| |
| |
| |
10
Twee eilanden, die, tamelijk geïsoleerd, de uiterste punten vormen van het tegenwoordige Griekenland, maar die in de klassieke periode in het midden van de Helleense wereld lagen, hebben door een vreemde speling van het lot elk hun eigen geschiedenis: Kreta en Rhodos.
Het zwaartepunt in de historie van deze eilanden ligt meer dan tweeduizend jaar van elkaar verwijderd: de voornaamste rol van Kreta was ± 1100 vóór Christus afgelopen, toen de eigenlijke Minoïsche beschaving ten einde liep; de belangrijkste periode in de geschiedenis van Rhodos begon in 1309 toen de ridders van St. Jan het eiland bezetten om het tweehonderd jaar lang te verdedigen tegen de Turken. Beide zijn gelegen op een kruispunt van handelswegen tussen Azië en Europa, Egypte en de Hellespont, hun lot is steeds dat van ‘bezette’ landen geweest: Kreta werd eerst in 1913 bevrijd van de Turken, de Italianen veroverden Rhodos in 1912 en dit eiland werd eerst na de tweede wereldoorlog bij het Griekse rijk gevoegd, op Kreta heeft men tot nu toe slechts paleizen gevonden, het karakter van Rhodos wordt beheerst door vestingen en de eigenlijke bevolking van deze beide eilanden had met deze indrukwekkende bouwwerken maar weinig uit te staan.
De nog steeds ietwat geheimzinnige geschiedenis van het rijk van Minos, dat volgens oudere onderzoekers een plotseling en onverklaarbaar einde vond ten gevolge van een onbekende catastrofe, begint langzaam op te klaren en het schijnt, dat men bezig is het lettergrepenschrift, voorloper van ons alfabet met succes te ontcijferen. Vreemd lijkt intussen de omstandigheid dat de beschaving uitsluitend geconcentreerd was in de steden, welke om de grote paleizen waren gebouwd en dat het leven op het land blijkbaar vrij primitief was, hetgeen zou kunnen wijzen op een bezetting van een volk, dat de autochthone bevolking in alle opzichten vooruit was, een feodale verhouding tussen twee klassen, waarbij vermoedelijk geen sprake was van eenheid. Aan de
| |
| |
ene kant de vrouwen m de steden in geraffineerde kledij, die enigszins doet denken aan de mode in Europa op het einde van de negentiende eeuw, de paleizen voorzien van vensters en blijkbaar uitstekend werkende waterleidingen, de muren versierd met fresco's, aan de andere kant het gewone volk.
Men amuseerde zich met kansspelen en met stierengevechten, die oorspronkelijk wellicht een religieuze betekenis hadden, men wandelde op pleinen en leefde in zuilengalerijen die waarschijnlijk voorlopers zijn van de in het klassieke Griekenland zo druk bezochte agora's en stoa's, terwijl het ‘volk’ een armoedig bestaan leidde.
De Minoïsche kunst is verfijnd op het decadente af en als de reconstructies van de fresco's, waarvan slechts kleine fragmenten gevonden zijn inderdaad aan de werkelijkheid beantwoorden, kan men eerder de voor die tijd knappe techniek dan de geest bewonderen.
Kreta is een land van sterke tegenstellingen: de brede vlakten worden omzoomd door hoge bergen, die men op zo'n betrekkelijk klein eiland niet zou verwachten. De natuur bereidt den bezoeker, den West-Europeaan, voor om hier iets ongekends, iets vreemds te verwachten, en het is geen wonder dat de eerste archeologen bevangen zijn door een soort van ‘Kretomanie’, meer geneigd tot mystieke verklaringen dan tot nuchter onderzoek.
Als men door het paleis van Knossos dwaalt met zijn ingewikkelde plattegrond, zodat men zich inderdaad in het labyrint van de Minotauros kan wanen, als men de grote vaten ziet, waarin de levensmiddelen werden geborgen, de chaotisch gerangschikte kleine vertrekken, verbonden door nauwe gangen, dan voelt men zich in een volkomen andere wereld dan de Helleense, de voorloper van onze wereld. Hier woonde wellicht een zeer beschaafde groep mensen maar men heeft er geen contact meer mee, ondanks alle rokjes met volants en verleidelijk ontblote borsten. De vreemde dubbele bijl, de aap, die crocussen plukt, de mannen die uitbundig bewerkte puntige vazen voor zich uitdragen, de rare beesten in de troonzaal, het wonderlijke gespring over stieren, de naar boven breder wordende zuilen, de ietwat griezelige Kamares-vazen, de inktvissen en de spiralen, het mag dan allemaal keurig verklaard worden: ze jagen me de schrik op het lijf, juist omdat daarnaast zoveel elementen voorkomen, die vlak bij ons staan. Daarbij komt nog, dat Knossos in een vallei ligt, op een onooglijke plaats en dat Sir Arthur Evans, de archeoloog van Knossos, een aantal reconstructies heeft gemaakt, die heftig vloeken tegen de oude stenen.
Ik kan me voorstellen, dat hij het niet heeft kunnen laten, maar mooi is het niet geworden, verre van dat.
Phaistos, dat in de vlakte van Messara ligt, aan de andere kant van het eiland, kijkt op zee uit en daar konden de bewoners ten minste zo nu en dan hun benauwde, zij het weelderige woonstee verlaten om een beetje op het land te gaan
| |
| |
wandelen en van het uitzicht te genieten, maar daar is het wel weer erg plat geworden, hoewel men er plezierig trapje op trapje af kan springen en de bergen en de zee, evenals bij Haghia Triada, hier niet ver vandaan, een aangenaam décor vormen voor iemand die niet dol is op raadselachtige culturen. Ik moet beschaamd bekennen dat ik naar Gortyne ben gevlucht, waar een tempel van de Pythische Apollo ligt en een klein odeion dat tenminste rond is en niet zo raar rechthoekig als het zogenaamde theater van Knossos en ik begroette met vreugde een waarschijnlijk Romeinsen heer zonder hoofd, die in een gebouwtje tussen de olijven stond. De duidelijke dood van dit beeld was mij liever dan al dat drukke Minoïsche leven.
In tegenstelling met het monumentale Kreta is Rhodos in de eerste plaats liefelijk. Rhodos was in de klassieke periode een belangrijke nederzetting; er waren drie steden: Ialysos, Kamiros en Lindos, waarvan nog belangrijke overblijfselen bestaan. In tegenstelling met Kreta, waarvan tenslotte alleen de Minoïsche resten belangrijk zijn, staat de gehele historie van Rhodos in steen geschreven: de Byzantijnse periode, de ridders van St. Jan, de Turken, ja zelfs de Italianen hebben hun stempel op het eiland gedrukt.
Als men de haven van de stad Rhodos binnenvaart, bevindt men zich onmiddellijk in een Middeleeuwse vesting: kantelen en muren, torens en bastions, poorten en weergangen vormen een streng silhouet.
Van de oorspronkelijke stad, die in 408 voor Christus door de drie bestaande steden werd gesticht, is slechts weinig te zien: op een zonnig pleintje vindt men de schamele resten van een tempel van Aphrodite en van een van Dionysos: de antieke stad ligt op een hoogte, de uiterste noordpunt van het eiland.
Men voelt zich in Rhodos als in Venetië zonder water: een doolhof van straatjes, overspannen door luchtige stenen bogen. Zelfs als men een kaart bij zich heeft moet men terdege oppassen niet steeds weer op dezelfde plek terug te komen en wil men op zijn gevoel dwars de stad doorlopen dan komt men onherroepelijk vlak bij het punt van vertrek uit. Dit komt behalve door de verwarrende plattegrond ook door de algemene vorm, die om de centrale haven op een halve maan gelijkt: hoe dan ook, men verzeilt steeds weer aan die haven. Een foto-toestel kan men op zo'n eerste tocht beter niet meenemen, voor men het weet, heeft men de ene film na de andere gebruikt en er blijven altijd nog 1001 opnamen over, die men eigenlijk nog zou moeten maken. Rhodos is in hoge mate pittoresk, een stadje vol hoekjes en huisjes en straatjes en kerkjes en moskeetjes en Turkse balconnetjes en toch is het geen echte stenen stad, want overal vindt men bomen, palmen en cypressen, binnenhoven en bloemen. De kleuren zijn alle van suikergoed: rose, blauw, lichtgroen en alle soorten geel, behalve de geelgrijze muren, die al dat liefelijks als zware bakbeesten, inderdaad iets van een kruising tussen een bak en een beest, overschaduwen of insluiten. De paarse bougainvillea en de rozerode oleander, de witte bloe- | |
| |
sems van sinaasappels en citroenen en daartussen de gele en oranje vruchten, de grijsrode daken van de Byzantijnse kerkjes, enkele verscholen, andere wit of geel gekalkt, de blauwe deurposten, de groene washokjes bij de moskeeën, vele vervallen (door de ruïne van een Gothische kerk loopt een straat) andere goed onderhouden: men weet niet waar men het eerst en het laatst kijken moet. Sommige Byzantijnse kerkjes hebben een minaret gekregen en het misstaat hun niet. Een enkele keer staat men onverwacht op een binnenplaats, waar de roze, witte of blauwe was hangt te drogen, maar het is tevens het plein voor de moskee, die helemaal is ingebouwd, soms kijkt men
verschrikt, omdat men zich een indringer voelt in het huiselijke leven van een gezin, doch een naambordje duidt aan, dat men nog steeds op de openbare weg is. Over de harde keiwegen, die heel vlak zijn en die zich op de stoepen voortzetten als mozaïeken dwaalt men van de ene moskee naar de andere, de vervallen gebouwen zijn uiterst schilderachtig, die welke nog in goede staat verkeren (een stuk of drie) saai van netheid. Men verlangt hier het pittoreske en verafschuwt het keurige. De wapens aan de strenge gebouwen duiden het domein van de ridders aan, de zwierige krullen van de opschriften eertijds Turks bezit, de gehele stad is een levende pastel.
Dit merk ik vooral als we een rondgang over de muren maken: tussen de hoekige stenen, die kantig blijven, zelfs als ze een ronde toren vormen, zijn de puntige minaretten gevangen, de bollende daken van de moskeeën, de platanen, pijnbomen en vijgen, de koepels van het Turkse bad, waar sommige mensen nog steeds graag hun tijd zoek brengen op de grijsgroene rustbanken onder het genot van een potje yoghurt, de cirkelvormige schelpen van de Byzantijnse kerken, de halve bogen in de straten. En daarachter, achter dat kleurige tapijt, zachtglooiend uitgespreid, is de blauwe zee plotseling opvallend horizontaal, wegscherend tegen de blauwpaarse silhouetten van het Aziatische vasteland. De roze klokketoren, die de grens van de ridderstad aanduidt, het gele kasteel van de grootmeesters der orde, niet hoog gelegen, nochtans heerszuchtig oprijzend, de droge grachten met loodrechte kanten, de hoekig verspringende weergangen, de ingewikkelde poortgebouwen met rechthoekig op elkaar geplaatste gangen, deze hele bewoonde stad is een openluchtmuseum van de Middeleeuwen, waarbij elk West-Europees slot een droge geschiedenisles is.
Na afloop van de rondgang komen we door bemiddeling van een Grieks meisje, dat Turks kent, in een moskee terecht die nog gebruikt wordt, de Suleimanié Djami. Na de schoenen te hebben uitgetrokken zijn we ineens in het land der Mohammedanen en een vriendelijke oude man, die ons erg ongelovig aankijkt wijst de grijze getraliede kooi voor de vrouwen en de plaats voor den priester, die voor een nis buigingen maakt in de hoge trap, waar hij Vrijdags opklimt. Hij toont ons de Koran en vertelt, dat Mohammed de beste stukken uit de
| |
| |
evangeliën daar in heeft opgenomen met een gezicht alsof wij maar lelijk met de rest zijn blijven zitten.
Kousevoetend over de zachte tapijten, die ik graag had opgerold om mee naar huis te nemen, bekijken we een nogal lelijke litho van Mekka en de foto's van een paar Arabische inscripties, die aan de wand hangen. Het ziet er erg opgeruimd uit in zo'n moskee waar geen beelden geduld worden, maar de versierende krullen zijn niet opwindend en het trapje met de toren en de kleedjes zijn ontegenzeglijk de pronkstukken, hoewel de ruimtewerking van het geheel door de aangeklede leegheid wel aangenaam is.
En dan ontspint zich een vreemd gesprek tussen mij en het Griekse meisje onder het gehoor van onzen geleider, die geen Grieks en natuurlijk ook geen Engels verstaat. Ik vraag haar hoe het komt, dat ze zo goed Turks spreekt en ze vertelt dat haar ouders, in 1923 uit Turkije gezet, alleen maar Turks kenden en dat er dus thuis alleen maar Turks gesproken werd. ‘Mijn ouders konden slechts een deken meenemen,’ zegt ze, de oude Turk glimlachend aankijkend, die seniel staat te knikken, ‘ze moesten helemaal opnieuw beginnen, maar ze waren blij, dat ze het er levend afbrachten, want hij en zijn vrindjes hebben nog heel wat van de onzen vermoord’.
De Turken, in de Dodekánisos gespaard door de Italianen, zijn na de tweede wereldoorlog ook door de Grieken met rust gelaten, en in de bibliotheek, vlak naast de moskee zetelt een oude heer, die de sierlijke opschriften van de voormalige veroveraars keurig in de tuin heeft uitgestald: een museum van de bezetting in een bevrijd land.
Na de bezetting door de Turken kwam evenwel een andere: die van de Italianen. In de nieuwe stad vindt men hiervan vooral de sporen aan de kade: pompeuze gebouwen in de stijl van het fascisme, enkele ronduit afgrijselijk als het paleis van den gouverneur dat een vreemde imitatie is van het dogenpaleis te Venetië, andere wel uiterst somber met monumentale ingangen, doch niet bepaald slecht, omdat de Italiaanse bouwmeesters zelfs onder druk van de dictatuur hun zin voor proporties niet geheel konden verloochenen. Toch doet dit deel van de stad met ‘representatieve’ bouwwerken ietwat spookachtig aan, doordat de boulevard nergens heen leidt en zich verbredend in de leegte blijft hangen.
De allereerste bezetters waren de ridders van St. Jan, die van 1309 tot 1522 de stad voortdurend versterkten, zij leefden in vrede met de bevolking, doch waren wel degelijk veroveraars aangezien Rhodos bij hun komst verdedigd werd door een Byzantijns garnizoen. Zij waren verdeeld in zeven afdelingen, zeven ‘talen’: Frankrijk, Provence, Auvergne, Italië, Engeland, Duitsland en Spanje. Elk van deze ‘talen’ had de taak een stuk van de wallen te verdedigen. Hoewel op het ogenblik in de stad zelf geen scheiding meer bestaat tussen het deel dat de ridders bewoonden en dat waar de bevolking gehuisvest was,
| |
| |
bemerkt men het onderscheid op het eerste gezicht. De geelgrijze gebouwen van de ridders onderscheidt men onmiddellijk: zij zijn vrijwel alle gegroepeerd om het paleis van de grootmeesters. Dit deel is afwerend, vrij doods, hoogmoedig en desolaat: men leeft hier ook niet meer, want de meeste gebouwen zijn musea geworden. Doch afgezien daarvan, het is een stad van bezetters ondanks het feit, dat de bevolking de ridders tenslotte loyaal mee heeft helpen verdedigen tegen de Turken. Honderdvijftig jaar lang, in de historie een korte spanne tijds, maar voor het leven van de mens verschillende geslachten, zaten de ridders vrij rustig op deze grenspost van het Christendom, vlakbij Azië gelegen. In 1453 viel echter Constantinopel, in 1462 Mytilene op Lesbos en in 1480 vond de eerste aanval op Rhodos plaats, die werd afgeslagen na een beleg van meer dan twee maanden.
Tussen 1503 en 1512 werd de stad nog met een extra wal versterkt, maar in 1522 kwamen de Turken terug onder leiding van sultan Suleiman persoonlijk. Met 1000 stukken geschut en kogels van koper en steen, die een doorsnede hadden van 95 cm werd de stad gebombardeerd. Men wierp kunstmatige heuvels op om op de hoogte van de wallen te komen, men bleef dag en nacht doorschieten doch de vesting hield stand. Op raad van een der ridders, d'Amaral genaamd, die zich wilde wreken omdat hij niet tot grootmeester gekozen was, hield de Turkse sultan echter vol en op 22 December 1522 werd de stad overgegeven.
Twaalf dagen later verlieten de overlevende ridders met 4000 inwoners die liever in ballingschap wilden gaan dan onder de Turkse bezetting te leven het eiland en zeven jaar later vestigde de orde zich op Malta.
Rhodos werd Turks, daarna Italiaans en tenslotte Grieks doch dit laatste verliep niet zonder schade: tijdens de tweede wereldoorlog werd de stad gebombardeerd en zij vertoont vooral in de Zuid-Oosthoek lelijke gaten. Het beeld van de stad heeft daar niets van een kleurig tapijt: slechts de oppervlakkige mooie-hoekjeszoeker zal in Rhodos onbekommerd rondwandelen, de wonden van de stad vergeten en de armoede van de bewoners achteloos voorbijgaan. Deze bonte stad immers is eigenlijk onbewoonbaar en hoe liefelijk het er ook allemaal uit mag zien, hoe schoon de Grieken zelf ook hun huizen, zij het niet hun erven houden, dit lustoord voor toeristen is een verzameling van slechte woningen.
De kinderen bedelen blijmoedig, de oudere mensen zitten schijnbaar onverschillig de goedgeklede vreemdelingen na te staren, maar in hun hart begrijpen ze niet, wat deze roodaangelopen in korte broeken ronddwalende mannen, die elk ogenblik een zwart doosje voor hun buik of hun oog houden en daar dan op drukken in deze met moeite door bloemen, bomen en witte of gekleurde kalk opgedofte krotten zien.
In de wijk der ridders is veel hersteld: tekeningen van het paleis der groot- | |
| |
meesters en de loge van St. Jan uit de negentiende eeuw tonen aan hoezeer de gebouwen waren vervallen: ze prijken nu weer in al hun gerestaureerde hardheid; tijdens de tweede wereldoorlog werden de Poort van de Marine, de ‘herberg’ van Frankrijk, waar de betreffende afdeling gevestigd was, de toren van St. Paulus, het Hospitaal van de ridders ernstig beschadigd.
Het meeste hiervan is weer opgebouwd, maar uit de wonden van de stad stroomt het stof en het gruis en de naakte steen steekt als het skelet van een dode door de bloemen en de pastelkleuren.
Het is niet zonder droefenis, niet zonder afkeer van de aestheten en historici, de kunstelingen en de hoekjeskijkers, dat men hier als één van hen bewonderend rondkijkt om zich straks te wassen van al het vuil, dat men aanschouwd heeft. Een paradijs voor prentbriefkaartverkopers is Rhodos en ik gun ze hun onschuldig vermaak, maar voor mijn part doekten ze de hele stad op en zetten ze er nette en saaie arbeiderswoningen met douches voor in de plaats. Het is zondig de ellende van anderen te komen bezoeken en vol pittoreske beelden in het hoofd te vertrekken zonder om te kijken.
Van de schaamtevolle tochten in de stad vlucht ik meestal naar Hellas, naar het oude Rhodos, veel mooier gelegen dan het nieuwe, dat in de diepte ligt, op de uiterste punt van het eiland, op zijn hoogst ongeveer 80 meter, doch aan de ene kant loodrecht dalend tot aan de zee, aan de andere kant glooiend, neerglijdend naar de Middeleeuwse stad. Deze laatste ontrolt zich weer als een bonte doek, naarmate men hoger komt en op een afstand is de bevolkte vesting onvergelijkelijk schoon als een in treffende beelden verteld sprookje. Op de top bij de oude vuurtoren liggen de trommels van een Zeustempel, knus bijeen doch imponerend, maar de kroon van het landschap vormen de vier zuilen van de Apollotempel, iets lager, doch op een hoge stylobaat. Drie hoekzuilen zijn verbonden door een architraaf, de vierde, een fragment slechts, staat apart. Hier is een archeoloog aan het werk geweest, die behalve een geleerde graver een bekwaam opbouwer was, want het is duidelijk, dat deze resten geen overblijfselen zijn, welke zijn blijven staan, doch een opzettelijk opgericht geheel. De ingelaste trommels van dezelfde steen, maar niet bewerkt, tonen trouwens aan, dat het niet in de bedoeling lag een vroeger reeds bestaande toestand te suggereren.
Men moet zeggen, dat hoewel de ‘bouwmeester’ zich vermoedelijk op de tempel van Castor en Pollux te Agrigentum op Sicilië heeft geïnspireerd, deze restauratie uitstekend geslaagd mag heten. De tempelresten verheffen zich op een breed terras met enkele bomen en staan hoog boven de andere antieke gebouwen: een stadion en een klein theater, dat veel weg heeft van een odeion. Het stadion is ook gerestaureerd, slechts de rangen van de halfronde omgang zijn ‘echt’ en die liggen ook door elkaar, maar de rest is bijgebouwd. Toch ma- | |
| |
ken deze grijze stenenrijen, omzoomd door cypressen en olijven, terwijl een oude toren ergens hoog aan de rand staat, een landelijke en vredige indruk en sieren de strakke lijnen het groene land, hoewel er naar mijn smaak wat te veel huizen door de bladeren schemeren. Naast dit stadion, vlak onder de Apollo-tempel ligt in smetteloos wil en vals als een kraai het vrijwel geheel opnieuw gebouwde theatertje, dat er uitziet of het in een warenhuis te Rome gekocht is, want een Italiaan is hier de schuldige, hoewel ik niet kan geloven, dat het dezelfde Italiaan is, die de prachtige vondst van die vier zuilen, boven dit summum van wansmaak prijkend, heeft gedaan. Stelt men zich voor dat dit theatertje niet gerestaureerd zou zijn en toch min of meer gaaf, dan is de rangschikking van theater, tempel en stadion bekoorlijk en zou men zich niet verwonderen, indien Hippodamos, de beroemdste stedebouwkundige uit de oudheid hier de hand in heeft gehad, hetgeen intussen lang niet zeker is.
Rhodos werd gesticht op het grondgebied van Ialysos en men kan zich voorstellen, dat zijn bewoners daartoe het initiatief genomen hebben, want deze stad lag weliswaar op een prachtig geïsoleerde heuvel van 270 meter, doch ver van zee en zij kon zich, naar het mij schijnt moeilijk ontwikkelen als havenstad. Na de stichting van Rhodos werd Ialysos dan ook waarschijnlijk grotendeels ontvolkt en hield slechts belang als heiligdom, terwijl Kamiros en Lindos nog eeuwenlang bloeiende stadjes bleven en vermoedelijk alleen theoretisch tot de stichting van Rhodos hebben bijgedragen.
De Italianen hebben op de Philerimos een klooster gerestaureerd, dat hoofdzakelijk bestaat uit galerijen en terrassen, het ziet er wel erg nieuw uit, maar de opgang er heen tussen een haag cypressen en het mooie uitzicht door of langs acacia's en rhododendrons vergoedt het gemis aan belangrijke ruïnes: een tempel uit de tweede of derde eeuw, gewijd aan Athene en Zeus Polieus ligt wat droog tegen de klokketoren van de kerk, maar een oud brongebouw verschuilt zich verderop in het groen en men dwaalt aangenaam, zij het voorzichtig, langs de steile randen van de rotsen en kijkt neer op een vruchtbare vallei met een rood-wit dorpje, Trianda, en ziet aan het eind van de flauw gebogen kust Rhodos in zee schuiven. De zee begint aan deze kust met een grijsgroene rand, die grijsblauw, lichtblauw, blauw en tenslotte violet wordt en in de vlakte draaien tientallen molens met wieken als hoepels waarin driekante zeilen gespannen zijn. Van dichtbij ziet men, dat het lichaam van deze molens uit een ijzeren geraamte bestaat, maar van deze hoogte lijken het dolgeworden witte vlinders.
Interessanter dan Ialysos hoewel niet zo hoog gelegen, is Kamiros, de tweede verlaten stad van het eiland. Ik rijd er heen met een bus vol vrijende paartjes, Grieken, die de hele weg met de armen om elkaar heen volksliedjes zitten te zingen en die elkaar overal kieken waar ze maar kunnen. Rhodos is een huwelijksreiseiland voor de Grieken en de leider van de tocht heeft ook een foto- | |
| |
toestel waarmee hij de paren zonder foto-toestel op de rotsen en tegen de tempels vereeuwigt: hij maakt goede zaken.
In Kamiros ligt een hele stad tegen de helling, zij lijkt wat op Delos, maar heeft zich tussen twee beboste heuvels gevlijd en als men op het hoogste punt staat zien de halve muren van de opgegraven huizen er uit als een onregelmatig kantpatroon. De Italianen die ook hier, zij het oppervlakkig hebben gegraven, verloochenden hun neiging niet het geheel wat op te sieren en zijn daar weer voortreffelijk in geslaagd. Op de bovenrand van de oplopende vallei hebben ze naast elkaar zes zuilen, verbonden door een architraaf opgericht en evenals bij de Apollo-tempel te Rhodos is het resultaat zeer mooi. Door de zuilen kijkend wordt Kamiros een abstract schilderij in grijs en crême en groen en de zee sluit als altijd de compositie strak en toch vloeiend af. De stad is één groot theater en de huizenresten vormen brokkige, maar mooi gerangschikte rangen voor de cavea, doch ik had er liever niet gewoond, want de straatjes zijn nauw en de kamertjes klein. De bovenstad (Kamiros had geen eigenlijke Akropolis en was ook niet versterkt) vormt een rechte rand, die deze theaterstad snijdend scherp afsluit en hier heeft men in de Hellenistische tijd een stoa gebouwd, waarvan nog zes gele kolommen aan de zijkant hoog staan opgericht. Beneden, in de ‘orchestra’, ligt een heiligdom met een tempel, een rij altaren en een halfrond spreekgestoelte, het verschil in hoogte tussen de bovenrand en dit heiligdom is 40 meter en dit ligt weer 80 meter boven de zeespiegel. De Kamirianen waren dus flinke stadsklimmers en men vraagt zich af, waarom ze de vlakte niet verkozen, dat was dichter bij zee geweest, terwijl het hier niet veiliger was. Maar de oude Hellenen waren nu eenmaal hartstochtelijke panoramisten en goed beschouwd hadden ze gelijk.
Ik stel me voor, hoe men 's avonds in die stoa daarboven ging wandelen, genietend van het uitzicht over de stad, de zee en de kust van Anatolië in het verschiet en ik bedenk me: misschien had ik hier toch willen wonen of althans als rondreizend philosoof een tijdlang willen blijven, misschien keek ik dan door de zuilen naar mijn geliefd Ionië, waar Halikarnassos en Priene liggen, Pergamon en Milete en ik kijk verlangend naar de grillig verlopende kammen: daar liggen de buitengewesten van Hellas, waarvan men zegt, dat ze nog mooier zijn dan Hellas zelf...
Teruggaand doen we nog even de St. Elia één der hoogste bergen van Rhodos aan en daar vinden we op de beboste helling een andere ruïne: het buitenhuis van den Italiaansen gouverneur met vele badkamers en een garage voor zes auto's en een eigen kapel, dat blijkbaar opzettelijk door de Grieken verwaarloosd wordt, want de deuren staan open en er komt zo nu en dan ook wel eens een geit op bezoek. De paartjes laten zich fotograferen in een erker van den gouverneur en de gids brengt spottend de groet van het fascisme. Maar de hartstochten zijn al geëbd en men vraagt zich alleen maar verwonderd af,
| |
| |

Het ruïnenveld van Olympia ligt in een liefelijke vallei, begroeid met hoge pijnbomen
| |
| |

De strijd tussen de Lapithen en Kentauren in het fronton van de Zeustempel te Olympia
| |
| |

De ingang tot het stadion (boven) en de Heratempel, uit de gevende eeuw, te Olympia
| |
| |

Een huis uit de XVe eeuw met een binnenplaats van keienmozaïek te Lindos op Rhodos
| |
| |
waarom die kale man, die altijd vooraan in de fascistische optochten paradeerde het zo hoog gezocht heeft en hier bovendien nog twee grote hotels heeft laten bouwen, waar niemand meer wil zitten. Het uitzicht is hier mooi maar de berg staat vol bomen en daardoor ziet men alleen maar diepte en weinig panorama.
En op weg naar Rhodos rijden we langs barakken zonder dak, kazernes van de Italiaanse soldaten en langs Eleousa, door de Italianen gesticht om een hospitaal en ondanks mezelf moet ik het plein van dit hoge dorp bewonderen en ik vind het haast jammer dat de Grieken alleen het hospitaal in gebruik hebben genomen, want het is een mooie agora en de architectuur is niet eens zo gek als men zou verwachten.
Dit alles was heel mooi en mooier dan men het kan beschrijven, maar de sensatie van het eiland is toch Lindos, de derde verlaten stad van Rhodos, aan de Oostkust gelegen. De Akropolis van Lindos, die men na een tocht door een ietwat onvriendelijk landschap met kale bergen, dat echter gestoffeerd is met enkele helwitte dorpen, plotseling bij het omslaan van een hoek ontwaart, bestaat uit een eenzame in zee vooruitspringende haast cylindervormige rots. Vlak onder de top hebben de ridders van St. Jan op deze ongenaakbare plaats één van hun vestingen gebouwd en de eerste grootmeester Troulques de Villaret heeft zich hier in het begin van de 14e eeuw na een conflict met de orde, gesteund door enkele getrouwen, verschanst. Hij zat hier veilig en men heeft hem dan ook niet durven aanvallen.
Na een flinke klim langs goed onderhouden trapstraten tussen witgekalkte huizen met hier en daar fraaie grijze voorgevels op de binnenplaats, komt men aan in het Middeleeuwse kasteel, maar de Akropolis van de stad is aanmerkelijk hoger. Zij bestaat uit drie terrassen: op het laagste enige minder belangrijke resten met een spreekgestoelte, op het tweede een heel lange stoa van niet minder dan twee en veertig zuilen, een lange rij vormend, die aan de uiteinden tweemaal omknikt. Hiervan zijn vierentwintig weer opgericht en gedeeltelijk verbonden door een architraaf: de Italianen hebben zich uitgeleefd op deze plek en het resultaat is maar zo zo. Dit is echter de enige storende fout op deze overigens uniek gelegen plek, want achter de stoa, die van ongeveer 200 vóór Christus dateert, voert een brede trap naar het hoogste terras, naar een breed, plat vlak, waarop de fundamenten van de Propylaeën slechts een gladde stenen tafel vormen en daarachter troont de tempel van Athena Lindia, een amphiprostylos, waarbij dus voor en achter de cella een vrijstaande zuilenrij is opgetrokken. Een kleine tempel met vier zuilen aan elke kant, maar op een zo dominerende plaats, dat men de trap opkomend geneigd is het hoofd te buigen. Want pas op het laatste terras, dat volkomen vlak is en slechts aan de achterkant een muur met kantelen vertoont, merkt men, hoe ongelofelijk imponerend de ligging van deze Akropolis is. Aan weerszijden van de loodrechte
| |
| |
rots strekken zich twee smalle baaien uit, die elk weer begrensd worden door twee grillig gevormde, lage landtongen en daarachter volgen weer aan beide kanten twee brede baaien. De Akropolis ligt precies in het midden van deze verrassend symmetrische formatie en beheerst de zee zowel als het land. In de diepte tussen de rots en het vasteland ligt het witte stadje met zijn opengewerkte klokketoren en zijn rechthoekige huizen, fel wit gekalkt met platte parelgrijze daken en achter de scherpe Zuid-Westkant, die zonder enige helling onverhoeds en loodrecht omlaag plonst, strekt zich een wijde zee uit zonder eilanden of kusten.
Het is hier een hoogtevreselijke plaats en ik wandel niet zonder beklemming langs de afgrond. De tempel staat precies aan de rand en men kan, als men over enige fantasie beschikt, elk ogenblik in zee duikelen. Hier hebben de Italianen weer in de roos geschoten, aan de voorkant hebben ze de vier zuilen opgericht en aan de achterkant twee, terwijl de zijmuren van de cella vrijwel geheel hersteld zijn. Men kijkt dwars door de tempel en toch is het gebouw helemaal gaaf. De breedte en lengte van het vlakke plateau worden volledig gehandhaafd en de tempel blijft in zijn waarde: een knap stukje minuscule ‘stedebouw’. Van de tempel af is slechts de uiterste punt van de stoa met een hoek van acht zuilen te zien en die hoek is mooi gevonden, de andere zijn onzichtbaar.
Lindos is wellicht de steilste en meest fantastisch gelegen Akropolis van geheel Griekenland, men voelt zich opgeheven van de aarde, het contact met het dagelijks leven is volledig verbroken, slechts Athena Lindia heerst.
Het is duidelijk, en de gedeeltelijke herbouw van deze tempel demonstreert het, dat de Grieken bij hun tempelbouw een architectonisch geheel trachtten te scheppen, dat in de eerste plaats er op uit was indruk te maken op de gelovigen. De tempel is altijd symmetrisch en slechts bij de kleine antentempel, waarbij de doorlopende zijwanden voor de cella met twee zuilen in het midden een voorportaal vormen of in de prostylos, waar voor de cella met of zonder doorlopende zijmuren een zuilenrij is geplaatst, is er verschil tussen voor- en achterkant. Alle andere zijn van voren of van achteren precies gelijk en ook de zijkanten zijn dat. Maar de werkelijke voorkant is daar waar zich de ingang bevindt en de rest is ‘decoratie’. Een functionalist in de architectuur en daartoe reken ik mij, zij het een leken-functionalist, ergert zich een weinig aan dit vertoon zonder diepere noodzaak. Men mag dan duizendmaal het ornament tot zelfs de virtuoze krullenwinkel van de Barok, het illusionisme van Borromini en Guarini en het ruimtegegoochel van Balthasar Neumann bewonderen, zo'n simpel bouwbedrog met twee gelijke kanten, die ongelijkwaardig zijn, is te doorzichtig. Een ding heeft een voor- en een achterkant als het niet rond is, zoals een tholos, die eigenlijk ook ‘fout’ is, want die heeft ook maar één ingang, maar dat kan hij niet helpen. De enige ‘verklaring’ voor deze
| |
| |
vreemde ‘afwijking’, welke zich in de ganse Griekse tempelbouw voortzet, is deze: dat de Grieken de tempel nooit hebben gezien als een bouwwerk, doch als een monument: er is dan ook binnen de tempel nooit sprake van enige ruimtewerking. De Griekse tempelbouw behoort dan goed beschouwd niet tot de bouwkunst en men mag hem niet de maatstaven der bouwkunst aanleggen. Intussen los ik in de gauwigheid een ander ‘probleem’ op, dat me al lang dwars zit: de charme of als men wil de schoonheid van een zuil berust zo vaak op het feit, dat men er langs kijkend het landschap beter ‘ziet’. De zuilen in Griekenland staan alléén of in rijen en men kijkt er altijd ‘langs’. Ik heb dikwijls getwijfeld of de Grieken zelf de zuil ooit als een repoussoir beschouwd hebben en of men er niet altijd op keek: op de zuilenrij, die abrupt werd ‘gedekt’ door de vlakke muur van de cella.
Ik geloof nu, dat men zich althans in later tijd wel degelijk bewust was van de werking van de zuil ten opzichte van het landschap; niet bij de bouw van tempels, zij waren niet voor massabezoek bestemd, maar wel bij de stoa's, die zeer zeker in de eerste plaats wandelgalerijen waren, doch daarnaast ook ‘uitkijk’-posten.
Terwijl men Sounion een balcon voor de zee kan noemen, is Lindos een balcon voor de hemel: men heeft het neergelaten voor de gelovigen om Athenia Lindia te eren, maar de Godin kan elk ogenblik weer worden opgetrokken in de tempelliftkooi en als men dan niet eerbiedig genoeg geweest is, zal ze het den spotter wel inpeperen en hem van deze gevaarlijke rots laten vallen. Zo in mezelf brommend en denkend struikel ik bijna op de brede trap en pak nog net één van die zo juist door mij verworpen Italiaanse zuilen, waardoor de doffe smak op de stenen voorkomen wordt. De bewondering van het landschap wordt allengs voorzichtiger en als ik afdaal denk ik: ‘Geen manier om eerlijke gelovigen steeds opnieuw naar dat duizelingwekkende plateau te laten klimmen. Voor hetzelfde geld had de Godin nog wel wat kunnen dalen’.
Maar als de bus reeds een eind op weg is en Lindos geheel verdwenen, bemerk ik, dat ik op de Akropolis mijn vulpen heb laten liggen en ik moet de volgende dag een nieuwe pelgrimstocht maken om die te halen.
Bij wijze van afscheid doen we nog eens de wandeling over de muren en Rhodos is weer vol groene plekken en roze daken en de grijze muren vouwen zich beschermend om de stad. We wijzen elkaar de roze Suleimanié Djami en de Khourmaly Medresse, die Byzantijns en op een veelhoekige trommel een ronde schelp als pannendak draagt en daar heb je ook de kerk van de blauwe broek, de Hamza Bey Djami en de bibliotheek met zijn twee koepels als vrouwenborsten en de kerk van de kleine kat kan ik niet meer vinden, maar de Ibrahim Pacha Djami steekt met de Mustapha Djami hoog boven de huizen uit en we ontdekken een heel kleine met een dikke, korte minaret, die we niet thuis kun- | |
| |
nen brengen en verderop onze favorite, de Doloply Mesdjidi, ook al oorspronkelijk Byzantijns en bestoven roze met een kunstig minaretje dat een omgang heeft, ondersteund door uitgekraagde stenen. Vele andere zijn te klein, de Agha Djami, die dwars in de straat van de bazaar uitstrekt en de Peial al Din Mesdjid nu weer Aghia Phanourios geworden. In de stad gaan we op zoek naar die kleine met zijn dikke minaret en die zijn we vaak voorbijgelopen, want hij staat in een nauw straatje en het blijkt een bonbondoos van een kerkje te zijn en het heet Kavakly Mesdjid en ik verwonder me over al die Turkse namen, maar dan herinner ik me, dat de Grieken in de Turkse tijd niet in de stad mochten wonen: alleen Joden en Turken mochten daar 's nachts blijven, na de avondklok moesten de Grieken de stad uit.
En we lopen nog uren door de nauwe straten met bogen en moskeeën, met groen en bloemen en ik ben opnieuw geboeid door de kleuren en de vormen, de verscheidenheid en de regelmaat. Ik houd van Rhodos, maar er moesten niet zoveel arme mensen zijn.
|
|