| |
| |
| |
13 Genesis
P. Wat jij hiervoor zei is eigenlijk een verdediging van het historische ontstaan van de erfzonde en de gevolgen daarvan.
B. Ja, ja, die boom der kennis, is dat niet prachtig? Daar zk ik dikwijls aan te denken: hoe mooi dat beeld gevonden is. Zodra we die appel eten, verlaten wij de moederschoot van het onbewuste en komen in de schuld, omdat de intelligentie projecties maakt, idealen ontwerpt, ons op de tenen laat staan, en dan falen we. Een kat kan niet falen. En al die varens in de tuin falen niet, want ze hebben geen aspiraties buiten hun vegetatieve aanwezigheid. Maar wij hebben een bovenbouw geconstrueerd en vanaf dat moment is er een spanningsveld tussen de ‘geest’ en het gedachteloos willen doorsloffen. Paulus vooral is bezeten geweest van die voltage, hij steekt zijn twee vingers voortdurend in dat stopcontact en in al zijn brieven zie je hem springen.
P. Maar die schuld, waar Paulus het over heeft, is toch...
B. Een heel andere! Neem me niet kwalijk dat ik je onderbreek, maar dat is precies wat ik bedoel. Telkens stoppen we die in een ander kruikje. De psychiaters en de theologen van nu zijn weer bezig met overgieten, maar de schuld zelf blijft. Alleen de vormen wisselen. Komen we er ooit af? Ik geloof, dat de hele zin van de menselijke geschiedenis niet is de terugkeer in de onbewustheid, natuurlijk niet, we kunnen niet terug, maar het bijtrekken van het lichaam naar de geest toe, zodat die afstand minder wordt. Ik geloof, dat we allemaal op weg zijn naar een steeds toenemende vergeestelijking. Kijk maar naar die prehistorische mensenschedels: wat een enorme gebitten en wat een laag schedeldak! Maar die koepel wordt steeds hoger en het eindpunt daarvan is de onstoffelijkheid. Pas dan zal onze schuld verdwenen zijn.
P. Dat is een boeiende theorie.
B. Ik weet niet of hij bestaat; maar waarom zou die vergeestelijking ergens stoppen? Je moet zo'n evolutie natuurlijk in aeonen zien en niet zeggen: Kijk eens naar '14-'18 of '40-'45. Als je een microscoop richt op een plank, die schuin omhoog staat, dan zie je ook allemaal putten en afgronden. Dat neemt
| |
| |
niet weg dat de lijn naar boven loopt.
P. Nu geloof ik, als je het Genesisverhaal even letterlijk neemt, als historisch waar gebeurd, dat dat er als het ware in zat, vanaf het moment dat Adam wandelde in de tuin met een opdracht; dat staat in Genesis: dit is van jou, en wees er heer over. Daar begint het dus al; het zit hem in de opdracht aan Adam dat het met hem mis moet gaan. Begrijp je wat ik bedoel?
B. Ja, ik meen me dat ook te herinneren. Als dat er werkelijk staat, dan is het heersen over de dingen dus al vroeger begonnen. Maar wat staat er precies?
P. Heb je een bijbel bij de hand? dan kunnen we het even opzoeken. Tjonge, dat is een mooie Statenbijbel. Er staat in Genesis, het eerste hoofdstuk: ‘En God zeide: laat ons mensen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis, en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat over de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hem, man en vrouw schiep hij ze.’ Dan staat er verder nog: ‘En God zegende ze en zeide tot hen: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde en onderwerpt ze.’ Zie je? Onderwerp de aarde. Wees er heer en meester over. En: ‘Hebt heerschappij over de vissen der zee en over alle vogelen des hemels, en over al het gedierte dat op aarde kruipt; en God zeide: zie, ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven dat op de ganse aarde is, en alle geboomte in het welke zaadzaaiende boomvrucht is, het zij u tot spijze. Maar aan alle gedierte der aarde en alle gevogelte des hemels en aan al het kruipend gedierte op de aarde, waarin in hun leven voorzien is, heb ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.’
B. Ja, daar heb je het gedonder in de glazen. Want dat betekent inderdaad distantie tussen de mens en de hem omringende onbewustheid van planten en dieren, die eigenaardige vervreemding waarin wij leven. Goed, dat is dus een opdracht, die van vóór de appel dateert. Maar toch begrijp je me niet helemaal, want dat is eigenlijk mijn probleem niet. Je ontmoet tegenwoordig veel mensen, die computers, atoombommen en ruimtevaart maar enge zaken vinden, die er onbewust een soort
| |
| |
hybrisidee op na houden, alsof wij een grens overschreden hebben. Het feit dat wij die dingen kunnen uitvinden betekent, dat we ze ook mogen en zelfs moeten uitvinden. Dat ligt immers allemaal binnen de mogelijkheden van de menselijke intelligentie en die is weer vooruit gecalculeerd. Al die ‘enge dingen’ liggen niet buiten ons, zij vallen binnen het veld van onze controle. Dat betekent, dat dezelfde geest die de demonen oproept ook in staat is ze te bezweren. Wij vinden altijd weer middelen om onszelf te beschermen. Nee, het gaat me om iets geheel anders en dat is, dat de twee tremen niet gelijk lopen. De trein van de lichamelijkheid, die rijdt in het trage tempo van de evolutie en daar zitten we nog in, met een primitief driftleven en nauwelijks uit de bomen naar beneden gekomen. Maar op het andere spoor rijden we met een geweldige voorsprong in het denken. En dat bedoel ik eigenlijk: die scheur tussen beide, waardoor ik wel eens denk: we hadden eigenlijk nog wat langer moeten slapen om dat lichaam de gelegenheid te geven bij te komen. We zijn te vroeg opgestaan.
P. Je bedoelt, met andere woorden, dat de geest zich verder ontwikkeld heeft dan het lichaam?
B. Dat is evident. We zitten met een waterhoofd, zoals ik het uitdrukte. En daar is niets aan te doen, we kunnen niet uitslapen, van alle kanten rinkelen de wekkers. Maar je merkt wel overal om je heen een enorm verlangen naar onbewustheid. Je merkt het aan de mini-rokjes, die volgens mij geen provocerende bedoeling hebben, maar een kinderkleding is, het infantiel woordengebruik van ‘fijn’ en ‘lekker’ - wat typisch kleuterwoorden zijn - het lange haar van die jongens dat nog niet aan knippen toe is. Je ziet het ook in het gebruik van verdovende middelen: het duidelijk willen gaan slapen en van die intelligentie even af zijn, je hoort het in de liederen die gezongen worden, die een duidelijke droommelodie hebben, een soort verwazing, en aan de teksten, die vol zitten met ‘my baby’, waarmee men geen kind maar elkaar bedoelt. Terug, terug, terug. Het is een tendens die maar heel weinig gesignaleerd wordt, maar die ik toch overal om me heen waarneem: een schrik voor de kale bewustheid, die als verblindend licht in onze kamers valt, terwijl we lichamelijk nog in een soort schemertoestand verkeren. Zie je dat ook?
P. Ja, dat zie ik; ik ervaar het zelf. Je kent soms momenten,
| |
| |
waarin je tegen God zou willen protesteren aangaande die opdracht waar zoëven van gesproken werd, met andere woorden: momenten dat je weigert die heerschappij, die daar is opgedragen aan de mens, te aanvaarden.
B. Ja, maar dan in de zin van even wachten. Uitstel. Geen afstel. Ik merk het zelfs bij de volwassenen, die geen popmuziek hebben en geen LSD en geen beatkelders, waar het schemerig is - want al die kelders zijn donker, dat is ook zo typerend; en ook allemaal verdovend van geluid, in godsnaam geen dialoog, de bewustheid uitschakelen -, maar de oudere generatie, die deze narcotica niet heeft en toch naar bedwelming verlangt, die drinkt en rookt. Denk eens aan die eigenaardige neiging om zich te omgeven met antiek, wat ook een teken aan de wand is. Want wat betekent dat anders dan een vlucht uit het heden? Kijk maar om je heen, bij jou thuis en bij mij: wat een boel ‘liefheid’ van vroeger! Die vorm van escapisme zie je overal, waar je ook binnenkomt, bij de een minder, bij de ander meer, maar bijna niemand leeft helemaal in de eigen tijd. Dat is ook niet om uit te houden. Brandgangen naar het verleden, naar het innige en vertrouwde, ontsnappen uit de efficiëntie, wat een ander woord is voor alleen maar bewustheid.
P. Komt daar niet bij dat je als mens beseft eenvoudig niet meer genoeg te kunnen weten om nog heer en meester in de schepping te zijn? Vroeger had je tenminste nog een paar mensen tussen je in op aarde die alles wisten; men kon van Goethe nog zeggen dat hij een Universalgeist was, men kende hem min of meer de totale kennis der dingen toe; en dat was een individu. Tegenwoordig kun je van geen mens meer zeggen: hij weet alles wat er te weten valt. Het is nu: de mens weet alles, met andere woorden: ons menselijk geslacht in zijn totaliteit weet alles. We kunnen niet meer zoals vroeger verwijzen naar een eenling, die alles weet en die we kunnen raadplegen, een tussen ons rondwandelende encyclopaedist. We moeten ons veel meer dan vroeger met het ras vereenzelvigen, met het menselijke geslacht waartoe we behoren. Het collectief draagt de kennis. En wij beseffen veel beter dan vroeger dat wij daar deel van uitmaken en dat we door het collectieve kennen onherroepelijk worden meegetrokken, zonder dat we er veel invloed op kunnen uitoefenen. Dat is frustrerend; dat geeft je
| |
| |
een machteloos gevoel. Vandaar de roep om democratisering van de wetenschap.
Ben je het daar mee eens?
B. Ja. Dit collectieve weten komt ook hierin tot uitdrukking, dat we door het resultaat ervan ook zichtbaar omgeven zijn. Vliegtuigen, asfaltwegen met neonlicht en antennes op de daken, allemaal gevolg van teamwork en daarom ook massaal toegepast. We zitten in een overbelicht vertrek.
P. En daar protesteren we denk ik tegen...
B. We zouden er niet onder lijden, als we met een ander deel van onszelf daaraan toe waren. Maar wij zijn lichamelijk van een veel ouder geslacht; we houden ook van schemer en verdroming, van onbewustheid - om het op die noemer maar te gooien. En wij komen voortdurend in de bewustheid. Zoals ik leef bijv., ik probeer me nou nog staande te houden door mijn tuin, door muziek - en jij misschien ook -, maar je krijgt zes kranten in de bus, de telefoon staat niet stil, er is radio en televisie: alles komt helder binnen, het resoneert onmiddellijk wat er in de wereld gebeurt, geweldige problemen worden dag aan dag in de huiskamer gesmeten. Je moet het allemaal maar bijhouden en ik heb dikwijls een enorme moeheid.
P. Ja, ik onderken dat ook wel, een moeheid, ik zou ook wel eens tot het onbewuste willen terugkeren, maar tegelijkertijd ben ik bang de boot te missen die dagelijks in al die kranten wordt beschreven of die door de televisie wordt binnengebracht.
B. Ja, er gebeuren fascinerende dingen en je kijkt je ogen uit. Dadelijk staan er twee mensen op de maan, nadat het miljoenen jaren niet gebeurd is, wij leven nou nèt op dat dunne scheermes van de tijd, dat 1969 heet. En wat wordt er niet ontdekt in de biologie, in de chemie, in de medische wetenschap; je wilt het allemaal bijhouden en je leest je een ongeluk. Onze kennis wordt als een ballon opgeblazen, als je even niet kijkt dan schrik je hoeveel er intussen is bijgekomen. Wat we meemaken is een explosie van weten; elke dag zwellen onze hoofden verder op en de rest van het lichaam tobt maar goeiig door, het gaat drie keer per dag naar de w.c., het moet eten en slapen, alles in de ouwe stijl, wat een vervreemding gaat dat worden, net of we in twee stukken aan elkaar gesoldeerd zijn, dwergen met waterhoofden en dadelijk laat de lijm nog los en
| |
| |
vallen we in twee helften uiteen, want de rest weigert het nog langer bij te sloffen.
P. Ik denk dat de wetenschap je zal antwoorden, dat er op het ogenblik met man en macht aan gewerkt wordt om juist dat menselijk lichaam, dat nu tekort lijkt te schieten in het vervullen van die nieuwe taak, op te vijzelen en te perfectioneren; ze zijn toch bezig om ermee te manipuleren, om althans de mogelijkheden op dit moment te onderzoeken hoe er betere lichamen gemaakt kunnen worden, sterkere lichamen, een lichaam dat vervolmaakt wordt in zijn functies, een lichaam waar ziektes van verdreven worden. Met andere woorden: de wetenschap is ook bezig - zij het dan nog voor het grootste deel in theorie - om dat lichaam zo veel mogelijk aan te passen.
B. Ja, dat kan misschien het antwoord zijn, maar ze mogen wel opschieten. Je weet dat een kind dat te vroeg veel leert, neurotisch wordt. En ik geloof dat veel van de warboel, die wij om ons heen zien, in dat panische wakker zijn zit. Je kunt geen oog dicht doen of je ligt achter. We zijn allemaal wonderkinderen. We zijn dan ook steeds op. We hadden allang naar bed gemoeten.
P. Je merkt het ook bij de mensen om je heen, dat de wetenschap ze enerzijds vervult met bewondering - men zegt: ze zijn toch maar knap tegenwoordig, ze kunnen toch maar alles -, maar dat het aan de andere kant de mens ook bang maakt: nu moeten ze maar eens een tijdje ophouden, bij wijze van spreken, met het najagen van nieuwe kennis, nu maar eerst alles eens rustig verwerken.
B. Kunstenaars geven het weerbericht van morgen. Let maar eens op. Als je een schilder vraagt: hoe vond je die expositie? dan krijg je een bewust onbenullig antwoord, in de vorm van: ik vond het wel lekker, ik vond het fijn. Het vooral niets redelijks zeggen, maar allemaal die zandbakwoorden, daar word je mee doodgeslagen. En een grote bevreemding als je probeert uit te leggen wat je er zelf van gevonden hebt, dan sta je opeens voor gek en je merkt dat je aan het praten bent tegen een enorme moeheid van de redelijkheid. Dan zeggen ze: ja, ik vond het wel een lekkere jongen, ergens was het wel fijn of iets in die geest, als je het woord geest in dit verband kunt gebruiken, men wil de zaak simplificeren, men wil eigenlijk
| |
| |
naar bed en dat gebeurt dan ook meestal. We zijn allemaal doodop.
P. Maar je merkt toch ook dit: de menswetenschappen staan werkelijk heel erg achter bij de ontwikkelingen die de technische wetenschappen op het ogenblik voorspellen en maken, en ik kan daar niet anders dan een soort van moeheid en zelfs protest in ervaren van de zijde van de menswetenschappen om maar mee te blijven gaan in dat eeuwig vooruit van de technische wetenschappen. Het is alsof die alfajongens nu zeggen: het moet wel, eigenlijk, wij moeten er wel over nadenken wat we straks met die technisch gedicteerde maatschappij aanmoeten, hoe we die moeten hanteren, maar het is alsof we achterblijven. Die kloof is er, het lijkt erop of de kloof van hun kant kunstmatig in stand gehouden wordt, ja zelfs bevorderd ook uit diezelfde moeheid, uit datzelfde protest tegen die technische maatschappij waar wij in wonen.
B. Ja, die bêta-jongens werken als razenden, waarbij nog komt dat wat ze uitdenken ook onmiddellijk gestalte krijgt, het stolt de volgende dag al in vormen om ons heen, want we zitten toch tussen hun staal en beton? En daarom is het zo merkwaardig, dat één groepje van die witjassen niet veel uitvoert en dat zijn de biologen. Dat wil zeggen: ze doen wel veel op alle andere terreinen van het leven, maar dat lapje grond, waar wij mensen groeien, daar staan ze maar zo'n beetje omheen te suffen. Ik bedoel dit: als je door je tuin loopt, dan zie je voor 90% bloemen en planten, die er een paar eeuw geleden in deze vorm niet waren. Ze zijn allemaal groter, voller en vooral mooier geworden. Dit geldt ook voor de veldgewassen. Het graan van de Egyptenaren was verre inferieur aan ons koren, de groentes in de middeleeuwen zijn maar armzalig geweest naast dat wat er nu gekweekt wordt. Dit proces van veredeling gaat door tot de mens. Daar stoppen we opeens. Is er aan dat dier vol agressie niets te doen? Het hele onderwerp is natuurlijk besmet geworden door Hitler. Maar dat betekent toch niet dat het taboe moet blijven? Het is de hoogste tijd dat dat ouwe karkas ook eens opgelapt gaat worden.
P. Er zijn harttransplantaties, nieren worden vervangen...
B. Jawel, maar dat is niets anders dan 't verlengen van de oude ellende. De drager van die organen is daarmee niet vernieuwd. En bij gebreke daarvan vluchten we dan maar in het
| |
| |
veilig verleden. Laatst zag ik op de t.v. hoe 'n hele groep jonge mensen bezig was een middeleeuws straatje in Deventer te restaureren. Ik begrijp dat heel goed, maar een oplossing is dat natuurlijk niet.
P. Hetzelfde vind je in de geweldige toeloop van jonge mensen bij de archeologie op het ogenblik.
B. Zelfs een zo recent verleden als de Jugendstil begint al weer stem te krijgen. We gaan onder de wol en stoppen ons in met de kneuterigheid, die het heden niet geeft. We kunnen het niet meer bijsloffen. Wie zouden er in die kale schoenendozen van de Bijlmermeer moeten zitten? Betonnen mensen. Maar ze wonen er niet. Al die dozen zitten vol met verdwaalde romantici, die zondags met hun emmertjes naar Zandvoort gaan.
P. Zoals ik ook, de enkele malen dat ik ermee in contact kon komen, een innerlijke spanning kon waarnemen bij zelfs die technische wetenschapsmensen die weten ons voor te zijn met allerlei nieuws en vreemds. Bij hen heb ik een soort ironie, zelfs sarcasme waargenomen ten opzichte van hun eigen taak: het zijn niet meer individuen die bezig zijn met een onderzoek, zij werken in teamverband, zij werken in opdracht van een chemische industrie.
B. En in een braintrust ook.
P. Ja, maar waar is nu hun eigen aandeel? Ja, die is er, maar in zo'n geringe mate, al jarenlang. Wie hebben de laatste tien jaren de Nobelprijzen voor geneeskunde en voor chemie gekregen? Dat zijn niet meer eenlingen, dat zijn steeds drie mensen tegelijk.
B. En eigenlijk zou je een hele fabriek moeten belonen.
P. Ja. Ik ben bij Bayer geweest, waar men werkt aan het kankeronderzoek. Er zal, zeiden die onderzoekers, nooit iemand kunnen zijn die claimt: ik heb het anti-middel gevonden. Dat zal de fabriek vinden, in samenwerking met een reeks andere industrieën. Zo zijn er ook veel hoogleraren die erover klagen dat, terwijl vroeger het onderzoek in de geneeskunst plaatsgreep in een universiteitslaboratorium, zij dat nu, áls ze nog zelfstandig onderzoek verrichten, eigenlijk alleen nog maar doen in opdracht van chemische industrieën. Ook zij zijn al in de collectieve braintrust opgenomen.
B. Maar nu is het vreemde, dat we enerzijds een enorme honger constateren naar wat we dan maar mystiek zullen noemen,
| |
| |
en aan de andere kant een afbraak van het geloof, wat een contradictie schijnt. Ik zeg uitdrukkelijk ‘schijnt’, want achter dat verwoede puinruimen zit vermoedelijk een even hevige drift, niet naar een nieuw gebouw, maar naar de warmte ervan. Men wil uitrusten van de redelijkheid, maar zonder voor die rust de prijs van een orthodoxie te betalen. Vandaar overal tekenen van mystiek en tegelijk een inzakken van het geloof.
P. En terecht, omdat steeds meer verklaard wordt wat vroeger niet verklaard kon worden, met andere woorden: er gaat skepsis ontstaan ten aanzien van de laatste resten van de geloofsinhoud, omdat je denkt: ook die rest zal straks, later verstandelijk verklaard kunnen worden; wat heeft het voor zin om het vast te houden? Nee, het lijkt mij heel redelijk dat de mensen hun geloof verliezen naarmate er meer verklaard kan worden. Aan de andere kant is er natuurlijk - en nou kom ik weer in jouw straatje - die honger naar het niet-weten, het nog niet doorhebben; en ligt er dan toch niet een troost in het feit dat de mens een opdracht heeft gekregen? Ja, de mens is aangesteld tot heerschappij over het leven, maar hij ís aangesteld, met andere woorden: hij heeft die opdracht van iemand gekregen, hij heeft hem niet zelf gecreëerd, maar hij heeft hem gekregen, en daar ligt dan toch weer de grond voor geloof. Als je beseft: we hebben die opdracht gehad, zit daar toch ook wel een reden om hybris uit te sluiten. Hoewel ook aan die opdracht nu steeds meer getrokken wordt, en er theorieën worden opgebouwd over de erfelijke verklaarbaarheid van het brein en zijn functies.
B. Ja. Maar je gaat nu uit van Genesis. Hoevelen doen dat? Je zegt: dat punt staat vast. En vandaar uit vertrek je. Maar daarmee heb je toch eigenlijk al positie gekozen?
P. Door dat vertrekpunt te nemen.
B. Ja. En voor mij staat dat punt niet zo vast. Niet zozeer door de evolutieleer, want met wat gegoochel kom je daar nog wel uit, maar door de nieuwste onderzoekingen naar 't ontstaan van het leven. Door chemische verbindingen heeft men stoffen tot stand gebracht, die althans indicaties van leven vertonen, o.a. het vermogen tot vermenigvuldigen. En nu zeg ik niet ten opzichte van de grondgedachte, die in Genesis zit: ‘Je n'ai pas besoin de cet hypothèse,’ zoals Laplace dat zei, want ook dit is weer een standpunt. In dit koele afwijzen van God
| |
| |
zit ook iets dogmatisch. Maar wél vind ik, dat we uit een bepaalde jas gegroeid zijn en ik wacht op een nieuwe, zonder de stof zelf, waaruit die jas gemaakt is, meteen te verwerpen. Ik wil er weer ruim inzitten en niet zo, dat aan alle kanten de naden openspringen. We lopen zo geforceerd in het rond en je kunt geen theologisch vakblad lezen of je merkt dat er weer een stukje is ingenaaid. Maar dat helpt niet, de volgende dag knelt die weer op een ander punt. Ik zou hem zó om me heen willen hebben, dat alles er makkelijk in geborgen kan worden, ook de laatste vondsten van chemie en biologie, de hele rataplan en zonder dat er slim weer wat versteld hoeft te worden.
P. Maar hoe dat er gaat uitzien, dat weten we niet; dat hebben we al zoveel malen moeten constateren, we komen er niet uit.
|
|