| |
| |
| |
6 Als de golven stijgen
P. Ik heb een vorige keer iets over mijn seminarie-opleiding verteld, de tijd daar doorgebracht, maar ik ben eigenlijk ook erg benieuwd naar wat jij als ‘jongen in de wereld’ op jouw middelbare school hebt meegemaakt; jij zat toch ook op een katholieke en door paters geleide middelbare school, is het niet?
B. Ja. Het aantal paters was overigens gering. Er waren er maar een paar, maar die beheerden toch de zaak, dat is waar. Er zijn voor mij twee bronnen van informatie geweest. Allereerst was er natuurlijk het gezin. Ik was zoon van een kamerlid, een katholiek kamerlid, en dit bracht mee dat het katholieke geloof niet zozeer als geloof centraal stond, maar meer als katholieke zaak, die term herinner ik me nog heel goed; en die katholieke zaak moest gesteund en bevorderd worden, met name door het aantal zetels van de katholieke staatspartij naar boven te werken en verder ook te zorgen, dat er meer katholieke burgemeesters kwamen. Mijn vader meende geconstateerd te hebben dat men voor de overheidsposten te weinig uit het ‘katholieke volksdeel’ recruteerde en daar moest een eind aan komen. Wij waren ‘achtergesteld’. En zijn redevoeringen gingen daar ook over. Het ‘erfdeel der vaderen’ - wat dat precies was weet ik niet, maar dat hadden wij in handen en dat moesten wij bloeiend aan onze kinderen doorgeven en vergroten en vermeerderen. Het waren dus toespraken, die erop gericht waren de macht van het katholiek-politieke leven te vergroten.
P. Had dat te maken met apostolaat? Of niet? Want je hebt aan het geloof in die belangenopsomming nog geen waarde toegekend.
B. Nee, het katholicisme werd meer gezien als een stuk op het Nederlandse schaakbord, zo zag mijn vader dat. De katholieke zaak.
P. Jazeker. Maar die katholieke zaak was dus de politieke emancipatie?
B. Ja, ja. Het kan ook wel zijn hoor, dat wij iets achter waren, dat is wel mogelijk, maar ik heb mijn vader weinig over
| |
| |
het geloof horen praten. Het gebeurde wel, maar toch meestal in de zin van: nog tien jaar en de kop van Noord-Holland is katholiek. Soms sprak hij over het evangelie, vooral de bewogen passages, de verloochening van Petrus, het verraad van Judas, de opwekking van Lazarus. Hij deed dat meesterlijk. Je zag het voor je. Op school was het weer anders, daar heerste bij de paters de opvatting, dat wanneer je alles wat zondig was naliet, dan hield je als resultaat een roomse jongen over. Het was een soort ‘silhouetteerkunst’, het uitknippen van de zonde, dan hield je een poppetje over en dat was rooms. Het wegknippen van het verbodene en door uitsparing verkrijgen van de katholiek. En wij mochten dus niet naar meisjes kijken, wij mochten ook niet samen ravotten, ‘jeu de main, jeu vilain’. Dit was een term van pater Vlaar, een zeer scrupuleuze, bange man, die het overigens goed met ons meende. Maar wat hij meende was zo vreemd. Overal lag de onzedelijkheid, waarmee hij bloot bedoelde, op de loer. Als er maar niets ‘gebeurde’. Het moest windstil zijn om ons heen. Karakteristiek was de manier, waarop hij een geslaagde hoogmis beschreef. We kwamen naar buiten uit de schoolkapel en dan keek hij voldaan over al die jongens heen en zei: er was vandaag geen enkele wanklank. En dat vat eigenlijk, nu ik erover nadenk, de situatie wel samen, er was geen wanklank, en daarom was het goed, maar dat goed werd niet als een positieve deugdbeoefening gezien, het had ook niets heroïsch, je liet alleen maar na. Dat zijn de twee dingen die ik ervan kan zeggen.
P. Merkwaardig vind ik het overigens dat hij dat ene in het Frans riep...
B. ‘Jeu de main, jeu vilain’; jawel, het noemen daarvan in het Nederlands was al verkeerd.
P. En daarom gebruikte hij dus het Frans?
B. Ja, daarom gebruikte hij veel Frans; alles op zedelijk gebied werd in het Frans gezegd. Hij hield ook wel eens preken als er iets gebeurd was en dan moest hij dat delict noemen, dat kón hij niet gedaan krijgen. ‘Er is iets gebeurd,’ zei hij, ‘we weten het allemaal...’ iets in die geest; en áls het dan gezegd moest worden, dan werd er een Franse formulering gebruikt.
P. Dit komt wel overeen met wat ik op het seminarie meemaakte wanneer over bepaalde gevaren werd gesproken die ons in de puberteit bedreigen zouden, of vergrijpen waaraan men
| |
| |
zich had schuldig gemaakt of schuldig zou kunnen maken. Die werden ook nooit eigenlijk bij name genoemd, nooit zó dat je begreep waar het over ging. Ik herinner mij dat ik als jongen van dertien, veertien jaar door retraitepaters hoorde spreken over jongens van de hoogste klassen ‘die het zo moeilijk hadden’. Maar waaruit de moeilijkheid bestond heb ik nooit begrepen.
B. Je hebt het toch hopelijk later wel begrepen?
P. Ja, ja, maar toen niet. En als ze dan 's middags op de cour aan het volleyen waren, dan keek ik naar die jongens van de vijfde en zesde klas en dan dacht ik bij mezelf: hebben die het nou moeilijk? Maar ik wist niet wat of waarom.
B. Wij gingen als kinderen op de lagere school - daar was geen kapel aan verbonden natuurlijk - elke ochtend naar de mis van zeven uur in de parochiekerk, dat miste nooit.
P. Ging de aansporing daartoe van huis uit of van school?
B. Van huis. Op de middelbare school ging het van de school uit. Goed, we liepen dus met ons zessen op een rijtje naar die kerk, mijn ouders niet, mijn vader las dan in bed de krant en kreeg daar een kop thee bij en dat heeft mij nooit gestoord. Mijn vader had aan tafel ook een apart botervlootje voor zich, waar natuurboter in zat, de rest at margarine; het was een klein tempeltje, dat botervlootje, en dat vond ik heel gepast. Het symboliseerde de opperpriester van het gezin. Mijn moeder at ook niet uit dat potje. Mijn vader bleef dus liggen, mijn moeder rommelde wat rond, maar ging ook niet naar de kerk, de dienstbodes gingen ook niet, maar wij zessen wel, dat was op de Nieuwe Groenmarkt, de paterskerk. Ik zeg afwisselend vijf en zes, want toen Herman negen jaar was, is hij gestorven. Nou dat zat je uit, je zag die priester in de verte bewegingen maken, ik geloofde dat daar Christus aanwezig was, en met de communie kwam hij bij je; dan deed je je handen voor je ogen en dan werd je verondersteld een gesprek met hem te voeren, op zijn minst van een kwartier, dat deed ik in korte, panische zinnen met radeloze tussenpozen, want ik werd erg gehinderd door het feit dat hij alwetend was en dus telkens wel wist wat ik ging zeggen. Ik wilde, dat het spannend voor hem was en dat hij zich niet verveelde en die gedachte was erg ontmoedigend, dat weet ik er nog wel van. Aan het gymnasium was een eigen kapel verbonden en die begon om acht uur.
| |
| |
P. Elke morgen?
B. Elke ochtend.
P. En dan nam je dus al je brood mee van huis om na afloop van de mis te eten daar?
B. Nee, er was een ontbijt.
P. Door de school verstrekt?
B. Dat werd door de school verstrekt.
P. Mits je naar de kerk kwam.
B. En er was thee. Maar wanneer je niet te communie ging, was er geen thee. Daar werd niets van gezegd, er werd geen kopje voor je bord gezet.
P. En die ochtendmis, iedere dag, was die verplicht?
B. Die was verplicht, dat hoorde bij de school. Hoe de rector dat kon eisen begrijp ik niet, want dat hoort helemaal niet onder de leerplichtwet. Wanneer je dat niet deed...
P. Hoorde je niet op die school.
B. Ja, de rector hield je op de cour staande en sprak bekommerd met je, alsof hij met een zwaar zieke sprak, een geestelijk invalide dan. Je voelde je ook als een melaatse en deed het geen tweede keer.
P. Die ochtendmis, was dat het enige dat ze op school aan godsdienstoefeningen deden?
B. Nee, er was ook een mariacongregatie, die bijeenkomst was om de twee weken, zaterdag als de school uitging. Dat was wel niet verplicht, maar de jongens die daarvan geen lid waren, die hadden toch ook wat onder de leden. En je geloofde nog steeds zo erg, dat je dat zelf ook bedenkelijke figuren vond, zij het met een heimelijke bewondering.
P. Ik was vergeten dat wij op het seminarie ook nog mariacongregatie hadden, iets dat ik maar raar vond: dat wij, die nauwelijks iets anders deden dan bidden en in de kapel zitten en studeren en een uitermate pieus leven leiden, ook nog eens op de zondagmiddag, als we eindelijk eens wat vrije tijd hadden, verondersteld werden een dik uur in de kapel te zitten voor de mariacongregatie. Het hield gewoon niet op. En het ging helemaal nergens over. We zongen er altijd Het Lied voor Eer en Deugd. Sterker nog: als er eens een vrije middag was waarop we gingen wandelen (in groepen uiteraard) werd er ook altijd nog een uitvoerig bezoek gebracht aan een kerk op onze weg. Zogenaamd spontaan. Vergeet het maar. Iedereen
| |
| |
had er de pest over in.
B. Ja, het was psychologisch niet goed bekeken, want die mariacongregatie viel bij ons op zaterdag als de school uitging. En dan was het eindelijk tien over half een, je had al die tijd op de secondewijzer van je horloge gekeken, en dan moest je nog eens die kapel in en zong die doffe liederen: ‘Als de golven stijgen, hoger hoger dreigen...’ Ken je die liederen? En die mateloos zeurderige toon?
P. ‘Zie dan minzaam op ons neer...’
B. Nou, en dan hoorde je buiten de slechte jongens voetballen. Maar nu wou ik nog over iets anders praten, wat hier toch wel mee te maken heeft, en dat is dit: dat ik als jongen voortdurend begeleid ben geweest door de gedachte - in zo'n lof met collectanten en die processie met vaandels - dat de wereld verder was, maar het is nogal moeilijk uit te leggen wat ik bedoel: ik vond dat wij achter waren, en dat het allemaal erg stoffig was, en lief, en goed bedoeld, maar ik stelde mij de wereld voor als bijzonder sophisticated, ook zeer om ons lachend, en in alle opzichten verder zijnde. Ik merkte dat ook in de literatuur - daar had je laten we zeggen Felix Rutten, Marie Koenen en de gebroeders Van der Lans -, maar de werkelijke schrijvers als Van Deyssel, Gorter en Kloos, die waren niet katholiek. Of, wat nog erger was: niet meer. Dan had je in de wijsbegeerte het thomisme, maar de wijsbegeerte die in de avant-garde marcheerde was niet katholiek. Je had glasramen met apostelen, die nadrukkelijk naar Christus wezen, ofschoon die vlakbij stond, maar de Rodins en de grote beeldhouwers en de echte glazeniers, die waren niet katholiek. Zo had ik op alle gebieden van het leven het idee, dat wij een lieve dilettantengroep waren, die het toevallig bij het rechte eind hadden. De anderen dwaalden wel, maar ze dwaalden op een weg, die aanzienlijk breder was dan de onze. Ze liepen ook een heel eind vooruit te dwalen. Ze stonden kilometers voor ons uit in het donker te tasten.
P. Ik heb dat toch, hoewel ik jonger ben dan jij, anders ervaren: dat komt wel door de invloed van het seminarie en het afgesloten zijn van de wereld. Ten eerste moet ik zeggen dat, toen ik middelbaar onderwijs kreeg, de geschiedenis al wat verder was. Wij kregen te horen over de toch maar geweldige invloed van de katholieke jongeren in de literatuur; ons kon
| |
| |
men dus al wijzen op resultaten, - en dat liet men niet na. Ik zal nooit vergeten dat in '43 Anton van Duinkerken een keer spreken en voordragen kwam op het seminarie. Het was of God zelf kwam, zo diepe indruk maakte dat op je.
B. Ja, daar zeg je wat: ik was ook enorm verbaasd dat, toen Van Duinkerken een polemiek had met Ter Braak, een katholiek au sérieux genomen werd. Maar dan ben je ook al een heel eind verder in de tijd.
P. Voor mij was dat al (ik was jonger) historische werkelijkheid. Maar ik weet wel (en dat kwam niet alleen door de boeken die wij te bestuderen kregen, maar zo werd het ons ook geleerd) dat ik dacht: wij zijn dan potdorie toch maar wat, als katholieken; ook in de kunst, begrijp je? Ik zag dat niet meer zo als achterlijk als jij dat moet hebben gevoeld.
B. Vreselijk achterlijk. Voor ons had je ‘De roomsche jeugd’ en voor de ouderen was er ‘De katholieke illustratie’, maar in beide werd je op de hurken toegesproken.
P. Ja precies.
B. Het enige verschil was, dat in de K.I. de lullekoek wat verder was doorgebakken.
P. Ja maar, ik weet toch ook nog wel dat ik een bepaalde argwaan had ten opzichte van de luidheid waarmee in onze boeken verkondigd werd, dat we er nou toch ook maar waren. Ik nam het wel aan, maar de luidheid waarmee het verkondigd werd vond ik een beetje verdacht. Ik weet dat ik met enige argwaan keek naar wat bijv. verkondigd werd in een groot dik boek, waarin Franse letterkunde werd onderwezen en met voorbeelden gestaafd. Ik had al jong, ik denk dertien, veertien jaar oud, geweldige bewondering gekregen voor mensen als Verlaine, Baudelaire, Hugo, en dan stond er ineens in dat boek een afdelinkje Veuillot, Louis Veuillot, en daar stond dan bij, doodgewoon, dat dit de grootste Franse schrijver was uit de negentiende eeuw. Dat is natuurlijk gewoon historisch niet juist, maar de man was een katholiek verdediger, een groot apologeet, van de pauselijke onfeilbaarheid o.a. en deswegen werd hij aan ons voorgesteld als de grootste schrijver van de negentiende eeuw. Ook bijv. Verlaine heette pas groot na zijn bekering.
B. Ja, na ‘Sagesse’.
P. Ik herinner me levendig dat ik dat als kind toch met arg- | |
| |
waan bekeek en bepaald niet geloofde.
B. Het is vreemd, hoeveel kinderen dat eigenlijk in de gaten hebben. Ik was negen jaar en hoorde Borromeus donderen hoe slecht de wereld was, het ‘strandleven’, de ‘danslokalen’ en het ‘zinnen prikkelend plaatwerk’ en daar tegenover het stoere roomse ‘volksdeel’, dat daar niets van moest hebben. Dat ga je als jongen tóch vergelijken met het beeld van de speelplaats, die bange jongen die zo hard schreeuwt: ‘Kom maar op’, en die ander die doodstil staat omdat hij weet: ik win het. Dat had je als achtergedachte onbewust door al die preken heen: het is niet waar, hij staat te gillen omdat hij het zelf niet helemaal gelooft.
P. Er is een parallel die ik zou willen trekken, hoewel ik weet dat het geen zuivere parallel is met wat jij nu zoëven zei, en toch voel ik dat het op hetzelfde neer komt: dat het belangrijke zich buiten afspeelde, en niet in het beschermde milieu. Als wij op de cour liepen voor onze wandelingen, almaar rondjes draaiend in dat kiezel, 's ochtends een kwartier, 's middags een kwartier, 's avonds weer een kwartier, dan zagen wij in de verre verte uit over het land rond het stoomgemaal de Cruquius en op Heemstede; dat was al zeer ver weg; maar dan zag je kinderen spelen in het weiland, vooral in de winter; op die sloten werd er dan geschaatst; jongens waren daar in het land, slootje-springen; vaders fietsten om een uur of half zes naar huis; zes uur: moeders stonden in de deur, klapten hun kinderen binnen; vaders werden tegemoetgesneld door kinderen uit de deuren, en op een of andere wijze voelde ik aan dat het zich daar afspeelde, het leven, en niet op die speelplaats. Daar was de wereld, de werkelijkheid waar het om ging. Aafjes: ‘Ik ging het alleenzijn haten en de tergende refterschel.’ De preken en de meditaties en de refterschel: het was wat jij noemde een hard gillen. Werd het werkelijk allemaal geloofd? Ze hadden het altijd over ‘de rustige zekerheid’ die het bezit van het enige ware geloof je gaf; maar aan de luidheid te horen waarmee dat beleden werd, was het niet zo'n rustige zekerheid. Als ik nog eens mag terugkomen op jouw middelbare schooltijd, kreeg jij daar nu iets mee voor het latere leven aan godsdienstzin, aan vroomheid, en aan godsdienstkennis? Of beperkten ze zich er toe, jullie te vrijwaren voor het slechte? Of stopten ze ook nog een beetje christendom-van-de-daad in je?
| |
| |
B. Nee, het hele régime was erop gericht om je weg zo te traceren dat die niet het pad van de meisjes kruiste, dat was de eerste bekommernis van de rector. Wij werden ook verzocht niet door de Koningstraat te rijden, waar de meisjesschool was, die overigens de ontmoedigende naam Sancta Maria droeg. We hadden wel godsdienstles, van een pater, en daarvoor werd een boekje gebruikt, waarin vetgedrukt de meningen van prominente katholieke theologen stonden en in hele kleine lettertjes de meningen van de protestante tobbers, die daar ook hun gebrekkig oordeel over hadden, maar die werden wel weer vet gedrukt als zij toegaven dat Thomas gelijk had: ‘Zelfs prof. Harnack geeft toe...’, in die geest. Ik herinner me die naam, omdat die man nogal veel toegaf. De godsdienstles werd gegeven door een pater, heel plichtmatig, obligaat en dat was alles, met die mariacongregatie; maar het was allemaal uitsparen zoals ik al gezegd heb, als je nou maar het verkeerde naliet, dan hield je een oppassende borst over. Wacht even, dan had je nog een missieclub. Daar gebeurde niets, want ik was er de voorzitter van.
P. Viel het jou ook op dat die godsdienstlessen zo apologetisch waren gericht? Het ging steeds over bewijzen, alles moest bewezen worden, en het ging om weerlegging van bezwaren.
B. Ja, dat was waar.
P. Het was dus sterk apologetisch ingesteld.
B. De bewijzen waren zo eenvoudig en overzichtelijk, dat je maar niet begreep dat de anderen zich niet voor hun kop sloegen. Maar nee, ze dwaalden maar door, in de kleine lettertjes dan.
P. Ik herinner me het best de godsbewijzen, daar stond dat zelfs erkende godloochenaars toch moesten beseffen dat ze op bepaalde momenten voor raadsels stonden; dat soort uitdrukkingen.
B. De hele zaak werd defensief gebracht. En de grondfout, zoals ik hem nu zie, was deze, dat op een gebied dat met mystiek wordt aangeduid, de wetenschappelijke methode werd toegepast, wat niet kan. Ik dacht dat godsdienst een ervaring was van de hele mens, en wanneer je dat isoleert tot het hoofd, dan krijg je een cerebraal behandelen van waarheden, die op dezelfde wijze gehanteerd worden als H2SO4 en Floris V, die ook allebei aantoonbaar zijn. En dat heeft mij altijd wel ge- | |
| |
stoord. Ik vond het allemaal erg magertjes en ik dacht ook: als die man nou werkelijk gelooft wat hij zegt, dan zou hij hier bezield en bijna met de stigmata in zijn handen en de wonde in zijn zij en toch ook wel een eind boven de vloer van de klas zwevend ons dat moeten meedelen. Maar nee, hij bleef met beide benen op de grond, zoals in de klas ernaast een leraar algebra doceerde.
P. Diezelfde rustige zekerheid. Jij hebt mij gevraagd, of ik in mijn klas, althans om mij heen op het seminarie, een heilige had gezien. Heb jij die op jouw school, bij jouw makkers, gezien?
B. Wij hadden er geen voorradig. Ook niet iets wat er op leek. Wacht even, nu herinner ik me dat er een stille jongen was met een volkomen kalm en altijd glimlachend gezicht, die nooit iets kerkelijks verzuimde en dan heel ingetogen zat te bidden. Ik had een vage angst voor hem, alsof hij van een andere planeet was. Hij liep in een cirkeltje van respect. Dat is het dichtste wat erbij komt. Maar zo'n jongen, als jíj zegt, met zo'n trillende bank, die een aura om zich heeft van mystiek, die was er niet. Hij is later priester geworden, met nòg een waaraan je het zien kon.
P. Dat zijn dus twee makkers, zal ik maar zeggen, die later naar het seminarie zijn gegaan, maar het verloop, of het doorstromen van deze school naar het seminarie was dus niet groot, neem ik aan. Werd er propaganda gemaakt?
B. Eerder het omgekeerde, want we werden vaak door oud-seminaristen gered. De school begon met twee klassen van dertig, en het is verbazend wat daar afvalt: we eindigden in de zesde klas met vier, dat was alles, wat het gymnasium betreft. Daar kwamen opeens vier seminaristen van Hageveld bij, toen hadden we een klas van acht.
P. Er werd bij jullie op school, neem ik aan, dus geen propaganda gemaakt voor de orde der augustijnen; of gezegd: hoe mooi zou het zijn als er een paar van jullie later priester zouden worden.
B. Ik moet toegeven: nee. Ook niet voor de augustijnen. Het priesterschap werd wel altijd met gedempte stem besproken, dat was iets heel hoogs. Dat erop werd aangedrongen, nee, dat mag ik niet zeggen.
P. Dat heb ik wel ervaren op de lagere school: ik was bij
| |
| |
broeders op school, de broeders van de onbevlekte ontvangenis...
B. God, jij hebt er ook lang onder gezeten...
P. En al in de vijfde klas van de lagere school, toen wij dus tien, elf waren, begon broeder Hildebrand, overigens een buitengewoon knappe en aardige man, al eens zo op beminnelijke wijze te spreken over de congregatie van de broeders van de onbevlekte ontvangenis te Maastricht. Dat was een lichaam waar we wel eens over na mochten denken en gerust konden denken, want het had toch geen geringe verdiensten en het had bijv. ook de missies op Java, in Madioen en elders. Je kon nooit weten, misschien waren er wel jongens bij die daar wat meer over wilden weten, dan kon de broeder je daar uitvoerig over inlichten. In de zesde klas, bij broeder Patricius, ging dat nog iets directer en ik zou haast zeggen: onbeschaamder. En het kwam op een zeker ogenblik zo ver, dat die jongens van onze zesde klas lagere school, die te kennen hadden gegeven wellicht enige roeping te bezitten tot intreden in de congregatie van de broeders van de onbevlekte ontvangenis, dat die een onderscheiden leven gingen ledden: die mochten de plantjes water geven, de boodschapjes doen, en hoefden, wanneer er om vier uur schoolgebleven moest worden, niet school te blijven, die mochten naar huis.
B. Die mochten zeker ook het bord schoonmaken.
P. Een broer van mij heeft een korte tijd roeping gehad, toen hij het schoolblijven ook welletjes vond; maar dat werd toch gauw doorzien.
B. De paters augustijnen hebben dat nooit gedaan, hoewel de orde in Nederland niet groot was. Maar ze hadden toch een pater-provinciaal, die kwam zo wel eens aan en dan zongen wij hem een lied toe. En één keer heb ik meegemaakt dat de generaal kwam. Dat was me wat. Een jongen moest hem toespreken en dat heb ik toen gedaan. Ik schijn het er niet slecht afgebracht te hebben, want ik steeg meteen tot prefect van de mariacongregatie. Ik zei je al, dat ik ook voorzitter van de missie-club was, maar daar viel niet veel aan te beleven, want de augustijnen hadden alleen een post in Bolivia. Dat lag zo ver dat we zelfs geen hoop hadden om te controleren of dat wel waar was. Maar goed, daar gingen dan af en toe wel jonge augustijnen naar toe. En ik herinner me nog goed - het is
| |
| |
een heel gek verhaal - dat we allemaal moesten sparen, want er was weer zo'n edelmoedige jongeling, ditmaal van arme doch oppassende ouders uit de Beemster en die zou erheen. Maar die ouders konden dat niet betalen en de orde deed dat blijkbaar niet. Toen moest de school hem adopteren en dat deden we door de loden capsules van wijnflessen te sparen en het zilverpapier van kwattarepen te verwijderen. Er stond een grote ton onder aan de trap en daar gooiden we dat allemaal in. Ook postzegels waren welkom, gewoon gebruikte, die je van de enveloppes afweekte. Ik heb nooit begrepen hoe dat de missie vooruit kon helpen, en het is ons ook nooit uitgelegd, maar dat hebben we jaren volgehouden en die pater was dan eindelijk rijp. Die is toen afgereisd met ondergoed van ons en een habijt van ons, en zakgeld van ons, en de hele school was koortsachtig opgewonden, want er ging nu iemand op onze kosten de heidenen bekeren. En die boot komt in Zuid-Amerika aan, ergens in een heel klein haventje, want het moest allemaal op een koopje gaan, er wordt een plank uitgelegd en met die twee koffers, links en rechts, blij over die plank voortstappend is hij toen uitgegleden en in dat hele kleine haventje verdronken. Weg al onze postzegels, want hij zonk als een baksteen. De oorzaak hiervan was, dat hij gehoord had dat die heidenen daar zo verschrikkelijk stalen en daarom had hij die twee koffers met leren riempjes aan zijn polsen vastgemaakt, dus nog een keer bovenkomen was er niet bij. Rector Vlaar stond nu voor de bovenmenselijke taak die afgang op waardige wijze aan ons mede te delen. De school werd op de cour verzameld, de rector besteeg het bordes en zei met zachte stem, dat pater Remigius op de drempel van zijn reusachtige opdracht plotseling ontslapen was. Op heldhaftige wijze was hij ten onder gegaan. Er ontstond een stilte. Toen vroegen een paar scholieren aarzelend: hoe? Rector Vlaar dorst dat niet goed te zeggen, want pater Remigius had nog niet eens het vasteland
betreden, laat staan een heiden bekeerd, maar hij moest wel en hij legde toen uit, dat de pater door Gods onnaspeurlijke raadsbesluiten van de plank gegleden en in het water gevallen was en op die wijze zacht, kalm en vol berusting de eeuwige zielerust was ingegaan. Hij verpakte het zo, dat er geen gelach ontstond.
P. Een niet geringe prestatie...
| |
| |
B. Toen keerde hij zich oin en ging waardig naar binnen. De school verspreidde zich over de cour, helemaal verslagen, en opeens zag ik iedereen schuin tegen allerlei bomen staan, huilend van het lachen... Er was even tijd nodig geweest om die clericale verpakking los te wikkelen en te kijken wat erin zat. Het bleek toen dat hij gewoon van de loopplank naar beneden gelazerd en verzopen was. Het overhouden van die kern sloeg een massale hysterie los.
Ik herinner me ook een fancy-fair voor de missie. Daar werden paters voor uitgenodigd van missie-ordes en die gangen met hun grote baarden in die stalletjes staan. Vandaar uit vertelden ze ons, als we ook maar de geringste neiging tot luisteren vertoonden, hoe goed wij het hadden en dat men, om in de missie-landen naar de kerk te gaan, wel drie dagen door de rimboe op weg was. Het kwam wel voor dat een volledig gezin, vader en moeder en twaalf kinderen, een week lang zich met een mes door het oerwoud kapte om ergens een heilige mis bij te wonen. De bedoeling was om aan te tonen hoeveel makkelijker wij het hadden. Wat men daarbij niet besefte was, dat we onder die omstandigheden graag naar de kerk waren gegaan, inplaats van elke ochtend om half acht door de regen over de Zijlweg te fietsen.
|
|