om de mensen uit de plaatselijke modder te trekken, dan is de vraag of het waar is niet meer relevant. Al die genuanceerde geesten, die in de middeleeuwen geleefd hebben, hebben die geen twijfel gekend? Ik denk dat die mensen gewoon dat geloof geleefd hebben en helemaal niet getobd hebben over de vraag of het wel historisch juist is en allemaal werkelijk heeft plaatsgevonden. En dan denk ik: zijn wij eigenlijk niet op de verkeerde weg met dit dunne - dat is eigenlijk het woord - soort onderzoek. Hoe zal ik het zeggen? Er is misschien maar één manier, waarop een geloof ‘bewezen’ kan worden en dat is dat het zichzelf bewijst. Ik bedoel daarmee: in de gestalte van degenen, die het geloven. Als door een bepaalde levensbeschouwing een stelletje barbaren wordt omgesmolten tot mensen die Chartres bouwen, bijbels illustreren, glasramen branden, land ontginnen, melaatsen verplegen, een hele charitas die opbloeit, dan vraag ik me af: is het eigenlijk wel zo wezenlijk of het waar is?
P. Ja. Het gaat over de waarde van je inspiratie. Je had het nu over een missionaris; dat is het christelijk geloof geweest. Maar ome Jan van Zutfen, die aan God niet geloofde - als je dat leest... Ik heb dat leven laatst gelezen, een boek van A. Scheffer, op een volkse wijze geschreven, maar indrukwekkend, omdat die man een leven geleefd heeft, waarin hij wat tegenwoordig medemenselijkheid heet grandioos heeft waargemaakt, waarin iets wordt voorgeleefd. Wat was die man zijn inspiratie? Marx, en Troelstra, en vrienden als Wibaut, en een misschien vaag humanisme. Maar uit zijn inspiratie haalde hij het- | |
| |
zelfde, leefde hij toch iets subliem vóór. Dan zeg ik - en dat is een vraag die we ook al eens eerder hebben opgeworpen, maar die doet zich steeds weer voor -: doet dan de aard van de inspiratie er eigenlijk veel aan toe? Of ik moet eigenlijk zeggen: is onze inspiratie wel zo exclusief als ons altijd geleerd is? Je vroeg het toen over mijn vader.
B. Maar dat is toch iets anders dan wat ik bedoel. Op zichzelf kan dat zo zijn, maar ik bedoel eigenlijk dit, dat tegenover de vraag of het evangelie waar is, het leven van Albert Schweitzer een bewijs is van die waarheid, die zich onttrekt aan een historisch onderzoek. Dat monument van leven staat er, en daardoor is het evangelie waar. Dát bedoel ik.
P. Als ik de naam Schweitzer hoor moet ik altijd denken aan het verhaal van Frederick Franck: die gaat zijn boek ‘Schweitzer in Afrika’ aanbieden aan een hooggeplaatste Vaticaanse monsignore, en die kijkt naar de omslag en vraagt belangstellend aan Franck: ‘Gibt es viele Schweizer in Afrika?’ Maar dat terzijde. Toch gaat het over de inspiratie. Want Albert Schweitzer vertrekt niet zomaar, hij wil iets gaan doen, maar hij wordt door iets geïnspireerd...
B. Ja, maar hij gaat er niet meer over tobben, hij zet daar een punt achter en gaat het realiseren, en in die verwerkelijking van wat hij in het evangelie meent bespeurd te hebben bouwt hij een bewijs op. En dat is van alle argumenten het sterkste.
P. Ja, en dan heb je de theorie niet meer nodig.
B. En dan verdampt de vraag of het historisch waar is in de vlam van zo'n leven.
P. Je ziet het iets te romantisch geloof ik, want ik meen toch dat bijv. een missionaris, na verloop van tijd, na allerlei mislukkingen, allerlei moeilijkheden die hij meemaakt, zich wel eens zal afvragen: waar doe ik het eigenlijk voor? Dat komt geregeld terug, volgens mij; na je mislukkingen wil je het bijltje er wel eens bij neergooien en dan moet op een of andere wijze die inspiratie toch gevoed zijn, in die jaren. Wordt die dan alleen gevoed door de herinnering aan je daden in het verleden of voed je die dan toch weer met een terugkeer naar de bron?
B. Ik heb daar heel weinig van gemerkt, van dat soort introspectie. In Bangkok heb ik - het was maar een t.v.-uitzending van een uur maar ik heb natuurlijk dagen met die mensen gesproken - daar niets van bespeurd. Die mensen doen het, en
| |
| |
het is net of je daarmee de twijfel aan de historische waarheid van het gegeven uitbant. Beter gezegd: of die helemaal niet aan de orde is.
P. Ja. Ik moet toegeven dat ik in Afrika bij missionarissen daarover ook geen discussie gehoord heb.
B. Nee, die doen dat niet, daar houden ze zich helemaal niet mee bezig en ze staan je ook heel vreemd aan te kijken als je ze met die dingen aan boord komt. Ze leggen riolen aan, verplegen melaatsen, geven onderwijs, en verder geen gezeur. En daarmee wordt die waarheid - en daar wil ik nou eigenlijk naar toe - een drie-dimensionaal gegeven, het staat als een blok in de ruimte. Eigenlijk spreek ik mezelf tegen, want ik verzette me zojuist tegen dat ‘maar doen’, dat zie ik in.
P. Maar dat wil niet zeggen dàt ze er nooit over inzitten. Weet je wat ik denk? Dat zij zich nog wel degelijk voeden op de ouderwetse manier, - in het gebed bijv. Natuurlijk, ze werken zich een ongeluk, het zijn enorme doeners, maar het blijft ergens vandaan komen, ze zijn de reden niet vergeten. En de vraag naar die reden van het doen, die beluisterde ik toch ook in Noordwijkerhout op het concilie, - als ik even naar het concilie terug mag keren.
B. Dat weet ik niet.
P. Daar werd gezegd: laten we iets gaan doen en dat consequent doen. Maar er werd toch ook steeds op de inspiratie gewezen. Je doet het, zei Haarsma, niet ex nihilo, je moet het ergens vandaan halen; met andere woorden: de bezinning blijft belangrijk, de meditatie, de retraite, het geestelijk voedsel. En ze hebben toch ook gewezen op het gevaar van het doen zonder uitgangspunt. Intussen ben ik het met jou erover eens dat het doen, voorzover wij dat bij anderen zien in de sublieme voorbeelden die we meemaken, ons hele gesprek overbodig maakt.
B. Ja, ik zit naar een betere formulering te zoeken en ik meen er een gevonden te hebben: dat zo'n missionaris of kloosterzuster, die dat allemaal opbrengt, dat geloof waarmaakt, in de letterlijke zin van ‘waarmaken’. En dat waardoor ze geinspireerd zijn is dan niet meer bewijsbaar, behoeft die bewijsbaarheid ook niet, want het staat als gestalte recht voor je ogen.
P. En dat is de waarheid.
|
|