| |
| |
| |
12 Branden in de hel
B. Toen ik in Florence was, logeerde ik bij Nol Prager. Die had in de loop der jaren een kring om zich heen gevormd van louter academisch gevormden...
P. Wie is Nol Prager?
B. Nol Prager is een van mijn beste vrienden. Hij was als musicus verbonden aan een balletschool die Darja Collin daar had opgericht. Ze gingen soms op tournee en dan mocht ik wat rommelen achter de coulissen. Er waren alleen meisjes op die school.
P. Een verrukkelijke ervaring...
B. Ja, maar anders dan waar je nu vermoedelijk aan denkt. Geen van die meisjes was ouder dan veertien, allemaal bloemen in knop of half opengegaan, iets ontroerenders bestaat er niet. Ze stonden allemaal te happen op de drempel van de vrouwelijkheid. Ik maakte twee uitvoeringen mee, een in Verona en een in Vicenza, de laatste in het Teatro Olimpico, dat nog door Palladio gebouwd is, met een vaststaand marmeren decor. Dat stelde een pleintje voor, waarop allerlei straatjes uitkwamen, maar die liepen in een verkort perspectief, zodat ze vanuit de zaal heel diep leken. Maar ter plaatse liep je overal met je kop tegenaan.
Met Nol schaakte ik en hield eindeloze gesprekken. Ze duurden zo lang, omdat hij een precies denker is, die zuivere definities eist voor hij er iets mee gaat doen. Eerst moesten alle kopjes zijn omgewassen eer we er wat uit mochten drinken. We zaten in Florence op het balkon en dat was bij een bioloog die net cum laude was gepromoveerd, een psycholoog die ook een proefschrift van hier tot daar had geschreven, enfin, mensen van dat slag, die allemaal dat zindelijke van Nol hadden overgenomen, op het scrupuleuze af. Ik verstond Italiaans, sprak het bijna niet, maar kon de debatten goed volgen. Nu was er één man bij, die was wiskundige en docent aan de universiteit van Padua, ook zo'n stuk kristal, maar daar was iets mee. Wat bleek nu? Hij had angst voor de hel. Natuurlijk niet boven de gordel, want met zijn hoofd had hij dat allang verworpen, maar in zijn onderbewustzijn spookte die hel door,
| |
| |
wat zich afwisselend in slapeloosheid en nachtmerries openbaarde, hij kon er maar niet van af, zo diep was die injectie destijds doorgedrongen. En Nol, de enige niet-katholiek in dat gezelschap, die heeft zich daar vreselijk over opgewonden en is daardoor een verwoed bestrijder van de katholieke kerk geworden. En als hij hier komt zegt hij: ik begrijp bij God niet dat je daar nog bijhoort. Ik geef dit als voorbeeld, het is natuurlijk een extreem geval, maar ik geloof dat er heel wat verkreukelden rondlopen die kromgegroeid zijn, doordat zij jarenlang in een paniek geleefd hebben. Die ken je toch ook? Heb jij wel eens als kind in je bed bedacht: altijd branden, de tweeduizend jaar die er sinds Christus verlopen zijn betekenen nog geen seconde in die eeuwigheid?
P. Ja, dat heb ik natuurlijk gedacht; dat werd me bovendien geleerd in kerkboekjes die jij ook gekend moet hebben. Ik had een kerkboekje van pater Laurijssen cssr. De redemptoristen, die vooral retraites deden, hielden zich altijd druk bezig met zonde en straf. Daar stond dat bekende hoofdstukje in, dat verhaalt van een grote bol: wij moeten ons de wereld voorstellen als een koperen bol, en eens in de honderd jaar komt een vogeltje langs en glijdt met zijn vleugeltje ergens over die bol. En als díe bol is afgesleten, dan is er nog geen seconde van de eeuwigheid..., enfin, je kent het natuurlijk. We zijn er mee opgegroeid; er is ons inderdaad heel duidelijk gemaakt hoelang eeuwigheid is en hoelang eeuwig branden is. Daar heb ik panisch over wakker gelegen.
B. En dit was verbonden aan zondags niet naar de kerk gaan, een vastendag niet houden, g.v.d. zeggen of een gebeurtenis in de puberteit... Nu werd de soep door volwassenen misschien zo heet niet gegeten, maar dat hielp ons niet. Wij leefden voortdurend op de rand van die eeuwige verdoemenis, je keek altijd die gloeiende oven in. En daar heeft de kerk een ontzaglijke schuld op zich geladen, die ze nu aan 't betalen is.
P. En tegenover dit alles werd veel te zelden, en eigenlijk haast nooit iets verteld over de goede God, en de afgrond van barmhartigheid...
B. Nou, dat vond ik wel... Dat heb ik vaak gehoord.
P. Dat heb ík, in mijn jeugd, veel te weinig ervaren.
B. Maar dat vind ik helemaal niet ter zake, ze hadden er helemaal niet over moeten praten.
| |
| |
P. Wanneer men het een noemt, moet men het ander natuurlijk niet ontkennen.
B. Ja, zo werd in mijn jeugd wel een evenwicht gemaakt, zo van: God is oneindig goed, en als je maar biechtte, dan sloot Hij je in zijn armen; maar dat is de zaak niet, ze hadden moeten zeggen: wat er gebeurt in de puberteit is heel gewoon. Dat bedoel ik. Dat van die goede God was een tegenwicht tegen die strenge rechter, met die duif en die rots; en zo kon je nog ademhalen, maar dat bedoel ik niet. Ik had de gewone zuurstof willen hebben.
P. Die werd niet verstrekt.
B. Welnee, die kerels zaten er zelf mee.
P. Die hel, daar zeg ik nu wel zo gemakkelijk van: daar geloof ik niet meer in; maar wat ik soms nog wel heb is schuldgevoel. Nu vraag ik me af of bij het verdwijnen van de biecht ook het schuldgevoel geruisloos aan het verdwijnen is.
B. Misschien is het een overgangs-probleem. Ik zou het willen vergelijken met het besluit om niet meer te roken, dan zul je daar nog maandenlang trek in hebben. En zo is het ook met de afschaffing van de biecht: die is verdwenen, maar het schuldgevoel blijft.
P. Ik vind de vergelijking in zoverre onjuist dat het niet meer roken een verwerpen, en een met moeite verwerpen, van een genotmiddel is.
B. Jawel, maar als je de vraag stelt: hoe redden de mensen het nu zonder belijdenis, dan bekijk je de biecht vanuit dat oogpunt. Je ging toch naar een plek, waar je verlost werd. Dat heb ik heel duidelijk gehad. Natuurlijk zag ik er ook tegen op, maar het was niet alleen een karwei. En wij hebben iets heel wezenlijks verloren, terwijl we met de zin om te roken zijn blijven zitten. In zoverre is het een goede vergelijking. Men heeft het antwoord op de nood verworpen, maar de nood zelf blijft nog een tijd bestaan. Dat bedoel ik met overgangsprobleem. De behoefte om te biechten zal steeds minder worden, eenvoudig omdat dat hele schuldbesef aan het verdampen is. Wij hebben dat nog in zijn volle omvang gekend en daarom vraag je je af: zullen de mensen, en met name de jeugd, het niet missen? Maar mijn dochtertje van acht zal niet eens weten waar ik het over hèb als ik van schuld spreek.
P. Met andere woorden: jij neemt aan dat dat schuldbesef dat
| |
| |
ik nog wel heb dus een exceptioneel geval is?
B. Nee, dat zal nog wel veel voorkomen. Maar het is een generatieprobleem. Wij zitten precies tussen twee fazen in.
P. Denk jij dat het schuldbesef aan het verminderen is? of dat het misschien zelfs verdwijnt?
B. Merk jij er iets van, bij jouw kind?
P. Elf jaar..., ik vind dat je dat niet mag merken.
B. Goed, maar toen wij elf jaar waren, hadden we al vier jaar biechten achter de rug. En hoewel dit nog niets was bij de paniek die later kwam had ik toch al ruimschoots het besef aan alle kanten tekort te schieten.
P. Ja, dat is waar. Ik ken mijn eerste zonde nog, - tenminste: de eerste waarvan ik dacht: dát moet ik biechten. En waarvan ik ook wist: ik deed hem om een goede reden. Het was op de ochtend van mijn eerste heilige communie. Ik moest een matrozenpakje aan, en ik vond het verschrikkelijk. Maar mijn vader en moeder vonden dat heel mooi. En ik herinner me dit: na afloop van die eerste heilige communieplechtigheid kwam ik weer bij mijn vader en moeder terug en ze vroegen toen hoe het na afloop van de plechtigheid geweest was in de sacristie en toen zei ik: ‘Alle jongens hadden een matrozenpakje aan’, en om mijn vader en moeder een plezier te doen loog ik erbij: ‘En de zuster zong: daar komen de Jantjes, daar komen ze aan’. En toen dacht ik: dat is een enorme roetmop op mijn ziel, daar komt nu een grote klodder op dat reine hartje van vanmorgen. Maar het was voor een goed doel.
B. Je ziet hoeveel schuldgevoelens je had - maar ik merk daar niks van bij mijn kind. Nu je het over de eerste communie hebt herinner ik me opeens het geval van mijn broer. Die had gehoord, dat er na het ontvangen van de hostie allerlei ongehoorde dingen met je gebeurden en hij was van pure opwinding daarover helemaal in de war geraakt. Goed, hij komt terug van de communiebank, met spits gevouwen handen, loopt naar zijn plaats, en daar lag een kussen, dat was alleen voor de communicanten, fluweel met vier gouden kwastjes, hij zette dat kussen op zijn hoofd en verliet zo de kerk. Ik zie hem nog door het middenpad gaan, de handen gevouwen, de ogen zedig neergeslagen en dat ding op zijn kop. De gelovigen waren door dit schouwspel zo verbijsterd dat niemand hem tegenhield.
| |
| |
P. Niet te geloven. Mijn zoon is nu elf, híj heeft van zijn leven nog nooit gebiecht. Maar dit jaar hoor ik hem voor het eerst vertellen dat er in de paasweek een boeteviering zal zijn, voor alle kinderen van de school. En ze leren daar liedjes voor, en die zingt hij, door het huis. Ze gaan over een man op weg naar Jericho die langs de weg lag, en een priester kwam, maar liet hem liggen, en een Leviet kwam en liet hem liggen enzovoorts.
B. Ik ben nog even bij die eerste heilige communie; want dat was me wat, je leefde er een heel jaar naar toe. Wij kregen een uiterst degelijke voorbereiding, die ‘lering’ werd genoemd. Kapelaan Jacobs gaf die. Hij zei, dat Jezus zelf onder de mis de kerk binnenkwam. En wanneer gebeurde dat? Met de consecratie. En wanneer wist je, dat het consecratie was? Als er een belletje ging. Toen stak een jongetje voor me zijn vinger op en stelde verheugd vast: ‘Maar dan komt ie op de fiets!’ Ik lachte pas toen de anderen lachten, want ik vond het idee nog zo verwerpelijk niet. Maar goed, merk jij bij je kind een gevoel van schuld, daar ging het om.
P. Dat weet ik niet, dat is zo moeilijk te peilen, voor een vader of moeder. Wat weet een kind van God, wat stelt het zich daarbij voor? En dan: of een kind dat iets verkeerd heeft gedaan - wat dan ook - dat ook ervaart als een tekortkoming ten opzichte van onze lieve heer, dat vind ik heel moeilijk te peilen. Daar merk ik niets van; ik merk, als mijn zoon iets verkeerd doet, dat hij er dan spijt van heeft ten opzichte van ons. Maar dat bedoel jij niet.
B. Dat bedoel ik niet. Wij hadden van de mens, zoals hij zijn moest, een heel hoog beeld, en er was een voortdurende spijt dat je dat niet haalde. Ofschoon je de hele dag op je tenen liep, kon je aan dat standbeeld niet reiken. Het besef van die hoogte werd voortdurend door heiligenlevens gevoed. Daarvoor is in de plaats gekomen de berusting in een veel lager beeld; dat op de tenen staan is voorbij. Men ziet in dat de mens vol agressie is, vol sexuele drang, vol dit en vol dat, en dat wordt aanvaard, daar wordt over geschreven door Konrad Lorenz, om eens een voorbeeld te noemen, ‘Agressie bij mens en dier’, een biologisch boek, waarin gewoon vastgesteld wordt dat de mens óók een dier is, met allerlei atavistische driften uit vroegere periodes. Dat wordt niet met spijt en zelfs niet met
| |
| |
berusting vastgesteld, maar als een wetenschappelijk feit geconstateerd. En zo wordt over de hele linie door psychologen, sociologen en andere vakmensen aan dit ‘fait accompli’ getimmerd. En aan die wetenschappelijke vaststelling wordt wel de wens gekoppeld dat het ooit beter zal gaan, maar deze evolutie heeft als vertrekpunt een kalm en vooral ‘spijtloos’ inzicht in de bestaande situatie. Vandaar uit worden dan maatregelen genomen ter correctie, maar dat is iets heel anders dan die oude vermorzeling des harten. Er is niet meer die smetteloze ziel, die net gecommuniceerd had en daar valt me een vlek op dat prachtige witte lakentje, christemezielen, wat doen we nou? Dat lakentje is niet eens smoezelig. Van dat laken maken wij pakken. En we lopen er kalm in rond.
P. Dan is er toch ook dit verschil, dat - zo er schuld is - die verlegd wordt naar een species in plaats van dat de schuld zoals vroeger toegerekend werd aan personen.
B. Ja, bij het genus mens. En jij bent daar een exemplaar van.
P. En daarmee ben ik dan geëxcuseerd, bij wijze van spreken?
B. Het woord excuus wordt helemaal niet gebruikt.
P. Dat is een zeer wezenlijk verschil. Vroeger ging het er toch om dat je in een persoonlijke relatie stond tot God, en in die verhouding was iets scheef komen te zitten. Dat is toch wat je onder persoonlijk schuldbesef verstaat? En wat jij aangeeft als tendens, schijnt dan te zijn een vermindering, ja zelfs verdwijning van dat schuldbesef op grond van het feit, dat ik, behorend tot het genus mens, nu eenmaal die eigenschappen bezit. Waar we dan wel natuurlijk iets aan moeten doen, als gemeenschap, als maatschappij. Maar voorlopig ligt daar die realiteit: ik kan er verder ook niks aan doen. Is dat het ongeveer?
B. Ik dacht van wel. En dit heeft tot praktisch gevolg, dat er aan de voor de hand liggende verbeteringen veel meer gedaan wordt. Vroeger had dit weinig zin. We rommelden maar wat aan, de ergste scheuren werden met liefdadigheid dichtgeplakt; we zaten hier toch maar voorlopig, het eigenlijke moest nog komen. Maar de mensen antichambreren niet meer. Met het vervagen van hemel en hel is de verantwoordelijkheid voor wat hier op aarde gebeurt toegenomen. Radio en t.v. zijn niet uitgevonden omdat de mensen knapper geworden zijn, maar omdat ze willen weten wat er hier aan de hand is. Er moet
| |
| |
iets aan gedaan worden. Eigenaardig, het collectieve schuldgevoel is toegenomen. Vroeger, vanuit het oude zondebesef, was er een imitatio Christi, je moest proberen dat te halen. Haalde je het niet (en wie wèl?), dan werd dat niet agressie genoemd, als behorend tot het genus mens, nee, het waren persoonlijke tekortkomingen, die ook individueel verbeterd moesten worden. Nu zijn het dingen die bij het mens-zijn behoren, produkten van overbevolking bijv., goed, dan moet je een pil invoeren; de gevolgen van armoede, goed, dan moet je industrialiseren; gevolgen van slecht wonen, dan moet je krotten opruimen. Je krijgt daardoor een veel grotere activiteit diesseits, omdat het jenseits bijna verbannen is.
P. Zeker. Interessant vind ik het intussen wel om na te gaan waarom je vroeger een oefening van berouw met zoveel overtuiging kon bidden. Tenminste, - het begin. ‘Oefening van berouw. Barmhartige God, ik heb spijt over mijn zonden omdat ik uw straffen heb verdiend’. Zo begon het, en dat was recht uit mijn hart. Ik had spijt omdat ik straf had verdiend.
B. Jawel, maar dat was toch niet de volledige tekst. Daarna kwam het kernpunt: dat je God beledigd had.
P. Wacht even, dat kwam er na: ‘Ik heb spijt over mijn zonden omdat ik uw straffen heb verdiend, maar vooral omdat ik u, mijn grootste weldoener en mijn hoogste goed, heb beledigd’. Dat van dat beledigen kwam dus later, na de angst voor de straf. Maar er werd ons altijd gezegd: dat laatste is pas het volmaakte berouw; dat eerste was het onvolmaakte berouw. En waarom was er nu de biecht? Onder meer, omdat zwakke mensen zoals jij en ik nauwelijks in staat waren tot het verwekken van een volmaakt berouw. Biechtte je, dan was een onvolmaakt berouw voldoende, d.w.z.: het berouw hebben vanwege de dreigende straffen. Buiten de biecht konden de grote zonden slechts vergeven worden, tijdelijk vergeven dan altijd nog, wanneer je een volmaakt berouw had verwekt, mèt het vaste voornemen om zo gauw mogelijk later die zonden te gaan biechten. Nu, waarom ging ik biechten? Daar komt het angstproces weer naar boven, dat ik heel goed heb gekend: ik ging biechten omdat ik terdege besefte dat ik niet in staat was tot een volmaakt berouw; ik wist maar nooit wat dat precies inhield, die belediging van de grootste weldoener en het hoogste goed. Maar ‘omdat ik uw straffen heb verdiend’, dat kon ik
| |
| |
met alle overtuiging zeggen. Want ik was werkelijk doodsbenauwd voor die verdiende straffen; voor de vlammen, de duivels die mij grijnslachend opwachtten, de klok in de hel die ‘eeuwig, eeuwig’ zou slaan. Ik was als de dood voor dat vogeltje dat over de koperen bol streek. Ik ging biechten omdat ik wist: ik kan hier niet mee rond blijven lopen, met dit onvolmaakte berouw, er is me niets vergeven, ik moet hiermee naar een priester, ik moet van die hel af. Maar dat niet alleen. Ik wilde daarnet ook betogen dat het eigenlijke vergevingsproces werd opgehangen aan een persoonlijke relatie tussen de mens en God. Ik als persoon moest tegen God (in een volmaakt berouw) kunnen zeggen: Ik heb er vooral spijt van omdat ík ú, mijn grootste weldoener en mijn hoogste goed, heb beledigd. Als ik dat nu maar kon opbrengen, dan was ik gered. Maar dat kon ik niet, want wie was die God, wie was mijn grootste weldoener en mijn hoogste goed? En waarin zat hem de belediging? Viel hij te beledigen? Ik kon mij nauwelijks voorstellen dat deze God, als hij de volmaakte almacht was, de volstrekt onafhankelijk gelukkige, te beledigen viel. Maar omdat ik zijn straf had verdiend, ja daarom ging ik biechten.
B. Ja, ik denk dat dat bij iedereen zo was. Ik heb me ook vreselijk moeten opwerken tot dat volmaakte berouw. Ga daar maar eens tegenaan staan.
P. Een paniek was het: haal ik dat? Om nog maar te zwijgen van het goede voornemen. Dat was eerder: alles wil ik je desnoods beloven, als ik maar niet naar de hel moet.
B. Het was onbegonnen werk. Overigens, over die gewone dingen werd nimmer gesproken. Volmaakt berouw, hoe je dat nou klaar moest spelen, daar werden nooit inlichtingen over verstrekt.
P. Niets; en het werd ook niet uitgelegd. En ik dacht wel eens, naderhand, het werd ons niet uitgelegd, omdat, als wij zouden hebben begrepen hoe wij het volmaakte berouw hadden kunnen verwekken, wij dan nooit meer waren gaan biechten. En daarom hield men het maar achter. Ja, ik zeg het nu ironisch, maar toch, die verdenking heb ik wel eens gehad; waarschijnlijk geconstrueerd omdat ik het moeten biechten eigenlijk zo haatte.
B. Die constructie lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk. Vorige zondag was ik uitgenodigd om in Beverwijk op de preekstoel
| |
| |
wat te zeggen. Je ziet dan zo'n hele kerk met drie, vierhonderd jongens en meisjes, waarvan misschien een kwart met elkaar naar bed gaat, rustig naar het altaar gaan en daar een broodje nemen. Dat had ik, als mijn vermoeden juist is, niet in mijn hersens gehaald. Maar ik denk dat die jonge mensen zich niet schuldig voelden. Vergeet ook niet, dat door de pil de sexualiteit is los komen te staan van eventuele progenituur en helemaal afzonderlijk daarvan beleefd kan worden. Wat een verschuiving heeft alleen dat al niet teweeg gebracht! Want het veto zat toch ook vast aan de overweging: wat komt daarvan? Het antwoord is nu: niets.
P. Ik weet het niet. Er is voor hen misschien inderdaad niets aan de hand, omdat ze waarschijnlijk niet geloven dat ze met hun ontvangen van het brood een heiligschennis bedrijven. Als het brood blijft, schend je het allerheiligste niet. Voor ons was dat anders. Als je toch in dat boek van Graham Greene, ‘The heart of the matter’ leest; de situatie van die man; dat hele verhaal is opgehangen aan het schuldbesef van een man die overspel pleegt en die niet wil biechten vanwege dat goede voornemen.
B. Je bedoelt die whisky priest?
P. Nee, dat is ‘The Power and the glory’. ‘The heart of the matter’ gaat over een man die overspel pleegt, en met zijn vrouw dan zondags in de kerk zit, maar beseft dat als hij niet te communie gaat, zijn vrouw daarmee weet: hé, hij is scheefgegaan. En dus gaat hij toch te communie; en weet daarmee een verdoemelijke zonde op zich te laden en een niet te vergeven heiligschennis. Het merkwaardige is dat dit verhaal in ons jaar, 1969, eigenlijk nauwelijks nog enige gelding voor ons heeft.
B. Het is als stof voor een roman moeilijk meer te herkennen.
P. En het is vijftien jaar geleden geschreven; dat was toen een uitermate gedurfd boek. Want wat jij zegt, nu, over die jongelui in Beverwijk, die inderdaad dat broodje gaan halen, daar doet zich dit probleem dan in het geheel niet voor, van heiligschennende biecht.
B. Ik wou nog iets zeggen, maar daar heb ik heel veel moeite mee, omdat het een gedachte is die de laatste vijf minuten als een soort parfum ongrijpbaar om me heen zweeft. Nu moet ik even denken hoe dat te formuleren is. Die kerk komt natuur- | |
| |
lijk niet aan dat verhaal van die schuld bij wijze van een slimme inval om de boel bij elkaar te houden. We vergeten meestal, als we het over de ‘kerk’ uit een bepaalde periode hebben, dat we over de Europese mensheid van die tijd spreken. De kerk, dat zijn wij, in verschillende fasen van denken. En nu vermoed ik dat die kerk niets anders gedaan heeft dan een existentieel schuldgevoel, dat van alle tijden is, in een bepaald zakje te doen. Dat zakje is versleten en het water is er uitgelopen, maar het kon wel eens een illusie zijn om te menen dat wij vrij van schuldgevoel zullen zijn. Wat de kerk gedaan heeft is het in een bepaalde gedaante doen stollen van schuld, die er altijd zal zijn, telkens in een andere vorm. En nu vraag ik mij dit af: we hebben de biecht afgeschaft en we zeggen: die erfzonde, dat geloven we niet meer en die hel bestaat niet, laten we het maar heel extreem stellen. Maar daarmee is die schuld niet uitgebannen. Heb je wel eens behang geplakt? Er zit een bobbel in het papier, die kim je op die bepaalde plek wel wegstrijken, maar een eind erboven verschijnt hij toch weer. Het is maar een beeld. En nu: in welke vorm zal die bobbel van het schuldgevoel weer naar boven komen? Ik ga dus uit van de theorie, dat de kerk niets anders gedaan heeft dan een altijd bestaan hebbend besef van tekort te schieten vorm geven. En vanuit die theorie zullen we dus dadelijk weer in een ander schuldgevoel schieten. Of denk jij, dat de kerk het maar bedacht heeft?
P. Nee. Het schuldbesef zal altijd weer boven komen, dat denk ik ook; alleen weet ik niet of het in dezelfde hevigheid of in dezelfde uitingen en in dezelfde vorm boven zal komen. Schuldgevoel bestond er vóór het door onze kerk geïnstitutionaliseerd werd. Bij Kaïn, bij David. In de psalmen komt er niet weinig schuldbesef naar boven.
B. Een bobbel, die altijd weer verschijnt.
P. Ja, alleen al, dacht ik, omdat, als je je afhankelijkheid van een opperwezen erkent, door wie je gemaakt bent en van wie je hoopt dat hij je in stand zal houden na dit leven, je het goed met hem wilt maken, je hem te vriend wilt houden. Dat is nu maar de eerste menselijke reactie die bij me opkomt.
B. Ja, maar bij mij komt iets anders op: ik meen dat er ook schuld zal zijn bij de mens, die helemaal niet een God erkent, die volkomen atheïst is. Die schuld is misschien existentieel
| |
| |
verbonden met de mens en zal hem altijd begeleiden. En wat is dat? Ik denk dikwijls, en het is al een heel oud gevoel bij mij, dat het dit is: de discrepantie tussen lichaam en geest. Een paardebloem heeft geen schuld, en een kat heeft geen schuld, want die leven volkomen natuurlijk. De schuld ontstaat daar, waar wij boven dat animale en vegetatieve uitstijgen, waar we ons verwijderen van al het ons omringende leven, dat gezond handelt en gezonde instincten heeft. Dat deel hebben wij ook wel, waarin we met katten en paardebloemen één wereld vormen, want onze ademhaling, groei en stofwisseling gebeuren onbewust, maar daar bovenop is een denkende bol geschroefd, die reflecteert, die aan introspectie doet, die verschillende mogelijkheden overweegt, waardoor wij van de natuur afraken, en er een spanning, en soms een kortsluiting ontstaat tussen onze instincten van gewoon maar doen wat er te doen valt, en de reflexie daarop. Kortom, wij kunnen denken en als gevolg daarvan kunnen wij kiezen. En daarom vind ik het zo prachtig in het verhaal van de zondeval, dat Adam en Eva eten van de boom der kennis. En dat ze voor een keuze gesteld worden. Dat zijn precies de twee dingen, waardoor wij van de dieren verschillen: het weten en de vrije wil. Het is iets koninklijks, iets wat alleen de mens heeft, daar mag hij ook trots op zijn. En tevens is het onze vloek. Want daardoor zijn wij verjaagd uit het paradijs der onbewustheid.
P. Dat zou dan aansluiten bij de nieuwe notie van schuldbesef, die je tegenwoordig ontmoet: waarin de schuld verlegd wordt van de relatie schepsel-God naar de intermenselijke relatie. Schuldbesef ontstaat dus, of moet ontstaan, door het besef van tekortkoming van mij ten opzichte van jou, als mens, - hetgeen voortkomt uit het failliet van mijn boven-de-dierenstaan met mijn redelijke soortgenoten; in mijn relatie met hen schiet ik dan tekort, buit ik mijn kennis aangaande mijzelf en mijn soortgenoten niet op de juiste wijze uit; ik heb die naaste niet lief als mijzelf, om het nu zo even te vertalen; integendeel: ik profiteer van hem, ik schop hem voor zijn achterste.
B. Ja, ook dat is waar, maar daarmee raak je iets heel anders dan het schuldgevoel waar ik op doel. Dit bestaat ook als ik helemaal alleen ben: de schuld van de bewustwording, waardoor wij onze argeloosheid kwijt zijn, het nadenken over de dingen en over onszelf, waardoor wij de omheining van de na- | |
| |
tuur verlaten hebben. We zijn lang geleden toch allemaal onbewust geweest en hebben, al was het op een oneindig lager plan, in volkomen harmonie geleefd. En nu zijn wij ballingen buiten die tuin. Het is moeilijk uit te drukken en ik stel me wagenwijd open voor het misverstand, dat ik iets betreur en de klok zou willen terugdraaien. Nee, nee, het is een verworvenheid, die wij hebben en zij niet, maar die moet betaald worden. De prijs is een gevoel van ontheemdheid, ja, van schuld, zoals ik op de lagere school het gevoel had de onbewustheid van daarvóór verraden te hebben en op het gymnasium dat ik de lagere school verloochende. Je hebt telkens verdriet, naarmate je verder komt, een vage schuld van telkens weer iets liefs te hebben prijsgegeven. Zo is het ook met de mensheid. Er zal altijd een gevoel van schuld blijven.
P. Ik kan daarin moeilijk met je meegaan, omdat ik de natuur waarschijnlijk niet zo ervaar als jij. Wat jij zegt, dat doet me zo denken aan Rousseau en de tijd van de Verlichting. Ik hoor er - misschien vergis ik me, en dan moet je me corrigeren - zo'n overschatting in van de harmonie in de natuur. De niets beseffende wezens in de natuur, de wezens zonder rede staan elkaar naar het leven; dat vreet elkaar op, dat verdringt elkaar in het bos, al groeiende.
B. Nee. Nee. Dat is nou een projectie van ons schuldgevoel. Die kat voelt zich niet schuldig, die die muis opeet, hij kan niet anders, hij heeft geen keus en hij kiest ook niet. Wij wèl en daar ontstaat schuld, want we kunnen ook een ander niet doodslaan. De natuur is volkomen onschuldig, hoe bar het er ook toegaat. Het is daar moord en doodslag, maar het moet zo zijn. Maar dat is iets heel anders dan dat suikerwater van Rousseau. Ik heb eens een fel stuk gelezen tegen de vergissing van Christus, die maar dacht dat het met ‘de leliën des velds’ en ‘de vogels des hemels’ allemaal koek en ei was, terwijl het een vreselijke strijd om het bestaan is en ze elkaar het licht in de ogen niet gunnen. En toch had Christus gelijk. Want wat zegt hij: Dat ze niet zaaien en niet maaien en niet aan de dag van morgen denken. Met andere woorden: ze reflecteren niet en die onschuld is bedoeld. Ik denk wel eens, dat we eigenlijk nog niet aan de bewustheid toe zijn, dat we te vroeg wakker zijn geworden en nog een tijdje in de onschuld hadden moeten blijven, die ik overal om me heen zie als ik
| |
| |
door mijn tuin loop. En nu is er nog zo veel van die onbewustheid in ons overgebleven, hartslag, ademhaling, stofwisseling en allerlei diepe instincten, dat we in een conflictsituatie gekomen zijn, een dubbeltoestand, een soort schizofrenie. We zijn allemaal dieren met waterhoofden.
|
|