| |
| |
| |
7 Vrolijke kornuiten
P. Ik herinner me dat ik, toen ik in de vijfde klas van de lagere school zat het eerste boekje in handen kreeg waarin een jonge heilige werd aangeprezen, wat toen zo in de mode was...
B. Was dat Guy de Montfort?
P. Nee. Je herinnert je dat in de twintiger en dertiger jaren er een stroom van boekjes is verschenen, en brochures, waarin jonge kinderen, soms nog maar zes, zeven, tot tien, twaalf jaar, werden aangeprezen als jonge heiligen. Die woonden dan meestal in Frankrijk of Italië...
B. Die woonden erg ver altijd. Dat was het enige geruststellende.
P. Maar vooral in Italië en Frankrijk. Weet je dat van de officiële heiligen meer dan driekwart uit die twee landen komt? Maar enfin. Toen was het heilige kind in de mode. Guido de Fontgalland herinner je je wellicht.
B. Ja, daar heb je zo'n naam.
P. Zo'n naam die erg veel op fondant leek; niet ten onrechte. En ik kreeg, toen ik tien jaar was, een boekje van broeder Hildebrand, en dat heette: ‘Broer’. Achteraf, mijn God, de naam alleen al. ‘Broer’ was een jongen (het boekje was geschreven ‘door een onzer broeders’) die een leerling was geweest op het juvenaat van de congregatie in Zevenaar.
B. Een waagstukje. Want dat viel te controleren.
P. Dat was zeer controleerbaar, en het betrof nog een zeer recent geval ook; laten we zeggen dat die jongen pas een paar jaar eerder was doodgegaan, hij was gestorven als veertien-, vijftienjarige knaap. Als leerling van het juvenaat had hij een ongeneeslijke ziekte gekregen en was daar gestorven als een heilige. En dat leven en dat ziekbed en dat vroege sterven werden uitvoerig beschreven in dat boekje, en die jongen werd Broer genoemd. Hier was een poging van een congregatie - en dat had ik toch wel door als tienjarige jongen - om een eigen heilige te creëren; onze congregatie van de broeders van de onbevlekte ontvangenis had nog geen eigen jonge heilige. Hoe krijgen we die? Die zullen we verdorie kweken. En die werd gekweekt; en er was dus een hagiografie van die jongen
| |
| |
gekomen, en die werd onder ons verspreid. En ik herinner me dat, toen ik later op dat seminarie rechts achter mij in de kapelbank Gerard M. almaar zag bibberen, dat ik dan dacht: dat is Broer, wij hebben hem ook, wij hebben hem in ons eigen midden. A.M.D.G. Onze eigen Broer.
B. Hij nadert althans.
P. Nu ontbreekt er alleen nog maar een ongeneeslijke ziekte aan. En dan gaat hij heel lang en heel mooi dood, met het kruis in zijn handen, en roept dat hij in de hoek van de kamer Maria ziet en de engelen die hem komen halen, en zijn laatste woorden zijn ‘Jezus... Jezus’, en dan is het toevallig nèt een vrijdag, of Hemelvaart, of vigilie van Kerstmis. En het hele seminarie voelt zich wonderlijk verblijd of getroost of zoiets; en een verrukkelijke geur verspreidt zich op onverklaarbare wijze door heel het huis. Maar het nabij weten van een heilige maakte toch ook lichtelijk ongerust. Dat kwam omdat in heiligenlevens het plotseling ingrijpen van God in de ‘uitverkorenen’ altijd gepaard ging met allerlei engs. Zoals verschijningen. Gek is dat; ik ben daar maar heel langzaam onderuit geraakt. Een jaar of dertien, veertien terug zou ik 's avonds gaan logeren bij Hubert van Herreweghen in Pamel. Ik kwam aan het huis en hij was er nog niet. Ik besloot een beetje rond te lopen door het land en verdwaalde. Ik stond op een pikdonker zandpad tussen korenvelden en zocht een lichtje. Ergens links was een zwak schijnsel. Het pad voerde erheen. Het lichtje bleek een kaarsje te zijn, dat in een Mariakapelletje brandde. Ik bleef daar even staan, me afvragend hoe ik nu verder moest, toen ik opeens in paniek dacht: O God, a.u.b. nu geen verschijning. De situatie vroeg erom: donker, een Mariabeeldje, een eenzame ziel die gebaat zou zijn met een krachtige goddelijke ingreep te harer bekering. Ik dacht: Alstublieft! Niet verschijnen! Niet verschijnen! En ik haastte me weg in het pikdonker, rechtuit, op de vlucht. En kwam, overigens, vrijwel vlak daarop bij Huberts huis aan.
B. Heb jij nooit enige neiging gehad om je als recruut op te geven?
P. Je bedoelt voor die broeders, of voor heilige? Nee, ik wist één ding zeker, dat dat niet voor mij was weggelegd, de heiligheid. Hoewel ons wel verzekerd werd, toch, later - daar heb je het weer -, dat het toch maar een betrekkelijke zaak was;
| |
| |
dat hoefde zich niet altijd in mystieke vorm te uiten, de plichtweg van de kleine Theresia, het doen van de kleine plichtjes, dat nam op het seminarie - vind ik - een bijzonder vooraanstaande plaats in; dus: doe maar wat je doen moet, en doe dat dan ook perfect en met volledige inzet, en het offertjes brengen natuurlijk, sterker, het aaneenrijgen van kransen van offertjes, dat was bij ons op het seminarie eigenlijk, laten we nu maar zeggen het pieuze leven dat voor ons geschikt werd geacht. Hoewel de heiligenlevens dan wel als leesvoer aanbevolen bleven. Tijdens retraites lagen ze op grote hopen voor het uitzoeken. Maar voor mij ging ‘een heilige worden’ vastzitten aan je rotschrikken bij verschijningen en aan vroeg doodgaan. En hoe fraai al die sterfbedden ook werden beschreven, van Guy de Fontgalland en Antoine Magne en Annie de Guigné en nog zo'n stuk of vijf andere Franse kinderen, ik voelde er persoonlijk weinig voor om zo jong al naar de hemel te gaan - al was het daar dan ook veel beter en zo.
B. Het is me ook altijd opgevallen bij het lezen van die biografieën, waarvan ik er ook heel wat heb doorgenomen, hoe de schrijvers spookachtig probeerden aan te tonen, dat de edelmoedige jongeling toch een vrolijke kornuit was, die niet schroomde om met scherts en jolijt - men gebruikte daarvoor van die gesteven en blijkbaar toch onbekommerdheid aangevende woorden - mee te doen aan onschuldig bal- en kaatsspel, altijd binnen het gepaste natuurlijk.
P. Ja, hoe stond het er ook weer precies? ‘Hij was nooit afkerig van een goede, mits juist geplaatste grap...’
B. Kwinkslag bedoel je.
P. Juist. ‘En zonder dat een ander daar ooit kwaad om kon worden.’ Nu viel het mij op, en jou toen waarschijnlijk ook, dat wanneer je dan gretig zocht naar voorbeelden van de grappigheid van deze persoon, en die werden dan gegeven, dat die altijd zo bitter tegenvielen. Het waren altijd oneindig flauwe witzen, daar kon je met geen mogelijkheid om lachen. En ook de bewijzen die werden aangevoerd voor het zo heel gewone, normale van het optreden van deze jongen, op het sportterrein of bij het spel, die waren ook nooit overvloedig sterk, vond ik.
B. Ja, dat was allemaal heel zwak.
P. Ik bedoel: de moeite die men deed om zo'n jongen een
| |
| |
van ons te doen zijn. Men probeerde dat te bereiken door te laten zien dat hij toch zo opgeruimd was en zo gewoon meedeed met alles.
B. Het gewoon mens zijn werd altijd vlug, terloops en vooral slordig behandeld, als een soort toegift die er niet op aankwam, terwijl het 't fundament is. Men heeft in die milieus nooit begrepen dat wat van de ‘bovennatuur’ genoemd werd als tweede etage onbestaanbaar is zonder verdieping eronder. De zaak hing in de lucht. Dat ‘olijke snaak’ zijn, wat maar werd aangenomen en waarover ook geen verdere details verstrekt werden, is een hele opgave. Hoeveel mensen zijn sociaal volwassen? Is dat bereikt, dan beginnen we aan de beletage. Men sloeg altijd iets over, men begon direct al op de tenen te staan, en die gewone dingen vielen dan tegen, die waren er eigenlijk niet. Om die reden faalden de katholieken in onze jeugd ook op andere terreinen en vooral in de cultuursector. We waren meteen dáár, in de hoogte. De dingen van hier, die je controleren kon, bleven daardoor beneden de maat. Niettemin werden die prestaties, bijv. toneel en literatuur mateloos opgehemeld, en wel om de nobele bedoeling of omdat ze de ‘goede zaak’ dienden. Daar heb je weer die rare sprong naar boven.
P. Ik herinner me dat je vaak opmerkingen las als: Nu moet je niet denken, dat onze jonge vriend nooit moeite had in de omgang met zijn makkers. Het viel hem wel eens zwaar. Maar de moeite die hij daarbij had, werd dan zo uitgepeuterd, dat hij ongewoon en onwaarachtig was; je geloofde het niet.
B. Nee, die fouten vielen bitter tegen.
P. En dat heeft te maken met dat onvolledige mens-zijn van jou. Je las over een onvolledige mens; hij was door God al lang tevoren uitverkoren, - en dus onvolledig. Met andere woorden: je kon maar heilig worden, wanneer je onvolledig mens was.
B. Ja, en als je dan die fouten beschreven zag, dan kwam soms sterk de twijfel op, of de man ook in staat was tot grotere, of hij wel de capaciteiten had van een dolle minnaar. De naald moet naar beide kanten kunnen uitslaan, positief en negatief. Een heilige moet altijd begeleid zijn door het vermoeden, dat hij een groot zondaar had kúnnen worden.
P. Wat mij, zoals ik al zei, bijzonder trof, was dat ze alle- | |
| |
maal zo vroeg dood moesten. Waarom gingen al deze kinderen, die voor ons voorbeelden moesten zijn in onze jeugd, al met twaalf, dertien, veertien, vijftien de pijp uit? Alsof het doodgaan, het naar de hemel gaan, het van hier verdwijnen pas je ware was.
B. Dat was het niet, geloof ik. Het had meer te maken met dat proces van uitsparing. Als heilig zijn identiek is met het nalaten van zonde, dan is het kind per definitie gecanoniseerd. In dergelijke bange periodes komen altijd jonge heiligen naar voren. Ik heb veel kloosters bezocht, omdat ik er nogal wat familie in had zitten. Wat mij altijd trof was de kinderlijke toon, die als ‘blij’ omschreven werd, het geforceerd van toeten noch blazen weten, het was net of je opeens een zandbak binnenstapte. Je keek elkaar ook vertederd aan als zo'n kloosterling weer iets zei waaruit bleek dat hij helemaal niet op de hoogte was. De nadruk viel op gehoorzaamheid aan abt of waardemoeder, het kindschap Gods dus. Stierf nu een heilige vóór de puberteit, dan viel hij vanzelf binnen die zandbak. Je had hem puntgaaf in de ideale vorm. Maar er waren ook verkwikkende excepties. Want wij hadden een heilige, die als een reus buiten die zandbak stond en dat was natuurlijk Augustinus, het centrum van de schooldevotie. In de litanie van Allerheiligen werd ook ‘sancte Augustine’ heel langzaam gezongen, en ‘ora pro nobis’ tweestemmig, want hij was er speciaal voor ons. Hij hield ons in de gaten. En Augustinus, dat wisten we allemaal, had eerst niet gedeugd. Zijn autobiografie heette dan ook ‘belijdenissen’ en die ‘Confessiones’ lazen wij in het latijn. Zijn misgrepen vielen ook helemaal niet tegen, want hij had dan toch maar met een vrouw in bed gelegen en niet zo maar eventjes, maar jarenlang. Rector Vlaar wist het lezen zó in te delen, dat die passages net buiten het lesrooster vielen, maar dat lazen we thuis wel weer bij. Hij bood de zeldzame combinatie van vroomheid en volwassenheid. Zijn speculaties over ruimte en tijd, over het wezen van God en het raadsel van het bestaan, dat was allemaal even boeiend en toch was hij een heilige. Hij was bisschop van Hippo. Wat hij
daarvóór in Rome had uitgevreten, ook dat viel wel weer tegen, maar toch niet in die mate als bij die fondant-jongens, waar jullie op moesten zuigen. Veel werd er verzwegen, maar niet uit angst, dat voelde je. Meer zoals iemand wat overslaat, omdat hij iets
| |
| |
kostbaardere in handen heeft.
P. En hij ging om met grote wijsgeren.
B. Je zag ook die lijst van boeken achterin, die hij allemaal geschreven had. Het was geen schimmige jongen zoals de heilige Aloysius van Gonzaga, maar een man van vlees en bloed. Hij werd ook regelmatig gehuldigd, ik vermoed als tegenwicht voor Luther, die de augustijnen eveneens hadden voortgebracht.
P. Jouw broer en jouw zus, zijn die al vroeg naar het klooster vertrokken?
B. Mijn zusje was zeventien, toen ze het verlangen te kennen gaf non te worden, ‘zich geheel aan God te wijden’. En mijn vader was daar diep door geschokt, hij vond het eenvoudig vreselijk. Consequent was dat niet, maar ik begreep hem precies, ik vond het ook een niet te dempen verlies. Daar kwam nog bij, dat zij de oudste was en bovendien het enige meisje. Hij had geloof ik graag kleinkinderen gehad. Hij was bovendien, ofschoon ‘katholiek voorman’, helemaal van ‘hier’, ik bedoel daarmee dat hij van reizen hield, van lezen en kijken naar films en een bepaalde pompeuze manier van eten, hij leefde graag en nou kwam dit. Hij vond het te mager. Maar ze was minderjarig. En daarom zei hij: je gaat met je ouders een reis maken van drie maanden. Dan komen we terug en op de dag dat je dit gezegd hebt maar dan drie maanden later, stel ik je die vraag opnieuw. En dat is gebeurd bij ons in de huiskamer. Ze zijn heel Europa doorgereisd, ook de nachtclubs werden niet overgeslagen, we hebben ze drie maanden niet gezien, moet je denken, in die tijd! Wij werden ondergebracht bij de dienstmeisjes, die gingen terug naar hun ouders in Rijnsaterwoude, aan het Brasemermeer en daar woonden we in, enfin, dat is een verhaal op zich. Goed, ze kwamen terug, mijn vader met zo'n geruite reispet op, hij zette de koffers neer, allemaal zwijgend en toen zei hij alleen, zich zo half omwendend: En? Hij stelde niet de vraag volledig, hij zei: En? En toen antwoordde ze: Ik wil in het klooster. Toen liep hij de kamer uit en sloeg de deur heel hard achter zich dicht. Mijn moeder barstte in tranen uit en omhelsde mijn zusje. Ze is toen naar Maastricht vertrokken, naar een klooster dat ‘Onder de bogen’ heet. Het was een enorme leegte opeens, omdat ze als een soort buffer tussen de vader en de vier zoons in stond. We dorsten namelijk niet goed met hem te verkeren, we waren erg geïmponeerd.
| |
| |
Het contact ging ook vaak met briefjes. Dat klinkt nu ongelooflijk, ik begrijp het zelf nauwelijks, maar het is zo. We konden in de schaduw van die reusachtige en vooral dreigende boom niet groeien, onze kastanjes kwamen niet boven de grond. Maar goed, dat is een hoofdstuk apart. Mijn vader was nogal vermogend, er was dus een knecht, en als wij mijn vader iets gewaagds wilden zeggen, schreven we dat op een papiertje en dat werd dan door de knecht gebracht. We woonden toen op Berkenrode in Heemstede. Dat was een huis met 23 kamers, ieder van ons had twee of drie vertrekken, we konden dus heel separaat leven, en ergens in die doolhof was de studeerkamer van mijn vader. Als we hem iets wilden meedelen dat mondeling niet ging, schreven we dat op een briefje, en dat werd op een zilveren blad naar mijn vader gebracht, door die knecht. En zo is hem een briefje gebracht van mijn broer Arnold: ik wil ook in het klooster.
P. Hoe oud was hij toen?
B. Hij was achttien.
P. En had hij het gymnasium doorlopen of...?
B. Een stukje gymnasium, ik denk tot en met de derde klas; hij was ook blijven zitten, het ging helemaal niet. Niet dat hij stom was. Hij hield zich met andere dingen bezig. Mijn broer Amold sliep niet in een bed, maar op de grond, hij at haast niet en was drie keer per dag in de kerk, hij keek niet naar meisjes en bad in een hoek van de kamer. Hij leefde als een asceet. En toen kwam het antwoord. ‘Ik geef je duizend gulden - wij kregen een gulden zakgeld per week - onder deze voorwaarde. Je gaat nu onmiddellijk de schuur in en je pompt daar de banden van je fiets op. Dan rij je naar Parijs. Daar blijf je tot het op is, dan fiets je weer terug en dan stel ik je dezelfde vraag die ik aan je zuster gesteld heb.’ Nou, mijn broer pompt die bandjes op, het was ongeveer half vier en hij komt in Breda, daar was het al donker. Heb ik je het verhaal al eens verteld?
P. Nee. Ga vooral door.
B. Daar was een bloemencorso geweest en alle hotels waren vol. Toen is hij doorgereden naar Zundert en daar was ook alles vol, want er was een wielerronde van St.-Willibrord gehouden. Overal belde hij aan, geen bed te krijgen. Eindelijk zei iemand: als je nou een half uur de hei in rijdt, dan kom je bij
| |
| |
een trappistenklooster, en die moeten je ontvangen, dat staat in de regel. Dit is inderdaad juist. De regel van de trappisten ken ik goed: als er iemand aanbelt, dan kan dat Christus zijn, in de gedaante van een reiziger of een verdwaalde. Dus mijn broer fietst door en belt daar aan, het was al half elf 's avonds en die kerels gaan er om zeven uur naar bed. Het was een grote luibel en die klonk als het laatste oordeel in die verschrikkelijke stilte. Er ging een luikje open en het slaperige, gebaarde hoofd van een broeder verscheen. Die liet hem met een buiging binnen en bracht hem naar een celletje. Daar stond een brits en de volgende dag werd hij vóór het eerste hanengekraai gewekt en hij slofte meteen mee naar het koorgebed. En daar is hij toen gebleven. Hij is nooit in Parijs aangekomen. En wij, broers, vroegen ons af wat er met die duizend gulden was gebeurd; die heeft waarschijnlijk de abt ingepikt.
P. Een heel natuurlijk gebaar, wat jullie natuurlijk met diepe afgunst vervulde. Bracht het jou niet tijdelijk op het idee enige neiging tot roeping te gevoelen? Ik bedoel: die ronde som gelds? om stuk te slaan?
B. Ja, ik dacht er wel eens aan. Maar op mijn vader was geen peil te trekken. Dan had hij misschien gezegd: je krijgt niets, je gaat nu in de mijnen van Zuid-Limburg werken. Je wist het tevoren nooit.
P. Toch merkwaardig. Zelf heb ik iets dergelijks ervaren: eenzelfde afkeer bij mijn vader, toen ik - ik was elf - zei dat ik naar het seminarie wilde gaan. Dat zijn zoon priester zou moeten worden, dat vond hij heel verschrikkelijk. Hij deed het volgende, hij zei: ‘Ga jij maar eens mee’. En toen gingen we het huis uit, naar een van zijn winkels. Het was avond.
B. ‘Ga jij maar eens mee’, dat is echt zo'n zin uit die tijd. Had jouw vader winkels?
P. Ja, textielwinkels, in Den Haag. De zaak was al verlaten die avond; wij gingen midden in die winkel staan, en toen heeft hij mij verteld dat ik dat niet moest doen, priester worden; hij heeft me dat op een geweldig strenge toon verteld. Toen ik volhield, kwam er zelfs de vlakke hand aan te pas, om mijn oren, ja ja; hij was daar heel fel tegen. Nu begreep hij niet dat je, als je als kind een idee in je hoofd hebt (wat misschien dan ook nog een waanidee is, dat weet ik niet) en je
| |
| |
ontmoet daarop verzet, het idee eigenlijk alleen maar in kracht groeit. En ik ging dus bondgenoten zoeken: bij mijn moeder (moeders zijn wat dat betreft altijd wat begrijpender en toegeeflijker) en ik ging dat ook bij een kapelaan van onze parochie doen en ook bij de klassebroeder op de lagere school; ja, mijn vader moest het wel verliezen tenslotte, hij kon moeilijk in conflict met de kerk komen.
B. Je bent dus tegen de zin van je vader...
P. Ja ja. En duizend gulden heeft hij mij nooit in het vooruitzicht gesteld. En net tegen die tijd toen ik achttien was en hij zich zo'n beetje verzoend had met die gedachte en hij bij wijze van spreken al spaarde voor de kelk en het brevier, toen hield ik ermee op.
B. Hoe vond hij dat?
P. Dat vond hij erg, maar hij verheugde zich er toch weer wel over, omdat hij toen dacht dat ik nu in de zaak kwam. En dat ging toen ook niet door, dat was toen weer een bittere pil.
B. Je bent dus naast al zijn klaargezette stoelen gaan zitten.
P. Ja. Ik moet hem veel verdriet gedaan hebben. Maar wat is dat nu geweest, dat jouw vader dacht: als ik ze nu maar de wereld laat zien? Je zusje op een wereldreis, je broer in Parijs. Dacht hij: zo kan het nog verholpen worden?
B. Ja, dat was de gedachte die erachter zat.
P. Is het dat geweest? Het kan natuurlijk ook zijn, dat de man toch ook al een bepaalde vrees had van: als je met zestien-, zeventien-, achttienjarige leeftijd een klooster in gaat, een vrouwen- of mannenklooster, weet je dan wel wat je doet? Je weet niet wat je mist. Meer deze vrees misschien: als dat later maar geen berouw wordt, huilen wordt; laat ik dat voorkomen.
B. Dat is mogelijk. Maar dat had hij natuurlijk allang kunnen bereiken door ons te laten deelnemen aan partijtjes en dergelijke, maar we mochten niet eens naar de bioscoop, wij mochten niet dansen, we leefden als monniken. En daarom was die sprong ook niet te maken; hij had het makkelijk kunnen doen daarvóór. Maar wij fietsten naar die kapel, 's ochtends om zeven uur, wij kwamen 's avonds thuis en gingen huiswerk maken. En daartussen waren congregaties en retraites en triduums, maar van de wereld zagen wij niets. Dus àls je dan eindelijk naar Parijs mocht fietsen, dan fietste je meteen het
| |
| |
dichtstbijzijnde klooster in. Ik was twintig jaar, toen ik voor het eerst heimelijk naar een bioscoop ging, ik wist niet wat ik meemaakte. Geld was er ook niet, behalve die gulden per week. De wereld was iets heel engs, daar moest je vooral niet mee in aanraking komen. En daarom was die sprong een onderneming, waarvoor we helemaal geen afzetmogelijkheden hadden, al had ik Brussel wel gehaald.
P. Heel vreemd, dat het dan mocht. Als je het klooster in wilde, of de neiging daartoe vertoonde, móest je dus ineens met die wereld kennismaken.
B. Dan wel.
P. In een vervroegd stadium. Dat is heel gek... Heeft je vader er zich later mee verzoend?
B. Neen. Wel met het trappist-zijn, maar niet met het non-worden. Dat bleef hij erg vinden, tot het laatste toe. Hij is in 1941 gestorven, hij was maar 55, ik ben nu al een jaar ouder, niet in te denken. En hij vond het ook naar, die bezoeken in Maastricht, in zo'n wachtkamertje met die palmen en die enge, matglazen ramen. Daar stond dan die man, die misschien overliep van onuitgesproken genegenheid, tegenover zijn dochter, moest zijn hoofd in die kap steken, dat waren hele diepe tunnels toen en op het eind vermoedde je een vrouwengezicht, maar je wist het niet helemaal zeker, en op het eind daarvan verstrekte je dan een kus. Dat is nu allemaal heel anders geworden, ofschoon wel laat, want tien jaar geleden was het nog zo. Gek eigenlijk, je ging naar een plek waar de ‘liefde’ beoefend werd, wat ook inderdaad zo was, want die zusters werkten zich een ongeluk aan al die honderden bedden, maar als je er kwam, sloeg alles dicht, het speelde zich weer een verdieping hoger af. Het lag niet aan mijn zusje, die deed wat ze kon om de zaak te ontdooien. Ze kon het ook niet helpen dat gelijkvloers alles bevroren was.
|
|