| |
| |
| |
15 Ben je katholiek?
P. We hadden het over Pasen, de geweldige bevrijding die dat feest vroeger betekende. De kerk in triomfstemming. Wat kon ons gebeuren? Het graf was leeg gevonden. Alleluja, klokken en taart. Nu was ik een week geleden bij een geleerde jezuïet, voor een interview, en we kregen het over de verrijzenis. En op een gegeven ogenblik zei die man: Nou ja, dat lijk is natuurlijk nooit weg geweest, hè? Ik reageerde met te zeggen: Maar dat graf is toch leeg gevonden? Hij keek me haast medelijdend aan. Welnee, zei hij, natuurlijk niet, dat lijk is nooit weg geweest, het is er gewoon blijven liggen. Hij ging door met een lange verhandeling, en een twee drie in godsnaam, daar ging weer een stuk geloofstraditie overboord. Je zit daar bij zo'n man en je schrikt van zo'n uitspraak; en vooral van het gemak waarmee hij die doet. Want er hangt nogal het een en ander mee samen. Vraag me niet naar een samenvatting van zijn betoog, want het was nogal ingewikkeld. Het komt erop neer dat een geleerd priester een bepaald stuk overtuiging, en in dit geval moet ik zeggen: een laatste overtuiging, namelijk de verrijzenis van Christus, en het daaraan opgehangen geloof in onze eigen wederopstanding, in de gauwigheid even ontluisterde als een mythe. En zo ondervond ik aan den lijve wat veel mensen al een paar jaar lang hebben beweerd: dat door priesters op de preekstoel of op huisbezoek met een bepaald aplomb allerlei stukken geloof worden aangevochten en weggevaagd. Veel mensen hebben daar de afgelopen jaren heel emotioneel op gereageerd, en ineens kon ik met ze meevoelen, en reageerde ik ook zelf heel emotioneel. Want ik dacht: ik weet niet of u gelijk hebt, hooggeleerde pater, dat interesseert me eigenlijk niet op dit moment, maar het plompverlorene van de mededeling is onjuist. Er zijn mensen die zeggen: Ik doe mijn kinderen niet op een katholieke middelbare school, want daar maken ze pas goed de laatste opruiming mee.
B. Mijn broer vindt dat ook, die stuurt zijn kinderen niet naar een katholieke school, want dan gaan ze helemaal voor de bijl, zegt hij. Ik weet niet of dat waar is. Hij woont in Rotterdam. Elders is het misschien anders.
| |
| |
P. Nu was dit geen parochiegeestelijke; hij is een kamergeleerde, die niet expliciet zielzorg verricht, maar hij heeft mij op bezoek en als priester bevindt hij zich toch altijd in een soort zielzorgerlijke situatie. Mijn vraag is of hij dat zomaar kan doen.
B. Het is ook jouw probleem, want jij bent dan toch maar de man die het opschrijft en aan duizenden doorgeeft. Ik vind het analoog met het dilemma van een medicus, die weet dat een bepaalde verwachting bij de patiënt ongegrond is en nochtans niet de vrijheid heeft die hoop de grond in te boren. Ik geloof dat je wel degelijk moet uitkijken met wie je praat. Nu kun jij het al nauwelijks verwerken, maar via jou zegt die man het ook aan een heleboel andere mensen, die er helemaal niet tegen kunnen. Afgezien van de vraag of die man gelijk heeft is het ook nog de vraag of hij het mag zeggen. Dat bedoel je?
P. Precies.
B. Het gekke is, dat er paters uit hun orde geknikkerd worden om redenen, die maar detailkwesties zijn bij dit vergeleken. Als de generaal van de jezuïeten wist wat deze geleerde man dacht, dan zou hij hem eruit moeten zetten, want dit is toch een hoeksteen.
P. Ik snap ook niet zo goed waar zo'n man verder van leeft. Ik bedoel: als priester.
B. Het is inderdaad vreemd. Nou heeft hij misschien daarna nog iets gezegd waardoor de opstanding symbolisch nog betekenis heeft of iets in die geest, ik ben niet bij dat gesprek geweest. Misschien kan hij het op die manier nog redden, maar voor mij zijn die dingen alleen te redden als ze werkelijk gebeurd zijn.
P. Hij heeft ze niet kunnen redden. Wat hij daarna zei klonk mij zo loos in de oren. Maar jij herinnert je toch ook van vroeger, dat altijd aangaande het paasgebeuren werd gezegd dat je, als die verrijzenis niet waar was, net zo goed kon ophouden met geloven?
B. Zo staat het ook ongeveer bij Paulus: wanneer wij niet geloven in de verrijzenis van de Heer, dan zijn we nergens. Ik vermoed dan ook, dat zo'n priester in Christus een superieur mens ziet, maar geen God. Dat is er onverbrekelijk aan verbonden, lijkt mij. En nu zou je nog kunnen zeggen: er heeft
| |
| |
een man daar door Israël gelopen die een paar sublieme dingen zei en die vind ik normgevend. Maar die zijn alleen normgevend als daar iets absoluuts achter staat. Anders wordt het een kwestie van goede smaak.
P. Om nog even door te gaan op Pasen: je zag kortgeleden in de krant een advertentie van een hele pagina waar enkele priesters uit Limburg hun geloofsbelijdenis afleggen ten aanzien van het paasgebeuren. Ze hebben dat, geloof ik, ook gedaan met Allerheiligen, en als ik me niet vergis ook met Kerstmis. Dat is eigenlijk heel gek: hier richt een aantal priesters zich per advertentie...
B. Er stond niet ‘advertentie’ bij, maar het was het wel.
P. Per advertentie in een dagblad dat gelezen wordt door vrijwel uitsluitend katholieken. Met andere woorden: er wordt bij het stellen van die advertentie aangenomen dat de krant zelf het paasgebeuren niet meer adequaat toelicht - althans niet op de wijze die met de orthodoxie overeenstemt - en/of dat de lezers van die krant in hun parochiekerken ook niet zullen worden voorgelicht op de wijze die met het paasfeest in overeenstemming is. Dat moet er toch achter zitten? Anders ga je die advertentie niet plaatsen. Is dat niet een tragikomische situatie? Zouden de veronderstellingen van die priesters op waarheid berusten?
B. Jij hebt ditzelfde probleem eens voorgelegd aan kardinaal Alfrink: is het geen veeg teken - zei je -, en toen kwam dit aan de orde. En toen heeft hij nogal evasief geantwoord, hij wist niet of het waar was. Maar dat is het zeker, anders gebeurt het niet, want dat kost een flinke duit, en dat geven die priesters heus niet zomaar, als ze dat op een andere manier konden plaatsen. Maar ik denk dat de hoofdredacteur zo'n orthodox stuk nooit zou aangenomen hebben, dus moet er voor betaald worden. Met andere woorden: de geloofsverkondigers moeten nu aan het voormalige katholieke dagblad geld geven om hun waarheid te verkopen. Dat is een tragikomische situatie.
P. Zo'n advertentie is dan toch ook bedoeld als tegengif tegen gederailleerde geloofsverkondiging?
B. Zouden die paters dat allemaal zelf betalen, die Zuidlimburgse priesters?
P. Ja, het is een groep. Je kunt er geld aan overmaken. Je hebt bij die eerste advertentie, onderaan, een soort oproep ge- | |
| |
had om het streven van deze priesters financieel te steunen. Nu denk ik dat daarop nogal wat geld is gestuurd en dat men uit die fondsen nu de nieuwe advertenties bekostigt. Het is voor die mensen inlandse missie. Wat een situatie. Jij bent bestuurslid, of adhesiebetuiger geweest - dat weet ik niet meer precies -, van een vereniging die het behoud van het kerklatijn voorstaat. Bestaat die nog?
B. Ja, die bestaat nog, die houdt om de maand een vergadering en ik krijg dan de notulen want ik ben nooit op die vergaderingen geweest.
P. Ben je bestuurslid?
B. Ja, ik ben zelfs bestuurslid. Je leest: ‘aanwezig waren’: en dan volgen er drie regels, dat zijn ongeveer dertig mensen, en die zitten in een zaaltje in Utrecht te beraadslagen. Maar het is geen Michaellegioen in die zin, dat ze dat weer helemaal willen invoeren; ze willen dat er in elke stad op zondag één mis is in het Latijn, en dat er ook regelmatig in het Gregoriaans gezongen wordt. Dat willen ze, verder niet; dat het toch blijft bestaan. En verder dat dit op een met de fiets te overbruggen afstand kan worden bereikt. Dat is alles en het lijkt me niet onredelijk.
P. En het is zelfs de moeite waard. Ik was laatst bij een vriend, die heeft veel platen met Gregoriaanse muziek, langspeelplaten, alle getijden.
B. O, vindt hij die zo mooi?
P. Maar het ís ook geweldig. Hij zei: ga eens even zitten dan zal ik je het Te Deum laten horen. Gezongen door de monniken van Clairvaux. Het is ongelooflijk mooi, als je dat opeens weer hoort; het is een muziek die werkelijk door de eeuwen heen in staat is gebleken gevoelens uit te drukken, ook voor een tijd die zover van de middeleeuwen afligt, dat is toch wel iets. Die vriend zei toen: als ik die muziek hoor, kan ik alles weer geloven. Daar zit iets in. Door muziek kan je het allemaal weer hebben. Maar ik geloof niet dat het eigenlijk zo vreemd is; het is een acceptabele gedachte dat je door muziek weer zou kunnen gaan geloven.
B. Ja, daar hebben ze ook ruim gebruik van gemaakt, die oude kerken, alles werd ingeschakeld, er ging veel via de zinnen. En dat laten wij ook niet meer toe. Het is allemaal in het kopje, en het gekke is dat je met je hersens geen geloof kunt
| |
| |
maken. Ik verbaas mij altijd over die priesters - waarvan ik er verschillenden ontmoet heb - die op hun kamer zitten na te pluizen of het echt gebeurd is, en die Carmichael lezen: ‘The death of Jesus’, of ‘The Passover plot’ van Schonfield, om nou eens wat populaire boeken speciaal over de verrijzenis te nemen, die de opstanding als iets heel anders ontmaskeren. Het blijkt dan dat Jezus in een groot complot betrokken zou zijn, waarvan de details er nu niet toe doen en waarbij ik ook buiten beschouwing laat of het hele idee wel waarschijnlijk is. Het gaat mij nu om de manier, waarop de ‘figuur’ van Jezus plotseling bekeken wordt en die niet verschilt van een onderzoek naar de bedoelingen van Napoleon. Hoewel ik zulke boeken regelmatig lees kom ik maar niet over de schok heen, die me deze methode telkens weer geeft. Ik ‘schrik’ ervan, altijd weer opnieuw en kan er maar niet aan wennen. En hoe komt dat? Dat is moeilijk uit te leggen. Je bent er het dichtste bij als je je voorstelt in een kamer te zijn, waar je altijd in een bepaalde houding gestaan hebt en nu mag je rondlopen en de voorwerpen van dichtbij bekijken. Een duidelijk gevoel van ‘ongepastheid’ kan ik daarbij niet kwijtraken. En dat zit 'm niet hierin, dat die gegevens niet tegen historisch onderzoek bestand zouden zijn, maar in een diep en ik geloof juist instinct dat de openbaring niet op die wijze benaderd kan worden, omdat de act van overgave erin wordt overgeslagen en die is essentieel. Elimineer je dat moment, dan is de weg wel vrij voor dergelijke speculaties, maar je bent dan buiten de geloofssfeer en het is niet meer voor jou geschreven. Je bent dan wel op zoek naar de waarheid, maar de kern ervan ontgaat je. Net zoals iemand, die door een microscoop het gedrag van bepaalde microben bekijkt in een waterdruppel. Juist door het licht van die microscoop wordt het gedragspatroon van die organismen
grondig verstoord, je ziet iets heel anders dan wanneer je de druppel intact gelaten had.
P. Herinner jij je nog dat wij in een van onze allereerste gesprekken - ik heb daar altijd op terug willen komen - het Credo zijn langs gelopen en dat ik zei: In het licht van wat je tegenwoordig hoort en weet en vermoedt, ben je geneigd om achter vrijwel iedere regel een vraagteken te zetten? Toen had ik er eigenlijk dit aan toe willen voegen: en áls ik nu al die vraagtekens heb aangebracht, en ik zeg elke keer: Ik geloof
| |
| |
het eigenlijk niet, ik kan het niet geloven, het is zo absurd, dan komt daarachter aan: En toch geloof ik het, de hele reutemeteut. En dat laatste, waar zit dat hem in?
B. Als je het gedetailleerd bekijkt schud je je hoofd, dan valt het weg. Het is een houding, die staat of valt mét de houding.
P. Ik weet ook dat ik dat ‘en toch geloof ik’ veel gemakkelijker kan zeggen wanneer ik in een kerk met een grote groep mensen samen het Credo belijd, hardop, of het zing. Zelfs terwijl ik me realiseer dat mijn buren in de kerk er even sceptisch tegenover staan als ik. Misschien dat je gezelschap zoekt in je twijfel en wanhoop, en je vastklampt aan de om je heen verzamelden in het donker, en gaat zingen in het donker en op die manier tegen de ontmythologisering in zing. Zingen tegen de klippen op, noemt Van der Graft het. Dat zal wel. Ik betrek het er maar gewoon bij. En ik meen dat er weliswaar sprake moet zijn van een persoonlijk geloof, maar dat het toch ook te maken heeft met de gemeenschap.
B. Dat ben ik helemaal met je eens. De ecclesia is een verzameling mensen onder één dak, die gezamenlijk heel hardop iets zingen, of zeggen, en daar kun je niet buiten, je kunt het op je eentje niet. Zo is het trouwens begonnen, als een gemeenschap.
P. Ik had jou en mezelf gewoon op dit punt de vraag willen stellen: als ze ons vragen: ben je katholiek?, wat antwoord je dan?
B. Dan antwoord ik toch: ja.
P. Ik ook.
B. Hoe weinig recht ik misschien heb...
P. Na de gesprekken die we tot nu toe hadden kijk je om, en dan vind je dat daarbij een hoop skepsis naar voren is gekomen, steeds nieuwe twijfel, en ook iets van ergernis over al die twijfel. En je vraagt je dan af (of een ander zou het ons kunnen vragen): zijn we nog katholiek? Ja, antwoorden we allebei. Nu vermoed ik dat een onbevooroordeeld luisteraar, die ons heeft bezig gehoord, toch jou en mij zou kunnen zeggen: dat bestaat niet, dat is kul, hoe rijm je dat met het voorgaande? En ik vind eigenlijk dat we toch aan onszelf verplicht zijn daar een antwoord op te geven.
B. Ja, maar jij hebt in zoverre het antwoord al gegeven, toen je zei dat weliswaar achter elke regel van het Credo een vraagteken hoort, maar dat je het als geheel toch niet verwerpt.
| |
| |
P. Ja; maar dat vind ik geen redelijk antwoord. En ik zoek een antwoord. Het zal vast niet het belangrijkste element zijn dat ik naar voren breng, maar ik noem nu maar eens een ding waarom ik katholiek wil heten en lid wil zijn van de katholieke kerk. Ik wil bij een club horen - ik noem het maar even een club, of een gemeenschap -; ik moet samen met anderen hardop zingen in het donker; in mijn eentje kan ik het donker niet aan; maar als ik dat samen doe met een club, ja dan haal ik het wel. Dus ik heb een club nodig. Daarom bijvoorbeeld wens ik lid te zijn van een kerk. Dat kan natuurlijk niet het eerste, echt belangrijke punt zijn waarom ik mij katholiek wil noemen, maar het is een onderdeeltje ervan, dat weet ik zeker. Een ander ding - wat ook zeker niet voorop ligt - is dit: ik heb behoefte aan een lucht om in adem te halen, die mij vertrouwd is, en dat is de katholieke lucht. Er bestaat een katholieke lucht, en die kan ik niet missen. Böll heeft het daar ook over in ‘Meningen van een clown’.
B. Ja, er is nog dit: trouw aan je jeugd, aan je ouders; maar elke luisteraar zou het hoofd schudden en zeggen: dit zijn geen redenen. Ik heb er nog een, die wat zwaarder weegt - dacht ik - en dat is dat ik niet aannemen kan dat wat de Europese mens tweeduizend jaar geloofd heeft onzin is; dat datgene waar kathedralen uit zijn omhoog geschoten en wat onze hele beschaving gemaakt heeft, geen elementen van waarheid zou bevatten, die nu gerestaureerd worden en in de steigers staan, maar die als bouwwerk, als kern soliede zijn; dat idee heb ik heel sterk.
P. Nog altijd is dat bepaald geen overtuigende geloofsbelijdenis, die jij en ik uitspreken.
B. Nee, daar ben ik me van bewust.
P. Om het solieder te maken: zou ik niet moeten kunnen zeggen: Hier ligt de katholieke geloofsbelijdenis, en die moet je, wil je jezelf katholiek noemen, onderschrijven? Het is waar, je hoeft niet in geweten alle punten van die geloofsbelijdenis te kennen of te onderschrijven, je mag er wel een paar overslaan, maar dan zou er een duidelijke norm zijn. Hier ligt de katholieke geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea, of die van Trente, en als je die ondertekent, dan mag je je katholiek noemen. Dat lijkt mij de meest soliede vorm van alle, althans op papier. Dan kom ik weer terug op wat ik zoëven zei; ener- | |
| |
zijds zeg ik: ik geloof er nog niet de helft van; anderzijds zeg ik: ik geloof de hele reutemeteut. En hoe verklaar ik nu dat laatste?
B. Nou, laat ik nog even blijven bij die secundaire redenen, want die primaire weten we nog steeds niet - misschien vinden we die wel - maar wij komen uit een bepaalde ruimte, net zoals een konijn dat je loslaat; dat konijn vliegt door de tuin, maar is als de dood, want hij hoort in dat holletje; en zo zijn wij ook losgelaten, met een enorm heimwee naar dat holletje, waarin we zijn opgegroeid, en onze hele constitutie is naar die vastheid en naar dat beschermende omhulsel gaan staan.
P. Naar alle vormen ook, die we daar kenden in dat holletje.
B. Ja, en we hebben helemaal geen constitutie om dat vrije onderzoek aan te kunnen en weerloos in die kale wereld te staan. En dat is ook een van de redenen waarom wij door een panisch gevoel overvallen worden als we tegen onszelf zouden zeggen: geloof nou maar van alles niks en begin maar eens helemaal van voren af aan. Dat kunnen we niet. Een zwak argument hoor, maar dat is geen reden om het niet te signaleren.
P. Ik wil het - wat mij persoonlijk betreft - nog suspecter maken: ik heb een vorige keer, toen we dat Credo langs liepen, een vraagteken gezet achter bijv. de maagdelijke geboorte. En ik heb in Rome bepaalde aspecten leren kennen van het centrale bestuur van onze katholieke kerk, waar ik van gewalgd heb. En toch zeg ik: ze moeten me Maria niet afpakken, en ze moeten me ook ‘Rome’ niet afpakken. En dat zijn twee elementen, die bij het traditionele katholieke geloof horen: de Maria-verering en het leergezag in de kerk, al ligt het er natuurlijk wél aan hoe Maria vereerd wordt en hoe het hiërarchisch gezag in de kerk geordend is en uitgeoefend wordt. Het feit dat ik die dingen toch niet wil loslaten is een reden temeer om mij katholiek te noemen. Maar wat een suspecte reden, eigenlijk. Want is dat niet louter gevoelsmatig?
B. Ja. Maar van alle redenen die wij genoemd hebben vind ik de mijne dan nog in die zwakke argumentatie de sterkste. Als ik, wat ik deze week intensief gedaan heb, naar de Matthäuspassion luister, dan denk ik ook - behalve: wat is het mooi -: deze reus, tot wiens knieën ik niet kom, heeft dit
| |
| |
vast geloofd; en hij staat op een rij met Pascal, en met Thomas van Aquino, en met al die geweldige kerels die ik nauwelijks volgen kan en die dat vast hebben aangenomen; en dat kan niet helemaal onzin zijn. Ik voel me daarin wel gestaafd. Dan is er een reden - maar dat is dan ook weer zo'n wankele: ik zie geen beter antwoord. Als er nou tegenover dat katholieke geloof een conceptie was waarvan een enorme bekoring uitging, een nieuw transcendent spinneweb, dan zou ik daar best willen invliegen, maar ik zie niets. Ik vind van alle dingen die bedacht zijn om dit leven een dubbele bodem te geven, het evangelie het grootste wat ooit gemaakt is. En ook dit mag genoemd worden, al is het faute de mieux.
P. Ik zal niet te gemakkelijk en te gauw ja zeggen, omdat ik gewoon de basisgeschriften van andere wereldgodsdiensten niet ken. Ik weet niet wat er ten grondslag ligt aan het hindoeïsme. En ik ken de Koran niet; en zo zou ik door kunnen gaan. Ik ken nu eenmaal alleen de heilige schrift, die jij noemt, en die klinkt wel overtuigend, maar ik kan niet vergelijken; ik kan niet zeggen: die klinkt mij het overtuigendst in de oren.
B. Goed, dat kan ik ook niet.
P. Nog altijd zijn dit arme redenen. Is het eigenlijk wel nodig sterkere redenen te vinden dan deze?
B. Weet je wat ik geloof? Als je aan de heilige Benedictus of Franciscus of Dominicus had gevraagd: waarom ben je katholiek, hadden ze daar dan een antwoord op gegeven?
P. Ik weet het niet.
B. Nee. Ze hadden vermoedelijk gezwegen, wat logische argumenten betreft, want te bewijzen valt er niets. Wat wij doen, is het geloof leggen op een tafel, waarop helemaal geen sectie verricht kan worden, op de snijtafel van de redelijkheid. Het enige wat Dominicus had kunnen antwoorden is: ik geloof het. En wil jij nu zeggen dat wij dat niet kunnen zeggen?
P. Nee nee, ik begin het zelfs met je eens te zijn. Omdat ik ineens in wat wij nu aan het doen zijn, hetzelfde zie opduiken wat wij verafschuwd hebben in de apologie die we in onze jeugd hebben moeten leren; daar werd nl. het ontleedmes gebruikt, bij elk vraagstuk, en dan was het tenslotte bewezen waarom je wel katholiek móest zijn. En daar hebben jij en ik allebei van gevoeld dat het zo niet kon, of hoefde. En eigenlijk waren we daarnet bezig te proberen dat mes te vinden. We wa- | |
| |
ren op zoek naar het onomstotelijke bewijs, bijvoorbeeld.
B. We zullen dat nooit vinden. Wat gek is het toch, dat de wezenlijke dingen van het leven, waardoor je overeind blijft, onbewezen blijven en ook niet te bewijzen zijn. En dat komt denk ik, omdat de zin van het leven zo ontzaglijk diep is dat wij met onze hersenen dat helemaal niet aankunnen.
P. Nee. Quia absurdum. En toch maar blijven graven. Wat een onmogelijke toestand. Je had het een tijdje terug over het betreurenswaardige van het feit dat de lichamelijkheid zoveel minder ontwikkeld is dan de geest, - betreurenswaardig omdat je in de loutere natuurlijkheid niets hóefde te betreuren. Bedoelde je toen ook: als we in die natuurlijkheid waren blijven steken, hadden we ons nooit druk hoeven maken over vragen naar bewijzen?
B. Ik begrijp niet precies wat je op het ogenblik bedoelt.
P. Als jij zegt: Wat is het jammer dat je dat nou nooit kunt bewijzen, dan zeg ik: Je hebt eerder het heimwee uitgesproken naar een staat van vóór de opdracht om de wereld te beheersen en hem te doorvorsen; je hebt eerder het verlangen uitgesproken naar een onbewuste staat dicht bij de natuur, ín de natuur, zoals dieren leven, zoals planten leven, zonder bewustzijn; en nu is mijn vraag: Is een onderdeel van dat verlangen het feit dat je met spijt constateert altijd maar weer op zoek te zijn naar het bewijs?
B. Ja, en dat zou ik dus niet met spijt moeten constateren, want het feit dat het geloof niet te bewijzen is zou mij met een immense vreugde moeten vervullen. En ik geloof dat dat ook de reden is waarom mensen geloven, dat ze gewoon het apparaat stop zetten en capituleren. Daar zit een immense verlossing in, daar ben ik me heel goed van bewust.
P. Maar als je dat eenmaal gaat doen, dan wil je zelf ook aanvaarden wat ik de hele reutemeteut noemde, waarmee ik bedoelde een heel stelsel van op elkaar gebouwde waarheden, oorzaken en gevolgen.
B. Nu is het ongelukkige dat we allemaal, dus jij en ik ook, in de puberteit leven van de mensheid. Behalve dat de mens individueel een evolutie doormaakt van kind via de puberteit naar het volwassen zijn, geloof ik dat de hele stam die ontwikkeling meemaakt. En ik meen dat de mensheid wel zover ontwaakt is uit haar kinderjaren, dat dit soort overgave ons een- | |
| |
voudig niet meer lukt. Jij kunt nu wel zeggen: ik geloof het nog; maar het feit dat wij hier op deze kamer daarover zitten te praten, dat was in de middeleeuwen al onmogelijk geweest. Dat is al een puberteitsverschijnsel: wij zitten met een verlangen dat nog helemaal kinderlijk is en een vermogen dat aan de puberteit toebehoort. Dat geeft de eigenaardige kortsluiting, waarin we praten. Toch kun je de boel niet terugdraaien.
P. En ik kan ook niet aangeven, voor hoeveel procent datgene wat ik zeg met: ‘ik geloof de hele reutemeteut’, voortkomt uit vrees voor het alternatief van leegte. We zitten in de kou, maar ik weet niet inhoeverre ik het nog kouder zou kunnen krijgen, en daar ben ik bang voor, zo bang dat ik dat mee moet verdisconteren wanneer ik verklaar: ik geloof soms weer de hele reutemeteut.
B. Is dat een inferieure reden? Ik weet 't niet.
P. Dat weet ik ook niet. Ik noem hem, omdat we op zoek zijn naar een betere; ik kan geen betere vinden op dit moment.
B. Ik vind het een vreselijk moeilijk onderwerp. Ik voel nu heel duidelijk dat we met een apparatuur op ons lijf zitten, een denkend hoofd, dat het gewoon niet meer slikt.
Had jij dat ook bij jouw vader: mijn vader was kamerlid, later gedeputeerde, sprak in vergaderingen, gaf grote diners, reed in een Mercedes, overal waar hij kwam sloegen de mensen stijf tegen het behang van ontzag, en die man ging dan 's zondags te communie. Dan keerde hij terug in de bank en sloeg de handen voor zijn ogen. Hij was dan opeens een man, die bad. Ik twijfel nog steeds of hij dat wel deed. Geloof jij dat jouw vader bad?
P. Ja, ik geloof dat mijn vader bad. Mijn vader was geen kamerlid. Het was een zakenman, eerder een gevreesd dan gezien zakenman, geloof ik, met ontzag behandeld, ook door zijn kinderen. Ik geloof dat er in wezen niet veel verschil is tussen de soort vader die jij had en ik. Wanneer ik mijn vader dat zag doen - net als jij -, dan voelde ik eerst iets van genoegdoening, dat deze man, waar ik zo tegen op keek, na de communie een soort gelijke van me was geworden; die grote man was dan toch ook maar door God eronder gekregen.
B. Op zijn knieën lag hij, ja...
P. Dus ik had ontzag voor God, dat hij dat klaarspeelde. Of mijn vader bad? Dat geloof ik wel, ja. Hij was een nogal vro- | |
| |
me man, - als niemand hem zag.
B. O ja? Mijn twijfel had niet alleen betrekking op mijn vader, maar op de hele kerk, die daar bijeen zat. Al die middenstanders in hun zwarte pakken, die in het gewone leven nooit iets anders geloofden dan wat ze met hun eigen ogen gezien hadden en de rest maar flauwe kul vonden, die gingen opeens door de knieën en namen de meest absurde berichten aan. Die plotselinge metamorfose naar de volmaakte onredelijkheid heeft me als jongen al sterk beziggehouden, want ik kende toch die kruidenier met zijn eeuwig ‘frisjes vandaag’ als hij een pond suiker afwoog. Geloofde zo'n man in de maagdelijke geboorte van Jezus en in de verrijzenis? En wat deed hij precies als hij na de communie de handen voor zijn ogen sloeg? Bád hij dan werkelijk?
P. Ik geloof van wel. Er lag eerder een discrepantie tussen het geloof en het handelen naar het geloof. Maar het geloof als ondergrond van het bidden stond niet ter discussie.
B. Ja, maar wat ging er dan om in die mensen? Als ze te communie gingen bijvoorbeeld?
P. Dat ze Jezus in hun hart gingen halen, dat ging er in hen om. Dat het de zevende dag was, waarop men behoorde te rusten. Dat zij dat nu duidelijk deden. Dat ze het werk, waar ze onderdoor gingen, zowel jouw vader als de mijne, moesten laten schieten voor die ene dag - waarschijnlijk met tegenzin: het liefst waren ze door gaan werken, maar dat hoorde niet; ze bogen voor die grote God van de zevende dag, en kwamen hem het offer van hun aanwezigheid bieden, en beseften ineens, hoe groot en gevreesd ze de andere zes dagen ook waren, dat ze eigenlijk toch maar afhankelijk en klein waren in Gods hand. Ze kwamen bidden voor hun zaken: dat het ze goed mocht gaan. Ik fantaseer nu, maar ik denk dat het zo gebeurde. Ze kwamen vragen dat hun gezin gezond mocht blijven, dat de welvaart die zij genoten bestendigd mocht blijven. Dat alles kwamen ze vragen. Ik weet niet of ze veel geloof, laat ik liever zeggen: veel geloofskennis nodig hadden om dat te komen doen in de kerk. Het besef van de zevende dag, het besef van afhankelijkheid van de almachtige God die het leven in de hand hield, en ten overvloede nog het ontvangen van Christus onder de gedaante van brood in hun hart, dat - denk ik - bestond er wel degelijk. Op andere dagen, op hoogtijda- | |
| |
gen, bijv. een groot Mariafeest, met lof én processie, geloofden ze waarschijnlijk ook in een flits alles wat hun ooit geleerd was over Maria. Ik geloof niet dat bij hen, bij mijn vader, in die tijd twijfel heerste ten aanzien van punten waar wij het nu over gehad hebben. Wel geloof ik bij hem, aan het eind van zijn leven, skepsis te hebben kunnen waarnemen ten aanzien van het voortbestaan en de hemel, maar dat is een ander punt.
B. Maar het gekke was, dat als die kerk uit was, het ook werkelijk ‘uit’ was. Je hoorde dan niets meer. Ik merkte dan niet aan mijn vader, dat Christus ook werkelijk bij hem was geweest, hij was de doortastende politicus weer en keek slim om zich heen. Het was of hij een jas had uitgetrokken. Het bleef niet als wierook om hem heen hangen, evenmin als bij mij natuurlijk.
P. Ja. Thuis was het voorbij. Weet je wat ook voorbij was, dan? Het kortstondige gevoel van saamhorigheid dat bepaalde banken in de kerk hadden. Als mijn vader op zijn vaste plaats in de kerk ging zitten, groette hij bepaalde andere mannen en die hem. Mensen van zijn stand. Daar zat iets in van een zekere verstandhouding van de meer aanzienlijken. Ook op andere plaatsen in de kerk zag je bepaalde mensen elkaar groeten. Maar de standsverschillen bleven in de kerk gehandhaafd. Middenstander groette middenstander. Geen ander. Thuis was die onderlinge verstandhouding, dat gevoel van ergens bij horen (niet bij de parochie, maar bij een paar banken) voorbij. En thuis werd inderdaad een jas uitgetrokken. Wat er na de mis nog volgde was alleen een soort aardse wijding van de zondagochtend.
B. Ja. Iets daarvan bleef nog wel even hangen.
P. Die bestond uit de extra lekkere sigaar die dan werd opgestoken, of uit het feestelijke ontbijt.
B. Wij hadden dan 's ochtends niertjes, om half elf, dat was iets bijzonders, en dan hoorde je de klokken van de hoogmis. De ramen gingen open. Het was zondagochtend.
P. Ja, je hebt gelijk, er was een jas uitgetrokken; wat er op volgde was een bepaalde wijdingssfeer, maar het had niets te maken met God in je hart, denk ik. Het was verplicht rusten geblazen. Wat er verder aan andere kledingstukken onder die jas zat, en voor de rest van de week diende, was dat leven vanuit het geloof? Ik weet het niet. In sommige opzichten wel, in
| |
| |
andere niet.
B. Dat is moeilijk hè? Ik denk er dikwijls aan.
P. En de geestelijkheid veel op bezoek, hakend naar een beetje gezelligheid, het leveren van gordijnen en tapijten aan de pastorie, het lenen van de auto aan een kapelaan, dat had er natuurlijk helemaal niets mee te maken. Maar ze hadden toch een ethiek? Ze hadden een zakenethiek, of ze hadden een onderhandelingsethiek, ze hadden een rechtvaardigheidsethiek waar het ondergeschikten betrof, of het op bepaalde tijden helpen van minder bedeelden; dat hadden ze toch wel? Maar duidelijk was het niet. Gelukkig heb ik maar één keer een afschuwelijk aspect daarvan in mijn leven hoeven meemaken, maar het is gebeurd, in ons huis, en daarna, God zij geloofd, nooit meer. Ik vond het, zo jong als ik was, en ik was pas zeven, iets verschrikkelijks; dat was een dag of drie voor Kerstmis: toen kwam er bij ons thuis een kind dat in lompen was gehuld, en dat werd door mijn moeder in bad gedaan en ontluisd, en daarna bij ons in de kamer gebracht; het had al schoon, nieuw ondergoed boven aangekregen en werd nu verder aangekleed; op een stoel, en wij stonden eromheen; vroeger was dat bekend onder de naam: kerstkindje kleden.
B. Hé, nooit gekend.
P. Dat heeft bestaan. Bij mijn zusje werd het tegen Kerstmis door de zusters in de klas georganiseerd. Mères van Sacré Coeur. Vreselijk. In een van de Hagel-stukken van Kuyle wordt daar op een geweldige manier tegenin gegaan. Maar het was dan ook meer dan verschrikkelijk, wat daar gebeurde. Waarom dat na die ene keer niet meer is doorgegaan weet ik niet.
B. Wij hadden bleekneusjes uit Duitsland, rond 1920, en die bleven een jaar bij ons wonen, uit München. Bertha Schneider herinner ik me, met wasdunne handjes aan stokjes van armen, enorme ogen in een spierwit gezichtje en toch twee heel dikke vlechten. Ze maakte telkens een knix als ze iets kreeg, ze zweefde in een extase van dankbaarheid door ons huis heen. Door de honger was ze ook sexloos geworden, tenminste voor mij. Ze gaf in ruil voor wat haar gegeven werd een bekertje, dat was van de Hof Bräu, een bierkroes, van aardewerk, heel Duits, met een tinnen deksel, de essentie van Duitsland in mijn ogen. Buitenop stond het Christuskind afgebeeld en daaronder de letters H.B. Zij zei dat het betekende: Heiliger Bub. Dat
| |
| |
dacht Bertha werkelijk. Pas in München, toen ik daar een lezing moest houden, merkte ik dat het Hof Bräu was, ik heb altijd ‘Heiliger Bub’ gedacht. En nu vraag ik mij af...
P. Het zal toch niet betekend hebben: Hartelijk Bedankt?
B. Ja, dat kon ook nog! Maar zouden mijn ouders dat nou gedaan hebben vanuit evangelische overwegingen of gewoon uit medelijden? Hadden ze dat tóch wel gedaan? Dat kun je natuurlijk allemaal niet controleren. Er waren ook niet-katholieken, die dat deden. Hadden jullie die kindjes?
P. Nee, zulke niet. We hebben wel in de hongerwinter veel kinderen bij ons thuis gehad.
B. Was jij toen nog thuis?
P. Toen was het seminarie gesloten, in de hongerwinter. We zaten geen dag zonder, ik geloof dat we elke dag met vijfentwintig man aan tafel zaten, kinderen, ooms, nichtjes en kapelaans door elkaar.
B. O ja? Had jouw vader het dan zo goed?
P. Mijn vader had textielwinkels, zoals je weet, en hij kon dus ruilen. Hij reed zich dood op hongertochten met de fiets, met kousen en lakens naar boeren in de streek waar hij vandaan kwam, Zwammerdam, Zevenhoven, De Meije, op een fiets zonder banden, en kwam dan terug met aan het stuur zakjes met boter, een zak graan op de bagagedrager, of een kaas, enzovoort.
B. En hij deelde daarvan uit. Dat is niet mis. Maar ook hier weer dezelfde vraag: zou hij het anders ook gedaan hebben?
P. Ik denk het wel. Maar hij deed het uit zijn eigen inspiratie. Hoe moet ik hem mij anders voorstellen? Ik kan het, geloof ik, niet op een betere manier zeggen dan door je het versje te laten zien dat ik voor zijn doodsprentje geschreven heb. Ik denk dat daar iets uit naar boven komt van het ongecompliceerde gecompliceerde van dat geloof.
Hoe zullen wij hem onthouden?
hij fietst door de hongerwinter,
Zijn tanden vermalen de moeheid
| |
| |
Met iedere trap van zijn voeten
Als hij zwetend thuiskomt
Hij tilt de kaas op tafel,
tast hij heimelijk naar de
Voor de kring om de tafel,
en voor 't kruisje in zijn vingers
fietst hij zich desnoods dood.
B. Dat is mooi. Veel meer dan mooi.
|
|