| |
| |
| |
9 Veredelde eskimo's
P. Ik had het afgelopen weekend logés: een broer van een Nederlandse missionaris die in Ethiopië zit en zijn vrouw. Die missionaris had ik in Ethiopië ontmoet.
B. Hoe lang ben je daar geweest?
P. Bij die missionaris maar een dag of vijf. Twee jaar geleden. Zijn broer was er met Kerstmis '68, hij had er een film gemaakt. Je zag hoe het hele dorp was uitgelopen om de moeder en de broer van die missionaris te begroeten; die werd enthousiaster en met meer eer ingehaald dan onze koningin in Addis Abeba. De moeder, ze is achter in de zestig, werd op een troon gezet, en het hele dorp kwam haar cadeaus brengen, in de vorm van vijgen, schapen, kippen; iemand had drie uur door de bergen gelopen om één ei te komen brengen, en dat alles werd rond haar neergezet: oude zilveren voorwerpen ook, huiden, van alles. En toen bleek ineens, hoe dat dorp zo'n missionaris, die men daar nu acht jaar kent, eigenlijk wilde eren in die moeder. En veel teleurstellingen van die man in al die jaren werden goedgemaakt door wat daar gebeurde, op die dag, rond zijn moeder. Toen de film afgelopen was had ik tranen in mijn ogen. Toen zei die broer ineens: En als nu volgend jaar de Negus dood gaat, en er ontstaat grote verwarring in dat land, heb je er misschien een tweede Kongo, misschien ligt mijn broer volgend jaar vermoord op zijn missie.
B. Door dezelfde parochianen?
P. Door dezelfde parochianen, net zoals dat in de Kongo gebeurd is. Dat was het eerste waar we het over kregen. Het tweede was dit: er zijn daar nu van de orde van die missionaris, de lazaristen, een stuk of tien Nederlanders. Sinds een jaar of vier komt er uit Nederland niemand meer heen. Een kleinseminarie van de lazaristen bestaat al niet meer, een grootseminarie sinds kort ook niet meer, er is geen ‘Nachwuchs’; er komt niemand meer, zoals de toestand nu is. En de missionarissen krijgen langzaam maar zeker het gevoel: wij sterven uit. En ze maken daar onderling ook grapjes over, zo in de geest van: wij kunnen straks, als we oud zijn, de zaak liquideren. Of: wil de laatste pater die het klooster verlaat het licht uit- | |
| |
doen?
B. Galgenhumor.
P. Of: Je mag het geld houden dat er dan nog over is, in het laatste missiebusje. Dat zijn dingen die er omgaan in de familieleden van zo'n missionaris. Aan het thuisfront. Nog altijd leeft zo'n hele familie met hem mee; alles wordt erheen gestuurd, alles is voor die jongen. Maar het thuisfront kent die pijnlijke vragen over de naaste toekomst, - afgezien nog van een derde grote vraag: wat een missionaris daar nu eigenlijk is komen doen. Het christendom komen verkondigen? Het kruis planten? zieltjes winnen, dopen? of zijn ze er alleen maar (wat zij zelf ook menen) een soort veredeld ontwikkelingswerk komen doen?
B. Je weet, dat ik onlangs in Bangkok een ontmoeting heb gehad met missionarissen?
P. Ja.
B. Heb je de t.v.-uitzending daarvan gezien?
P. Nee.
B. Nou, ze waren uit Maleisië, Vietnam, Thailand, Indonesië, Japan; zo'n honderd missionarissen en missiezusters kwamen in Bangkok bijeen om vandaaruit naar Nederland te vliegen, voor een korte vakantie. Je had er bij, die in geen tien jaar thuis geweest waren en dat heel gewoon vonden. In 't algemeen trouwens viel het me op hoe vanzelfsprekend ze daar over spraken, de totale afwezigheid van een heroïsche houding. Ik had zelfs heel sterk de indruk, dat ze die vakantie als een niet zo erg welkome onderbreking van hun eigenlijke werk opvatten, zo iets van ouders die een dagje uitgaan en intussen over de kinderen tobben, die thuis achterblijven, zullen ze geen stoute dingen doen? Want in al die dorpjes en dessa's hebben die mensen het onderwijs in handen, de ziekenverpleging, de armenzorg, de hygiëne. Het oude idee van zieltjes winnen is er helemaal niet bij, eerst de gewone dingen waardoor het bestaan leefbaar wordt, net zoals die Kennedy-vrijwilligers, met dit verschil natuurlijk, dat die na twee jaar naar huis gaan en zij hun hele leven daar blijven. Ik vroeg aan zo'n zuster: Als u op uw sterfbed ligt en u hebt in al die tijd geen enkele bekering gemaakt, is uw leven dan mislukt? Ze was oprecht verbaasd. We denken helemaal niet aan bekeren, zei ze, ik denk alleen: wat gaan er hier veel kinderen dood, daar moet wat
| |
| |
aan gedaan worden. En dat doen we dan. Of er zijn veel ratten. Dan leggen we 'n riolering aan. Eerst die stank weg, dan zien we wel verder. Als je veel voor de mensen overhebt, niet even, maar jaar in jaar uit, dan willen ze weten waaróm je dat doet en dan pas noem ik de naam van Christus. Maar ook als ze aan die vraag niet toekomen, ben ik er toch? Ik probeer daar te doen wat hij gezegd heeft en dat is voldoende. De mensen wantrouwen de woorden van het westen en ik dacht terecht. Maar als je het evangelie gewoon waarmaakt, hoef je niets meer te bewijzen. Ook zei ze nog: Vroeger zat ik tussen de mohammedanen. En iedereen bleef dat ook. In het begin dacht ik: wat doe ik hier eigenlijk? Je geeft alleen spuitjes, je verbindt wonden, je leert de kinderen lezen. Goed, maar een vrouw telt daar voor niets. En opeens zien ze, dat een vrouw dat allemaal kan. Dat brengt de emancipatie van hun eigen vrouwen weer een stap vooruit, omdat het vroegere beeld van hulpeloosheid niet blijkt te kloppen. Aan zulke resultaten denk je niet, maar daarom zijn ze er wel. Maar nog eens, meneer, daar gaat het niet om. Christus heeft gezegd dat je lief moet zijn voor de mensen en dat doe je dan maar. Aan resultaten denk ik weinig, want die liggen in zijn hand.
P. Ontmoette jij ook, wat ik in Ethiopië heb aangetroffen, een beetje bitterheid ten aanzien van de jeugd? In deze zin: er wordt wel gezegd dat de jeugd niet minder idealistisch is dan vroeger, maar waar zijn dan de missionarissen die ons moeten aflossen? Of, als ze niet een heel leven eraan willen wijden, waar zijn de jonge vrijwilligers die voor twee jaar tekenen om in een land als Ethiopië te gaan werken? Die aantallen schijnen bitter tegen te vallen.
B. Nee, dat heb ik in Bangkok niet gehoord. Ik was er ook maar 'n dag. Wel soms bezorgdheid: wat blijft er van ons werk over als wij er niet meer zijn? Nog iets. Ik zei in mijn onschuld: Schrikken jullie maar niet, als je thuiskomt, van al die religieuze vernieuwingen die er in Nederland hebben plaatsgevonden. Daar moesten ze om lachen. De mensen doen al jaren waar wij nog steeds over delibereren: de mis in de inlandse taal en met eigentijdse muziek, de priester als prêtre ouvrier, de figuur van de diaken al heet die dan catechumeen, ja, de avant-garde van de kerk marcheert waar een voorhoede lopen moet: in het oerwoud.
| |
| |
P. Maar heeft het ontbreken van jonge mensen die hen achterna willen voor hen niet een andere deprimerende achtergrond? Lijkt het niet of het thuisfront zwakker en zwakker wordt ten gevolge van de veranderingen, de revolutionaire vernieuwingen in Nederland? Wanneer het thuisfront bijv. niet meer gelooft in missie, bestaat er toch eigenlijk in dat opzicht geen thuisfront meer zoals vroeger?
B. Ja, maar dat ontbreken van het thuisfront heeft ook te maken met mijn opmerking: wij zijn allemaal suppoosten van een museum geworden. Vroeger dacht men dat er op Bali bekeerd moest worden. Nu denkt men: Bali is een prachtige zaal, die moet je bezoeken. En vooral: de voorwerpen niet aanraken. Gelijk hebben we. Maar we moeten ons dat niet te mooi voorstellen, bijv. als tolerantie tegenover het vroegere fanatisme. Ons respect voor andere culturen en godsdiensten komt natuurlijk voort uit twijfel aan eigen gelijk. Bonifatius kende die suppoosten-houding niet. Die sloeg vrolijk alle afgodsbeelden stuk, mooi of niet mooi.
P. We zetten er, bedoel je, eigenlijk de afgoden ter plaatse op een voetstuk, we maken ze nog mooier, we restaureren de plaatselijke tempel en proberen het aanwezige geloof in de heidense god of held te veredelen.
B. Ja, te veredelen. Er gaan nu al Amerikanen naar de Eskimo's toe om vooral te zorgen, dat ze hun beeldjes niet machinaal uit dat walvisbeen tevoorschijn halen. Het wordt allemaal even prachtig gevonden en dat betekent: niet au sérieux genomen. We lopen ook paf van bewondering in onze eigen kathedralen rond en daarmee houden die gebouwen op met kerk te zijn. Zodra we iets louter esthetisch bekijken is de eigenlijke bedoeling eruit verdwenen. Er zijn maar twee mogelijkheden. De oude was: wij hebben gelijk, de anderen dwalen. Die bewustzijnsvernauwing brengt niemand meer op. Dan blijft alleen over: alles te respecteren. Maar vanuit die gesteldheid moet je afzien van ‘bekeren’ en dat zie je dan ook gebeuren. Maar voor het katholieke thuisfront heeft de missionaris nog steeds het aura van zieltjeswinner.
P. Dan is de voorlichting verkeerd. Want wat ik van een missionaris gezien heb is dat die man een ziekenhuis heeft neergezet, melaatsen is gaan verzorgen, een school heeft gebouwd. Het dorp heeft voor het eerst sinds zijn bestaan, sinds vijfdui- | |
| |
zend jaar scholen. Hij heeft een groot landbouwproject opgezet. De mensen zijn self-supporting geworden, allemaal door de zorg van één man, die daar gekomen is. En dat vervult je, als je daar bent, met stomme bewondering.
B. Ja, maar die medaille heeft een keerzijde. We nemen die mensen, behalve armoede, ook een heleboel andere dingen af. We zijn ons er niet van bewust, maar in ons westers denken stellen we welvaart identiek met geluk. Die mensen leefden in een wolk van irrationaliteit, van mystiek, en die willen wij, als begrijpende suppoosten van de ontwikkelingslanden, niet aantasten. Maar wat gebeurt er? We leggen wat pijpleidingen aan en in een minimum van tijd schieten daar onze wolkenkrabbers uit de grond en boren onze asfaltwegen door het oerwoud, de mensen luisteren naar de radio en kijken naar de t.v.... Maar die nieuwe inhoud past natuurlijk niet in de oude vormen. De mystiek verdampt en onze kaalheid blijft over. Ik heb het net een maand geleden gezien, in Hongkong, Bangkok, Singapore, Calcutta en Karachi, in Koeweit, Abadan en Teheran. Het geheimzinnige oosten... Maar wat zie je? Betonnen reuzenflats, neonlicht, auto's, reclames, bioscopen, bankgebouwen, enfin, efficiency. Hier en daar hurkt er een kerkje tussen die mastodonten met een gouden Boeddha binnenin. Daar is het stampvol toeristen met camera's om hun nek. In de oude heiligdommen van Kyoto en Narah heb ik uitsluitend zien fotograferen, niet alleen door de Amerikanen, ook door de Japanners zelf, die trouwens ook allemaal westerse pakken aanhadden. We brengen die mensen wel iets, maar het is de vraag of dat opweegt tegen wat we ze ontnemen. Ik lees elke maand in de ‘Courrier’ van de Unesco, dat overal de inwoners veel langer leven, met de getallen erbij. Maar de vraag is: wat doen ze in dat langere leven?
P. Dat weet ik niet. Ik heb dat niet kunnen constateren waar ik was; ik had nooit het idee dat daar iets werd afgepakt. Integendeel. Ik heb die man tussen de melaatsen rond zien gaan, stumpers en wrakken, en ik heb gezien hoe ze een voor een in hun witte kleren probeerden overeind te komen om hem aan te raken. Ik heb het evangelie werkelijkheid zien worden. Ze probeerden hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit. Daar werd niets afgepakt. Daar werd uitgedeeld. Daar ging Christus weer rond. Het was, terwijl die missionaris tussen
| |
| |
de melaatsen in het wit rondging, of elke keer een Lazarus werd opgewekt uit zijn graf. En als ze overeind rezen en hun handstompjes naar hem uitstrekten, leek het of ze zijn geheim wilden betasten; het stukje God in hem. Nee, nee, hij ontnam ze niets. Hij gaf.
B. In het stadium van jouw pater in Ethiopië is dat ook niet 't geval, die man is maar net bezig en zijn moeder wordt daar nog als een godin ontvangen,... Maar dadelijk is ook dat een stukje efficiënt Amerika en wordt zijn moeder gewoon door de douane afgestempeld.
P. Wat ik kon constateren dat hij ze probeerde af te pakken was hun angstig bijgeloof in de tovenaar. Als ik het woord bijgeloof uitspreek, tussen haakjes, moet ik overigens wèl oppassen. Want wijzelf zijn ook niet zonder geweest. Wij hadden toch ook bepaalde voorstellingen van God die je moeilijk anders kunt noemen?
B. Denk toch niet, dat ik iets ten nadele van jouw missionaris wil zeggen. Ik heb voor zulke mensen het diepste respect. Maar het gaat niet om hem. Het gaat om de horde, die ná hem komt. Hij bevrijdt zo'n dorp van de panische angst voor de tovenaar, maar het grijze leger van kantoorbedienden, ingenieurs en architecten, dat na hem komt, vaagt het hele begrip tovenarij weg. Hij is de mystieke voorhoede van een leger practici. Bonifatius sloeg niet enkel de afgodsbeelden stuk, hij zette een nieuw beeld in hun plaats. Wij raseren alleen het oude bijgeloof en asfalteren dan de plek, waar die dingen gestaan hebben. Het is een fictie om te menen, dat je ergens alléén het christendom kunt brengen. Je brengt ook de deformaties van het evangelie, zoals het kapitalisme. Zo'n pater zorgt, dat de mensen niet meer onder de zweren zitten, dat de koffiebonen wat dikker worden en dat de rubber beter uit die stammetjes vloeit. En dan komt er een haaie jongen met een gebloemd overhemd en een crew haircut en die zet daar een fabriek neer. En voor je 't weet zijn al die mensen, die in 't halfduister op een trom roffelen, werknemers geworden die voor 'n nieuwe t.v. sparen.
P. Dan kom je aan het antwoord van die zuster, die jou zei: maar ik kom hier de goedheid, de liefde present stellen, dus dat geloof is dan toch nog anders, althans dat hoopt ze. En de vraag is natuurlijk of dat zo is; dat weet ik niet, daar kan ik
| |
| |
niet op antwoorden, maar daar zie ik wel iets in. Ik zie toch wel dat hier een poging wordt gedaan om de vrees voor de oude goden te doen vervangen door geloof in een god van goedheid, in een vader voor die mensen. Zij stelt de onze lieve heer present die wij kwijt zijn. Mijn oude onze lieve heer.
Nu leefde vroeger bij ons de gedachte dat wij iets te exporteren hadden. Dat leefde bij de missionarissen, maar ook bij ons, het thuisfront. Er viel iets te exporteren: er viel godsdienst te exporteren. Maar wanneer nu in ons eigen land nauwelijks meer de gedachte zou bestaan dat het geloof een rijkdom is die je anderen toewenst, dan voel je ook niet meer de behoefte om die te exporteren.
B. Die produkten worden hier niet meer gemaakt.
P. Dus zijn ze ook niet meer te exporteren. Maar de missionarissen zijn intussen nog wel vertrokken met de behoefte om hun christelijke rijkdom te exporteren; en zij zijn dan inzoverre geïsoleerd dat ze, wat dat betreft, praktisch zonder thuisfront zijn.
|
|