| |
| |
| |
11 Biechten
P. Ik zou wel eens willen weten: hoelang is het geleden dat jij voor het laatst hebt gebiecht?
B. Ik schat vijftien of twintig jaar.
P. Ik heb het laatst zes of zeven jaar terug gebiecht, vermoed ik; ik heb het dus blijkbaar langer volgehouden dan jij.
B. Je hebt het zeer lang volgehouden.
P. Ik heb er dus waarschijnlijk ook langer in geloofd dan jij, in het nut ervan, of in de noodzaak ervan.
B. Ja, ja. Nou is de biecht, als begeleiding van de puberteit en met name bij het vraagstuk van de onanie, natuurlijk veel belangrijker dan wanneer je getrouwd bent. Ik vond het enorm belangrijk om naar die man te gaan. In die afschuwelijke periode van schuld, angst en panische ontzetting om wat er allemaal met je gebeurde, waarvan ik dacht dat ik de enige op de hele wereld was, vond ik in de biechtstoel iemand die luisterde en dat is natuurlijk iets in 't schrikbarend isolement waarin je toen leefde. Maar je trof niet 'n man, die voldoende psychologisch geschoold was om de zaak te relativeren.
P. Luchtte het je op dat je van schuld afkwam, of luchtte het je op omdat hij je ook nog iets meegaf? Aan bemoedigende woorden of zo?
B. Nee, van die verpletterende schuld nam hij geen ons af. Als die man me nou had verteld: wat er met jou gebeurt is heel gewoon..., maar dat deed hij niet. Hij zei met grote bekommernis dat het wel zeer te betreuren was, en inzoverre was het dus dilettantenwerk. Ik vraag mij trouwens af, op welke titel een seminarist, die een paar jaar theologie heeft gestudeerd, rechtens de adolescentie mag begeleiden? Ik geloof dat je voor psychiater negen jaar moet studeren, en deze jongens die deden dat maar. Ik heb eens 'n meisje gesproken, die deed aan masturbatie, en toen vroeg die priester: was daar een zaaduitstorting bij? Die wist helemaal niks. Ik vind dus - om even te recapituleren - dat enerzijds de biecht veel wezenlijker was in die tijd, waartegenover staat dat de daarbij behorende opleiding eenvoudig niet bestond.
P. Nee, met andere woorden: wanneer de priesters, toen de
| |
| |
biecht nog gemeengoed was, zich hadden beperkt tot het aanhoren, maar er geen oordeel over hadden uitgesproken waaruit bleek dat zij geen psychologische studie hadden gedaan, dan was de schade waarschijnlijk minder geweest.
B. Er werden juist geen adviezen gegeven. Die man zat er als door de donder getroffen bij, tenminste, die indruk maakte hij op mij en dat is in dit geval hetzelfde. Hij dacht toch ook dat het een hemeltergende en om wraak roepende doodzonde was?
P. Ze konden natuurlijk moeilijk anders uitspreken dan het oordeel dat hun geleerd was op het grootseminarie, het morele oordeel dat in de handboeken was verstrekt.
B. Goed, laten we dan niet van een schuld spreken van die man, maar toch wel van de kerk, die eenvoudig faalde in het bijhouden van de noties die op dit gebied allang bestonden. Pas achteraf is het mij duidelijk geworden hoe groot de afstand was tussen de gewone voorlichting, die dit als een natuurlijk verschijnsel beschouwde, en de kerk die daar een constructie van maakte met zonde en bederf. Toch denk ik niet met wrok aan hem terug. Hij was werkelijk vol bezorgdheid, alleen had dit iets te maken met het meeleven, waarmee een aalmoezenier een veroordeelde naar het schavot begeleidt. Maar goed, het was toch iets.
P. Voor mij ook. Maar als je mij vraagt: wát heeft die precies voor mij betekend, dan kan ik toch moeilijk anders antwoorden dan dit: het was niet bij een mens dat ik neerknielde om de vermeende zonden te belijden, het was een soort mechanisme, een soort wasmachine; daar stopte ik me in en ik kwam er schoon uit. En meer was het niet. En het aantal malen dat die wasmachine ook nog een aardige stem had, een stem die me nog iets meegaf aan troost, aan begrip, aan bemoediging, aan een blik vooruit, is te tellen; dat was een hoge zeldzaamheid. Maar het gekke was dat ik - en dat zal ook wel mijn opvoeding geweest zijn, en ik zie dan hoe weinig kritisch ik tegenover dat feit stond - aan die machine genoeg had om weer enkele dagen voort te kunnen. Jij zei daarnet: ‘Ik kwam niet van mijn schuld af.’ Ik kwam er wel van af; ik geloofde tenminste dat ik schoon uit de wasmachine kwam.
B. Ja, dat begrijp ik. Toch vind ik dat je over het feit, dat je zonden je vergeven worden te devaluerend spreekt door het
| |
| |
beeld van de wasmachine te gebruiken. Ik vond dat wel geweldig, die vergeving, dat heeft mij ontzettend veel gedaan.
P. Ja, dat kan zo klinken. Maar ik zou natuurlijk toch niet telkens zo opgelucht geweest zijn als ik niet op de een of andere wijze dat begrip had gehad waar jij op doelt, die notie van: hier worden toch maar door een goddelijke ingreep mijn zonden vergeven en ik kan weer vrijuit doorgaan. Maar de vergeving van die zonden kwam niet van een mens in wie voor mijn begrip de alles vergevende liefde van God gepersonifieerd was, als wel van een soort robot, uit een onpersoonlijk instituut. God vergaf me wel, maar het middel waardoor hij dat deed leek niet op zijn zoon. Ik weet dat ik in mijn seminarietijd me van mijn toekomstig priesterschap niets zo goed kon voorstellen als hoe ik later zou biechthoren. Ik beloofde Onze Lieve Heer en mezelf dat ik dát geweldig zou doen.
B. O ja? Nee, dat heb ik niet gekend. Ik beschouwde die priester als een plaat glas, waardoor ik sprak met het opperwezen. Dat heb ik heel sterk gehad, dat idee van transparantie. En ook als hij suf was en me niet begreep, had ik al heel vroeg de zekerheid dat het er niet toe deed, want dat hij maar een membraan was, waarachter God naar mijn trillingen zat te luisteren. Had jij dat niet?
P. Dat heb ik pas veel later gehad; niet in mijn puberteit.
B. O ja, en als hij weg was dan ging ik naar een ander die ‘ego te absolvo’ kon zeggen. Begrip verwachtte ik niet, ik wist niet eens dat dat in die dingen bestond. Het ging om de bevoegdheid, de toverwoorden. Maar ik merk nu, dat ik aardig dicht bij jouw wasmachine kom.
P. Ja. Maar die ene ‘vaste’ menselijke vergever heb ik niet gekend. Het heeft, denk ik, geduurd tot ik een jaar of tweeentwintig was voordat eindelijk een priester achter dat ruitje (en ik had er al veel versleten) tegen mij zoiets zei als: wat je nu hebt verteld, ik vind het geweldig dat je dat überhaupt hebt verteld; maar het was niet nodig; en wel hierom en daarom. Die ging gewoon als een persoon in op wat een andere persoon hem dan toch maar had verteld aangaande zichzelf. Daar was een persoonlijke relaties. Maar toen was ik tweeëntwintig.
B. Wat is dat eigenlijk absurd. Ik biechtte bij plebaan Westerwoud, van de Haarlemse kathedraal, en die zei wel eens wat, heel diep en ingetogen. Maar ik beschouwde dat altijd als
| |
| |
een toegift, en was mij heel levendig bewust dat wanneer ik bij een dooie dief was terechtgekomen in plaats van bij deze mystieke man, dat dat aan de waarde van de biecht niets afdeed. Ik was wel erg vereerd met dit verre gepraat, maar 't was toch niet het wezen van de zaak. En dat heb jij niet gehad?
P. Dat wil zeggen: ik moet een nuance aanbrengen. Ik was zo gewend geraakt aan het anonieme van de mannen die er zaten, aan het onpersoonlijke van het woord dat dan tot mij kwam, dat ik toen ik met mijn twintigste in Amsterdam op kamers ging wonen en in die tijd ging biechten, zelf de anonimiteit zocht, aan de andere kant van het horretje. Ik ging dan naar een kerk op de Keizersgracht, van de paters redemptoristen. Dat is er een waar je op elk uur van de dag binnen kunt komen en biechten; of het wás er zo een. Je drukte op een knopje, en dan kwam er een biechtpater. Dat was steeds een ander, de ene keer een dikke, de andere keer een magere, een jonge of een oude; want er woonden in de pastorie bij die kerk een stuk of twintig paters, en daar was geen vaste man voor het biechten: dat wisselden ze af volgens rooster. Het kon nauwelijks anoniemer, en zo wilde ik het ook. Dan kon ik mijn zonden kwijt. Maar ik vraag mij nu af of ik toch eigenlijk niet in de kern hetzelfde ervoer als jij, nl. dat het er nauwelijks toe deed wie er achter dat ruitje zat, want hij had dan toch maar van God die vergevende macht gekregen.
B. Het komt er wel dicht bij. Maar nu ik je zo hoor zie ik opeens ook een groot verschil. Dat zwerven van de ene biechtvader naar de andere heb ik nooit gedaan. Ik vond, dat het telkens opnieuw ‘vallen in de afgrond’, ondanks alle strijd en goede voornemens, een wezenlijk deel van mijn schuld was, dat dus juist de repetitie het geval zo erg maakte. Ik meende, dat plebaan Westerwoud daar getuige van moest zijn. Dat was wel zeer beschamend, je ging ook telkens door de grond heen, maar die vernietiging hoorde erbij, je kon daar niet van af door op een ander knopje te drukken. In zoverre was er dus een zeer persoonlijke relatie, zie ik nu. En ook in dit opzicht, dat plebaan Westerwoud de grootste heilige was, die de wereld had voortgebracht. God, wat vereerde ik die man. Het was zijn lot regelmatig de grootste zondaar van alle tijden te ontmoeten en hij onderging die beproeving voorbeeldig. Ik keek naar zijn gebogen hoofd en luisterde naar zijn oneindig mystieke woor- | |
| |
den. De poel van bederf zelf wist hij niet te dempen, daartoe ontbrak hem de opleiding, maar hij toverde er prachtige waterlelies uit te voorschijn.
P. Jij hebt dus blijkbaar het geluk gehad, al in een veel vroeger stadium dan ik, kennis te hebben mogen maken met een persoonlijkheid, bij wie je dan ook je persoonlijke leed kwam uitstorten. Dat geluk is mij lang niet beschoren geweest.
B. Maar dat begrijp ik niet, want op het seminarie ben je toch niet in de anonimiteit: daar zitten toch de leraren die priester zijn?
P. Ja, maar ik geloof dat juist de anonimiteit daardoor bevorderd werd.
B. Bedoel je, dat je vermeed een biechtvader te kiezen, die je de volgende dag op de gang kon tegenkomen? Wat zocht je dan uit, een soort obscure leraar in het Hebreeuws of zoiets?
P. Nee, het was zo: van de ongeveer vijfentwintig leraren die er waren fungeerde er een zestal, de zes oudsten - als biechtvaders.
B. Hé, en die anderen niet?
P. Nee. En uit die zes moest je een keuze maken. Je mocht natuurlijk ook wel naar een van de andere vijf overgaan, maar het werd toch warm aanbevolen om je bij één van die zes te houden. En wat warm werd aanbevolen betekende voor ons een gebod. En die ene moest dan je ‘vaste biechtvader’ zijn, je ‘geestelijke leidsman’. Je durfde daar eigenlijk niet bij weg te blijven. En zo bleef ik vijf jaar lang bij dezelfde plakken, de leraar Duits. Ik kreeg ook altijd de eerste prijs voor Duits, maar dat zal er wel niets mee te maken hebben gehad. Nu was het zo dat er onder de jongere leraren enkele waren bij wie ik graag zou hebben gebiecht, met wie ik een persoonlijke relatie had, bij wie ik ook wel 's avonds op de kamer kwam en over van alles en nog wat praatte. Maar ik mocht bij hen niet biechten. En er was een soort stilzwijgende afspraak dat, als ik dit had gedaan, dit zowel door de betrokken man als door mijzelf zou zijn beschouwd als een inbreuk op de goede manieren. En dan was ik natuurlijk al heel fout geweest.
B. Die zes hadden zeker de handen vol?
P. Ja, die biechtten zich het rambam.
B. Maar was er bij die zes niet een favoriet, waar de meesten naartoe gingen?
| |
| |
P. Nee. Heel merkwaardig, maar het was een gelijk verdeelde zaak. Vermoedelijk omdat de wachttijden bij een uitgesproken favoriet te lang zouden zijn geworden naar de smaak van de leerlingen.
B. Dat is vreemd, je zou verwachten dat...
P. Nee. Maar ik had nog dit willen zeggen, en dat strookt enigszins met wat jij daar over die persoonlijke relatie zei met de plebaan bij wie jij biechtte en bij wie jij je eigen leed wilde uitstorten en van wie je dan ook een oordeel daarover wilde hebben...
B. Ja, en dat gaf hij ook.
P. En van wie je dan ook eigenlijk verwachtte dat hij, als je fout zat, het je dan zou zeggen: dat heb ik ook gehad. Ik had nog willen zeggen: ik herinner me hoe diep teleurgesteld ik was, wanneer een van die anonieme biechtvaders over wie ik het zoëven had tegen mij zei: Maar jongen dat is toch niet zo erg? Dat vond ik verschrikkelijk als hij dat zei, want ik vond mijn zonden wel erg. Want, weet je, ik heb vooral angst gehad voor dat ding dat de doodzonde heette.
B. Maar legde hij dan niet uit waaróm?
P. Nee. Hij deed het niet. Had hij dat maar gedaan, dan had ik waarschijnlijk ooit een persoonlijke relatie tot zo'n man gekregen.
B. En wat belangrijker is: de zon was gaan schijnen. Maar nu dat persoonlijke: hij noemde mij ‘vriend’ en herkende me direct in het donker. En al legde ik dat uit als het herkennen van een noodgeval, het deed me toch goed, want in die put van ellende is alles meegenomen. Nou zou daaruit het gevaar kunnen ontstaan dat je jezelf bevoorrecht acht of dat je je laat voorstaan dat die man heel lang met je praat. Dat werd dan weer gecompenseerd doordat je een uur lang in een lange rij zat te wachten. Dat gaf daartegen weer een evenwicht. Begrijp je wat ik bedoel?
P. Ja. Je zat dan toch maar in de rij. Vond jij het ook verschrikkelijk wanneer je op een plaats kwam te zitten, zo dicht bij de biechtstoel, dat je half kon meehoren, wat daarbinnen besproken werd?
B. Dit was zeker een wel doortimmerde biechtstoel, want ik heb nooit iets vernomen. Ik verwachtte trouwens dat dat allemaal kinderspel was bij wat ik te vertellen had.
| |
| |
P. Ik heb menigmaal meegemaakt, dat het zo overluid was van weerszijden dat je het, wanneer je wilde, had kunnen volgen. Ik wist dan nooit waar ik blijven moest van paniek, en deed mijn handen over mijn oren om het toch maar in godsnaam niet te hoeven horen.
B. Ja. Dan had zo'n biechtstoel ook een bepaalde geur.
P. Daar hing een geur, ja; van het zweet denk ik, van al de mensen die daar hun zonden waren kwijtgeraakt.
B. Ja, maar dat niet alleen, ook van hout en een zekere adem van mystiek, ik weet niet was het was.
P. Het donker was welkom.
B. Ja, die schemering... heel essentieel was dat.
P. Hoe donkerder hoe beter; hoe donkerder biechtstoel, des te betere biecht. Ik heb wat de biecht betreft, er vroeger vaak met anderen over gepraat. Eén verhaal is me altijd bijgebleven. Het is een verhaal van een goede kennis van ons beiden, toen die nog studeerde aan de universiteit van Groningen. Hij was op een zaterdagavond uitgegaan, en flink ook, de hele nacht door. En daar was het een en ander bij gepasseerd dat niet door de beugel kon. Het was zondagochtend, de eerste kerkklokken luidden en hij begon in paniek een zwerftocht door de stad, en wist opeens dat hij het kwijt moest, biechten. Tenslotte komt hij om half twaalf zijn eigen parochiekerk binnen met het vaste besluit om het nu, maar dan nu ook onmiddellijk te biechten bij de pastoor. Hij komt achter in de kerk, en de kerk is leeg want om twaalf uur zou de laatste mis beginnen, en daar loopt inderdaad de pastoor te brevieren. Met een verwilderd, slapeloos gezicht rent hij naar die pastoor en zegt: Ik moet bij u biechten. En de pastoor zegt: Jongeman, het spijt me verschrikkelijk, maar er wordt op zondagochtend niet gebiecht; daar is op de vrijdagavonden en de zaterdagavonden ruimschoots gelegenheid voor.
B. 't Is net of je een van de schriftgeleerden hoort.
P. Toen zei die jongen sarcastisch: Dat zou Christus ook gezegd hebben. En hij rende naar huis (hij woonde nog bij zijn vader en moeder) en sloot zich in zijn kamer op. Om één uur werd er op zijn kamer geklopt, zijn vader stond voor de deur en zei: Ik moet je spreken; beneden zit de pastoor; je moet je verantwoorden, kom de kamer uit. Hij ging met zijn vader mee naar beneden en werd geconfronteerd met de pastoor.
| |
| |
Is het waar, vroeg zijn vader, wat de pastoor mij vertelt? en dat jij tegen de pastoor toen dit en dat hebt gezegd? Ja, zei die jongen toen, maar dan zal ik u ook precies vertellen wat er gebeurd is. En biechtte daar, voor zijn vader en moeder. En toen zei zijn vader tegen de pastoor: Daar is de deur.
Dat verhaal heeft op mij altijd een diepe indruk gemaakt. Waarom? Omdat het alles bij elkaar veel vertelt van bepaalde ellendigheden van het rijke roomsche leven dat wij achter de rug hebben. Ik geloof niet dat het misschien zo vaak is voorgekomen dat priesters reageerden op de manier waarop die pastoor reageerde, maar iets dergelijks zat er wél dik in, in het instituut dat de kerk toen was. En tekenend vind ik het vooral ook, voor wat de paniek van die jongen betreft, na die nacht. Ik herken die angst: zou onverwachts de dood komen zonder dat je gebiecht had, dan ging je naar de hel.
B. Ik geloof toch dat zoiets weinig voorkwam. Het bewijs hiervan is trouwens, dat je 't mij als een boeiend verhaal vertelt en dat zou 't niet zijn als het vaak gebeurde. Maar boeiender dan het verhaal vind ik de stilzwijgende veronderstelling, dat hier sprake is van een ramp. Hel en verdoemenis, het hele geval dampt van de zwavellucht. En wat is er nou eigenlijk gebeurd, zonder die hele constructie er omheen? Een man heeft voor 't eerst een vrouw leren kennen, wat vermoedelijk ook de hoogste tijd was. En in plaats van dat hij dansend naar huis gaat en daar een vader tegenkomt, die handenwrijvend informeert of het naar genoegen was, zit de hele zaak in de keuken te kniezen. Daar heb je 't weer, dat verdomde overslaan van de vreugde hier om de zaligheid daar, is 't niet om uit je vel te springen? Die ellendige hersenspoeling, waardoor de man totaal in paniek raakt als hij iets doet waarvoor hij biologisch geschapen is.
P. Ja maar dat bedoelde ik ook toen ik zei: dit is een stukje historie met allerlei aspecten van hoe verkeerd het allemaal zat. En misschien dat het weinig voorkwam wat die bepaalde pastoor op die zondagochtend zei (hoewel: de echte voortdurende beschikbaarheid van de priester was toch wel een zeldzaamheid). Maar een algemeen bekend verschijnsel was de paniek zelf, van jonge mensen als toen die vriend van ons. De zielenood die niet had hoeven bestaan; de angst voor het plotseling doodgaan en dan oog in oog komen staan met een straf- | |
| |
fende God.
B. Ja, maar de tragiek van het geval staat helemaal los van die pastoor. Ook als die met zijn jammerende penitent onder zijn arm naar de dichtstbijzijnde biechtstoel gehold was, dan zou het even jammerlijk geweest zijn.
P. Nee, het staat er niet los van. Die jongen was als het ware voorbestemd voor die panische ervaring, omdat hij was opgegroeid en opgevoed met schuldgevoel ten aanzien van de mogelijke gebeurtenis met een vreemde vrouw. Dan raak je toch ook het instituut, met het besef van de doodzonde en de biechtplicht en de pastoor? Je kunt het toch niet los zien van het hele stelsel?
B. Nee, ik bedoel met ‘los,’ dat die pastoor zegt: er wordt alleen op vrijdag en zaterdag biecht gehoord. Dat vind ik niet wezenlijk.
P. Ah, nee.
B. Ja, ik wil zelfs verder gaan. Jij praat alsof het verleden is, maar ofschoon de biecht is afgeschaft zijn er nu duizenden christelijke jongens die het mooiste wat er ongeveer bestaat als paniek ervaren; dat is nog steeds zo.
P. Daar heb ik geen oordeel over.
B. Nou, ik wel. Dat ligt allemaal zo recent achter ons, dat het zo maar naar bed gaan met een vrouw, ofschoon dat dan misschien niet gebiecht zou worden, een beladen zaak is, nog steeds.
P. Ja, het is in de kerk een beladen zaak.
B. Eigenaardig, dat toespitsen van het zondebesef op de erotiek. Het niets geven aan de krantenbezorger op Nieuwjaar is tienmaal erger. Die vreemde bewustzijnsvernauwing bestaat nog steeds, althans in gezinnen die christelijk geïndoctrineerd zijn. Ik geloof dat jongens die van god noch gebod weten - in letterlijke zin - het heerlijk vinden en met opgetogenheid - nou, niet aan hun vader, want die drempel zal er nog wel zijn, maar aan hun vrienden vertellen hoe zalig het was.
P. Ja. Nu vraag ik mij wel af of er bij de christelijke indoctrinatie van vroeger überhaupt veel gezegd werd over de werkelijkheid van dit soort zaken; over de werkelijkheid die je eventueel zou kunnen meemaken.
B. Iets constant verzwijgen is een vorm van indoctrinatie.
P. Het werd hoogstens vaag aangeroerd. Er waren ‘zonden
| |
| |
tegen de heilige deugd’, en je moest je drie weesgegroeten bidden om ‘je zuiverheid’ te bewaren. Maar het bleef een vaag geheel.
B. Jawel, het werd soms in heel vage en clericale contouren omlijnd met de verwachting, dat de luisteraars dat wel in zouden vullen; dat deed je dan ook allemaal. Als men het dan had over de wereld en de zonde, dan vulde jij een vrouw in.
P. Ja. Maar ook niet meer. Typerend misschien is ook wel een ander verhaal, dat overigens stamt van dezelfde man over wie ik zoëven vertelde. Het betreft een oom van hem. Hij vertelde mij dat ongeveer als volgt: in iedere familie heb je een jolige oom...
B. De oom die niet deugt... een bekende figuur in iedere roomse familie. Wij hadden er te weinig van.
P. Maar van wie iedereen stiekem vond dat hij de aardigste oom was van de hele familie, want hij bracht altijd de dozen bonbons, de fles, de jolijt én de gewaagde grappen mee, als er eens een keer een familiereünie was. Hij was ongetrouwd, meestal, en verder verspreidde hij om zich heen de geur van gewaagdheid, die iedereen eigenlijk zo graag de zijne had willen noemen.
B. Hij was bemind, omdat hij het braaf-zijn reliëf gaf. Omdat hij niet oppaste kon je elkaar hoofdschuddend aankijken.
P. Goed. Deze jolige oom was er dan ineens - zo vertelde mij mijn vriend - toe gekomen om zich te bekeren. Er was een missie gepredikt in de parochie waar hij ook toe behoorde, en je weet hoe dat vroeger bij zo'n missie toeging: altijd waren er grote zondaren die door de heilige missie, ‘getroffen door het woord van een onzer paters’, terugkeerden in de schoot der moederkerk. Ook deze oom ging voor de bijl, en besloot op een avond na de donderpreek over de hel: nu ga ik het maar allemaal biechten, nu moet ik mijn hele zondige leven maar gaan belijden. Hij belde aan bij de pastorie waar hij toe behoorde en waar de retraite-paters, redemptoristen, tijdelijk onderdak hadden gevonden. Hij vroeg aan de huishoudster of hij de pater mocht spreken die zojuist gepreekt had en werd verzocht in de hal van de pastorie te wachten. In geen jaren had hij god of gebod erkend of de kerk bezocht, laat staan dat hij de pastorie van binnen kende. Terwijl hij daar staat te wachten, komt van de trap, in een wolk van sigare- | |
| |
rook, de pastoor van die parochie naar beneden, blijft halverwege de trap staan, kijkt hem aan, knikt goedkeurend, en zegt: ‘Zo, zo.’ De jolige oom heeft rechtsomkeer gemaakt, is de pastorie uitgelopen en heeft zich nadien nooit meer in de buurt van de kerk opgehouden.
B. Maar waarom eigenlijk niet? Dat is wel interessant om te weten. Want duidelijk vind ik het niet.
P. Wat hij hier ervoer, was de al te duidelijke satisfactie van de parochiegeestelijkheid (tot wie hij zich eerder had moeten wenden in zijn zondigheid) over het feit dat hier dan toch maar een zondaar terugkeerde tot de moederkerk.
B. Ja, maar dat is toch niet iets om de benen te nemen.
P. Het was hèm te veel. En ik kan me ook voorstellen waarom.
B. Over de benen nemen gesproken: Die missies waren interessant, want die paters gingen na drie dagen weer weg. En de reden waarom er zo ontzaglijk gebiecht werd was, behalve bekering en berouw, ook dit dat je je bagage kwijt kon aan iemand, die je niet de volgende dag op straat tegen kwam.
P. Dus toch de anonimiteit? Dus toch de wasmachine?
B. Nee, het was meer om de confrontatie de volgende dag te vermijden; dat is iets anders dan de wasmachine. 't Valt niet mee om aan een pastoor je diepste geheimen te vertellen, als je weet dat die 's avonds een kaartje bij je komt leggen. De missie voorkwam die gêne.
P. Natuurlijk. Daarom ging mijn vader altijd biechten in een parochie verderop, bij de paters jezuïeten in de Elandstraat en niet in zijn eigen parochie. Natuurlijk niet, want de parochiegeestelijkheid zelve kwam thuis bij hem kaarten, en gordijnen bestellen en lakens voor de pastorie.
B. Maar nu het verschijnsel van wat ze de ‘geruisloze afval’ noemen en waarom dat zo massaal gebeurt. Daar wordt veel over getobd. Eén oorzaak hoor je nooit noemen. En die is: rancune. We hebben allemaal jarenlang van de hel gehoord, waar je eeuwig, eeuwig, eeuwig in wit-hete vlammen kronkelde zonder ooit te verbranden en dat omdat je één ding gedaan had of één ding had nagelaten. Er zal nu wel niemand meer zijn, die dat nog serieus gelooft. Maar dat hebben we toch gedaan en iedereen van boven de dertig herinnert zich die slapeloze nachten, waar je als kind de vlammen tegen het plafond zag
| |
| |
spelen. En nu is er niets dat zo kwaad maakt als paniek, die achteraf blijkt ongegrond te zijn. Zelfs kalme ouders zie je dan hun kinderen een oorvijg geven.
P. Het is mogelijk dat zich daarom rancune heeft vastgezet.
B. Je merkt het om je heen. De mensen zeggen: we zijn belazerd. Dat drukt het wel ongeveer uit. En het helpt niet of de priesters nu zeggen: och, vroeger tilden we daar wat zwaarder aan, dan worden ze nog kwaaier. Het gewicht waar we onder verpletterd lagen is te groot geweest om het op die manier te bagatelliseren. Ik zeg niet, dat het de enige factor is, maar het speelt wel mee.
P. Ja, zou ik dan ook niet kwaad moeten zijn? Ik ben het niet, en ik heb geen rancune op die grond. Ook mij is het bestaan van hel en vagevuur uitbundig verteld, en ook mij is het begrip doodzonde, en zonde in het algemeen, en erfschuld, diep ingehamerd. En ik heb ook liggen zweten van angst om dat eeuwige vuur. Maar ik heb niet die reactie gekregen van: ik ben belazerd; omdat ik nadien heb gedacht: zij zijn er ook pas sinds kort achter; zij hebben indertijd ook niet beter geweten dan dat het zo zat; en ik kan er dus niet kwaad om zijn: we zitten in hetzelfde schuitje.
B. Ja. Op die grond kun je nooit kwaad zijn. Dat kun je namelijk altijd zeggen. Je kunt het zelfs van het nationaal-socialisme zeggen. Een vent die jou afranselt in een kamp, die weet na zes jaar Hitler-jugend ook niet beter. Ik vind het wel heel nobel, maar ik denk bij mezelf: ik heb rondgelopen met een in alle opzichten verheugende potentie, ik bad juichend naar school moeten gaan en daar een gezond gebruik van moeten maken. En wat een bos rozen was is door een geheimzinnige toverformule veranderd in een bos brandnetels. En ofschoon ik helemaal geen rancune heb tegen plebaan Westerwoud of tegen pastoor Jansen of hoe die mensen ook geheten hebben, voel ik wel een hevige drift tegen het instituut, waarvan zij de vertegenwoordigers waren.
P. Aha. Maar dat is iets anders. Het instituut.
B. Maar ik heb het over de geruisloze afval van het instituut.
B. Ah ja. Ik ben inderdaad ook kwaad op het instituut, niet op de individuen die daar het slachtoffer van waren - priesters inbegrepen.
B. Ik ben er zo kwaad over dat ik er niet eens aan wil den- | |
| |
ken, omdat ik dan in een omgekeerde trechter kom, in een steeds groter drift en ik druk het maar weg. Of ik probeer de overwegingen toe te passen die jij aanvoert: ze wisten niet beter. Maar ik vind wél dat toen ik vijftien jaar was en de geschriften van Freud al aan hun vijfhonderdste druk toe waren, er wat meer geweten had mogen worden. Het lag allemaal klaar en het werd eenvoudig overgeslagen.
P. Waar ik kwaad op ben is de kritiekloosheid waarmee het kerkelijk gezag zijn mensen klakkeloos liet ovememen wat generaties vóór hen reeds in handboeken was gesteld, de gemakzucht waarmee men dat maar, zonder nieuwe noties van wetenschap in zich zelf te verwerken, heeft aanvaard. Kwaad ben ik op een instituut dat het zwijgen oplegde aan moralisten die op grond van de psychologie beter wisten dan ze van Rome mochten weten. Kwaad ben ik op een systeem dat Poels, Congar en zoveel andere geleerden tijdelijk tot zwijgen bracht. Alsof daar een gelijk was uitgesproken dat voor alle eeuwen gold. Ja daar ben ik natuurlijk kwaad over, daar ben ik woedend om. Het is een schandaal geweest hoelang nieuwe inzichten bijv. op het gebied van de psychologie geweerd werden op de grootseminaries, waar de priesters toch gekweekt werden. Professoren werden er als zwarte schapen van weggestuurd, de polder in, de rimboe. De psychologie is nóg verdacht, al staat er dan nu in één zo'n Romeins decreet van de een of andere congregatie opeens iets over de toepasselijkheid ervan. Maar als ik er goed over nadenk, kan ik toch eigenlijk ook kwaad worden om de buigzaamheid van geleerde mensen die, hoewel ze beter wisten, voor plompe spreek- en schrijfverboden van Rome het hoofd bogen. Het is altijd nederigheid genoemd.
B. Nu we daar toch over praten, je kunt voor die blinde hysterie zelfs een taalkundig bewijs geven en dat is, dat de term ‘onzedig’, die natuurlijk het hele gebied van de zede hoort te bestrijken, uitsluitend dáárop van toepassing was. Een andere betekenis had het niet. En ik denk wel eens: is het mogelijk, dat dat zwart-maken van die potentie en vooral van het toegeven daaraan misschien een van de noodlottige gevolgen van het celibaat is geweest? Dat zij dat niet mochten en uit een soort voor henzelf onbewuste rancune dat toen als heel slecht hebben voorgesteld? Dat vermoed ik wel eens.
P. En als ik nu in de krant lees dat kardinaal Cicognani zegt
| |
| |
dat op de komende synode van de bisschoppen in Rome níet gesproken zal worden over het celibaat van de priesters, omdat paus Paulus VI zich daar toch in 1967 middels zijn encycliek eens en voor altijd over heeft uitgesproken, dan zeg ik: hier openbaart zich een geest van niet-willen-zien van wat er in de wereld gebeurt, en een volslagen blind stil blijven staan bij oude normen. En dan is er opnieuw aan de orde wat we zoëven zeiden: dat kritiekloze overnemen van wat in vorige generaties hierover is geleerd. En dat maakt mij kwaad. Als je het over díe woede hebt, en je zegt: het is om díe woede dat velen geruisloos afgevallen zijn, dan zeg ik: ja dat begrijp ik.
|
|