| |
| |
| |
10 Trouwen of branden
B. Er wordt op 't ogenblik hevig gediscussieerd over het celibaat, in de kranten, op de radio, maar ook op de televisie. Wat me daarin hindert - maar het is nogal moeilijk onder woorden te brengen - is wat ik nu maar even slordig aanduid als: de zielige toon, waarop dit probleem besproken wordt, als zou datgene wat bedoeld is als een offer, als een vrijwillig afstand doen, een frustratie zijn, iets beklagenswaardigs, terwijl het in wezen het betalen is van een prijs, met de bedoeling iets groters dan het huwelijk terug te krijgen. Zelfs de weinige voorstanders spreken erover op een verontschuldigende toon, zoals iemand die in de defensie is. Ze wekken het vermoeden alsof ze praten over een afwezigheid van iets, terwijl het eigenlijk zo zou moeten zijn, dat ze met vuur spraken over een bezit, zoals een man die over zijn beminde praat: iets positiefs, een volte. En nu vraag ik me af: hoe komt het, dat je dergelijke figuren die met glinsterende ogen spreken over iets dat zij hebben en dat een getrouwde mist, niet op het televisiescherm ziet? Ik vermoed drie redenen. De eerste is dat de man, die zijn speciale omgang met God gevonden heeft door onthouding en met name door ascese op het gebied van de erotiek, in een zekere harmonie verkeert en daarom geen nieuwswaarde vertegenwoordigt. Geen regisseur zet de lampen op iemand, die in evenwicht is. De camera begint pas te zoemen als er een conflictsituatie te signaleren valt. Men recruteert dus de gesprekspartners uit de jongens, die het niet gevonden hebben. Dat is punt een. Ten tweede geloof ik dat de religieuzen, die het celibaat als een vervulling beleven, van een zodanige karakterstructuur zijn dat ze de publiciteit schuwen en in elk geval niet zoeken. Het zal om die reden moeilijk zijn om zo iemand in de krant of op het televisiescherm te krijgen. En áls je dat gedaan krijgt is het nog de vraag, of het wel kán.
En hier komen we aan de derde reden: het kunnen. Het is vrij eenvoudig om voor de televisie uit te leggen waarom je het celibaat verlaten hebt, want dat wordt door alle kijkers herkend. Wie heeft dat niet gedaan? Maar het is bijzonder moeilijk om een bepaalde relatie met God, die door sexuele ont- | |
| |
houding zou ontstaan, in miljoenen huiskamers te gooien. De mensen hebben daar immers geen flauw begrip van en draaien eenvoudig de knop om naar Ajax-Feijenoord. Geen gezeur. Om die drie redenen geloof ik dat we de man of vrouw, die vanuit de volheid van het celibaat bewogen en vervoerd spreekt, niet te zien krijgen. Het gevolg hiervan is een vertekend beeld. En daarom zou ik willen, dat er één uit dat onzichtbare leger zich eens over die drempel heen zette en met vuur sprak over wat hij heeft en niet wat hij mist. Dat vind ik de enige vorm om over het celibaat te praten: niet vanuit de defensie, maar in waarachtige vervoering.
P. Ik dacht dat een van de moeilijkheden was, dat de argumenten vóór het celibaat, zoals die, laat ons zeggen, de laatste paar honderd jaar in de kerk verkondigd zijn, niet overtuigend klinken wanneer je ze nu weer hoort. Met andere woorden: velen die het celibaat als ideaal omhelsd hebben, zijn de voosheid van een aantal argumenten gaan inzien; zijn althans gaan begrijpen dat de zogenaamde heerlijke vruchten van het ideaal niet zichtbaar zijn geworden. En ik denk dat een van de redenen waarom er zo weinigen opstaan om het celibaat te verdedigen en de glorie ervan te bezingen is, dat velen die het indertijd gekozen hebben, nu de argumenten die er eenmaal voor pleitten als weinig-zeggend of misschien zelfs als nietszeggend ervaren. Hoewel, - ik zég nu wel: velen. Maar ik moet natuurlijk, met jou, ruimte openlaten voor misschien een groter aantal celibatairen, mannen zowel als vrouwen, die de vroeger gegeven argumenten voor het celibaat nog onderschrijven, of die nieuwe argumenten, steekhoudender argumenten gevonden hebben, in hun eigen leven, in hun gebedsleven, in hun offerleven, in hun pastorale werk. Ik ben het met je eens dat de verdediging van het celibaat op het ogenblik ontbreekt. Dat is vreemd, want het is een heel oud ideaal, het celibaat, het bestaat duizenden jaren, er zijn altijd monniken geweest, er zijn altijd mensen geweest die zich, vóór, maar zeker ín het christendom, teruggetrokken hebben van de andere mensen en zich als celibatairen hebben onderscheiden van de grote groep, en ik geloof ook zeker dat dit ideaal altijd zal blijven bestaan. Intussen kun je het betreuren dat je alleen hen aan het woord hoort, die die idealen niet meer kennen en er afscheid van hebben genomen. Hoewel ik geloof dat momenteel vooral af- | |
| |
stand genomen wordt van de verplichting van het celibaat voor de ambtsdragers in de kerk. Nu denk ik dat het waarschijnlijk niet alleen uitermate
moeilijk is, voor de mensen voor wie dit ideaal nog geldt, om onder woorden te brengen wat hen daar nu zo in trekt, maar ik geloof dat daar op het ogenblik bij komt de vrees om daarmee een geluid te laten horen dat door veel mensen voor belachelijk zou worden gehouden. Er is de laatste jaren zoveel tegen het celibaat ingebracht en voor het huwelijk van de priester, dat diegenen die zich daartegen verzetten op goede gronden, dus niet op banale gronden, maar echt uit overtuiging, wel eens konden vrezen dat, wanneer zij met hun argumenten naar voren komen, daarover een luid gelach zou opgaan. Denk je niet dat dat ook een rol kan spelen? Ik heb meermalen gehoord en gelezen, in de afgelopen maanden: ‘Ik voel mij als celibatair de laatste tijd gewoon belachelijk’.
B. Jaja. Maar als hij van zijn levensstaat werkelijk vervuld en opgetogen is, dan moet hij daarin ook vuurvast zijn. Neem eens de omgekeerde situatie: de kazerne. Dat is een verzameling celibatairen. De getrouwde soldaat heeft daar heel wat spot te verduren, maar als hij zich dat aantrekt dan is er iets mis met zijn huwelijk. Alleen dan is hij te raken. Een dergelijk soort kwetsbaarheid duidt altijd op twijfels aan de juistheid van de eigen keuze. Ik heb een broeder-portier van een klooster gekend die, als hij de gasten weer uitliet, hen altijd een tijdje na-keek en meewarig mompelde: arme man. Die deernis was echt en kwam voort uit de overtuiging het beter te hebben.
P. Ja, je hebt gelijk. Blijft dan misschien het argument staan, dat het uitermate moeilijk is om het uit te drukken? Toch vind ik het opmerkelijkst, bij al de ambtsverlatingen vanwege het celibaat en bij het hoge aantal van mensen die zeggen dat zij zouden trouwen wanneer daartoe in de kerk een vrije mogelijkheid bestond, dat het celibaat als ideaal momenteel blijkbaar weinig meer zegt; en je bent geneigd te concluderen: er is hun indertijd aangaande dat celibaat en de vruchten daarvan iets beloofd, dat niet is uitgekomen; er is hun iets voor ogen gesteld aan eenheid met god en het goddelijke, aan onafhankelijkheid ten opzichte van de wereld, waar ze nu niet meer in kunnen geloven of waar ze nu niet meer aan willen geloven. Zo valt de ‘schuld’vraag misschien terug op diegenen die hun
| |
| |
dat ideaal indertijd hebben voorgehouden. Hebben die argumenten gebruikt die in de praktijk niet waar konden blijken of die in onze tijd en onze maatschappij niet meer konden gelden?
B. Jawel, maar het is me ook wat! Zelfs met een optimale voorlichting zal er altijd een percentage zijn, dat het niet haalt. Het lijkt alleen groter dan vroeger, omdat de mensen eerlijker geworden zijn of omdat onze capaciteit tot dulden en camoufleren is afgenomen. Geloof maar dat er vroeger in al die kloosters en pastorieën wat is afgeleden. Alleen kwam er geen jongen van Achter het nieuws of Brandpunt om daarnaar te informeren. En dan was er nòg een verschil: het falen in het celibaat werd als een persoonlijke schuld gevoeld. Niet alleen juridisch: het verbreken van een belofte, maar vooral: het falen in een hoge opdracht, die niet ‘gehaald’ werd. Dat gevoel is weg en vervangen door het idee: het gaat eenvoudig niet en dan is het zinloos om ermee door te gaan. Zoals je een jas uittrekt die niet meer past. Maar waarom past die niet meer? Zulke dingen zijn geheimzinnig. Ik bedoel dit: eeuwenlang bestaat een bepaalde vorm van leven, die zozeer erkend wordt dat het tot een instituut kon uitgroeien. En opeens, in een paar jaar tijds, beginnen de mensen te twijfelen. Ze weten 't niet meer. Vreemd is dat. Want je kunt niet zeggen, dat het celibaat van vroeger uitsluitend op een veto berustte. Op die smalle basis had het zich nooit zo lang gehandhaafd en was het na tien jaar al ingestort. Het had een eigen kern. En die zien we nu verdampen. Het is net of er ook in de geschiedenis jaargetijden bestaan. Bepaalde bloemen bloeien, maar een seizoen later beginnen ze te verdorren. Ze ‘doen’ het opeens niet meer. Niet omdat ze zelf veranderd zijn, hun vorm is precies dezelfde gebleven, maar omdat ze in een dampkring staan die gewijzigd is.
P. Ja. En dat geldt dan ook voor het kerkvolk, dat vroeger zo trots was op zijn celibataire priesters en trots op dat ideaal van de kerk. Datzelfde kerkvolk verklaart nu, na een tijdsverloop van enkele jaren, met overgrote meerderheid - bij elke nieuwe enquête blijkt dat - dat, wat hun betreft, de priesters mogen trouwen. Dat is volgens mij een nog schokkender verandering, want dat betreft dan niet zozeer de ‘slachtoffers’ - voorzover we ze slachtoffers mogen noemen, de priesters zelf
| |
| |
- nee, hier betreft het het kerkvolk dat zijn priesters altijd op handen heeft gedragen mede op grond van het feit dat deze mensen zich dan toch maar onthecht in de wereld en ook ten voorbeeld van de wereld en tot heil van de kerk opstelden, mensen van wie het heette dat zelfs de engelen voor hen moesten knielen. Dat heeft het Nederlandse kerkvolk blijkbaar heel gemakkelijk kunnen prijsgeven en het schijnt nu dat het gemakkelijk getrouwde priesters zou aanvaarden. Het verklaart zich bij grote meerderheid vóór een ontkoppeling van celibaat en priesterschap. Ik zette er tot voor kort dit vraagteken bij: hoeveel mensen zouden hetzelfde antwoorden als ze voor de keuze werden gesteld: vind je het in het algemeen goed wanneer je eigen pastoor, en de kapelaans in je eigen parochie getrouwd zouden zijn; dus de zielzorgers in je directe omgeving. Het blijkt dat een even groot percentage dat goed vindt als de ontkoppeling in het algemeen.
B. Die reactie is onthullender in zover dat hier een abstract alternatief tot een concrete situatie wordt teruggebracht. Onlangs ontmoette ik op de verjaardag van een vriend een augustijn van het Mendelcollege, in priesterdracht. Ik uitte daar niet mijn bevreemding over, maar mijn vreugde: hé, daar heb je er nog eentje, een ‘echte’. Die man sprak toen over de desertie in de augustijner orde en opeens zei hij: Ik neem de gelofte van zuiverheid nog serieus. Het trof mij, de uitdrukking ‘gelofte van zuiverheid’. Ze gaat uit van de vooronderstelling, dat het slapen met een vrouw iets onzuivers is. En ik geloof dat we dat idee kwijt zijn.
P. Eén reden waarom het ideaal van het celibaat ontluisterd is, is natuurlijk dat het overgewaardeerd werd ten koste van de huwelijke staat. De theologie en moraal hebben ten aanzien van het gehuwd zijn toch altijd gesproken van een min of meer toegestane zonde.
B. Dat is Paulinisch. Beter te trouwen dan te branden. Je hebt altijd twee beddingen in de kerk gehad, die afwisselend vol liepen en dan stond de ander droog: die van Petrus en die van Paulus. Wij zitten nu in een Petrinische golfstroom, waarbij we niet meer denken dat alles wat vreugde geeft suspect is. Mijn ouders hadden dat heel sterk: een wantrouwen tegenover de dingen die je graag deed: dat was verdacht. En mijn moeder met name, maar ook mijn vader wel, meende dat het stel- | |
| |
len van daden waar je een hekel aan had je ziel ten goede kwam. Ik geloof dat ik het al eerder over die merkwaardige liftwerking gehad heb, waarbij 't dode gewicht van het lichaam naar beneden geduwd werd en dan ging de ziel naar boven. Zelfs Franciscus, die je toch een zekere ruimheid niet ontzeggen kan, praat nog over Broeder Ezel als hij het lichaam bedoelt. Die voorstelling van twee elkander vijandige polen heeft een enorme ascese teweeg gebracht en daarin hebben de mensen gebloeid, omdat ze dat werkelijk geloofden. De grote ontkenner van die polariteit is Freud geweest. Freud toonde aan, voorzover je in de psychologie van bewijzen kunt spreken, laten we liever zeggen dat hij gewezen heeft op de fictie, die in die scheiding van ziel en lichaam ligt. Wij zijn hierin de dupe van een woordgebruik, zoals we zo vaak slachtoffers van onze eigen grammatica geweest zijn. Een mens is een psychosomatische eenheid en wanneer hij lichamelijk niet bloeit verdort hij ook geestelijk en omgekeerd. En daarmee werd het begrip ascese naar frustratie omgebogen.
P. Wat die miskenning betreft van de lichamelijkheid in het huwelijk en de sex, geloof ik dat je dat kunt illustreren doordat vroeger de gedachte de overhand had, als je ging trouwen: nu mag het. Terwijl het had moeten zijn: nu moet het. ‘Nu mag het’ houdt in, dat het toch eigenlijk maar iets bedenkelijks blijft; en er wordt niet in verdisconteerd dat de eenheid van twee mensen ook lichamelijk moet worden uitgedrukt, behalve als toegestaan middel om nakroost te verwekken.
B. Ja, en het vond ook gedeeltelijk zijn verontschuldiging in het resultaat: je kreeg dan toch kinderen. Vooral in de katholieke zielzorg moest je op dit alibi kunnen wijzen. De invoering van allerlei contraceptieve middelen heeft de seksualiteit los van de progenituur gemaakt en voor het eerst kon die nu gescheiden beleefd worden, als een apart feest. In de oude opvatting liep je dan vast.
P. Met het opgeven van de exclusieve eerste doelstelling van het huwelijk, het voortbrengen van kinderen, is als het ware die rem op de positieve erkenning van het lichamelijke losgelaten.
B. Het veto op de coïtus als zodanig, dus zonder gevolgen, moest wel worden opgeheven, anders zou die daad zonder enige betekenis zijn. Alles wat de mensen doen moet zin hebben
| |
| |
en dan komt er een nieuwe bovenbouw op. Overigens geloof ik niet, dat pas de pil deze nieuwe structuur in het leven heeft geroepen. Het is omgekeerd gegaan. Eerst ontwaakt de gedachte dat het eigenlijk zó moet en dan komt de uitvinding, die dat uitvoerbaar maakt. Elke uitvinding, ook de pil, is het antwoord op een bestaande behoefte.
P. Nu zou ik benieuwd zijn om dit te weten: heb jij ooit van een nón weleens werkelijk op een zinnige wijze uiteen horen zetten waarom zij het celibaat verkiest? Ik heb eerlijk gezegd altijd voor de argumenten die dan opgeld deden en waarbij gesproken werd van dat huwelijk met de bruidegom Christus, enige huiver gehad. Het iets engs gevonden: zo'n eeuwige-gelofte-afleggen met ringen.
Ken je die beroemde preek van Borromeus de Greeve bij zo'n eeuwige geloften-plechtigheid? Hij was per trein naar Maastricht gekomen, zei hij, het was lente, en nu hij daar in de kloosterkapel al die met bloemen gekroonde novicen voor zich zag, kon hij maar één ding stamelen: ‘Gods bloeiende Betuwe.’ Ik heb me ten aanzien van die mystieke huwelijksplechtigheid nooit geheel en al kunnen onttrekken aan de gedachte dat hier iets meespeelde dat niet helemaal zuiver was, en ik heb nooit van de zijde van een kloosterzuster die argumentatie waar jij het in het begin van dit gesprek over had, nl. een verdediging van het celibaat, acceptabel horen uiteenzetten.
B. De grote mystieken zoals Theresia van Avila en Joannes van het Kruis ‘verdedigen’ het celibaat ook niet en dat is juist. Je zou ook raar opkijken als een verliefd man het huwelijk ging verdedigen. Hij is alleen weg van het meisje. Op precies dezelfde manier zou de celibatair zich moeten beperken tot wat hij door dit offer gekregen heeft. Hij hoort daar zo vol van te zijn dat hij niet eens op de gedachte komt de prijs te vermelden. Dit is een onbeleefdheid. Overigens ben ik het wél met je eens, dat in het ritueel van de vrouwelijke professie, zoals de witte sluier, de ring en de term ‘bruid van Christus’ iets suspects zit. Men grijpt daarbij terug op de termen van het prijskaartje. Het is me vaak opgevallen dat in de hele discussie over het celibaat die we nu beleven de kloosterzuster bijna niet genoemd wordt.
P. Nee, het gaat bijna steeds over de mannen.
B. Ja. altijd. Komt dat omdat de desertie bij de vrouwelijke
| |
| |
religieuzen minder groot is?
P. Er is desertie. Ik heb laatst een boek gelezen, ‘Married priests and married nuns’, een Amerikaans boek, dat een hele serie mannen en vrouwen die in de zielzorg of in het klooster gezeten hebben, laat vertellen waarom ze het celibaat verlaten hebben. Daar is ook een huwelijk bij van twee ex-celibatairen; de man was kapelaan en de vrouw was kloosterzuster. Die vertellen het verhaal van hun verkering, met liefdesbrieven en al. Ik moet daar wel even bij zeggen dat ik zo'n verhaal met huiver lees, ik kan het niet helpen. Zo'n man vertelt dan bijv.: op een avond gaat hij uit, met de kloosterzuster; hij moet ergens voor het jeugdwerk een gebouw openen, zij had hem bij de inrichting van dat gebouw geholpen, hij rijdt haar in de auto naar het klooster terug, ze zitten samen alleen in die auto en als ze dan bij het klooster naar binnen moet, kust hij haar. Dan zie ik zo'n man voor mij, met de priesterboord om en die vrouw helemaal in het kloosterpak, en dan griezel ik, ik kan het niet helpen.
B. Ja... ja... maar dat zou je niet doen als het in een zwembad gebeurde. Het is een kwestie van kostumering, die dingen gebeuren in het verkeerde pak. Strikt genomen hoort er helemaal geen pak bij.
P. Dat heb jij ook?
B. Ik griezel zelfs als Sinterklaas in vol ornaat een neutje pakt, omdat er tussen tabberd en borrel geen brug bestaat; de heilige man springt over een afgrond en staat opeens aan een kant, waar je hem helemaal niet verwacht. Maar die schrik is wel middeleeuws, omdat het kleed daarin zo'n rol speelt. Ik herinner me dat ik als jongen kapelaan Hazelaar op de springplank van Stoops Bad zag staan, zo maar in een zwempak. De wereld stortte toen in. Wij zijn opgevoed in het omhuld-zijn van de heiligheid in een daarvoor bestemd pak. Onder ‘wij’ kun je gerust de hele mensheid verstaan, want zolang de wereld draait is de priester hiëratisch omkleed geweest. Niet hij was heilig, maar zijn kaste. Intussen zijn we individualisten geworden en werd het kleed een teken van persoonlijke heiligheid. Vanaf dat moment begon het onmogelijk te worden.
P. Wij verbonden de heiligheid met het pak, dat is wel zeker.
B. Dat is ook de reden waarom ze het uit willen trekken. Het is zo een cheque geworden, betaalbaar aan toonder, terwijl het
| |
| |
banksaldo helemaal niet vaststaat. Dit wordt terecht als een leugen gevoeld. Wij denken niet meer collectief, we kijken naar de man die erin zit. Het is van een uniform tot een persoonlijk pak geworden en daarmee zit de drager in een voorbarige vaststelling. Hij denkt: laat ik het nou maar eerst eens bewijzen in mijn eigen leven. En om op de resultaten vooruit te lopen in de snit van de kleding, daar voelt hij niets voor. Terecht.
P. Er blijkt nu ook, uit allerlei publikaties, dat veel priesters tijdenlang een vriendin hebben gehad; sommige hebben daar een kind bij gekregen. Die priesters traden dan nooit uit het ambt, en onderhielden die vrouw. Wat mij daarbij opvalt is dat de kerk altijd dergelijke situaties heeft getolereerd, want dit was, blijkt nu, bij kerkelijke overheden, ook in Nederland, bekend.
B. O ja? Dat heeft men dus genomen.
P. Dat heeft men altijd genomen. Wat Jos Vrijburg vertelde voor de Engelse televisie: dat hem in Rome gezegd was door een hoge superieur van zijn sociëteit dat hij met zijn verloofde maar voort moest gaan zo te leven, maar de stap van uittreding daaraan niet moest verbinden, dat advies is zo oud als de weg naar Kralingen. Kijk, dat heeft een jonge generatie van priesters niet meer kunnen pruimen. Die onwaarachtigheid. Een vorige heeft dat nog kunnen rijmen met trouw aan de eens gegeven belofte, maar een nieuwe generatie van priesters acht dit onoirbaar en in strijd met de waarachtigheid. En ik geloof dat ze dan het recht hebben om zich af te vragen: wat is dan dat ideaal van het celibaat, wanneer mij tegelijkertijd dit kan worden toegestaan. Met andere woorden: de schijn ophouden is blijkbaar belangrijker; of: de celibaatsverplichting gaat in belang alles te boven.
B. Ja, maar dat kwam omdat men het instituut van de maagdelijkheid overeind wilde houden. En al vielen er dan hier en daar een paar bewoners om, die werden weggemoffeld, als dat gebouw maar bleef staan. En dat instituut, daar geloven wij niet meer in, wij geloven in een realisatie van dat instituut in ieder persoonlijk. En dat is een enorme sprong. Iedereen moet het maar in zijn particuliere leven bewijzen.
P. Maar het instituut verliest toch niet aan waarde of aan waardigheid wanneer het een conceptie zou kennen waardoor
| |
| |
twee soorten priesters naast elkaar konden bestaan: de ene getrouwd, de andere niet getrouwd? Als die ontkoppeling er eenmaal door is, dan kun je toch de figuur krijgen, dat er getrouwde priesters bestaan en daarnaast ongetrouwde? Waarmee het ideaal niet vervalt, het ideaal blijft.
B. Ja, maar vanuit een heel andere visie. Het kon vroeger niet, omdat men dat ongetrouwd zijn superieur achtte aan de gehuwde staat. Dat idee zal nooit helemaal vergaan, maar ook als iemand dat denkt zal hij het toch zelf waar moeten maken. Het hangt niet meer aan een spijker als een jas, die je maar aan hoeft te trekken. Je moet bewijzen dat die past.
P. Nee, dan kan het wel. Maar nu zie ik deze moeilijkheid wel ineens: als inderdaad de twee idealen naast elkaar geplaatst zouden worden als evenwaardig, waarom zou je dan dat ene ideaal huldigen, dat vroeger altijd als een hoger ideaal en als een opperst ideaal was verkondigd?
B. Het is niet hoger als instituut, maar het kan wel hoger zijn in een bepaald persoon. Ik geloof dat de kerk zal blijven aannemen - en dat is dus dat oude idee waar jij over sprak - dat er een speciaal gegrepen zijn door God bestaat, waarin men beter zonder vrouw of man kan leven. Zo iemand stijgt dan hoger.
P. Groeit als mens ook.
B. Ja, maar niet meer vanuit een voor allen geldend axioma: als je dit nou maar doet dan gebeurt dat. En juist omdat die gevolgen vast stonden was het celibaat verplicht gekoppeld aan priesterschap en kloosterlijke staat. Een logische gedachte, want je was immers zeker van de buit? In die constructie kon de kerk natuurlijk geen afwijkingen toestaan. Het celibaat was een enorme bijenkorf met voor iedereen precies dezelfde celletjes, want alleen zó verzamelde men een maximum aan honing.
P. Dan zou de kerk dus tegelijkertijd moeten inzien, dat sommige anderen in een huwelijk boven zichzelf uit rijzen.
B. Ja. Het is eigenlijk het omgekeerde van wat nu architectonisch gebeurt. Gaandeweg worden de vroegere eengezinswoningen vervangen door flats, terwijl bij het priesterschap het eenvormige instituut juist verlaten wordt en men in afzonderlijke verblijven trekt. Voor de een is het celibaat beter en voor de ander is het getrouwd zijn beter. En die pluriformiteit is niet
| |
| |
tegen te houden.
P. Nu is er nog een ander ding, en dat hoor je weleens noemen als argument waarom sommige katholieken het opgeven van het celibaat verwerpen. En dat moet ik kies onder woorden zien te brengen, maar het komt hier op neer: de priester, die aan de heilige tafel heilige handelingen verricht, die kan de nacht tevoren zijn vrouw bekend hebben, om het even zo te noemen. En dat is onverteerbaar voor velen, schijnt het. En dat is een van de argumenten die je hoort, als je nu eens doorprikt naar de redenen waarom de priester celibatair moet zijn.
B. Is dat echt waar?
P. Het zit hem onder meer natuurlijk in onze opvattingen - hoe oud ze zijn of hoe waar ze waren, daar blijf ik even buiten -, over wat eigenlijk aan die tafel in de kerk gebeurde.
B. Nee, vooral wat er in dat bed gebeurde. Dat was van een te lage orde.
P. Het hele omgaan met het brood en de wijn, op de altaartafel, was tot voor enkele jaren ook een andere ceremonie dan nu. Ik weet niet of je je bijv. herinnert hoe de priester, wanneer hij eenmaal geconsacreerd had en tot de communie nog om moest gaan met het brood, zijn vingers op elkaar hield: die mochten niet meer van elkaar wijken.
B. Waarvoor was dat?
P. Die hadden nu eenmaal het geconsacreerde brood aangeraakt. En als hij de bladzijden van het missaal ná de consecratie moest omslaan, dan deed hij dat niet met zijn duim en wijsvinger, maar daarvoor zaten aan de rechter bovenkant en de linker bovenkant van die bladzijden van die uitstekende stukjes karton.
B. Dat is bijna niet te geloven.
P. Die stukjes karton begonnen in de missaals pas na de consecratie voor te komen, dan kon je nl. met de overblijvende drie vingers die bladzij omslaan.
B. Maar dat is boeiend. Is het echt waar?
P. Maar dat weet je toch?
B. Nee. Ik herinner me die geste wel gezien te hebben, maar ik heb dat nooit zo begrepen.
P. Kijk, alleen al aan de zuiverheid van die handen is een groot gewicht toegekend, met de onderstreping daarvan in de handwassing voor de mis, en nog eens bij het Lavabo: het al- | |
| |
maar schoner worden. Het zou voor sommigen een onverteerbare gedachte zijn, als je een priester aan het altaar kon zien staan, die nog maar een paar uur tevoren zijn vrouw intiem aangeraakt zou hebben.
B. Jaja. Ach, dat wist ik helemaal niet.
P. Maar je weet toch wel dat er bijv. in een huis nooit boven of onder de kapel een slaapkamer mocht liggen? Het altaar en het bed dienden op elke manier elkaars vijanden te blijven. Nu vind ik dat de leken die bezwaren als het genoemde onderschrijven, tenminste de verdenking op zich laden dat ze datgene wat ze zelf doen ook als niet geheel en al in orde ervaren.
B. Je bedoelt dat dát er niet meer afgewassen kan worden.
P. Kijk, als het voor de leek geoorloofd is, en niet alleen geoorloofd, maar goed is, en mooi en fijn, dan kun je ten aanzien van een gehuwd priester niet opeens zeggen dat zijn liefdesuitingen ongeoorloofd zijn.
B. Nee. Niettemin zal het celibaat blijven bestaan. Alleen niet meer verbonden aan het ambt, maar aan de structuur van een bepaald persoon.
P. Een van de argumenten die bij de celibatairen zelf als een van de onderdelen van hun ideaal van het celibaat wordt gezien, is dit: dat zij een teken in de wereld zijn, dat zij door hun onthouding iets voorleven in de wereld, zoals dat heet. Zij zijn dus een voorbeeldig teken voor al diegenen, en solidair met al diegenen, die hun vleselijke lusten moeten bedwingen, of die ongetrouwd moeten blijven omdat ze geen man of geen vrouw vinden in hun leven enzovoorts. En ze zijn ook een teken van onthouding voor degenen die dan wel een vrouw of een man hebben, maar zich ook af en toe moeten bedwingen. Ruimer nog: een teken van offerbereidheid in het algemeen. Dat argument heeft mij altijd wel iets gezegd. Geloof jij in dat argument?
B. Ja. Ik weet natuurlijk niet in hoeverre kinderherinneringen door mij heen spelen en ik daar weer de dupe van ben, maar onder dit voorbehoud moet ik toch zeggen, dat ik eerder bij een celibatair zou biechten dan bij een getrouwd man. Ook geloof ik dat de have-nots, de vernederden en de vertrapten in de wereld, die natuurlijk in de meerderheid zijn, zich eerder verwant voelen aan een arme dan aan een rijke...
P. Als iemand dus de gelofte van armoede heeft afgelegd.
| |
| |
B. Nee, het celibaat als een vorm van armoe.
P. O, de zuiverheid zie je nu ook als armoede.
B. Ja, als onthechting. Verwantschap met iemand die ook iets mist, zij het dan vrijwillig. Om binnen te lopen bij een pastoor met vrouw en kinderen, die in zijn tuin een pijpje zit te roken, óf bij een man die in de schemer van zijn biechtstoel zit met een fluïdum van ascese om zich heen, dat is toch een heel verschil. Maar nog eens, ik weet niet in hoeverre hier dingen van vroeger doorheen spelen, ik ben in dit opzicht een overschaduwd man. Maar waarom zou de eigen ervaring hier geen stem mogen hebben? En dan moet ik vaststellen dat juist in de periode, waar de biecht een enorme rol speelde: de puberteit, de wetenschap ‘hij heeft ook geen vrouw’ een gevoel van verbondenheid wekte.
P. Ik vind het een hele mooie gedachte eigenlijk, omdat daar dan solidariteit verwerkelijkt wordt en verzinnebeeld.
B. Solidariteit. Hij laat het dan wel na uit hogere motieven en ik omdat het niet mag, maar goed, hij heeft toch ook geen vrouw. En dat geeft een soort broederschap, die je niet onderschatten moet, dacht ik.
P. Maar nu de mensen, die wél getrouwd zijn.
B. Misschien heeft ook hier de biechtvader, die in onthouding leeft, een voorsprong. Hij is minder ‘betrokken’. Je kiest ook je psychiater niet uit de buren en een ongetrouwd priester leeft echt in een andere straat. Er hangt een zekere objectiviteit om hem heen. En dan is er nóg iets. De meeste deraillementen komen voor op het terrein van de erotiek en bijna altijd zal de biechtvader tot tucht moeten vermanen. Hij heeft hiertoe een zeker recht, omdat zijn eigen discipline zoveel groter is.
P. Het lijkt er op het ogenblik op of het respect voor hem niet bestaat. Het lijkt erop of het tegendeel van respect bestaat voor diegenen die zich nog onthechten.
B. Ik geloof dat dit psychologisch verklaarbaar is om dezelfde reden als waarom ook geheelonthouders en vegetariërs zo graag geridiculiseerd worden. Je moet altijd over iets heenstappen eer je mensen kunt bewonderen, die iets opbrengen wat je zelf niet haalt.
P. Ik geloof dat er ook van te zeggen valt, dat nogal wat celibatairen vinden dat zij geen volledig leven leiden. Men zegt:
| |
| |
een ongetrouwd mens leidt een niet volledig leven in de wereld. Als je bij zo'n man aankomt met bepaalde problemen, zal hij die alleen maar theoretisch kunnen behandelen. Vroeger is blijkbaar die vraag naar de maatschappelijke kennis van de priester niet bij de gelovigen opgekomen.
B. Nee. Ik vermoed ook wel om welke reden. Die reden, dacht ik, was deze: dat de adviezen die gegeven werden, bijv. in de biechtstoel, aan een man die met huwelijksproblemen kwam, los stonden van de ervaring die de priester miste. Het waren regels, onomstotelijke voorschriften, die buiten het huwelijk waren geconcipieerd. De priester kon dus met grote autoriteit, hoewel geen medeparticipant in het probleem, spreken, omdat die normen getimmerd stonden buiten de persoonlijke problematiek van de biechteling. Het was een heel bouwwerk, die moraal-theologie, waaraan niet te verwikken viel. En ofschoon de zielzorger in sommige delen daarvan niet persoonlijk betrokken was, kon hij daarover met autoriteit adviseren, terwijl nu, met het accent op het persoonlijk geweten en op de eigen ervaring, het als een gemis wordt gevoeld. Geloof je niet, dat het zo ongeveer zit?
P. Ja. Met andere woorden, nu vraag je je dus af: wie is die man eigenlijk die dat mij vertelt? Maar tegelijkertijd kun je waarnemen dat de biecht als een instituut dat een wezenlijke functie vervulde voor de gelovige katholiek nagenoeg verdwenen is. De mensen gaan niet meer biechten; laten we zeggen: negentig procent van de mensen gaat niet meer biechten.
B. Vermoedelijk meer.
P. Vrijwel niemand gaat meer biechten dus. Nog afgezien van de vraag of het verdwijnen van de biecht betekent, dat degene die vroeger biechten kwam in de priester iemand of iets anders zag dan nu, wanneer hij te biechten gaat, speelt - dacht ik - de vraag een rol of het biechten op zich zelf nog enige zin heeft.
B. Nu gooi je iets heel anders op tafel. Waar we mee bezig waren was de vraag hoe toch een man, die niet persoonlijk geengageerd was, de pretentie kon hebben om adviseur te zijn. En dan zeg ik: hij sprak vroeger namens een instituut, nu spreekt hij als iemand, die het zelf ervaren moet hebben, omdat zulke belevenissen niet meer in een stelsel kunnen worden ondergebracht.
|
|