| |
| |
| |
9
Zodra men de eerste haven van Santorini, Epanomeria, nadert, is men gevangen en het eiland laat de geest van den bezoeker niet los voor het na een laatste blik achter de horizon verdwenen is. Hier is geen sprake van eerst even wennen, eerst inleven, pas later de charme ontdekken, die eigenlijk diep verborgen ligt. Santorini heeft charme en wil het weten, het slingert mij zijn bezienswaardigheid in het gezicht, tot ik met open mond sta te staren, het steekt de ene knalbom achter de andere af en men capituleert bij de eerste groen-rood-gele sterrenregen: al zitten de toeristen hier mannetje aan mannetje op de rand van de vulkaan, ik vraag ze een eindje op te schikken en voeg mij bij hen. Santorini: al ankerden hier vijftig doe-Europa-in-de-helft-van-de-tijd-boten, al stond hier een tentenkamp van Lust- und Wanderknaben, al wuifden tien alleenreizende dames mij reeds van verre het welkom toe: ik had het niet willen missen.
Daarbij is de oogst vandaag klein: wij beiden en twee heren voor het dure hotel. Voor het geld, dat wij uitsparen nemen wij ezeltjes.
Maar neen, wij moeten bij het begin beginnen: er is zoveel, dat men toch al de helft zal overslaan. Epanomeria, ik ben het dankbaar, omdat het mij zonder dralen in de stemming bracht, omdat ik niet eerst twijfelend en sceptisch behoefde te kijken, omdat het me meteen met volle borst liet neerplonzen in de zee van enthousiasme, waarin ik dagen lang snuivend en proestend rondzwom, omdat het een kind van me maakte, dat voor het eerst een grote reis doet, Epanomeria, het eerste dorp op de vulkaanrand.
Het is een raar landschapje, dat men daar zo plotseling voor zijn ogen gedraaid krijgt. Het begrip mooi of lelijk vervalt en daarvoor in de plaats komt van het begin af aan een strenge scheiding: hier zitten ‘wij’ en daar zit ‘hij’. ‘Hij’ is een vijandig zwarte klauw op het water, een aangebrande inktvisarm, die elk ogenblik weer kan gaan leven, van boven een vuile kwal, een poliep, een diepzeemonster, ontijdig bovengekomen, een giftige, onbeweeglijke stinkzwam,
| |
| |
een galbult van het aardoppervlak. ‘Wij’, dat zijn de onschuldige witte lammetjes, die schuchter in een kringetje over ons ronde hekje gluren naar hetgeen die gewetenloze boosdoener aanstonds zal gaan uitvoeren. Op het ogenblik doet hij niets, maar wij blijven kijken, gebiologeerd...
Het is de enige verklaring, die ik kan vinden, wanneer ik mijzelf tracht uit te leggen, waarom de grote dorpen van Santorini precies op het randje van de binnencirkel moeten liggen van de eilandenring, die het vulkaaneiland omgeeft. Ze kijken op het gevaar, dat sluimert, aangelokt en afgeschrikt, gefixeerd. De oude Grieken waren verstandiger, maar niet zo menselijk, zij bouwden hun stad precies aan de andere kant achter de brede rug van de St. Elia en deden of het onderaardse vuur niet bestond.
Santorini of Thera heette eens volgens de legende Strongylos, de ronde, en vroeger moet deze groep één ronde koek gevormd hebben met een kers in het midden: de vulkaan. Tussen 1800 en 1100 voor Christus zakte een rond middenstuk plotseling weg, de vulkaanmond kwam op zeeniveau te liggen, het water brak door de rand en zo ontstond een ronde schijf land om een rond meer van 10 km middellijn, dat een rond kratereiland omsloot. Zo zou men Santorini nog steeds ‘de ronde’ kunnen noemen, maar nu wegens de concentrische cirkels. Men vergelijkt het hoofdeiland wel eens ten onrechte met een meloenschijf, het is juist het omgekeerde van een meloenschijf: het is een halvemaanvormig stuk taartrand, of een kegel, waar men de puntige cylinder, de ‘pit’ uitgenomen heeft, zodat alleen de in een cirkel voortbewogen rechthoekige driehoek overblijft. Deze laatste wordt in stukjes gesneden... het is een gecompliceerde handeling deze nabootsing van de natuur, maar het resultaat is dan ook een bezienswaardigheid zoals men er maar weinige in Europa vindt.
Wij gaan wéér naar Epanomeria terug: zodra men deze grillige, doch zo logisch gevormde archipel nadert, ziet men overal op de steile kammen de witte huizenrijen en waarachtig: het lijkt nog het meest op een taart; bovenop de witte suiker in een dikke laag en op de snede de lagen rode jam of gele room tussen het crême gebak. Epanomeria is de voorpost en zij hangt over de rand, de suiker is er hier wat afgedropen en een uiterst dun straaltje zigzagt zelfs helemaal naar beneden: de weg. Van de boot uit lijkt het of de rotsen loodrecht uit het water oprijzen en men krijgt het gevoel, dat de zwarte poliep in het midden maar even hoeft te schudden of alles kegelt naar beneden. Het silhouet (de poort der hel), de kleur (rode rotsen, witte huizen, zwarte lava, diepblauw water), de stemming (een ontspannende glimlach op een ogenblik van gevaar), het speelse en tegelijkertijd grootse van dit natuurwonder: zij maken alle even grote indruk en men vaart verder als door een droomland, bevolkt met feeën en draken.
Maar gelukkig breekt de spanning na enige minuten: we zijn nog opgetogen,
| |
| |
maar gewend. De eerste emotie is voorbij en we zijn klaar voor de volgende: ezeltjes, die ons bij Phira, de hoofdplaats, naar boven brengen.
Als men niet zonder hoogtevrees door het leven gaat, is de overgang van diepliggende roeiboot op een schokkende ezelrug zonder behoorlijk zadel enigszins verrassend en geniet men lichtelijk beklemd van het steeds wijder wordende uitzicht. Mijn rijdier holt de trappen op zonder er een ogenblik rekening mee te houden, dat mijn hoofd het hoogste punt is van onze combinatie en dat dit hoofd afgronden ziet gapen, die wijder en dieper worden naarmate hij geestdriftiger schommelt. En intussen moet men dan nog zijn figuur als moedig man handhaven, onbevangen naar alle zijden kijken en een plezierig gezicht zetten. Heus: het kwam te onverwacht en hoewel wij enkele bezadigde heren inhaalden, die er de voorkeur aan hadden gegeven in de moordende hitte 200 meter naar boven te klauteren, ik had het zweet huns aanschijns gaarne overgenomen voor dat van mijn voorhoofd. Doch zoals alle sensatie in Santorini: ook deze duurde slechts kort, omdat zij plaats diende te maken voor de volgende en halverwege durfde ik reeds de strakke loodlijn, die mijn lichaam zonder succes overigens steeds maar trachtte in te nemen, te verlaten en kon ik mij schuchter buigen om met half toegeknepen ogen te constateren, dat de boot, die wij nog geen tien minuten geleden verlaten hadden, kleiner was geworden dan een notedop. Aan het begin van het dorp passeerde ik reeds zonder iemand een opmerking te ontlokken de schare van dorpsbewoners, die zich daar ter plaatse op dit uur verzamelen om de toeristen met benauwde gezichten naar boven te zien komen en bij het hotel was ik reeds zo onbevangen, dat ik uit eigen beweging van mijn rijdier viel en voor de volgende dag de hele stoet huurde voor onze grote tocht in de binnenlanden van het eiland.
Phira heeft een minuscule ‘boulevard’ van anderhalve meter breedte aan zee, d.w.z. aan de rotsrand, doch op zee uitkijkend en toen wij die avond langs dit spaarzaam betreden weggetje wandelden, waren wij het er over eens: hier zou men maanden en maanden kunnen zitten zonder uitgekeken te raken. Het merkwaardige is, dat men steeds in herhalingen dreigt te vervallen, wanneer men de situatie beschrijft: het is ten slotte niets anders dan een vulkaaneiland te midden van een meer, dat omgeven wordt door een hoge rand van land, waarlangs men witte dorpjes heeft gebouwd.
Zodra men zich van de rand verwijdert, bevindt men zich op een wijde vlakte, die geleidelijk in zee afdaalt en men ziet nu pas, hoe ‘normaal’ dit eiland was voor de catastrofe. Wij rijden de volgende dag als pelgrims van stad tot stad, door de wijnvelden, wier struiken in de vorm van korven zijn rondgeleid, zodat het lijkt alsof op elke akker een kolonie van grote, vreemde en bij uitstek ordelievende vogels is neergestreken om daar hun nesten te bouwen, langs de ronde, witte molens met zwarte, puntige kegeldaken en elk ogenblik weerklinkt een groet op deze druk bereden paden, tientallen ezelkaravanen komen
| |
| |
ons tegemoet op weg naar Phira en wij voelen ons echt ‘bereden’, aangezien de ezel ons laat rijden en kijken tevreden over het ‘okergrijze’ land. De kleur van dit deel van Santorini is niet groen, het is niet grijs, niet geel en niet bruin, het is steeds één van die zachte, moeilijk te benoemen tinten, die men aantreft in de lange platte, pasteldozen, die zo demonstratief bewijzen, dat de ene kleur slechts een variatie is van een andere, een verschil in golflengte in het spectrum, een klein verschil in plaats in de reeks van staafjes.
Wij naderen Pyrgos, dat als een dopje van witte sneeuw de top van een heuvel omhult en voor het eerst bemerk ik, dat ook een ezel een instrument van sightseeing is: veel te vlug naar mijn zin ben ik dit smaakvol en charmant gebouwde dorp door en aangezien ik reeds pswrswrswr kan zeggen om mijn ezel te beduiden, dat ik wil stilhouden, neem ik mij voor bij elk gehucht af te stappen en te lopen. De gehele dag, hoe aangenaam hij verder ook verloopt, is enigszins verduisterd door het feit, dat we Pyrgos zijn doorgehold, alsof we de trein moesten halen.
Waarschijnlijk is dit dorp lang zo mooi niet als de overige, waarvan wij niet konden scheiden, zeker niet zo merkwaardig, als het in mijn herinnering voortleeft, maar het was het eerste.
Phira, de hoofdplaats, is betrekkelijk modern en netjes, ongetwijfeld prachtig gelegen, maar hier en daar is de stijl der huizen al phantasieloos, dat wil zeggen: onpractisch, ik bedoel niet uit de bodem gegroeid.
De charme van boerderijen, landelijke dorpscomplexen, eenzame hoeven overal in de wereld, komt voort uit het ‘Helleense’ principe van ‘kunst en natuur’. Een Friese hofstede, een Catalaanse boerderij, een Santorinisch dorp, hoezeer verscheiden, hebben één ding gemeen: dat zij gebouwd zijn uit de traditie van de grond, dat zij een geheel vormen met de aarde waarop zij staan en zo is het mij dikwijls overkomen, dat ik met alle respect voor de kunst van bekwame architecten, niettegenstaande mijn vaste overtuiging, dat de kunstenaar het altijd beter kan dan de in-het-wild-gegroeide traditie, heb moeten toegeven, dat deze oude ‘nuttigheidsbouw’, die alleen maar rekening houdt met een logische en practische indeling, die alleen maar arbeidt met de materialen, welke voorhanden zijn, in mijn ogen mooier is dan menig machtig kunstbouwwerk.
In Phira, dat reeds een stadje begint te worden, is de ouderwetse bouwwijze niet meer met het land verbonden, men moet zich trachten te herinneren, hoe het was en soms herinnert men het zich liever niet en ontstaan afschuwelijke gebouwtjes als het museum, pompeuze monsters als de kathedraal: de intuïtie is weg, dat merkt men aan alles. In de overige dorpen richt de ‘vooruitgang’ minder verwoestingen aan; hier ziet men dagelijks de grijswitte mergel, waarin zwarte lava-steentjes gebed liggen en zo bouwt men zijn muren: wit met zwarte steenmozaïek.
| |
| |
Een van de schilderachtige doch armoedige met keien geplaveide straten van Rhodos
| |
| |
| |
| |
De Akropolis van Lindos en (links) de Hellenistische portiek, gedeeltelijk weer opgericht
| |
| |
De tempel van Athena Lindia op de Akropolis van Lindos, een oude stad op Rhodos
| |
| |
Het eerste wat mij opvalt, als ik deze dorphuizen of huisdorpen betreed (want zij vormen als het ware één geheel) is de omstandigheid, dat het felwitte Ronda, het kleurloze Mykonos misschien fraai, maar minder smaakvol, minder natuurlijk zijn dan Pyrgos of Merovigli, Karterados of Akrotiri, die nog niet ontdekt hebben, dat hun bouwtrant de bewondering der vreemdelingen opwekt. Men moet hier zelfs haastig een ‘toeristenkoor’ samenstellen, want anders zullen deze plaatsen weldra bedorven zijn, omdat de bewoners zelf de moderne blokbouw veel mooier vinden.
Het is, behalve de grijswit met zwarte kleur, vooral het spel van rechte vlakken in allerlei standen en formaten gecombineerd met een ‘toevallig’ lijnenspel van halve- en kwartcirkelbogen, dit alles samen (in tegenstelling met de antieke ruïnes, die een ‘abstract’) een ‘constructivistisch’ schilderij vormend, dat men het gevoel heeft zijn fototoestel aan de staart van zijn ezel te kunnen vastbinden en links en rechts kan kieken in de vaste overtuiging, dat elke opname goed van compositie zal zijn.
Van Pyrgos gaan wij langs een geleidelijk stijgende weg naar het klooster St. Elia, dat 566 meter boven de zeespiegel gelegen is en Santorini zakt onder ons weg en wordt een akkermozaïek, ongelofelijk kaal als een met een stok platgestreken zandvlakte en toch liefelijk als het vruchtbaarste landschap. Het klooster staat weer op een punt, waar het hoort te staan, zoals wij dat in Griekenland gewend zijn; het heeft zijn terras naar de beste zijde en zijn klokkepoort sluit het panorama zonder aarzelen op de juiste wijze af en dan worden we van onze rijdieren gescheiden en zakken te midden van losse puimsteenhopen over een kam, die aan beide zijden veel valruimte laat, met grote stappen en pijnlijke voeten naar beneden. De stenen, die in mijn schoenen kruipen en mijn zolen mishandelen, beletten mij bijna het uitzicht, dat hier alweer veranderd is, omdat nu de zee met een witte rand van branding de grillig omlijnde velden afsluit, te bewonderen en nadat het gevaarlijkste stuk voorbij is bid ik de Goden en mijn ezel, dat ik aanstonds niet aan de voet van de rotsen mag liggen en verwijder mij zuchtend van de begane grond. Het ravijn is dieper en gaapt hongeriger, als ik er al hobbelend inkijk, mijn rijdier houdt niet van biddende ruiters en loopt de kantjes er af en soms brokkelt een steen onder ons weg en ik herinner mij ijselijke verhalen van mensen, die van ezels vielen en net nog op een rotspunt bleven liggen, maar maanden lang niet konden lopen en de raad van mijn vrienden om liever een paard te nemen, dat wel gauwer struikelt, maar de val tracht te breken of in ieder geval meteen blijft staan, terwijl een ezel je als hij de kans schoon ziet nog een trap geeft en ik nader de ruïnes van Thera in een zeer dubieuze gemoedsstemming. Achter mij praat onze drijver ongedwongen met den bewaker der bouwvallen hier ter plaatse en ik wilde maar, dat hij een beetje op de capriolen van mijn vier onderdanen lette en heus: het is geen grapje een weinig schuins
driehonderd meter naar
| |
| |
beneden te kijken, al omzoomt de zee nog zo mooi het veld en ik zet nog een gezicht of ik dolgelukkig ben en ik moet weer achter me kijken, omdat het daar zo mooi is, alsof ik dat niet kan zien, als we terugkomen... Gelukkig bekijken wij de ruïnes te voet en de Mesawoenó, hoewel tweehonderd meter lager dan de St. Elia, is steil genoeg om dezelfde sensatie te geven als de al te los in elkaar gezette helling van laatstgenoemde berg en deze sensatie gaat ten minste niet gepaard met krampachtige armen en een wat stijf lachje. Overigens: op de St. Elia ligt inderdaad puimsteen, hetgeen wil zeggen, dat een uitbarsting van zoveel duizenden jaren geleden de aarde verschroeide tot 10 km van de krater en een hoogte van bijna 600 meter. Het is geen wonder, dat de oude Grieken voor alle zekerheid maar liever wat achteraf gingen wonen, al moesten ze dan heel wat dalen wilden zij bij bebouwbaar land of visrijk water komen.
Behalve de koninklijke portiek en het theater, heeft het oude Thera weinig, dat den leek kan boeien, hetzij dan, dat men ook hier weer perplex staat van de ligging op de scherpe bergkam. De hele stad is misschien 100 meter breed en strekt zich als een lang lint uit over de rots, aan beide kanten op zee uitkijkend. Van strategie gesproken: Thera was werkelijk onneembaar, een plaats van waaruit men de gehele archipel der Gycladen kon beheersen zonder zelf een ogenblik gevaar te lopen verrast te worden en de Ptolemaeën hielden hier dan ook een sterk garnizoen.
Het valt mij op, dat deze resten, die grotendeels van betrekkelijk late datum zijn (300-150 v. Chr.) zo uiterst primitief aandoen; wat men ziet is ruw behouwen, maar dit komt wellicht omdat men dikwijls de rots zelf bewerkte en dan verder bouwde. Deze stad kon niet wortelen, maar stond als een opgezette bouwdoos op de barre steengrond en de tijd kegelde haar zonder veel moeite om. Zelfs van de Byzantijnse muren en kerken is zo goed als niets bewaard gebleven. De ligging van deze stad was te goed gekozen: zij had geen contact meer met de aarde.
Door de puimsteen wadend kom ik de helling afgegleden en ik ben blij als ik weer vlak en wel op mijn ezel zit, die nu geen randjes meer vindt, waar hij langs kan lopen en zich aangezien hij geen keus heeft, nu ontpopt als een zeer fatsoenlijk rijdier. Het landschap is hier, aan de voet van deze steile bergen Bijbels: zo stelde men zich als kind het land van Israël voor en de religieuze stemming wordt hier nog verhoogd door de aanwezigheid van de eigenaardig gebouwde kerk van het Kruis, die in het begin van de negentiende eeuw gebouwd werd naar aanleiding van de visioenen van een boer. Van buiten ziet deze kathedraal er phantastisch en tegelijkertijd ‘oud’ uit; vooral de bogen, die aangebracht zijn nadat een aardbeving had plaats gehad maken stemming voor een overpeinzing over monniken, die hier mediteerden in langvervlogen
| |
| |
eeuwen, maar binnen het gebouw is de toverban verbroken, de beschilderingen zijn, hoewel Byzantijns-primitief gehouden, afschuwelijk van kleur en uit de borst van Christus Pantocrator in de koepel bungelt de lange ketting voor de kaarsenkroon. Deze Christus is vriendelijker dan alle andere die ik in Griekenland gezien heb, maar zijn suikergoedkleuren zijn afstotender dan de strenge gelaatstrekken van den rechtsprekenden wreedaard.
Santorini is hier zo vlak als Holland en zo kaal als een soepbordje en wij kunnen ons niet voorstellen, dat daar een vijf km voor ons uit een rots tweehonderd meter daalt tot de zeespiegel en dan nog eens tweehonderd meter verder tot onder het water. We bereiken Emborio en snuffelen het van ronde, met keien geplaveide deel tot rondbedaakte huizenrij door, bereiken een drie kwartier later de antieke, marmeren tempel, die omgebouwd is tot kapel, de Marmarina (een onaanzienlijk gebouwtje, dat geen andere verdienste heeft dan zijn ouderdom) en slaan dan de weg in naar Akrotiri.
Van Akrotiri heb ik in de gids gelezen, dat het een dorp is, dat gebouwd werd in de vorm van een kasteel en aangezien dergelijke terloops gemaakte opmerkingen altijd in hevige mate mijn phantasie aan het rollen brengen, moet en zal ik dat dorp zien, hoewel het buiten de route ligt en wij eerst bij donker thuis kunnen komen, als wij deze omweg maken.
Maar dit landschap, dit steeds hetzelfde blijvende en steeds wisselende landschap, dat opgebouwd is uit slechts enkele elementen: witte dorpen, een vulkaanrand, twee bergen, een aantal molens en de wijnvelden vol korven verleent ons energie voor een tocht van twaalf uur per ezel en wij trekken op naar Akrotiri.
De vesting stelt ons niet teleur en ik krijg eerbied voor de oude bewoners van Santorini, die dit unieke ei van Columbus hebben uitgebroed.
In plaats van zich te laten tyranniseren door een adellijk heer en bescherming te zoeken, die slechts in ruil voor gedeeltelijke vrijheidsberoving gegeven werd, hebben de Akrotirianen in democratische samenwerking eeuwen geleden dit ‘flat-kasteel’ gebouwd, dat op effectieve wijze elken zee- of landrover op een afstand hield en waarin niemand gelegenheid kreeg de anderen te overheersen, omdat elkeen een gelijkwaardige positie had.
In de eenvoud huns harten hebben deze lieden aldus geredeneerd: als we onze huizen in een kring bouwen en in het midden een vierkante toren zetten, dan hebben wij een gratis verdedigingsmuur en een extra toevluchtsoord, als het al te gevaarlijk dreigt te worden. Zo vormt dus dit allermerkwaardigste burchtdorp een naar buiten toe gesloten vesting, terwijl het ‘huiselijk leven’ zich in de nauwe gangetjes tussen middentoren en huizenmuur afspeelt. We worden vriendelijk uitgenodigd het geheel te bezichtigen: er komen hier geen vreemdelingen en de bevolking is even blij met ons als wij met hen en poseren kunnen ze niet, want als ik een paar bewoners vraag even voor de deur van hun huis
| |
| |
te gaan staan om te laten zien, dat dit vijandig uitziende steenblok werkelijk een samenstel van woningen is, begeeft zich jong en oud naar de aangewezen plaats en is niet te bewegen deze te verlaten alvorens ik mijn kiektoestel definitief heb opgeborgen. In de schemering rijden wij langs de vulkaanrand, griezelig dicht bij de kant, die ten slotte toch ook af kan brokkelen, bij zonsondergang bereiken wij Megalokhori, in onze ogen bijna nog mooier dan de reeds bezochte plaatsen en de maan belicht ons pad, als wij de brede weg inslaan, die naar Phira leidt. Wij wisselen vriendelijke groeten met de nu uit de stad terugkerende landlieden; het harde, koude maanlicht wordt zacht en diffuus weerkaatst in de grote vlakken van land en water en de zwarte krater, de vervaarlijke inktvis aan de overkant is bijna grijs, welhaast een exotische bloem. Stijf als boomstammen laten wij ons voor het hotel van de ezels glijden en nemen ons voor de eerste dagen zoveel mogelijk te wandelen.
Merovigli, dat naast Phira ligt op de steile rotskant, is veel mooier dan laatstgenoemde stad, met diep afdalende terrassen en een driehoekige kaap, waar men natuurlijk weer een klooster op gezet heeft, prachtig gerangschikte huizenvlakken, een kruising van een trots rotskasteel en een zomerresidentie voor koningen, maar verder? Men went hier snel aan alles, het vervéélt nooit, integendeel, men ziet steeds meer, men ziet steeds anders, maar alles is hier zo buiten de proporties, dat vergelijkingsmateriaal ontbreekt. Het is uniek, dit eiland en daarom kan men zich niet op peil houden door steeds te zeggen: mooier dan dit en mooier dan dat, men kijkt rond en heeft het gezien en vijf minuten lang loopt men in het gewoonste landschap van de wereld, tot men plotseling weer kijkt en ziet. De ene indruk overwoekert zodoende snel de andere, men weet zich niet te herinneren, hoe de rotsen waren, toen men er van beneden af tegen opkeek, als men boven is en deze straat is zeker nog weer aardiger dan die andere en zo zeilt men van vermoeienis in spanning, van spanning in gewoonte, van gewoonte in emotie, van droom in droom...
De vulkaan is weliswaar 300 meter hoog, maar steekt slechts 100 meter boven het water uit en wij prijzen de Goden, dat dit vuurspuwende monster in zijn drang tot zelfvernietiging wat gezakt is, anders hadden wij driemaal zo hoog, steeds weer met pijnlijke voeten, moeten klimmen. Zodra men de eilanden, die bij elke uitbarsting aan elkaar groeien of uiteengespleten worden en de toepasselijke namen: Klein-Gebrand, Nieuw-Gebrand, Oud-Gebrand dragen, benadert, krijgt men Venetiaanse grachtluchtjes in zijn neus, maar dan in behoorlijk versterkte mate: zwavelwaterstof. De zee is doorzichtig, maar er zweven vieze draden in, soms geel en dan is het water warm, de koolzwarte lava, die als gladde stukken gebroken pek opgestapeld ligt, is onder water aangevreten of uitgeslagen en men krijgt het gevoel een zieke te bezoeken, die bedekt is met huidzweren. De zieke aarde...
Onder veel gezucht bezoeken wij de krater van 1866, die volgens een nette
| |
| |
Hollandse huisvrouw de indruk maakt, alsof hier een geweldige kracht vreselijk bezig is geweest, op grote schaal met potten en pannen heeft gerammeld, daarna verdwenen is, en de boel heeft laten liggen zonder iets op te ruimen. De nieuwe krater van 1925 is een gladde holle kegel en de gifgroene, vuilgele, brandend rode kleuren van het gesteente zien er hier bijna nog gevaarlijker, nog arglistiger uit.
Onze gids vraagt een stuk papier en stopt dat in een bodemspleet. Hoewel ik mijn hand ternauwernood een seconde voor het gat kan houden, ontvlamt de krant niet en de man is zichtbaar teleurgesteld: anders doet zijn vulkaan het altijd zo goed, maar vandaag heeft hij geen zin. Hij probeert en probeert en wij besteden een kwartier om het slapende gedrocht wakker te krijgen, maar hoe hard we ook ‘au’ roepen, als we onze armen naar binnen steken, het helpt niet, het papier schroeit nauwelijks. Dan wordt onze geleider kwaad en begint als een razende te spitten en ik vrees al, dat hij om gelijk te krijgen een eruptie wil laten aanrukken, als hij het plotseling met een geresigneerd gebaar opgeeft: men kan de natuur niet dwingen.
Het is een landschap, dat aan de fantastische tekeningen doet denken, die een indruk van de maan of van een der planeten willen geven, het is alleen niet spits, doch rond, maar deze ronde vlakken, gescheiden door scherpe kanten, geven juist zo goed de spanningen weer van de barstende aardkorst, de hoge druk in dit helse laboratorium. Ik weet mij niet precies meer te herinneren, of het slechts de steeds opnieuw voorkomende kristalliseringsvormen zijn, die mij imponeren, en men wil hier in het algemeen veel meer zien dan men kan, maar dat is niet erg. Het bewijst slechts, dat deze krater indruk maakt, als mijn vrouw de grond heet onder haar voeten voelt worden, zodra zij de vulkaan betreedt, al is het dan ook slechts de zon, die de stenen heeft verwarmd (hoe dit ook zij: ik neem wraak op mijn valwind van Delphi).
Door het rimpelloze meer varen wij terug en kijken vol ontzag op naar de witte lagen puimsteen, het resultaat van drie erupties, die in de rotsdoorsnede te zien zijn, de onderste laag is vier meter breed. Overal puimsteen: op de bergen en op de vlakte, in de tomatenvelden en wijnakkers, zelfs hier in brede strepen op het water drijvend, terwijl onze boot er doorheenratelt...
De grond moet toch, niettegenstaande alle stenen een wat losse constitutie hebben met al die lagen, die zo maar zonder bindmiddel op elkaar gelegd zijn. Aan deze overweging dacht ik, toen wij, na door het hotel naar den bewaker van het museum, van den bewaker naar de school gestuurd te zijn, voorafgegaan door een spraakzaam, Frans sprekend en hoogst vriendelijk man naar het holwonin gendorp Karterados trokken. Holwoningen: ik heb er een zwak voor, sedert ik in het Spaanse dorp Guadix heb rondgezworven in de volle overtuiging, dat dit het enige in heel Europa was. Het klinkt erger dan het is: het is natuurlijk geen teken van welstand, als men onder de grond gaat wonen,
| |
| |
maar wij stellen ons er onwillekeurig bij voor, dat men dan ‘als de beesten’ leeft. Niets is minder waar: de mensen zijn arm, maar gewoonlijk is het er kraakzindelijk. Karterados maakt geen uitzondering op die regel; wij worden zonder schroom binnengelaten, als wij een huis willen bezichtigen: het is er helderder dan in menig burgerhuis. Over het algemeen is dat regel in Griekenland: de huisinterieurs zijn altijd veel netter dan men, oordelend naar de verregaande vervuiling der straten zou verwachten. De straat is blijkbaar de openbare mestvaalt, terwijl men er prijs op stelt, dat het huis bewoonbaar is, maar dan valt een rare inconsequentie op: de Griek leeft immers 's zomers bijna de hele dag op straat!
De huizen van Karterados liggen in de vlakte en het is maar goed, dat ze er niet op liggen, want gewoonlijk waait het hier fel en zelfs op deze windstille dag ziet men kleine wervelwinden, miniatuurcycloontjes als dunne rookwolken opkringelen, huppelend van terras op terras. De woningen zijn voor de stormen beveiligd, warm in de winter en koel in de zomer en al bestaat het hoofdvoedsel dikwijls slechts uit fáwa, een soort groene erwten, die tot poeder gemalen worden en waarvan het meel dan tot bereiding van verschillende spijzen dienst moet doen, al spint men zijn eigen wol, men heeft ook zijn eigen wijn, de beroemde wijn van Santorini, men leeft tamelijk onbezorgd, niet rijk, maar ten minste op het land, in een door en door gezond klimaat. In Karterados, dat vrijwel nooit wordt bezocht, heerst de onvervalste Griekse gastvrijheid, wij drinken een glaasje óezo bij den kruidenier en een glaasje tsikoediá, een sterke likeur, die van het restant der uitgeperste druiven wordt gebrouwen, men biedt ons bloemen als slakkenhuisjes aan, en dan roept ons de dorpspriester om zijn wijn te proeven, die de beste is van heel Santorini, volgens zijn zeggen en die voor mijn gevoel een beetje zuur smaakt, maar voor kenners een Godendrank moet zijn en we beginnen al langzamerhand goedlachs te worden en slaan het glaasje tsikoediá (men proeft de druiven er nog in) niet af, dat de vrouw van den priester ons bij wijze van afscheidsdronk aanbiedt. Heel Karterados staat langzamerhand op stelten en wij ook en onze leidsman brengt ons naar zijn vrienden (tsikoediá) en kennissen (tsikoediá) en bij den laatsten vriend of kennis wordt een dochter des huizes plotseling prachtig aangekleed met een wit kraagje om en men vraagt of ik haar wil fotograferen en dat doe ik graag, na nog eerst een glaasje tsikoediá (die steeds maar voortreffelijker smaakt) te hebben gedronken en mijn slachtoffer is helemaal onder de indruk van het grote gebeuren en
steekt haar handjes stijf vooruit, terwijl ze haar ogen dichtknijpt en ik ben ook niet bang en maak een vervaarlijke kiek van boven af, zodat het arme kind na ontwikkeling van de film een vreselijk waterhoofd blijkt te hebben, maar daar weten we gelukkig op dat ogenblik niets van en ik noteer ernstig het adres als een eersteklas beroepsfotograaf en we nemen nog één enkele, heel kleine tsikoediá (een prachtige naam overigens voor een heerlijke
| |
| |
drank) en dan valt ons de weg terug niet lang en wel lang, want de voeten gaan niet zo snel, maar de tong spreekt veel.
En vlak voor Phira moet en zal onze nieuwe vriend ons de tuin van het bisschoppelijk paleis laten zien, de bisschop is wel thuis, maar dat hindert noch den bisschop, noch onzen nieuwen vriend en de laatste peutert erg lang aan het hek en vertelt ons als ethnologische bijzonderheid, dat Griekse hekken in het algemeen en Santorinische in het bijzonder op een heel speciale wijze sluiten en dan bewonderen we drie bomen en een pot met geraniums, alsmede het uitzicht naar de verkeerde kant en dan duurt het weer heel lang voor het hek gesloten is en onze kleine gids spreekt de gulden woorden: ik heb het hek weer in dezelfde toestand afgeleverd als ik het ontving en dan wankelt hij een beetje en gaat een broodbakkerij binnen, want we moeten het speciale brood kennen, dat hier gebakken wordt, want daar komt ook tsikoediá, pardon fáwa in, of als er geen fáwa in komt, dan is het toch ook zwart, heel zwart, zo zwart als lava, hij wijst met een dramatisch gebaar op de vulkaan en het is niet plezierig brood om op te kauwen en plotseling staan we alleen op straat en onze leidsman is verdwenen, doch komt haastig terug en heeft nu weinig tijd, want het eten staat op tafel en wij nodigen hem uit, maar neen, het is zeer vriendelijk, maar hij eet ergens anders en wij schudden elkaar dikwijls de hand en zonder te weten hoe we nu precies heten (bij het voorstellen versta je toch niets en zijn naam is even onverstaanbaar voor mij als de mijne voor hem), nemen wij afscheid en het spijt me, dat ik er zelfs niet achter gekomen ben of hij nu onderwijzer, hoofd der school, concierge, schoolopziener, inspecteur of gewoon maar een voorbijganger, een amateur-gids was, dien men had aangeklampt om met ‘die vreemdelingen’ op te trekken, omdat hij Frans sprak.
Bijna met tranen in de ogen (de tsikoediá is wellicht nog niet helemaal uitgewerkt) verlaat ik mijn heerlijk Santorini en ik staar sentimenteel van het achterschip, als het langzaam aan de horizon wegdoemt.
|
|