| |
| |
| |
2 Hippies
P. Wat ik me nu wilde afvragen is dit: die godsvraag en die andere primaire vragen waar we het zoëven over gehad hebben, die rijzen nu - en ik geloof inderdaad; in sterke mate - bij mensen die traditioneel geloofd hebben, die lid van een kerk zijn en nog steeds kerken; maar er is natuurlijk een hele grote groep mensen voor wie de kerk allang verleden tijd is en die, zoals dat dan heet, hun geloof verloren zijn, en voor wie die vragen allang helemaal niet meer rijzen. Er is een heel stuk in onze maatschappij dat die vragen allang niet meer stelt.
B. Maar wel in de kou staat en dus warmte zoekt. Als je naar de televisie kijkt - en dat doe ik veel - dan zie je zo'n beat-kelder, en dat is voor mij een antwoord op de honger naar mystiek. Ook als je naar de meer besloten gelegenheden zelf toegaat, dan treed je de schemering binnen, waar een nevel als van wierook hangt. En je ziet mensen in priesterlijke gewaden zingen, dat valt mij ook zo op: die lange gewaden die ze soms aanhebben en de merkwaardige lichteffecten, die echt kerkelijk zijn. Dat is allemaal niet voor niks, ik geloof dat die mensen een vreselijke dorst naar het irrationele hebben. En ofschoon ze misschien die vraag niet zo stellen als wij dat nu doen, leven ze nochtans in een vacuüm, waar ze naar adem happen. En het is niet zozeer belangrijk of die vraag gesteld wordt als wel of de nood er is. Die nood zie ik om me heen, overal. Waar je ook komt in die moderne groeperingen, daar zie je iets wat herinnert aan de kerk, maar op een hele gekke manier.
P. O ja. Ik denk weleens: wij hebben onze kazuifels en koorkappen aan de hippies overgedaan, en er komt weer een tijd dat we ze bij hen terug gaan halen - met hartelijke dank dat zij ze zolang bewaard hebben. Ja, het lijkt daar een liturgie. Althans pogingen daartoe.
B. De teksten van hun liederen zijn ook semi-religieus, ook van de Beatles: Why I am here, what am I doing here, I am so lonely, en allemaal van dat dakloze gepraat.
P. Maar ook met beloftes, die vroeger gegeven werden door de kerk. Er is zo'n lied, ‘Downtown’ heet het, daarin staat zoiets als: Downtown, dáár is het, jongens, midden in de stad,
| |
| |
daar branden de lichten, daar vind je vergetelheid, meiden, daar krijg je een kick, daar ben je niet meer eenzaam, daar is gezelschap voor je enz. Dat klinkt haast religieus, alsof men over het hiernamaals zingt, over de stad van God; het gaat over de stad van de mens, maar daar is dan toch een soort vaag heil.
B. Wie zijn er ‘in’ op het ogenblik? Die negerzangers en zangeressen met hun spirituals, het woord zegt het al, en daar zit dan 'n ‘message’ in, meestal direct en niet eens verpakt, over Sweet Jesus and what he told us.
P. Dikwijls zijn het de oer-heloftes, die daarin worden herhaald; vaak oud-testamentische. Ik weet dat, als ze zingen: ‘Give me that old-time religion’, niet bedoeld wordt (althans niet door de beat-kelders) dat ze onze kerk van vroeger terug willen. Maar ik hoor er wel een vaag verlangen in naar 'n religie.
B. Maar ook de eigentijdse teksten klinken vaak profetisch en wijzen voortdurend op een geluk in de verte, de ‘we shall overcome’ gedachte, zoals in de oude psalmen, zij het door al dat slagwerk wat onliturgisch gebracht.
P. Onkerkelijk ook; meer van een volk, dat geroepen wordt uit de wildernis; maar dan zit je toch al heel dicht tegen het begrip ekklesia aan.
B. En de zaal zit spellbound te luisteren, je kunt net als in een kerk een speld horen vallen.
P. Zoals er een tijd geweest is - ik geloof dat die wel voorbij is - toen het gregoriaans erg in was.
B. Dat was toch maar een kleine groep, en zeker niet gerecruteerd uit de groep, die nu in die kelders zit.
P. Akkoord. Overigens: met wat jij aan vaag verlangen naar nieuwe mystiek oproept, klopt daar ook niet mee dat je vaak bij nieuwe songs als begeleidingsinstrument een orgel hoort?
B. Ja, ook dat is tekenend.
P. Het orgel is opnieuw ontdekt als begeleidingsinstrument, als achtergrondmuziek.
B. Ook de hele manier van zingen is in zoverre verwant aan het gregoriaans, dat de lange nostalgieke noten weinig modulaties vertonen.
P. Met andere woorden: jij ontdekt dus, even afgezien van de vraag of dat buitenkerkelijk genoemd moet worden of randkerkelijk of wat dan ook, als algemeen verschijnsel een onver- | |
| |
woestbare drang naar het bovennatuurlijke, naar een betekenis van het leven.
B. We zouden willen dat alles, wat we doen een functie vervult in een werktekening, die wij wel niet kennen, maar die toch ergens bestaat als blauwdruk en waarin al onze handelingen zijn opgenomen. Dat verlangen is nu erg hevig. Ik heb de tijd meegemaakt, toen ik student was aan de Amsterdamse universiteit, dat alle dingen alleen zichzelf betekenden en elke interpretatie van een bedoeling daarbuiten flauwe kul werd gevonden.
P. De jaren dertig...
B. Ik vond het een vreselijk klimaat; dat kale en cynische wat je toen had...
P. Ter Braak.
B. Ja, Ter Braak, Vestdijk, du Perron, Greshoff, al die zindelijk denkende jongens, je stond wel paf en het was ook wel iets, maar missen deed je nog meer. Dat is vervangen door een veel grotere mate van onzekerheid en ook, het klinkt gek, door ‘liefheid’, vind ik. Want dat is een punt, wat we nog helemaal niet besproken hebben: dat lief-zijn-voor-elkaar, wat er ook in de praktijk van terechtkomt. Het gaat nu om het verlangen.
P. Dat klinkt ook alweer evangelisch: hebt elkander lief. Of vind je dat een te mooie vertaling?
B. Nou ja, goed; in elk geval dat grote gebod is niet dood, het leeft.
P. Het hippie-ideaal is eigenlijk oer-christelijk.
B. Heb je dat weleens gezien in New York, in het Central Park? Ik ben er geweest, en daar zie je ze lopen in lange gewaden, met een glimlach om de mond en een bloem in de hand. Het is net of je de heilige Jozef tegenkomt met een lelie. Je hoort magische woorden prevelen, je ziet kaarsen branden en ruikt wierook. Alles, wat niet zebrapad is, niet asfalt en geen neonlicht vindt daar zijn verdichting.
P. Toch, als ik beelden daarvan zie, als ik uitingen daarvan lees, hoor ik een sceptische stem in mezelf (maar dat zal wel mijn oude kerkse erfenis zijn): het is zo vaag, wat ze doen; het zijn van die vage kreten; het is zo'n ijle mystiek, zo'n mistige liturgie. En ik onderken ook in mezelf, en ook dat zal wel een erfenis van vroeger zijn, de behoefte van ordening daarin, een soort van kerkorde, zal ik nu maar zeggen. Ik zoek haast auto- | |
| |
matisch naar een institutionalisering. Een soort van orde waarin de dingen komen vast te staan, waarin de liturgie een plaats krijgt, waarin hun filosofie ook een theologie krijgt, als ik het zo mag zeggen. Daar kom ik, denk ik, nooit meer van los, vanwege mijn erfenis, en ik kan me voorstellen dat dit een heleboel mensen, die net als ik uit het kerkelijk verleden komen, hindert in die nieuwe verschijnselen van een jonge generatie: dat alles als los zand aan elkaar lijkt te hangen; iets onverplichts, iets toevalligs, steeds aan mode onderhevig; te vaag, om ooit een keer in de toekomst het leven een vaste richting te kunnen geven of een rijkdom en kleur die het langer houdt dan een eendagsvlieg. En het kon weleens zijn dat ik, en anderen, dáárom eigenlijk nog in zoveel opzichten vasthouden aan vormen waarvan we eigenlijk al weten dat ze overleefd zijn, omdat we daarin een houvast vinden, omdat we onszelf zo nog geordend weten.
B. Ik begrijp dat volkomen, al zie ik tegelijk in dat het onvoldoende is.
P. Voel jij dat in wezen ook, of is dat voor jou niet een...
B. Ik heb zelf ook te maken met een zekere geïrriteerdheid, je wordt tureluurs van al die vrijblijvendheid op den duur. Maar net als aarde, maan en planeten stollingen zijn, verdichtingen, concentraties uit een immense wolk vage materie, geloof ik dat elke geloofsconceptie geboren wordt als samenballing uit een dergelijke vaagheid. Eerst moet die er zijn.
P. Die toch weer de richting uitgaat van een verdichting? Soms bekruipt me de vrees dat we nu zijn aanbeland - dat zou dan wel in strijd zijn met historische gegevens, want elke historie geeft een stolling te zien, - in een periode die geen stolling meer zal kennen; dat we nu in het tijdperk der vaagheid zijn gekomen, waarin geen stolling meer mogelijk is. Vroeger hadden we de antwoorden; we hadden misschien wel vragen, maar ze kwamen na antwoorden. Nu hebben we geen antwoorden meer en zijn er alleen nog maar vragen, en je denkt dan wel eens: komt er nog eens een tijd waarin men weer antwoorden krijgt? In plaats van alleen maar vragen? Vragen waar je intussen niet buiten kunt; die je zelfs wilt hebben. En ik onderken in mezelf (en daarin ben ik dan waarschijnlijk niet helemaal meer van deze tijd, denk ik er meteen achteraan) de angst daarvoor: voor het blijvend moeten leven met alleen maar
| |
| |
vragen. En terwijl ik dit zeg, betrap ik me erop wat een onzin het eigenlijk is, te denken dat je met dergelijke gedachten niet meer van deze tijd bent. Want je leeft toch in deze tijd? En dat soort overgangspersonen zoals wij hoort daar bij, bij deze tijd. En bovendien: de antwoorden die je nog wél krijgt, de antwoorden van Rome, daar zien we toch ook niets in? Ik beken intussen graag dat we vroeger te weinig vragen stelden. Er is een voor ons sprekend fragment in een boek over Gertrud Stein; die gaat dood, en zegt: ‘What is the answer?’ En degene die aan haar sterfbed zit, zegt niets, die draait zich om; en dan zegt Gertrud Stein: ‘In that case, what is the question?’ En ik denk, dat het zo met ons is; vroeger vroegen we naar het antwoord, nu vragen we naar de vraag, omdat er geen antwoord meer komt. Maar je zei: je voelde geïrriteerdheid?
B. Ja, omdat ik uit een nest kom, waar alles vast en stevig was om je heen. Maar ik wantrouw die geprikkeldheid en wil er niet de dupe van zijn. Het is een kwestie van erfelijke belasting, die jij misschien ook wel kent. Intussen geloof ik niet, dat het existentieel mogelijk is om voortdurend in de vraag te leven. Wij zijn voor de antwoorden geboren. Wel als tussenperiode, als incubatietijd van een nieuwe zekerheid, maar als blijvende toestand, nee. De wereldgeschiedenis heeft dat ook nooit te zien gegeven. Er komt een tijd, dat de dingen worden losgelaten, het dak stort in en dan is het puinruimen geblazen. In die periode zijn we nu. Maar vermoedelijk suizen al de heiblokken voor de nieuwe structuren, al verschijnen die nog niet boven de grond.
P. Als jij nu met jonge mensen spreekt, hoor je dan al iets van een bij hen levende behoefte aan stolling? Misschien zelfs de behoefte aan terugkeer van dogma's?
B. Dit laatste zeker niet en ik zie daar ook geen toekomst in. Wel een enorme honger naar mystiek. We hadden het al over de beat-kelders, waarvan de sfeer volkomen irrationeel is. Hierin een soort semi-religieuze nevel te zien, waaruit zich hier en daar kernen tot een nieuwe orthodoxie zullen verdichten, lijkt mij een verdedigbare opvatting.
P. Ja, of wanneer je met Kerstmis of Pasen twee-, drieduizend jongelui op pad ziet gaan, in zo'n voettocht, waarbij ze samen praten onderweg, dan onderken ik toch ook wel zoiets van behoefte aan vormgeving; in gesprekken bijv. Je zou in
| |
| |
onze tijd zelfs al van een institutionalisering van het gesprek kunnen spreken; een institutionalisering van het debat. Tegelijk geloof ik dat je bij sommige jonge mensen toch wel degelijk van een nieuwe dogmatisering kunt spreken, dogmatisering van gedachten van Mao, Marcuse, Che. En ook van de bepaald onaangename onverdraagzaamheid die aan dogmatisering schijnt vast te moeten zitten. Verkettering ook van andersdenkenden. Maar goed. Als ik mag terugkeren naar het punt waar we het hadden over de mogelijkheid dat ineens op het pastoraal concilie een man zou opstaan die vraagt naar het godsbestaan. Neem nu eens aan, dat dat gebeuren zou. Dan denk ik aan de reactie van een oudere generatie. Er zijn twee mogelijkheden, als die vraag gesteld wordt; de eerste is, dat de mensen die tot nu toe dat concilie meemaakten als een gesprek over structuren, en over nieuwe vormgeving, dat die mensen nu nog eens een schok erbovenop krijgen, en een reactie van: waar beginnen ze nu over te praten, nu beginnen ze helemáál bij het nulpunt Dat kan een shocktherapie zijn, maar het kan ook zijn (dat is de tweede mogelijkheid) dat die mensen het als een bevrijding horen.
B. Dat zou best kunnen, ja. Maar ik zou niet graag met zo'n vraag opstaan, omdat je daar met jongens zit die van de regels van het knikkerspel uitgaan, en ik vind dat je hem dan niet mag stellen. Maar ik heb twee weken geleden in mijn tuinhuisje een bijeenkomst gehad van een twintigtal jonge mensen uit een grote parochie in Amsterdam, die hadden iets van mij gelezen. Ze schreven me: wilt u dat bij ons nog eens zeggen, in de kerk? Ik schreef terug: dat doe ik niet, maar jullie kunnen wel bij mij komen. En toen kwamen ze, met een kapelaan. Dáár is het klimaat waar je die vraag wél kunt stellen. En dat merk je dan als een enorme bevrijding, ook voor die kapelaan. We zijn gewoon bij het begin begonnen, helemaal bij het begin, en geheel ‘vrij’. Ik heb het ook op Curaçao gedaan, daar hield ik een lezing voor het marinierscorps. De aalmoezenier zei: ik zou graag willen dat u nog eens een lezing hield, maar dan voor dertig mensen, die wat dieper kunnen graven, ik zoek ze wel uit. Er kwamen dertig mariniers bij elkaar, protestant en katholiek, en toen heb ik het daar over gehad, over dit probleem. Ik vroeg: interesseert jullie de kerk? Nee, geen bal. Toen stelde ik voor om te beginnen bij het begin en alleen bij
| |
| |
de hoofdstations uit te stappen. Goed, het begin is God. Geloven jullie dat die er is? Nee, dat geloofden ze geen van allen, met uitzondering van twee, die het niet zeker wisten. Ik moet er bij vertellen dat de aalmoezenier, op mijn verzoek, de samenkomst niet bijwoonde en vertrokken was. Maar nu het vreemde. Na twee uur debatteren, waarbij ikzelf niet veel meer deed dan luisteren, kwam de meerderheid op de mening uit, dat hij er wél moest zijn. Ik overschat dit niet. Misschien was het een soort ‘horror vacui’. Ik signaleer alleen het vertrekken vanuit een verkwikkend nulpunt. Men moest dat meer doen, dus zonder te anticiperen op een ‘positief’ resultaat.
En om dit nu ook zelf toe te passen: Wij hebben altijd een God nodig gehad; er is geen beschaving geweest die niet religieus gefundeerd was, die uiteindelijk niet, net zoals een spinneweb, aan een draad naar boven hing, waardoor dat hele web gespannen was. Is het misschien denkbaar, dat wij voor het eerst een beschaving ingaan, die volledig diesseits is, humanitair, uitgaande van het idee: na dit leven is er niks meer, laten we proberen die tachtig jaar zo goed mogelijk door te komen, in een zo groot mogelijke welvaart, in een zo groot mogelijke onderlinge verdraagzaamheid, met een zo groot mogelijke verdeling van de produktiemiddelen, enzovoorts. Tegelijkertijd dat ik dat denk, stik ik erin.
P. Gebeurt dit bijv. al niet in de Sovjet-Unie? Daar is God officieel doodverklaard, hij bestaat niet meer, daar is de geseculariseerde maatschappij als het ware vanaf 1917 een verplicht gegeven. Alleen hoor je, dat de paar kerken die er nog zijn altijd vol zitten - zij het dan met oude moedertjes - en dat er nog altijd gebeden wordt. Het lijkt mij zo moeilijk om je zo'n ‘diesseitige’ maatschappij voor te stellen, omdat natuurlijk onze hele cultuur stikvol zit met gegevens uit een christelijk verleden, en met verwijzingen naar boven en naar hierna.
B. De vraag is: blijft het net gespannen zonder die draad naar boven? Is zo'n samenleving blijvend mogelijk? Ik ben nooit in Rusland geweest. De enige reden waarom ik daar graag zou rondlopen is om te kijken of je er kunt ademen. Overigens zegt het bekende argument, dat die paar kerken die er nog zijn stampvol zitten, me niets. Het zal wel waar zijn. Maar op zo'n reusachtige bevolking geeft dat geen enkele aanwijzing.
P. Nee, dat is geen bewijs, nergens van. Sommigen zullen
| |
| |
zeggen dat die maatschappij waar jij het over hebt, allang bestaat, ook hier bij ons. Die zullen zeggen: ga maar eens naar de buitenwijken van de grote steden, met die gestroomlijnde rijen huizen en supermarkten, en in de verte de fabrieken. Waar is God daar? Waar is hij te vinden? De kerken hebben geen torens meer. De paar kerken die er zijn staan weggedrongen tussen de flats. De pastoor loopt er niet meer rond als de herkenbare, door God gezonden man.
B. Je kunt zeggen: we draaien toch nog? Er zijn toch nog allerlei fatsoensnormen? Maar als een kameel geen eten meer krijgt en geen water, kan hij nog een hele tijd op die bult rondlopen. Zo iets doen wij. We teren op het vet van de vroomheid, die voorbij is, maar nog in allerlei vormen onder ons bestaat. Maar over twintig jaar, als ook die resten zijn opgeteerd, hoe staan we er dan voor?
P. Daar ben ik ook benieuwd naar. Hoe zal ik dan zelf reageren, over die twintig jaar waar jij het nu over hebt? Laten we aannemen dat dit proces van ontmythologisering en secularisatie driftig doorzet. Op het ogenblik ben ik geneigd te zeggen: ik wil nu niets meer missen, van de paar halve zekerheden die ik nog heb. Nu heb ik al zoveel uit mezelf zien vertrekken, ik ben al zo kaal geworden, bij wijze van spreken, nee, nu moet er niet nog meer van af. Maar ik weet dat er nog meer af zal gaan. Als ik daar aan denk, word ik bang. Maar met dezelfde geleidelijkheid waarmee ik het tot nu toe verdragen heb - toch wel -, dat er dingen afvallen, van me afgescheiden zijn, zal het misschien overmorgen ook gebeuren, en misschien zal ik het niet eens merken dat er nog meer van me afgaat en zal ik dat met diezelfde geleidelijkheid aanvaarden; ik weet het niet.
B. Vergeet niet: jij bent die kameel met die bult. Wat heb je de eerste vijfentwintig jaar van je leven niet mogen opzuigen aan mystiek? Daar kun je tot je dood mee rondlopen. Maar jouw zoon, daar gaat het om, en mijn dochter, die komen in een volkomen efficiënte wereld terecht, waar de dingen gewoon zichzelf betekenen. De dubbele bodem is eruit gevallen. Alles staat in zijn eigen uitleg vastgevroren. En nu is het de vraag of de mens een wezen is, dat in die poolnacht kan blijven leven. Ik weet dat niet, het is nog nooit vertoond. Wij kennen nergens een volk in de geschiedenis, we kunnen ook nooit een periode
| |
| |
aanwijzen, waarin zich dat heeft voorgedaan. Wel verval. Maar volstrekte absentie, nee.
P. We weten dat primitieve volken hun goden maken.
B. Ja, maar daar zijn ze zich niet van bewust. Het antropomorfisme van elke godsdienst, ook die van het christendom, is een duidelijke zaak. Wij kunnen ons buiten onze zintuigen niets voorstellen. Waar het om gaat is dat wij via de intentie toch een wezen buiten onszelf aanbidden.
P. Wij zullen ons dus ook, als we deze God moesten verliezen, toch nieuwe goden maken?
B. Ja, je zegt dat zo gauw, je zegt dat maar...
P. Ik denk aan het verlangen van elke mens naar het kennen van een zin van zijn bestaan. Als we denken aan de eeuwige, tot nu toe althans eeuwige - laat ik het voorzichtig uitdrukken - behoefte van de mens om een wezen boven zich te creëren, een hiernamaals te bedenken, kortom zin aan het leven te geven, lijkt dat een instinct in de mens dat blijven zal, dat hem ook over die twintig jaar of in die koele tijd, die ijstijd waar jij het over hebt, toch weer bezielen zal. Of niet? Dat is de vraag. Jij hecht blijkbaar niet aan de geschiedenis die dat tot nu toe te zien heeft gegeven, want jij ziet de mogelijkheid dat dit cultuurbeeld veranderen zal, dat er met andere woorden geen eeuwig instinct in de mens blijkt te zijn.
B. Ik zeg dat niet zo stellig. Ik denk maar hardop. Ik opper die mogelijkheid, om aan de discussie het beginpunt niet te onthouden. Er was vroeger zoveel meer ruimte voor mystiek: epidemieën als cholera, de pest en de zwarte dood, de verschrikkelijke venerische ziektes...
P. Het vele onbekende dus.
B. Al die ontzettende geselslagen die over de mensen heenkwamen, waarvoor geen verklaring was. Dat daaruit een projectie ontstond van de almachtige God, die we aanbidden moeten, is begrijpelijk. Maar het is denkbaar dat, met het voortschrijden van de wetenschap, al die dingen ontmythologiseerd worden zoals jij dat noemt, en gewoon zichzelf gaan betekenen. Aan de straffende God is telkens weer een van zijn geselwerktuigen ontnomen. Bijvoorbeeld door Franklin, die een vlieger opliet en de bliksem electriciteit noemde. Daarmee werd weer een karwats in de kast geborgen. Zo is de ‘vreze des heren’ voortdurend verder uitgehold.
| |
| |
P. Als je het goed vindt, wou ik een gedicht uit mijn kast halen van Archibald MacLeish, dat impliciet de vraag oproept naar het blijvende van bepaalde vragen over raadselen in de werkelijkheid. Het heet ‘Brief om achter te laten in de aarde’. Het is geschreven in de jaren dertig, toen er in New York, ik geloof ter gelegenheid van een wereldtentoonstelling, een grote cilinder in de grond is gestopt met allerlei gegevens over onze beschaving. Men had er een flesje Coca-Cola en een bijbel in gestopt, een paar kousen en een pakje sigaretten, denk ik, en verder allerhande statistische gegevens. Een heel ver nageslacht zou dan onze ‘kennis en cultuur’ in een notedop bijeen vinden. Dat heeft MacLeish aan het denken gezet. De brief die mensen in zijn fantasie in de aarde achter laten, is geschreven op het moment dat er een ramp gebeurd is waardoor de mensheid op aarde meent in haar geheel te zullen ondergaan. Dan is dit het bericht dat nagelaten wordt:
Ten noorden van de Grote Beer,
Het water is steen in de uitgeholde rotsen.
In 't zuiden een rode zon, een grijze lucht.
De kraaien gaan langzaam op hun kromme vleugels.
De gaaien zijn verdwenen,
Al toen we de hitte van Orion passeerden.
Iedere mens gelooft dat hij zal sterven.
Veel hebben er laatste gedachten en brieven geschreven.
Geen weet of onze dood voor nu of voorgoed is.
Geen weet of deze aarde ooit wordt gevonden.
Wij liggen met de sneeuw op onze kleren.
u - als iemand deze brief vindt -
Vorm met uw mond de woorden van onze namen.
Ik zal u zeggen wat wij weten,
onder de grond zijn bronnen,
| |
| |
Leem wijkt door een mes uiteen,
de lichten aan de hemel zijn sterren -
Wij denken dat ze niet kijken,
Dat de bomen ons niet kennen, de blaren in 't gras
Ook de vogels weten niets.
Je moet 's nachts niet voor open ramen staan.
Wij, vóór jou, hebben dat ook gehoord: het zijn stemmen.
Het zijn geen woorden, het is de wind die opsteekt.
Ook heeft geen mens van ons ooit God gezien.
dat zwakke zonnestralen bij mistig weer
één boom aanwezen, maar dat was niet waar).
Wat de nacht betreft, pas op, de nacht is gevaarlijk.
's Nachts slaat de wind om en 's nachts komen er dromen.
Er zijn vreemde sterren aan de Noordpool.
Stemmen roepen een onbekende naam in de hemel.
Weet je, dit is weliswaar een ‘laatste bericht’ van mensen in een extreme crisis-situatie, maar is het eigenlijk niet een ‘eeuwig bericht’ van de mens aan de hem op aarde opvolgende mens? Staan hier niet de oer-kreten bij elkaar, die de oervragen bij de mens van alle tijden oproepen? Ik kan dat gedicht lezen alsof het over mezelf gaat. Het zijn mijn eigen raadsels, vrezen, halve zekerheden. En we kunnen nu wel denken dat we veel méér weten dan hier is opgesomd, want we kunnen allerlei gegevens van natuurwetenschappelijken en medici en astronomen bij elkaar zetten, maar een paar dingen zijn belangrijker: ‘Geen weet of onze dood voor nu of voorgoed is.’ ‘Iedere mens gelooft dat hij zal sterven.’ ‘Ook heeft geen mens van ons ooit
| |
| |
God gezien.’ ‘'s Nachts komen er dromen.’ Die dingen. En dat zijn dingen die, hoe geweldig de mensheid zich ook ontwikkelen zal, en hoeveel hybris hij daar ook aan overhoudt, naar mijn mening zolang er mensen bestaan hen te denken zullen geven, hen blijvend zullen doen vragen naar een zin en een vorm van het menselijk bestaan. Die dingen zullen de mens altijd een god doen maken.
B. Ja. Daar komt nog iets bij. Het gebeurt ook in werkelijkheid wel, dat moeizaam droog gemalen polders van kennis weer door de zee van onwetendheid worden overstroomd. Hele stukken van Grieks denken zijn in de Middeleeuwen overspoeld geweest. Denk eens aan noties als: de aarde is rond, de laatste eenheid is het atoom, we draaien om de zon, allemaal verdronken begrippen. Maar goed, we leven nú. Neem eens de psychologie. Sinds Freud dalen we af in de schachten van het onderbewustzijn, we zien milieu-invloeden, erfelijkheid, traumata uit de jeugd, dwangneurosen en ga maar door, allemaal uithollingen van wat vroeger de ‘vrije wil’ genoemd werd. Daardoor is in de rechtspraak het begrip ‘schuld’ bijna verdampt, en eigenlijk vervangen door ‘verzachtende omstandigheden’, want alles kan verklaard worden. Maar dat gebeurt natuurlijk niet straffeloos, om dat woord nou eens te gebruiken. Daarmee is ook het hele idee ‘zonde’ aangetast. Naarmate de kennis voortschrijdt, gaan dergelijke begrippen wankelen.
P. In de wetenschappen bijv. ook: alles wordt verklaard, alle geheimen worden ontfutseld aan de natuur...
B. Met als gevolg dat de mogelijkheid tot corrigeren niet meer een kwestie van genade is en van bidden, maar van uit je ogen kijken...
P. Van studeren...
B. Of van ‘breeding’, zoals Huxley dat heeft voorspeld...
P. We hebben dus alles zelf in de hand. Lijkt het.
B. Laten we zeggen in toenemende mate. Steeds meer komen de dingen in onze eigen handen terecht. Oscar Wilde, die als 'n kind soms verrassend uit de hoek kan komen, zegt: de wetenschap is het kerkhof van de godsdienst. Hij bedoelt: overal waar je de zerken ziet van geloof, daar is wetenschap. Telkens annexeert het weten weer een nieuw gebied, dat vroeger bij de religie hoorde. Wat schoven we in het onverklaarbare? God, duivel of heiligen. Maar die ruimte wordt steeds
| |
| |
kleiner. Chemie, astronomie, biologie, ze metselen maar door en de spleet wordt nauwer en nauwer. Wat moeten we met Genesis sinds Darwin? En om bij de biologie te blijven: wat met het begrip ‘schuld’ sinds de agressie-theorie van Konrad Lorenz?
P. En we nemen ook niet meer genoegen met boeken als ‘De bijbel heeft toch gelijk’, waarin dan nog een laatste poging gedaan wordt om de kennis van het verleden te redden.
B. In het woordje ‘toch’ zit de zwakte al, net zoals het ‘C & A is toch voordeliger’ het bestaan van andere bedrijven erkent. Maar goed, de dijken van het zuivere weten dringen steeds verder zeewaarts in, de kerk heeft bijna geen ruimte meer om te varen. De bemanning trekt de matrozenpakjes alvast uit en monstert dadelijk af.
Nu zeg jij, dat afgezien daarvan in de mens altijd de behoefte zal blijven bestaan naar een laatste verklaring, naar een zin van het bestaan die niet het bestaan zelf is, maar daarbuiten ligt.
P. Waar grondde ik dat eigenlijk op? zit ik me af te vragen. Het is een instinct, denk ik, dat me dat doet zeggen. Ik zal het ook wel zeggen uit zucht naar zelfbehoud. Ik zeg het in ieder geval ook uit een eigen innerlijke behoefte. Wel wil ik dan een marge inruimen voor de mogelijkheid dat ik het onthouden heb uit lessen van vroeger, door indoctrinatie. Men begon bij: we moeten dood, eenieder, er is lijden, waar komt dat vandaan, waarom kunnen we niet eeuwig leven, en ja, dan kwam je bij God. Iedereen. Iedere mens. Zeiden ze.
B. Als jongen dacht ik vaak: wanneer het allemaal waar is wat het rooms-katholicisme ons voorhoudt, waarom staat dat dan niet in de wolken geschreven? In grote onuitwisbare letters, zodat ieder het lezen kan? Van de ene kant hangt je leven er van af, van de andere kant is er volop mogelijkheid tot twijfel.
P. Voor de mens, om te bestaan...
B. Ja, zeggen ze, je moet het geloven en anders is het geen geloof meer. Maar waarom zouden we het niet mogen weten? Hoe kan het, dat intelligente mensen een heel andere richting opmarcheren, als Christus een bepaalde route gewild heeft?
P. Met de kerk erbij?
B. Ja.
| |
| |
P. En de paus erbij? En een moraal erbij, en een handboek?
B. Het is vreemd.
P. Want zo is het ons gezegd, dat hij dat allemaal wou. Hij heeft zijn kerk gesticht, hij heeft dít gewild, hij heeft dát gewild, en God wilde bij wijze van spreken dat je 's pausen koningschap verdedigde voor hem, dat je de Maasbode las voor hem, dat je op de katholieke staatspartij stemde voor hem, nietwaar? Ik zeg het nu maar erg overdreven, maar tot in die finesses is het op een gegeven ogenblik uitgesponnen geweest. Maar was het ook waar? Er is tussen God en ons zoveel ingewrongen, zoveel theologie, moraal, instituut, - zoveel ‘katholieke zaak’.
B. Van dat evangelie is een enorm instituut gemaakt. Ik begrijp dat eigenlijk heel goed. Als je de vier evangelies leest, dan brand je je aan een veel te hoge voltage. Er loopt een man op zijn blote voeten door het hete zand van Palestina en die zegt met vlammende ogen een paar geweldige dingen. Goed, maar die moet je nu omzetten in handelingen. Tussen woord en daad moet je wat zekeringen zetten, anders springen alle stoppen. Het zijn toch maar verschrikkelijke impulsen. Verlaat uw vader en moeder, geef alles weg aan de armen, neem uw kruis op en volg mij, bemin uw vijand en keer hem ook nog de andere wang toe, het staat er toch allemaal en begin daar maar eens aan. Ik denk opeens aan de Niagarawaterval. De opdracht van de kerk is te vergelijken met die van een ingenieur, die daar een waterkrachtinstallatie moet neerzetten. Hij moet van die ontzettende potentie iets bruikbaars maken en zo is het ook met de kerk. Die bestaat niet uit heiligen. Goed, er moet dus eerst wat aan gedaan worden. Doet ze dat niet, dan is het alsof je op de elektrische stoel gaat zitten, je bent meteen dood. Dat moet allemaal in wisselstroom worden omgezet, er moeten lampjes op aangesloten worden, we kunnen toch met die verschrikkelijke uitspraken niet leven? Het moet een menselijke vorm krijgen. En zo groeit er een ‘instituut’ uit die woorden. Alleen, het is natuurlijk veel te ver gegaan: een hele Vaticaanstad met in het centrum een man, die op de sedia gestatoria onder pauweveren rondgedragen wordt.
P. En de plaatsbekleder is van Christus...
B. Die overigens te voet ging. Maar nòg eens, begrijpen doe ik het wèl. Met die verschrikkelijk hete elektrische wolk, die de
| |
| |
oorspronkelijke Christus uitgestoten heeft, daar valt niet mee te werken. Niemand behalve een paar heiligen steekt daar zijn stekkertje in. Maar op die paar figuren kan de kerk geen geloofsgemeenschap bouwen. Dat betekent concessies. En dat heeft tot gevolg een administratie en het instituut is geboren.
P. En in het begin was het zo anders. Het staat ergens bij Newman. Hij vraagt: hoe hebben die paar vissers uit Galilea het licht eigenlijk kunnen verspreiden, wat is het geheim van hun success-story? ‘Ze predikten Christus. Ze beschreven zijn leven, zijn karakter en zijn zending.’ Van die pure prediking zijn we al verder en verder afgedwaald. En dan heb ik het over de wervingskracht. Wat jou boeit, en mij ook, is het verschijnsel van die zogenaamde pure mens, voor wie - laat ik het nu maar zo even zeggen - God niet bestaat, zijn tien geboden ook misschien niet meer, helemaal niet meer. Pure humanisten, die voor ons edele mensen zijn, zeer edele mensen, en die heel die ballast en santenkraam waar wij mee te maken hebben, helemaal niet nodig hebben bij hun subliem leven. Eerlijk gezegd: dat hinderde mij vroeger, dan dacht ik: hoe kan dat nu? Ze hebben God noch gebod, zoals dat heette; en intussen wandelden die mensen in een volslagen zekerheid en rust door dit leven, en leidden vaak een voorbeeldig leven, waar wij ons aan konden stichten. Dat wou je niet zien, dat mocht niet. Wat dachten ze wel, die heidenen? Waar deden ze het van? Nochtans deden ze het en doen ze het, en nu wordt het een uitdaging voor je en nu ga je zeggen: waar heb ik het allemaal voor nodig, de kerk, de rompslomp, de santenkraam? Maar de vraag rijst wel, of in een volkomen geseculariseerde maatschappij deze mensen zo zeker en rustig zullen blijven rondlopen, dat weet ik niet. Dat is de vraag; dat is de belachelijke vraag.
B. Je weet natuurlijk nooit in hoeverre zulke mensen in hun geestelijke bloedsomloop de injectie van twintig eeuwen christendom hebben opgenomen en met zich meedragen. Dat is die bult van de kameel. Het is zo moeilijk om dat uit te maken, inhoeverre dat soort mensen toch eigenlijk nog geïnspireerd zijn door het evangelie, hoewel ze de kerk verlaten hebben.
P. Van die gedachte heb ik me ook nooit helemaal los kunnen maken, eerlijk gezegd. Wanneer ik het humanistisch verbond zondagsochtends op de radio hoor (ze hebben een sprekerd om kwart voor tien) denk ik: ze gebruiken een taal, die
| |
| |
mij bekend in de oren klinkt; als overgeërfd. Het komt praktisch op hetzelfde neer met wat ik een uur later in de kerk hoor. Soms denk ik: Garmt, joh, Stuiveling, je kon best bij ons de preekstoel op, - als je iets minder vroom praatte.
|
|