| |
| |
| |
4 Zweten in een vliegtuig
P. Gesteld dat wij onze kinderen niets van ons geloof mee zouden geven en er die volstrekt ‘kale’ levenssituatie zou ontstaan, - dan weten wij niet of bij hen diezelfde vragen, die jou bezig houden en mij net zo, toch niet zouden opkomen. Het lijkt mij meer dan waarschijnlijk dát ze komen.
B. Zeg eens waarom.
P. Omdat die kaalheid zelf ertoe dwingt.
B. Ik zou het nog sterker willen zeggen: die vraag staat onafhankelijk van elk milieu, vol of kaal. De volheid die wij hebben meegemaakt, was daarop een antwoord. Maar de behoefte om dat te weten is niet een produkt van mijn opvoeding; die is er altijd geweest. Het is een heel reële vraag, niet? En ik kan me niet voorstellen, dat mijn dochter nooit eens verbijsterd naar haar schoenpunten zal kijken en zich afvragen: hier sta ik nou, wie ben ik en waar ga ik heen? En dan zou ik mij schuldig voelen, als ik helemaal niets als antwoord had meegegeven. Dat is het eigenlijk. Ik weet niet wat ik zeggen moet, maar ik geloof niet in een leven, waar deze vraag helemaal niet gesteld zou worden, dus afgezien van het antwoord. Ik geloof, dat zij binnen een paar jaar tot de vraag komt: wat doe ik hier eigenlijk, - behalve dan vrijen, eten en slapen en drinken -, wat is mijn functie, waar gaat het heen? En dan vind ik dat ik als vader, behalve dat ik zorgen moet dat ze kleren en schoenen aanheeft, ook iets gezegd moet hebben daarover; en ik voel het als een persoonlijke schuld dat ik daarover zwijg. En ik zou het ook als een persoonlijke schuld voelen als ik maar krachteloos het antwoord gaf het niet te weten, dat is eigenlijk het dilemma...
P. Ik zou niet kunnen zeggen, wat men mij vroeger op die vragen zei. Toen ik kind was, bedoel ik. Ik geloof dat ik die vragen niet stelde. Ik zou de antwoorden op die vragen wel kunnen opzeggen, technisch dan, want ik ken ze nog wel uit mijn hoofd, van het apologieboekje, maar ik zou ze niet meer uit overtuiging kunnen zeggen. Ik merk het nu al, wanneer mijn zoon terugkeert van school, waar over de hemel gesproken is, of over de hel (waarvan dan wel gezegd wordt dat die
| |
| |
leeg is, maar hij bestaat). Daar praten wij dan ook over. Maar ik voel wel duidelijk, dat ik daarin al niet meer mee kan gaan. Als hij mij vraagt over de hemel, dan zal ik hem niet plompverloren zeggen: die bestaat niet, of: je vader gelooft niet dat die er is; maar ik zal wel zoiets zeggen van: laten we hopen dat hij er is. En meer kan ik niet over mijn lippen krijgen, werkelijk niet. ‘Opa is naar de hemel,’ dat heb ik nooit gezegd, ‘Oma is in de hemel’, nee, want ik weet het niet, en ik kan het niet als overtuiging doorgeven.
B. Ja, ter adstructie van mijn mening dat die vraag losstaat van de indoctrinatie, die wij hebben doorgemaakt, maar een gewone menselijke vraag is die altijd zal bestaan, heb ik één bewijs dat historisch is: hij is nooit niet gesteld. Je kunt geen eeuw, geen beschavingstijdperk aanwijzen, waarin er niet een of andere blauwdruk heeft bestaan. Er is ook geen cultuur geweest die niet religieus gefundeerd was. Ook de onze is dat, maar dan als die kameel die nog steeds doorloopt. En daar komen we nu weer op dat punt waar we meen ik de vorige keer beland zijn, dat we nu voor het eerst in de wereldgeschiedenis het experiment aangaan om zonder een draad naar boven het leven te accepteren. En nog eens: ik kan haast niet aannemen - ik weet niet of dat een resultaat van mijn opvoeding is - dat we op die manier rond kunnen komen.
P. Nee, want je zult dus naar antwoorden gaan zoeken. En op zoek naar die antwoorden zullen theorieën ontwikkeld worden, zal er een filosofie en waarschijnlijk ook weer een theologie ontstaan. Op grond van die theorie zal er weer een moraal ontstaan. Dat kan niet anders; dat zal weer gebeuren, zoals het overal gebeurd is. Maar de volgende vraag is (daar komen we natuurlijk nooit uit): zou dat een filosofie en een theologie kunnen zijn die misschien bevredigender is dan die we nu hebben? Ik heb geen idee wat je daarover moet zeggen.
B. In elk geval: het deksel dat wij van onze ouders hebben meegekregen past niet meer op de pot. Er is zoveel veranderd in ruimte en tijd dat het ding gewoon te klein is.
P. Ik wou in dit verband een vraag aansnijden die voor ons persoonlijk geldt, namelijk deze: missen wij echt de adem van vroeger, de atmosfeer van toen? Ik ben ten dele geneigd ja te zeggen en ten dele geneigd tot een nee. Ik wou eerst dit zeggen: wát mis ik? Ik geloof dat ik dat het best zo zou kunnen
| |
| |
omschrijven: soms denk ik, met spijt: ze hebben me mijn engelen afgenomen. En daar maak ik dan nog een verwijt van ook. Ik noem dat nou maar even zo: engelen afgenomen, en daar bedoel ik mee: vroeger leefde ik in een soort van warmte, waarin ik me constant begeleid wist door afgezanten, getuigen, gezellen van onze lieve heer. Het woord zelf ‘onze lieve heer’, dat is ook weg. En dat betekende toch iets heel vertrouwds, dat ‘onze’? en het was een ‘lieve’ heer. Dat ‘onze’ is er af gegaan. En ‘lieve’ is er af gegaan. En dat ervaar ik als een verarming. Tegelijkertijd constateer ik dat er eigenlijk heel vaak voor mij nauwelijks een gemis is van God; dat ik hem bepaald niet mis; dat, zoals jij dat zoëven opsomde, bij vrijen, eten en drinken en praten, Hij geen rol speelt. Wanneer kom ik Hem weer tegen? Dat is belachelijk eigenlijk; als ik bijvoorbeeld moet vliegen en met doodsangst in zo'n toestel zit. Dan komt Hij terug, met heel de santenkraam: dood kunnen gaan, schuld, hemel of hel of vagevuur, laatste oordeel, bijzonder oordeel. Dan is er een reactie waarvan ik zelf weet hoe oneerlijk die is, omdat, als die God alleen maar een rol speelt op momenten dat ik bang ben voor de dood, voor het niet overleven, dat toch geen reële God is; dan bestaat Hij natuurlijk niet echt voor mij. En dat is voor mij elke keer weer een schokkende ervaring. Dát Hij terugkomt, en dat Hij zó terugkomt, - als een almachtige die over mijn leven en dood beschikt naar eigen willekeur, en over mij zal oordelen, en die zal belonen en straffen. Zó. En zeker niet als ‘onze lieve heer’. Dat is een schokkende ervaring, omdat ik dus blijkbaar geen levende God meer ken.
B. Je zegt dat een God, die je alleen ervaart in noodsituaties, eigenlijk geen God is. Dat is niet waar. Want je kunt het beeld van God als helper in de nood niet helemaal wegwissen. Dat is althans een facet van Hem. En nu vermoed ik dat je, zittend in dat vliegtuig, en denkend: dadelijk lazer ik naar beneden, verkeert in de situatie, waarin de mensen eeuwenlang in Europa geleefd hebben, met name in de middeleeuwen. Omringd door pest, cholera, tyfus en melaatsheid, kortom omgeven door de dood zelf, waren de mensen in een voortdurende toestand van angst. Hieraan beantwoordde - de heiligen niet te na gesproken, die altijd en overal uitzonderingen zijn - een daaraan adaequaat beeld van God. En het is begrijpelijk,
| |
| |
dat dit oude godsidee terugkomt in nood. Ik heb dat zelf ervaren, toen ik met een ballon in zee stortte. Ik moest een half uur lang door het ijskoude water zwemmen, het was april. En ik zwom als een middeleeuwer. Die situatie komt zelden meer voor. Want wat is er gebeurd? Ten eerste hebben we 't klaargespeeld om door hygiëne en allerlei medische ontdekkingen de dood verder van ons af te dringen. Nu is de gemiddelde levensduur al vijfenzeventig, vroeger was die dertig. Bovendien zijn we er in geslaagd om, voorzover de dood dan verschijnt, hem op te bergen in ziekenhuizen, waar hij als het ware gedesinfecteerd en achter een scherm binnenkomt. Dan kunnen we hem door allerlei verdovende middelen lichamelijk onvoelbaar maken. Dit alles heeft tot gevolg dat het oude godsbeeld van de almachtige, aan wiens voeten je je neerwerpt, verbleekt is. Ik geloof, dat we die God ook niet zozeer missen. En nu is het de vraag: is er naast die God, waarvoor je kaarsen ontsteekt, exvoto's hangt en naar verre oorden pelgrimeert, die middeleeuwse God, is er daarnaast een God, die niet alleen een redder is in de nood, maar een vriend wiens hand je neemt, zoals je met iemand in het Vondelpark wandelt; een God met wie je verkeert in harmonie. En die God is eigenlijk nieuw. Ik geloof, dat de hele middeleeuwen, of eigenlijk de hele christenheid tot nu toe, God ervaren heeft in het vliegtuig, of zwemmend in zee, en dat de God als kameraad, als het wezen dat je helemaal vervult, dat is de God van Ruusbroec en Johannes van het Kruis (het waren maar enkele uitverkorenen, die dat haalden) nu aan ons allen als opgave wordt gesteld. Wat die paar getalenteerden gepresteerd hebben wordt nu een collectieve opdracht.
P. Ja. Ik ben het wel met je eens. En ik kom terug op wat ik daarnet zei, toen ik zo in twijfel trok of godsgeloof dat zich alleen openbaart in zo'n moment van angst in een vliegtuig, of dat eigenlijk wel een waardevol geloof was. Ik zet daar nu, eerlijk gezegd, zelf een vraagteken bij, bij die opmerking, omdat je, net zoals jij later ook zelf zei, in zulke omstandigheden van angst en afhankelijkheid toch wel de existentiële vraag stelt; je stelt dan nl. toch de vraag naar de God van leven en dood, naar de heer van leven en dood, en je beseft dan ineens dat het waarom van het leven en het waarom van de dood alleen beantwoord kan worden door die macht buiten ons die wij God
| |
| |
zijn gaan noemen, en dat je dan ook totaal afhankelijk bent daarvan, van die ene. Je zei daarnet ook: we hebben de dood op het ogenblik een flink stuk teruggedrongen; dat hebben we inderdaad gedaan. Maar niet ver genoeg, we hebben hem niet verdreven. We hebben een soort uitstel voor hem verzonnen. En voor elke mens komt dan toch op een gegeven ogenblik, of dat nou in een vliegtuig gebeurt of op het eind van zijn leven, die existentiële vraag terug naar die macht van leven en dood, naar het waarom van leven en dood.
B. Ja. Een man die ter dood veroordeeld is en in de dodencel zit met de wetenschap: morgen om zes uur word ik gefusilleerd, brengt die nacht in een verschrikking door. Niettemin weten jij en ik dat we over veertig jaar er zeker niet meer zijn. Waarom brengen wij het leven dan ook niet in een paniek door? Omdat ‘morgen’ een datum is en ‘over veertig jaar’ een punt in de verte. De mens kan zo'n wijde boog niet meer dateren. De dood is naar elders verschoven. Ook al lopen we allemaal naar hetzelfde executieveld en staan daar voor hetzelfde peloton.
P. Maar wij hebben nog gratie gekregen voor een maand, of een jaar of zo, of een paar jaar.
B. Je kunt zeggen: och, dat is maar uitstel, die dood hebben we alleen wat verschoven. Maar je ziet uit de vergelijking van die dodencel met ons leven hoe belangrijk 't is, dat je niet onmiddelijk door t.b.c. voor de bijl gaat, dat je kind niet aan difterie bezwijkt en dat je vrouw niet aan de kraamvrouwenkoorts sterft. Díe mensen waren omringd met de dood, ze zaten voortdurend in die cel op de volgende morgen te wachten. In abstracto gaan we allemaal dood. Maar in concreto is de datum ‘eens’ geworden. Dat uitstel heeft het denken over de dood veranderd.
P. Je wilt zeggen: dat hebben we dan toch maar bereikt als mensen.
B. Nee. Ik wil alleen zeggen, dat daarmee aan het begrip ‘willekeurige macht’ van God een enorm stuk is afgenomen.
P. Precies. Wij hebben dan toch maar als mensen bereikt dat we de dood althans hebben kunnen uitstellen.
B. Het is leuk, hoe wij ieder hardnekkig een eigen kant op willen. Maar ik hou vast aan de mijne. Het gaat niet om wat wij gewonnen hebben, maar wat God verloren heeft. Eva, mijn
| |
| |
dochtertje, heeft met mij o.a. deze binding dat ze niet alleen langs de keldertrap naar beneden durft en ik moet haar ook helpen als ze met haar sleetje 't Kopje afgaat. Ze is dan in gevaar en de hand van vader is enorm belangrijk. Ze heeft dus een theologie ten opzichte van mij, die heel sterk is. Maar nou moet je eens opletten als ze achttien is. Dan ben ik óf haar kameraad geworden óf ik existeer helemaal niet meer voor haar. Zo is het ook met de mensheid. Wij zijn door de kinderjaren van de angst heengegaan, we zijn volwassen geworden. En we laten de hand van die vader los. Hij moet een vriend worden of hij bestaat niet meer voor ons.
P. Kunnen wij misschien inzoverre tot een overgangsgeneratie behoren, dat ons geloof en vertrouwen in de technische vindingen nog maar beperkt zijn vergeleken bij die van onze kinderen? Ik heb nog groot wantrouwen, als ik in een vliegtuig zit, hoewel ik weet (dat is me allemaal in vliegtuigfabrieken uit en te na uitgelegd) hoe beveiligd alles is en wat voor security systems er allemaal bestaan. Toch heb en houd ik dat wantrouwen. Hoe vaker ik vlieg, hoe groter zelfs het wantrouwen wordt. Ineens staat de gezagvoerder naast je in het gangpad. Je schrikt je wezenloos de eerste keer. Je denkt: moet die man niet het stuur vasthouden? Trouwens, vliegers zelf bestrijden hun eigen onzekerheid met een nogal grimmige humor. Het mooiste voorbeeld vind ik dit: er vliegt een kleine Engelse maatschappij op het lijntje Dover-Oostende, en daar is één piloot bij, van zo'n klein toestel, die het geregeld bestaat om, als de passagiers zitten en zich hebben ingesnoerd, van achter door het gangpad naar de cockpit te lopen met een donkere bril op en een roodwitte stok in zijn hand, waar hij dan zogenaamd zijn weg mee zoekt. Ik kan er heel goed om lachen, er zijn trouwens veel lugubere vlieg-moppen, maar mijn wantrouwen blijft. En dat heb ik ook ten opzichte van nieuws dat ik lees over transplantaties, ontdekkingen die gedaan worden op allerlei medische terreinen, enzovoorts. En ik denk dat, net zo goed als ons vertrouwen in het menselijk kunnen, in de vooruitgang van het menselijk geslacht zich in een crisistijd bevindt, ook ons godsgeloof zich in een overgangstijd, een crisistijd bevindt; wij zitten precies op de breuk van dat enerzijds afnemende geloof in God en anderzijds het nog niet kunnen geloven - tenvolle - in ons eigen menselijke kunnen. Ik
| |
| |
denk dat onze kinderen daar veel vrijer en makkelijker tegenover staan.
B. Dat neemt niet weg, dat die kinderen tenslotte ook doodgaan. Ook voor hen wordt het gratie-verzoek afgewezen, ze krijgen alleen uitstel van executie. Het is wel waar, dat de man die uit de dodencel verlost wordt en van de rechter hoort: je mag nog veertig jaar leven, als een prins naar buiten loopt. Voor hém heeft het religieus patroon van nog één nacht leven zijn geldigheid verloren, dat was dat gemompel van jou in dat vliegtuig. Maar de blauwdruk, die een antwoord geeft op de vraag waarom wij er zijn, daar speelt het uiteindelijk sterven wél een rol. Als de harttransplantaties dadelijk volkomen lukken en we worden honderdvijftig jaar oud, dan blijft de vraag naar de zin van het leven en daarmee zullen ook kinderen zitten.
P. Ja. Waar dan, denk ik, nog best een nieuwe, andere teleurstelling of angst bij zou kunnen komen, nl. deze: er wordt hun, door ons, althans door onze generatie, die tussen-generatie, een heerlijke nieuwe wereld beloofd van transplantaties, van eugenese, kinderen op bestelling, uit flesjes, uit reageerbuisjes, met de wonderlijkste en mooiste paringen van eigenschappen die je je maar voor kunt stellen. Er wordt hun minder werk, een zee van vrije tijd, een geweldige mogelijkheid van intense communicatie beloofd, kortom: er wordt hun een brave new world voorzegd door ons, en door ons al mee klaargemaakt. Zou straks hún beangstigende ontdekking niet kunnen zijn dat dat mooie mens-zijn, dat wij ze in het vooruitzicht hebben gesteld, helemaal niet blijkt te kloppen? De problemen die straks natuurlijk die heerlijke nieuwe wereld weer gaat oproepen voor het hart van de mens, voor de geest van de mens, zijn ook onvoorspelbaar, maar wel een beetje te vermoeden al, en dan doen zich naar mijn mening toch ook weer angstmomenten voor die mens voor, al zijn het dan andere, - voor die mens die zo'n heerlijk nieuw leven zou gaan leiden.
B. Het zou ook wel kunnen dat de behoefte om over die dingen na te denken nu voor een groot gedeelte wordt teruggedrongen door de noodzaak om van 8 tot 12 en van 2 tot 5 te werken. Bovendien moet je er nog met een bus naar toe en dan weer terug: de hele dag is stampvol. Maar stel je voor dat je maar drie dagen in de week hoeft te werken en dan nog
| |
| |
maar vier uur per dag. Er komt dan een zee van vrije tijd, waarin die vlucht in de arbeid is afgesneden. Een mens heeft dan veel meer gelegenheid om zich te buigen over de reden van zijn bestaan.
P. Wij hebben nu nog vaak het excuus dat we het te druk hebben om daarover te kunnen nadenken.
B. Niet alleen het excuus, maar ook een geldig alibi. Zo'n man die eindelijk thuis komt, zit daar heus niet met een existentiële angst, hij moet trouwens nog helpen afwassen en als de bliksem 't konijnenhok schoonmaken. Dadelijk is dat anders. Dan ligt ie op zijn rug aan het Comomeer naar de hemel te kijken, ja, letterlijk naar de hemel te kijken.
P. En daarbij komt: op de zevende dag rustte hij niet, maar hij rustte al op de derde, vierde, vijfde en zesde en zevende...
B. Er is dan nog iets merkwaardigs aan de hand. Dat zijn de pockets. Je staat dikwijls verbaasd wat de mensen al niet lezen, ik bedoel nu niet strikte literatuur. Trouwens, ik lees dat ook steeds minder, ik weet niet hoe jouw ervaring is, maar ik lees steeds minder romans en neem steeds meer zuivere informatie op. Neem eens dat boek van Konrad Lorenz over de agressie bij dieren, dat je daar ziet liggen, zo zit ik te lezen, over biologie, astronomie en vragen van tijd en ruimte, en ik merk dat dit bij veel van mijn tijdgenoten ook het geval is -, met andere woorden: we weten dadelijk gewoon meer. Niet alleen omdat er meer tijd zal zijn, maar ook omdat kennis 't goedkoopste is van wat je krijgen kunt. Voor 'n rijksdaalder koop je de levensarbeid van 'n hele ploeg geleerden en voor minder dan vijf cent zie je 't hele melkwegstelsel op een scherm in je kamer geprojecteerd, met 'n man erbij die 't nog gratis voor je uitlegt ook. Op den duur heeft dat gevolgen. Enerzijds is onze directe angst bezig te verdwijnen, anderzijds neemt de informatie over het probleem zelf toe.
P. Als ik mezelf naga, merk ik dat voor mij de fictie niet meer de lectuur van mijn voorkeur is en ik liever historische, wetenschappelijke of semi-wetenschappelijke boeken lees of speculatieve, wat filosofie en theologie betreft. Ik geloof dat dat ook weleens zou kunnen gelden voor een groter publiek. Omdat de vraag naar informatie toeneemt. Maar is dat een véél groter publiek dan nu? Want de behoefte aan verstrooiing is en blijft ongeremd, en ik zie, als ik in de trein zit en om
| |
| |
me heen kijk wat de mensen lezen, toch altijd nog meer romans lezen, meer fictie dan non-fiction. Van de andere kant is er een tendens in deze tijd van een zich willen houden aan of een zich toekeren naar de naakte feiten in plaats van naar de fictie.
B. Het lijkt me waarschijnlijk, dat die tendens steeds sterker zal worden. Trouwens, wat de mensen in de trein lezen hoeft niet maatgevend te zijn voor hun lectuur thuis. Alles hobbelt en trilt zo om je heen, dat je het lichtste neemt. Maar zelfs aangenomen, dat ze ook thuis kruiswoordpuzzels oplossen, dat kan dan wel een noodoplossing zijn, die aan onze tijd gebonden is. 'n Arbeider in een grote sigarettenfabriek - ik heb zo'n fabriek bezocht - doet de hele dag, acht uur lang, maar 'n paar handelingen van een schrikbarende monotonie. Die man is na afloop in zoverre ingestort, dat hij alleen maar zich verstrooien wil. Concentratie brengt hij niet meer op. Maar nu komt de driedaagse arbeidsweek, waarbij de eentonigheid door 'n computer wordt overgenomen. Zoekt hij dan 's avonds nog verdoving? Ik geloof, dat het lezen van instructieve, inspanning en energie vergende lectuur zal toenemen.
P. Dan zouden die uitgevers gelijk hebben, die voorspellen dat de behoefte aan tijdschriften en boeken waarin informatie gegeven wordt almaar zal groeien.
B. Ik ben zelfs overtuigd, dat de televisieprogramma's, die wij nu hebben, waarop je het leven van bacteriën ziet en een documentaire over de Pool of de liturgie van Tibetaanse monniken, twintig jaar geleden niet gemaakt zouden zijn, althans niet vertoond zouden zijn, zeker niet voor zo'n massamedium, omdat de mensen toen niet het vermogen hadden om dat allemaal te absorberen. De behoefte aan kennis en parallel daarmee de geoefendheid om die op te nemen zijn groter geworden.
P. De behoefte aan informatie zou dan, in jouw theorie, intussen al gegroeid zijn en er zou al aan tegemoet gekomen zijn?
B. Het wordt toch allemaal gepikt? Anders zou het niet vertoond worden.
P. Nee, dat is waar.
B. Als je dat vergelijkt met de radio, toen ik kind was, dat was: sport, lichte muziek en wat lolbroekige dingen, enfin, wat nu allemaal in een piratenzender geconcentreerd is. Disputen
| |
| |
en forums over diepergaande zaken kwamen zelden voor.
P. Althans niet in die verhouding tot de rest van de programma's als waarin nu op de televisie laten we zeggen semi-wetenschappelijke of populair-wetenschappelijke zaken gesteld wordennaast het amusement.
B. Dat vind ik wel; en het zal nog toenemen.
P. Ja. Je opperde daarnet de mogelijkheid dat bij de toename van vrije tijd, ook de tijd toeneemt waarin men kan nadenken over de existentiële vraag van het waarom van het leven enz. Ik vind dat erg idealistisch, wat je daarover zei.
B. Maar niet zonder steunpunten. Cultuur heeft ook een ‘luxe’ kant. Er moet ruimte zijn. Denk eens aan de contemplatie in de kloosters. Hoe kan dat? Toch ook mede omdat er tijd voor is. Het ‘kan’ daar.
P. Maar de kloosters lopen leeg. En bij de contemplatieve orden loopt men ook weg. En aanmeldingen zijn er niet, praktisch niet. Je zou, als die tendens er in zat, die jij daarnet meende te kunnen zien, toch een toeneming zien van het aantal mensen dat zich in een klooster terugtrok om daar te gaan contempleren, of niet?
B. Integendeel, het leeglopen van de kloosters bevestigt mijn theorie. Ik ging er immers van uit, dat de wereld zo vol gevaren zat en zo stampvol met daden van gewoon lijfsbehoud, dat er geen tijd was voor contemplatie. Daarom werden er eilandjes gemaakt, waarop je je kon terugtrekken. En nu groeit de wereld zo, dat de contemplatie buiten de kloosters mogelijk is en daarom lopen ze leeg. Je moet je eens voorstellen dat je in de tijd van Erasmus leefde. Er was geen godsmogelijkheid om, vanaf vier uur 's ochtends in de weer, hard werkend en omringd door gevaren, je met die dingen bezig te houden. Daarvoor moest je je isoleren achter muren. Daarbuiten die eeuwige, alles vergende dreiging, binnen een oase van stilte en tijd. Maar je moest je wel afzonderen. En dat isolement is niet meer nodig en zal steeds minder nodig zijn: wanneer men drie uur per dag werkt, dan is het klooster in de wereld.
P. Ja, toch, ook dit vind ik weer te idealistisch gezien, want..
B. Het klooster is niet in de wereld, maar de gelegenheid tot contempleren.
P. Ja, dat vind ik ook weer iets te mooi gezien, want je hoort van de andere kant weer alom om je heen, dat de privacy, een
| |
| |
voorwaarde om een beschouwend leven te leiden, nauwelijks meer bestaat; en in een klooster was tenminste nog privacy, betrekkelijke privacy althans. Want de je toegemeten tijd om je op je cel te kunnen terugtrekken, of in het studievertrek, of in de kapel, was ruim genoeg en die stond je dus alle gelegenheid toe om in privacy aan contemplatie te doen.
B. Jawel, maar de aard van die contemplatie is veranderd. Vroeger was die gericht op de directe aanschouwing van God of tenminste een poging daartoe. Nu op de dingen waarin die macht zich spiegelt. In die zin is het bekijken van afbeeldingen van sterrenevels een vorm van contemplatie, evenals het doorbladeren van een boek met platen over de verschillende fasen van de evolutie. Dat directe schouwen wordt niet meer als effectief gevoeld.
P. Nee, het wordt zelfs als inhumaan beschouwd, want je bent maar mens om je medemens.
B. Ook in de ons omringende mensen spiegelt God zich, hij reflecteert eigenlijk overal in. Daarmee vervalt de noodzaak van het isolement. Ten eerste, omdat de mogelijkheid tot contemplatie in de wereld veel groter is geworden, er is meer vrije tijd, je hoeft je niet meer achter muren terug te trekken. En op jouw bezwaar: er is in onze samenleving toch geen privacy, je kúnt niet meer op je eentje zitten nadenken, antwoord ik dat er een nieuw beeld van omgang met God en contemplatie is gekomen, een veel socialer beeld, waarbij de man die nog voortgaat met zich in eenzaamheid aan de directe beschouwing over te geven, in zekere mate suspect wordt. En ik dacht terecht.
P. Ja. Het medemenselijk aspect is naar voren geschoven.
B. Ik zie dat ook aan mijn broer, die trappist is. Wat gebeurt er: het koorgebed wordt aanzienlijk teruggebracht, de lichamelijke zelfkastijding is afgeschaft en het rigoureuze zwijgen opgeheven; de communicatie neemt steeds meer toe. Het oude patroon wordt als onleefbaar ervaren.
P. Trouwens, de crisis in het kloosterleven is, meen ik, ook voor een niet gering deel te wijten of te danken - ik weet niet wat je hier zeggen moet - aan het feit dat zeer veel kloosterlingen dat intermenselijke wat jij daar noemde, dat medemenselijke aspect, dat sociale aspect, zélf naar voren hebben geschoven; dat ze de zin van die afzondering niet meer er- | |
| |
varen, of niet meer zien, en zich afvragen of het zin heeft in deze maatschappij, die zo op het medemenselijke gericht is, nog eilandjes te handhaven waar men in eenzaamheid vertoeft. Ik zei daarstraks: wat mis ik van vroeger? Mis ik vroeger? Ik heb daar nog eens over nagedacht. Ik moet het nog eens zeggen: ik mis de vertrouwelijke omgang met onze lieve heer. Ik besef dat ik nog niet helemaal toe ben aan een maatschappijbeeld waarin God, veel meer dan vroeger het geval was, herkenbaar is in mijn medemensen, dat hij dus daar aanwezig is. Vroeger was God soms weliswaar ver weg, maar hij was dan altijd nog de God op de wolken, de schepper, de vader en de rechter; en ik moest me tot hem wenden in mijn angst en in mijn moeilijkheden.
B. Je formulering is eerlijk, maar daardoor ook typerend. Je gebruikt onbewust, het ontglipt je gewoon, weer dat beeld van angst, en daar is dan de vaderhand. Ja, maar als dát soort angst nu verdwijnt, dan zit je met een stuk patriarchaat, waar je geen weg mee weet. Er is iets liefs verdwenen en dat zet zich om in heimwee, omdat je er geen bestemming voor hebt.
P. Ja, maar ik heb het over mezelf op dit moment. Ik heb het niet over onze kinderen. Ik constateer iets bij mezelf; wat mis ik van vroeger? En dan bevind ik mij op het ogenblik in deze situatie en ik, van mijn generatie, om het zo maar eens te zeggen, voel dat zo.
B. Behalve de gevaren, waarmee een mens omgeven was, is er nog het gevaar in hemzelf geweest. Hij was schuldig en verdorven. Ook al deed hij nóg zo zijn best, hij bleef een diep gezonken zondaar. Alleen buiten hem, ergens omhoog, was redding. Die hele conceptie van de erfzonde, dat zitten in een beerput en jammerend naar boven de handen uitstrekken: miserere nobis...
P. Ja, en tot het kwade geneigd...
B. Ik merk daar allemaal weinig van bij de jeugd. Dat idee lijkt wel totaal verdampt.
P. Ja. Je vindt dat bij veel linkse studenten: in hun idealisme gaan ze uit van èen mens die tot het goede geneigd is. Het maakt ze haast schaamteloos optimistisch in de samenleving. Ik kan dat geloof in de tot het goede geneigde mens, dat optimisme niet delen. Ik ben nog een kind van het geloof in de erfzonde, met een diep besef van tot het kwade geneigd zijn,
| |
| |
zo erg zelfs (en ik geloof dat dat een aspect is van het calvinisme dat men in Nederland ook altijd de katholieken heeft toegeschreven) dat ik mij eigenlijk nooit heb kunnen voorstellen dat ik goede werken kon doen, zoals dat heette. Ons onderscheidde toch van de protestanten het geloof in de goede werken? Maar mijn katholicisme was al zo calvinistisch, dat ik dat altijd met het diepste wantrouwen bezag: het kunnen doen van goede werken. Ik heb lang aan een diep schuldbesef geleden, en ik geloofde nooit zo erg in de zin van ‘offertjes doen’. En dat speelt zonder twijfel nog altijd een rol, in feite wat afgezwakt, maar toch nog een rol bij die angst, waar we het over hadden.
|
|