| |
| |
| |
5 God sprak in cursief
P. Ik heb vannacht - ik kon niet slapen - een boekje uit de kast gehaald dat ik twee jaar geleden heb vertaald, met Huub Oosterhuis samen: ‘Vijftig Psalmen’. Daar vond ik toevallig deze regel uit de eerste psalm: Gelukkig is de man die niet te rade gaat bij goddeloosheid. Als ik zo'n regel lees, geef ik mezelf als het ware een schouderklopje van het daarmee eens zijn; in deze zin: als je goddeloos bent, zonder God, dan zou je óngelukkig zijn, dan zou het niet te harden zijn voor mij. En ik stel mij ook nog voor dat, als ik het helemaal zou missen, elk geloof in God, en dus goddeloos zou zijn, ik dan inderdaad ongelukkig zou zijn zoals die psalm voorspelt. Want die psalm gaat door met regels als: God kent zijn mensen en behoedt hun wegen, en: Wie Hem veracht loopt verloren. Aan zulke regels denk ik, wanneer ik me verdiep in deze en de komende tijd, waarin God, op een geheel andere wijze vertaald, in het geloof van onze kinderen of misschien ook in ons eigen geloof enkel nog maar aanwezig is in onze medemensen. Het beginsel is uitstekend; maar het dreigend exclusieve karakter ervan vervult me met wantrouwen. Als ik het eens een beetje grof mag zeggen: is dat geloof, hoe optimistisch en mooi men ook spreekt over dat aanwezig zijn van God in de medemensen en het zich daar op richten en daar mee omgaan, niet een staat van goddeloosheid?
B. Ja, maar je hebt ook een bepaalde jeugd gehad, waarin het omgaan met God in een vaste vorm gestold was. Ik denk vaak aan oud-seminaristen als Anton van Duinkerken, Bertus Aafjes en jou, dan zie ik jullie door die gangen lopen op een rij naar de studiezaal, naar de kapel, naar de refter, in een geordende dag met en allemaal overkoepeld door een eensgezind geloof... Heb je weleens, met alle bezwaren die je had, want je bent tenslotte weggegaan, een verschrikkelijk heimwee naar die staat van geborgenheid?
P. Heimwee? Ik geloof niet zozeer naar het seminarie, wel naar mijn jeugd, maar die loopt dan langer door dan mijn achttiende. Ik had in die seminariejaren, zeker de laatste, zoveel andere narigheden, dat die geborgenheid die je natuurlijk had,
| |
| |
die zekerheid, daardoor toch wel voor een goed deel doorsneden werd en eigenlijk verknoeid. Dat betrof in mijn geval het vermoeden van ‘de wereld’ als het eigenlijke levenstheater en de narigheden rond het willen schrijven, en er nauwelijks de gelegenheid toe krijgen; ja, zelfs kreeg ik er verboden over opgelegd. Precies zoals Anton van Duinkerken dat als seminarist ervaren heeft. Je leest het in de ‘Brabantse herinneringen’. Maar heimwee, nee, dát kan ik het niet noemen. Is het heimwee, als je op je veertigste soms nóg droomt dat je tegenover de regent van het seminarie staat en, opeens moed vattend, hem een klap geeft midden in zijn gezicht?
Ik herinner me ook dit wel: kijk, wij stonden op om vijf voor half zes, als jongens van twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar; om vijf voor half zes, en we gingen pas aan tafel om half acht. Dan had je dus twee uur achter de rug van ochtendgebed, meditatie, heilige mis en ook nog een half uur studie. En 's middags was er weer adoratie, om kwart over twaalf, en een kwartier lang zat je opnieuw in de kapel, had je weer een korte overweging, er werd iets gezongen, gebeden, dan ging je weer aan tafel. En 's avonds had je een uitvoerig avondgebed, ook weer met korte overweging. En nu was er dit: je werd verondersteld na de laatste middagles, als je vrije tijd begon, die maar drie kwartier duurde, nog eventjes bij ‘dien stillen vriend’ binnen te gaan, een bezoekje te brengen. Dat was niet verplicht, maar het werd wel op prijs gesteld, zoals dat heette. En wanneer je niet ging, dan werd dat toch door alle jongens van je klas opgemerkt, en ook door de surveillant. Kijk, niemand durfde (laten we zeggen dat de recreatietijd om half vijf begon) inderdaad om half vijf die recreatiezaal binnen te stappen. Hij was dan een eenzame jongen, dat kon niet, je ging toch naar die kapel eerst, voor dat korte bezoekje, dat dan toch nog altijd vijf minuten van je kostbare tijd duurde; en dat haatte ik, dat vond ik overdreven, dat vond ik belachelijk. Als jongen van dertien, veertien, vijftien jaar wist ik in elk geval, dat het beter was, veel beter moest zijn om mij om half vijf met mijn ‘makkers’ in de recreatietijd aan het spel over te geven dan nog eens vijf minuten in die kapel te gaan zitten. Die vijf minuten kon ik ook nooit een fatsoenlijke vrome gedachte krijgen.
B. Ja, dat begrijp ik. Maar wat me interesseert is dit: je had
| |
| |
een onwankelbaar geloof, neem ik aan. Had je nu, in die situatie, werkelijk verkeer met God? In die bank in die kerk? Had je gesprekken met hem?
P. Ja, ik had in die kapel uitvoerige gesprekken. Niet om half vijf. Maar 's ochtends, en onder de adoratie 's middags, en 's avonds in bed. Het waren eenzijdige gesprekken, omdat hij nooit antwoordde, maar ik had ze; ik wist dat hij luisterde, dat hij belangstelling voor mij had; dat hij, tussen het in de gaten houden van miljoenen mensen en sterren en engelen, tijd voor me had en aandacht. Ik geloof dat ik, zoals dat dan heet, vertrouwelijk met God omging, of hij met mij, hoe moet ik het eigenlijk zeggen. En in die atmosfeer voelde ik mij wel.
B. En nu is dit mijn vraag. Het is dus iets echts in je leven geweest, dat gesprek met die onzichtbare man. Die conversatie is nu, daar komt het toch op neer, verbroken, je doet het niet meer. Is dat een gemis?
P. Ik ben spontaan geneigd nee te zeggen. Als het een gemis was, zou ik dat gesprek toch voortzetten? Dan zou er toch de behoefte zijn aan dat gesprek, en dan zou je dat toch weer opnieuw gaan beginnen? Maar ik vermoed wel hoe het komt. Ik ben de antwoorden steeds minder gaan horen. Het gesprek werd steeds eenzijdiger. Waar en hoe is dat zo begonnen? Misschien wel bij de realisering van het feit, dat, als je dat gesprek met God begon, je zelf de antwoorden gaf.
B. Je moest wel. Aan de andere kant van de telefoon hoorde je niet eens een zoemtoon.
P. Onze lieve heer sprak niet echt, er kwam uit dat tabernakel niets, geen stem. In meditatieboeken had je er wel, antwoorden van God; boeken waarin hij sprak met zijn jonge vriend. Dan stond er: goede vriend, of: jonge vriend.
B. Dat stond dan in cursief gedrukt.
P. Ja, God sprak in cursief, en God zei dan zoiets als: ‘Jonge vriend, wat hoor ik nu van je?’ Of: ‘Ik zal je eens zeggen wie mijn vrienden zijn.’ Of: ‘Zie naar mijn moeder Maria.’ Maar dat ben je langzaam maar zeker gaan doorzien; ik herinner me levendig, dat ik met een jaar of zestien daar de eerste vraagtekens bij begon te zetten, van: ja maar, dit is toch maar een pater cisterciënzer of een ongeschoeide karmelietes, die hier namens God spreekt, en ik vraag me af of die zijn intiemste gedachten wel zo goed kent. Nu zie ik - dat is dus een
| |
| |
gedeeltelijk antwoord op jouw vraag van daarnet - dat ik niet meer dat gesprek kan hebben. Het zal wel komen vanwege de skepsis, van: waar is het antwoord? waar is de gesprekspartner? wat zegt de gesprekspartner? Ik accepteer de ‘andere kant’ van het gesprek eigenlijk alleen nog maar in de Schrift. Zoals in de psalmen, waarin God tot je spreekt. Er zijn psalmen waarin de mens tot God spreekt, er zijn ook psalmen waarin God sprekend wordt opgevoerd. Ik weet best dat dat vroeger ook door een mens gedaan is, dat iemand, een gewijde schrijver, een paar duizend jaar geleden God sprekend heeft opgevoerd. Je kunt zeggen: ook dan is het alleen maar fictie, wat God zegt, hoewel ik moet geloven dat het door God geinspireerde boeken zijn. Toch, als ik dat nou lees, en ik lees niet alleen de psalmen, maar ik lees ook wat Jezus in de evangeliën zegt, dan wordt het anders, dan wordt het aannemelijk, dan komt die gedachte: ‘Gods stem wordt hier maar verzonnen’ niet zo op. En door zo in de Schrift te lezen, vind ik dat je wel een soort gesprek kunt houden. Dat heb ik nog wel. En dan is mijn bidden dus een soort van af en toe lezen in de Schrift, zo kan je het eigenlijk het beste zeggen.
B. Ik zit nu opeens te denken aan een eigenaardige paradox. Een van de deugden, je kunt wel zeggen een wezenlijk bestanddeel van de kloosterlijke staat was de nederigheid. Daar stond of viel de zaak mee. Niettemin zag deze ongeschoeide karmeliet of benedictijn er geen been in om ten opzichte van honderden seminaristen namens God te spreken. Dat heeft zo'n man toch ook maar met een bril op in een kamertje neergeschreven. En al schrijvend gedacht: door mij spreekt God. Kras staaltje eigenlijk.
P. Ja, ik had vier delen, die heetten: ‘Gesprekken met Christus’, vier zwarte boekjes, van de cisterciënzer Hieronymus Rongen. Er stond ook in dat het om het vierentwintigste tot zevenentwintigste duizendtal ging. Niet gering, een bestseller, mag je wel zeggen. Met een voorwoord van mgr. Lemmens, geloof ik. Er waren ook meditaties en vrome gedachten en gedichten die afkomstig heetten van ‘een contemplatieve van Bethanië’. Die bleef nederig anoniem. Maar hier stond de naam van de schrijver bij. En zijn boeken heetten unverfroren: ‘Gesprekken met Christus’. En Christus begon daarin inderdaad te spreken. Daar zit iets in, vind ik (ik ben het met je eens) van een soort
| |
| |
hoogmoed, ik kan het niet anders noemen; iemand die God sprekend opvoert.
B. Om dit thema te vervolgen: is het ook niet vreemd te menen, dat je zonder enige psychologische opleiding in staat bent een jongeman of een jong meisje gedurende de jaren van de puberteit in de biecht te begeleiden? Voor een psychiater staat daar negen jaar studie voor.
P. Ik heb de indruk dat de opvoeders die ik had op het seminarie zich geschraagd wisten door een, laten we zeggen, honderdjarige traditie: wat honderd jaar goed was geweest voor de jonge clerus van het Haarlemse diocees, zou nóg wel goed zijn. En men hield zich dus eenvoudig aan ‘mos’, zoals dat heette, aan regels, aan een reglement, gewoonten, die in een eeuw waren gegroeid en die werden geacht uitstekend te voldoen. Ik denk: op de basis van de methoden der jezuïeten. En daar richt zich eigenlijk mijn bezwaar tegen, wat mijn seminarieopleiding betreft. Ik was een jongen van een klas van, ik meen, honderdtien; moet je je dat even voorstellen.
B. In één klas?
P. In één klas begon ik als twaalfjarige jongen voor het priesterschap te studeren met ongeveer honderdtien jongens.
B. Zaten die ook in één lokaal?
P. Nee, die werden in drie afdelingen gesplitst; we kregen dus in drie gedeelten les.
B. Dan had je een heel professorencorps?
P. Ja, ik meen dat er dertig, vijfendertig leraren waren; ze werden ‘heren’ genoemd.
B. En hadden die ook die titel ‘professor’? Wij, de buitenwacht dus, zeiden altijd: hij is professor aan het seminarie.
P. Nee, wij spraken ze met ‘mijnheer’ aan, maar er werd ons in de eerste klas al geleerd, dat, als wij ons ooit schriftelijk moesten wenden tot een van de ‘heren’, dat dan behoorden te doen met de aanspreektitel ‘ZeerEerwaarde ZeerGeleerde Heer’. Dat werd al in de eerste klas meegedeeld door de subregent. Mijn bezwaar geldt juist dat, wat jij noemt, psychologisch onvoorbereid zijn van deze opvoeders; wat ik met name heb moeten horen over mijn gedichtjes, mijn schrijven, over mijn aspiraties daartoe, dat heeft mij de voet dwarsgezet, dat heeft mij op het laatst gebroken. Als ik niet om die reden moeilijkheden had gekregen, dan was ik - neem ik aan - wel met mijn
| |
| |
vierentwintigste jaar priester gewijd, net zoals Anton van Duinkerken, als die geen moeilijkheden op hetzelfde gebied had ontmoet.
B. Als die prefect gezegd had: jij mag rustig gedichten schrijven, dan was je priester geworden?
P. Dat denk ik wel, ja. Maar hij zei (en hij heette regent): ‘Dichten is de hoogste vorm van hoogmoed.’
B. Alsjeblieft. Maar het was in elk geval de hoogste vorm.
P. Zeker. Maar daar putte ik toen nog geen troost uit. En het was een sta-in-de-weg voor het priesterschap. Een priester mocht niet hoogmoedig zijn, en zeker niet in de hoogste graad. Mijn zwakke antwoord was een vraag: ‘Maar Guido Gezelle dan?’ Waarop hij uitriep: ‘Maar dat was dan ook een heilige!’ Later is ons intussen, meen ik, wel bekend geworden dat Gezelle geen heilige was, deze overigens beminnelijke en alleraardigste fijne mens. Maar een heilige is hij, dacht ik, niet geworden, ik bedoel in de zin waarin die regent indertijd het woord heilige gebruikte. Ik geloof overigens juist dat iemand met zo'n leven achter zich veel eerder recht heeft op het predikaat heilige dan een heel stel gecanoniseerden.
B. Heb jij er onder die leerlingen een gekend, die een diepe indruk op je maakte, die in jouw ogen een heilige was?
P. Ja, die zat schuin achter mij in de kapel, zijn naam was Gerard M. Hij zat rechts achter mij in de bank en ik kon hem goed zien, als ik schuin opzij keek. Het was een magere kleine jongen, en hij zat altijd te trillen in de kapel, te beven van jewelste en de bank schokte daar soms van. En omdat de banken met elkaar verbonden waren, kon ik dat in de voor hem staande bank goed voelen; en ik meende dan dat die jongen extases had; zijn gezicht was soms ook werkelijk van een mystieke glans, dat moet ik zeggen. En ik wist zeker: dit is een heilige, we hebben een heilige in de klas.
B. Was jij de enige die dat dacht?
P. Dat weet ik niet. Ik heb dat nooit met iemand durven overleggen; dan zou je eigen onheiligheid te zwart erbij afsteken natuurlijk, wanneer je dit opmerkte. Maar ik heb altijd vermoed dat hij heilig was. Waarschijnlijk omdat ik niet geloven kon dat iemand zo vaak zo nodig moest. Trouwens, als ik dat wél geloofd had zou ik het misschien weer een vorm van heiligheid gevonden hebben dat hij nooit in zijn nood de
| |
| |
kapel verliet.
B. Werd er onder de jongens wel eens ‘heilig’ gesproken, in die zin dat er religieuze ervaringen werden uitgewisseld?
P. Nooit.
B. Was dat dan alleen leerstof voor in de klas?
P. Het heilige hoorde in de kapel; en daarbuiten was dat niet. Er was dus zeker niet zoiets van een, wat in romantische verhalen over dit soort onderwerpen wel gezegd wordt, ‘geheel doortrokken zijn van het leven door het hogere’. In het geheel niet. Er werd gevoetbald, gevolleyd, en vals gespeeld bij het kaarten. En er werden géén vuile moppen getapt. Daar bestond een heilige angst voor, denk ik. Voorzover men ze al kende. Ik kende ze niet.
B. Werd er ook over meisjes gesproken?
P. Er werd in het geheel niet over meisjes gesproken. Door ons niet tenminste. Door de overheid, regent, subregent drie maal per jaar, nl. op de laatste ochtend van het trimester, en die vakantie begon dan altijd tweede kerstdag, tweede paasdag, je was dus nooit op het hoogfeest thuis, en dan nog een keer in de zomer; dan werd er gewaarschuwd voor de meisjes, dat wel; maar dat ging eigenlijk meer in een onschuldige zin: ‘De vriendinnen van jouw zuster behoren niet jouw vriendinnen te zijn.’ En als er verder over meisjes gesproken werd, in de les of zo, dan was het - ja, ik moet voorzichtig zijn, - vrij denigrerend. Maar je moet eigenlijk in het algemeen zeggen: meisjes, vrouwen, bestonden eenvoudig niet, waren er niet. Behalve dan in lectuur, heiligenlevens. Daarin werd laatdunkend over ze geschreven, - te mijden als de pest.
B. Zijn er nu nog seminaries?
P. Ik meen dat het seminarie Hageveld, waar ik geweest ben, nu een bisschoppelijk college is, waar iedereen welkom is, ik geloof ook meisjes; het is een open school geworden, een open gymnasium.
B. Ben je nog ooit in dat gebouw terug geweest?
P. Vele malen. Om die paar leraren op te zoeken, later, aan wie ik al tijdens mijn seminarietijd wat had, en die mij de laatste jaren draaglijk maakten, en die ik verder ook nog wilde zien en spreken. Diepenbrock, Van der Poel, Zwartkruis, Deroy, fijne mensen die tegen die jongen van 16, 17 zeiden: lees je gedichten maar voor, en die dan ook luisterden en erop in
| |
| |
gingen, en die je goede boeken meegaven om te lezen. Mensen voor wie je een levend mens was, hoe wankel en onrijp ook. Mensen met een beetje Jezus in zich. Met veel meer Jezus in zich, voor mij, dan de oversten die dagelijks over hem preekten.
En verder ben ik er bijv. terug geweest bij het voorbereiden van mijn boek over ‘Het rijke roomsche leven’, omdat zo'n seminariebibliotheek nogal uitgebreid is - veel pastoors lieten bij hun dood hun boekerijen aan Hageveld na - en ik daar veel materiaal vond. Ik zat er weer hele dagen in de bibliotheek. Een ding, dat mij altijd meteen opvalt als ik in het seminarie terugkom, is de geur.
B. Dat is interessant, ik leef van geuren. Bedoel je die ouwe pastorielucht van sigaren en spruitjes?
P. Er hangt een stank van schoonheid, ik geloof dat ik het zo het best kan noemen, het stinkt er schoon. En die geur, die blijft mij bij. Die geur lijkt soms een beetje op de geur die je vroeger uit je overblijftrommeltje op school tegemoet rook. Die ken je? Het is een heel andere overigens dan er in zusterkloosters hing. Die herinner ik me van het misdienen in zusterskapellen. Dan mocht je het Slot binnen en dan stonk het je tegen. Maar ik wou even terugkomen op dat spreken met God, wat je deed als kind, en wat je nu niet meer doet, en wat dus eigenlijk bidden is, althans je hart verheffen tot God; hoe zou het nou komen dat je daar geen behoefte meer aan hebt? Je vroeg me: mis je het? Toen zei ik: nee. Hoe komt het eigenlijk dat dat al lang niet meer doet? Is dat toch ook: meer verklaringen weten voor de raadselachtige dingen? Kijk, de panische angstsituatie, waar we het eerder over hadden, in het vliegtuig bijv., blijft panisch omdat dan het antwoord helemaal niet voorhanden is, omdat een terugpratende God die je geruststelt in je angst om het ding waar je in zit, dan geheel afwezig is, is het niet? En op zo'n moment kun je ook eigenlijk geen zinnig woord vinden en verzinnen van wat God tegen je zou kunnen en moeten zeggen, dat is het hem. Je wilt eerder een teken van leven, van hem.
B. Dat is ook maar zuiver hulpgeroep.
P. Het is hulpgeroep zonder antwoord. Het is dus geen dialoog. Maar een hulpgeroep is het wel, en inzoverre dus een soort je hart verheffen tot God. Ik denk dat het uitblijven van
| |
| |
gebed in normale omstandigheden van je leven wel eens kan voortkomen uit het feit dat we in deze tijd het doen belangrijker vinden dan het denken. En natuurlijk, omdat we in veel gevallen denken dat we de hulp van God niet meer nodig hebben. En dan, ik kom er weer eens op terug, is er die wanhoop: hoe kan ik als individu met God als individu spreken. Als de godheid een zee is, ben ik er een golfje in. En kent de zee de golfjes?
B. En op dat zoveel meer weten valt ook wel iets af te dingen. 't Zijn allemaal maar werkhypothesen, die we gebruiken zolang ze ‘functioneren’. Doen ze dat niet meer, dan worden ze weggegooid en door een andere vervangen. We schillen een oneindig grote appel, telkens stuiten we op nieuwe lagen van onbekendheid en aan het klokhuis komen we nooit toe. Vragen als waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan zijn door de wetenschap niet eens aangeraakt.
P. Nee. Maar ik bedoel met meer weten ook dat je niets meer aan God kunt vragen, met goed fatsoen, waarvan je weet dat oorzaak, omstandigheden en gevolg in handen liggen van de mensen zelf. Zoals je bijv. vroeg: ‘Laat mij slagen voor dit of dat examen’; of: ‘Maak mijn broertje beter.’ Je kon vroeger alles vragen aan God. De kerkboeken stonden vol met gebeden voor de meest uiteenlopende personen, zaken en omstandigheden ‘des levens’. Men vertelde als grap dat er in een of ander Vlaams kerkboek zelfs voorkwam een ‘Gebed voor als men van een toren valt’, met als tekst ongeveer dit: ‘O God, die eenmaal uw profeet Elia door de lucht hebt vervoerd, verleen ook mij, na deze reis, een veilige aankomst!’ En er stond achter, zeiden ze: ‘Als men hierna nog tijd over heeft, bidde men vijf onzevaders en vijf weesgegroeten.’ Folklore. Maar in de overdrijving zat de erkenning van het alles aan God kunnen vragen in alle omstandigheden van het leven. Gebed voor een goede betrekking. Gebed voor de goede afloop van een examen. Ik weet dat ik dit niet meer kan vragen, hoewel mij door sommigen verzekerd wordt, dat ik dat wel kan. Maar dat hangt samen met de hele rol van God die hem vroeger werd toebedeeld. Als er ergens een grote ramp plaatsgreep, was dat de straffende hand van God. Je herinnert je hoe de laatste oorlog aan ons is uitgelegd als Gods wraak aan deze slechte wereld. De ramp in Zeeland heeft bij velen de vraag weer wakker ge- | |
| |
maakt: is hier de straffende God niet aanwezig geweest? Vandaar ook dat nieuwe theologen spreken over het nutteloze van het gebed. Het overtollige ervan. Al zal je nog een kreet ontsnappen af en toe, - een ‘waarom’, of een ‘geef’. Net zoals notabene Christus zelf op het kruis zo'n kreet liet horen: ‘Waarom hebt u mij verlaten?’ En wat ik in zo'n vliegtuig over God denk is eigenlijk het tegendeel
van bidden, omdat het een soort protest is tegen een situatie door mensen geschapen, maar door mij aan Hem toegeschreven, en tegelijk: twijfel eraan dat Hij het beste met me voorheeft. Vroeger kende ik dan nog de engelen die me met Hem verbonden. Die zijn dood. Niet God is dood, de engelen zijn dood. Dat is, wat mij persoonlijk betreft, wél zo erg.
Het enige wat je eigenlijk tegen God kunt zeggen is: mij geschiede naar uw woord. Want dat houdt in dat je het bestaan van God erkent en dat je God en zijn wereld accepteert zoals ze zijn.
B. Ik zei zojuist, dat de existentiële vragen door de wetenschap niet worden aangeraakt, maar dat moet ik toch corrigeren. Over het ontstaan van het leven bijv. verschijnen allerlei publikaties, vooral in Amerikaanse tijdschriften, waarin met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt aangetoond, dat dit leven spontaan ontstaan is en heeft moeten ontstaan uit bepaalde chemische verbindingen. Men is zelfs bezig dit proces in laboratoria te imiteren. En de vraag naar de oorsprong van het heelal, met die expansietheorie, de ‘big bang’: de oer-atoom die explodeert en weer terugkeert, dat pulserende universum, dat helemaal geen begin heeft gehad...
P. Mag ik jou eens vragen: jij zegt dit nu, en ik kan het precies zo zeggen en zeg dat ook; maar ontdek jij dan ook in jezelf de behoefte om daar onmiddellijk achter te denken: ‘Ja maar, dat eerste atoom? En wat er uit dat atoompje voortgekomen is, en de expansie, en dan de bevolking van die planeet met al dat wonderlijke leven enzovoorts enzovoorts: daar moet toch een meesterbrein achter zitten?’
B. Ik herken dat direct. Maar meteen wekt dat ‘moeten’ mijn wantrouwen. Het is een postulaat uit onze jeugd en heeft geen wetenschappelijk fundament.
P. En is dat nu, dat onmiddellijk willen toevoegen van deze gedachten, apologie in ons?
| |
| |
B. Hersenspoeling, bedoel je?
P. Ja, een hersenspoeling als voorbereiding tot apologie? Of is dat nou spontaan menselijk? Dat is voor mij een vraag, dat kunnen wij nooit vaststellen.
B. We kunnen alleen historisch constateren, dat die vraag altijd en overal gesteld is. En dat overal dat antwoord gegeven is van: er moet toch een begin zijn. Inzoverre is het dus niet particulier aan onze opvoeding verbonden; dat zie je wel om je heen. Ga ze maar na, al die duizenden jaren tot je in Egypte belandt, altijd wordt er een theologisch antwoord gegeven. Maar het is ook telkens misschien een noodoplossing geweest omdat we gewoon te weinig wisten. Net zoals vroeger op de wereldbol, die heb ik nog wel gekend, met van die witte gedeeltes; zo'n wit stuk heette terra incognita, en die zijn nu allemaal verdwenen. En zo stel ik me voor, dat de wereldbol er geestelijk in de hoofden van de mensen uitgezien heeft, het kenbare als een heel klein stukje gekleurdheid, 'n eiland in een zee van wit. En dan komen de ontdekkingsreizigers: Copernicus, Galilei, Kepler, Newton, en elke nieuwe geleerde polderde weer een stukje in en bracht het binnen de omheining van het begrijpelijke, of althans van het definieerbare.
Je zei daarnet: alles moet toch een begin gehad hebben. Maar de term ‘begin’ veronderstelt het begrip tijd en dat is door Einstein al in 1907 ontmaskerd als een menselijke denkconstructie. De tijd, zoals wij die ons voorstellen, bestaat helemaal niet en zo is vermoedelijk ook de vraag naar een ‘allereerste begin’ maar een fictief probleem, omdat we hier denken in een orde die geen reëel bestaan heeft. Nog eens: de ruimte voor God krimpt steeds meer in. Hij was het ‘terra incognita’, maar dan religieus vertaald. Waar het intellect ophield, maakte je een geweldige sprong en zei: God, omdat er een onmetelijke kloof was. Die kloof is nu gedempt. Dat is wel niet zo, maar dat denken de mensen. En daar gaat het nu om.
P. Ja. Met andere woorden: heeft de mens zelf zich dus God geschapen? Daar komt het eigenlijk op neer.
B. Ja, om toch iets te zeggen waar niets meer te formuleren viel. Maar dat gebied wordt elk jaar kleiner. En daarmee het beeld van God als aanvulling op wat wij niet weten.
|
|