| |
| |
| |
8
Eerst als men een zeereis gaat maken, let men op de wind en ik luister in de trein van Athene naar Piraeus met enig wantrouwen naar het gehuil van de storm, die over de lege perrons giert, en ik zie, hoe geweldige stofwolken zich als amorfe monsters boven de huizen verheffen. Op de nachtboot kan men rustig slapen, heeft men mij gezegd, maar ik vrees, dat die geruststellende verzekering alleen voor de haven geldt.
Wij blijven liefst zo lang mogelijk op de vaste wal en ontdekken Piraeus, dat van de grote haven af zo intens vuil en rommelig, zo door en door datgene is wat men zich van een reeds enigszins naar de Orient gekeerde handelsstad heeft voorgesteld, maar dan minder pittoresk. Wij wandelen langs de verlaten, met stille bootjes belegde, ronde kom van Zea en zien de antieke resten, die hier en daar onder het water schemeren voor weinig belangwekkende steenbrokken aan, wij beklimmen de heuvel Moenychia en schelden op de zon, die ons recht in het gezicht schijnt, zodat wij niets van het panorama zien, we zwerven tevreden door de straten met netjes aangelegde oleanderperken en bevinden ons in een stad, die een wonderlijke combinatie vormt van Vere en Rotterdam.
Het verschil is werkelijk frappant: aan de kade van Zea hangen een paar mannen met verweerde gezichten rond, spraakzame berusting ligt in hun wezen, alsof ze elk ogenblik zouden kunnen beginnen over ‘die goede, oude tijd van de zeilvaart’, de brede caféterrassen liggen leeg in de zon en de bootjes dobberen daar beneden, alsof ze vergeten zijn, dat varen hun oorspronkelijke bestemming was. Men weet niet of men op een Zondag of op een sterfdag is gekomen.
Vijf minuten naar het Westen sterft men zelf duizend doden onder het geschreeuw der kooplieden, het toeteren der auto's, het gegil van stoomfluiten, het geratel van karren en men heeft slechts één verlangen: zo gauw mogelijk uit deze heksenketel te komen. Wij vluchten naar het schip en dit heeft medelijden en vertrekt op tijd.
| |
| |
De zee is stormachtig en aan weerszijden horen wij rauwe geluiden, maar ik ontwaak pas, als de boot weer stilligt. Slaperig kom ik aan dek: Syros. Er is niets anders te zien dan enige rijen lichten van straten, die blijkbaar een berg oplopen. Om drie uur in de nacht wordt mij een doos loekóemia aangeboden en ik betaal werktuiglijk. Syra, loekóemia, het hoort zo bij elkaar en als je net wakker wordt, ben je conventioneel.
Het is een boemelschip en we blijven een uur in de haven en laden en lossen tot grote vreugde van de zeezieke passagiers, die zouden willen, dat men altijd zo doorging en eerst als we zee kiezen kan ik weer slapen. Maar ditmaal is het een korte dut; Tinos maakt me wakker en in het vale ochtendlicht ontwaar ik een Afrikaanse stad. Overal in zee liggen hoge ruggen: Andros of Delos of Paros of Mykonos of Syros, de uitgang is altijd goed. Na Tinos komt Mykonos al schommelend in zicht. Het stadje is wit, felwit, zelfs nu de zon nog maar even boven de bergen staat. We worden als vrachtgoed in de wiebelende met schreeuwende mannen bezette boten gehesen, mijn vrouw verliest haar hoedje en ik maak me kwaad om vrouwen, die hoedjes verliezen op ontijdige ogenblikken, het hoedje wordt opgevist en blijkt mooier te zijn dan vroeger en we zitten tevreden voor Mykonos en wijzen bij het uitstappen met het air, alsof we hier ons eigen kasteel hebben elk aanbod voor een hotel van de hand, doch zeggen zelfbewust: períeptero kalón technón. Een kruier ontfermt zichover onze bagage, waarschuwt intussen een vriendelijk man op sloffen, die mij mijn kiektoestel afneemt en ik herken in zijn houding den toegewijden concierge, een vader voor weerspannige en nerveuze kunstenaars. We hollen door een doolhof van witte straatjes en geven ons volledig en verkleumd over. Hier is toch niet uit wijs te worden (ik vind anders altijd zo graag de weg zelf terug, maar in Mykonos ben ik, o schande, in de eerste dagen vele malen verdwaald), maar we komen er uit en zien een breed gebouw (wit, alles wit) tegen de heuvel liggen met een aantal ramen, die verdacht veel op atelierramen lijken.
De períeptero kalón technón is 's morgens om half zeven al open voor van de boot komende gasten, binnen vijf minuten hebben we een ontbijt en dan worden we aan den directeur voorgesteld en geïnstalleerd en we zijn thuis en gaan nu wèrkelijk slapen. Het Paviljoen der Schone Kunsten te Mykonos bestaat buiten de directeurswoning uit vier naast elkaar geschakelde atelierwoningen, die, hoewel geheel gescheiden en onafhankelijk, op een brede gemeenschappelijke gang uitkomen. Elke woning bestaat uit een ruim, ongeveer vierkant atelier, een hal, een trap, een slaapkamer voor twee personen met stromend water en een terras. Het atelierraam op het Noorden kijkt uit over het stadje, de bergen rechts van de baai, de molens op de helling en over zee op Tinos en Andros. Het geheel is een voorbeeld van helderheid, zindelijkheid, netheid, ordelijkheid, eenvoud en comfort. Het vloeit over van zorgzaamheid (op onze kamer ontdekten we met enige ontroering een kaars voor het geval het electrisch licht
| |
| |
mocht weigeren). Het is een ideaal oord om rustig te werken, geluid van andere ateliers hoort men niet, er zijn badkamers en de W.C. loopt goed door. De directeur is de vriendelijkheid en behulpzaamheid zelve, spreekt uitstekend Frans en Duits (en misschien nog meer talen), en laat je met rust. Men is vrij als bij zichzelf thuis en één der eerste dingen, die men in handen krijgt is de huissleutel. Het paviljoen is in één woord een prachtig instituut. Ik begrijp alleen niet, waarom het in Mykonos staat.
Ik ben mij bewust, dat ik met deze laatste uitlating de nuchtere Hollanders, die van het principe uitgaan: ‘nooit iets voor artisten doen, ze zijn er je toch niet dankbaar voor’ vrijgevig in de kaart speel en ik haast mij ook te verzekeren, dat ik als leek op het gebied der schilderkunst niet over motieven van schilders kan oordelen. En ik persoonlijk zou jaren in Mykonos kunnen werken, in die ateliers, in die woningen. Maar ik ben geen schilder.
Het zou te veel gezegd zijn, als ik beweerde, dat Mykonos mij niet beviel. Na mijn eerste wandeling door de stad kwam ik vol geestdrift terug en riep al van verre: fantastisch, fantastisch. Onbegrijpelijk, deze eenheid.
Het ís fantastisch. In een brede, ondiepe baai ligt het volkomen witte stadje met nauwe, witgekalkte straten, een voorbeeld van frisheid in het anders zo stoffige Griekenland. Vlak achter het dorp verheffen zich de kale, grijze heuvels en zo vindt men hier een geheel, dat slechts drie kleuren vertoont: helwit, felblauw en zachtgrijs. Daarbij de eigenaardige als een nieuw en monsterachtig soort stuifzwammen aandoende molens, die zich tot schuldeloos kinderspeelgoed ontpoppen, zodra de zeilen gespannen worden en de wieken gaan draaien, de hoge trappen met marmeren treden, die de straten een regelmatig herhaald rhythme verlenen, de kleine altijd naar het Westen gekeerde kapelletjes, waarvan soms vijf of zes naast elkaar op één pleintje staan (zij dragen bijnamen: de coquetten, de roddelaarsters, de bouderenden), de huizen aan zee, die door de storm gebeukt worden, zodat het water tot op de balcons spat, de bochtige slopjes, soms op Moorse wijze met kleine, witte bogen overspannen, (waardoor ze geheimzinniger lijken) zich op de verrassendste wijze kronkelend en aldoor weer een pittoresk hoekje ontsluitend, de ezeltjes in deze voor karren onbegaanbare zonnevesting... zonder twijfel, het maakt indruk.
Het is bijna niet echt, een toneel- of filmdécor, waarin men aanstonds een ‘vol Zuidelijk temperament gespeeld’ drama of misschien ook een griezelstuk verwacht. Onwillekeurig beweegt men zich hier wat decoratiever, als iemand, die onder de lampen staat en de inwoners (verbeelding waarschijnlijk) lopen als goed gedresseerde figuranten.
Soms ook voelt men zich in een opgezette blokkendoos, waarvan de stenen te dicht bij elkaar zijn gelegd en soms in een veilige, lichte grot, vooral als men van boven komt en door en door verkleumd is van de door kleren en huid waaiende Meltèmi. De Meltèmi, één van de meest voel- en hoorbare bezwaren
| |
| |

Een kapelletje bij Messaria op Santorini, in een landschap, dat aan Afrika doet denken
| |
| |

Een smalle boulevard nabij Phira op Santorini langs huigen, die aan de rotswand kleven
| |
| |

De gestyleerde horens vormen het teken van de Minoïsche beschaving der oude Kretenzers
| |
| |

Het breien van netten is een bezigheid, welke men in Griekenland veelvuldig kan gadeslaan
| |
| |
van Mykonos, een Noordenwind, die een broertje van de Mistral en de Cers, welke de Middellandse Zeekusten in het Westen zo teisteren, zou kunnen zijn. 's Nachts gaat hij liggen en 's morgens ontwaakt hij, juist omgekeerd als men van een behoorlijke wind mag eisen. Zijn gefluit en geloei overstemmen elk ander geluid en men voelt zich opgesloten in zijn huis, dat men alleen verlaat om direct daarna beschutting te zoeken in de knusse stad. Hoe een schilder hier ooit buitenshuis wil schilderen is mij een raadsel. Met medewerking van de Meltèmi zit hij binnen een oogwenk op Naxos of Paros.
De Meltèmi dwingt mij de stad meer te bezoeken dan mij lief is. Wil ik een wandeling maken dan vlucht ik tussen de beschermende huizen en zo zie ik in vier of vijf dagen zoveel keer al die pittoreskerigheid, dat ik ten slotte walg van al dat witte suikergoed. Daarbij komt, dat men in de stad al bijna niet meer rustig kan lopen: kinderen roepen met hun vriendelijkste stemmetjes: bonne nuit, al is het negen uur in de ochtend en men proeft aan de intonatie de lieve, alleenreizende, kinderloze dame. Zij zijn niet zo onhebbelijk als onze Hollandse spruiten tegenover vreemdelingen, maar hun nieuwsgierigheid, hun belangstelling is lastig, men heeft het gevoel uit elk raam te worden gadegeslagen, om elke hoek steekt een hoofd, men is geen vreemdeling meer, maar één van de velen in de stroom der toeristen, een nieuwe bron van vermaak voor de bevolking (gekker dan die met zijn geruite pet? Welneen, jongen, die was zó. Maar die vrouw dan? Neen, dan die oude grijze met die groene broek!). Ik versta weinig Grieks, maar ik zie hun welsprekende gebaren.
Mykonos is nog niet helemaal bedorven, maar reeds begint een enkel kind te bedelen en in ieder geval: de bevolking heeft zich al teruggetrokken en beschouwt de vreemdeling als object en niet meer als gast.
Mykonos is mondain en toont deze mondainiteit door middel van een paar strandbroeken. Ik ben dol op strandbroeken, liever korte dan lange, zo mogelijk met veel sex-appeal en weinig bedekking. Als er nog een rug af kan en diep décolleté, dan gaarne, voor mij kan een vrouw niet te weinig aantrekken. In Mykonos lopen broeken en broekjes en zij hinderen mij hevig. De stad heeft een subtiele sfeer, die reeds bezig is om te slaan, te condenseren in de dikke damp van boerenbedrog en het décor wordt goedkoop beschilderd linnen, zodra de vrouw hier als badgast paradeert.
Er is maar één oplossing: òf men zet hier een paar Victoria-, Majestic-, Excelsior-hotels neer, men zorgt voor een cabaret en een dancing, een pier en een strijkje of men verbiedt de broeken. Maar neen, dat laatste zou te wreed zijn: deze door de wind dichtgewaaide schonen, die van haar pension naar het obscure kroegje à la mode zwerven en terug, omdat men in de koude niet kan baden, die 's morgens, 's middags en 's avonds gedoemd zijn bij slecht licht te kaarten, die op dit door de storm geïsoleerde eiland zich slechts op één wijze kunnen herinneren, dat ze met vacantie zijn en de genoegens van het mondaine
| |
| |
badleven met volle teugen genieten: laat haar deze ene demonstratie. In hemelsnaam dan maar: de rest van de garderobe ligt ongebruikt in de kast.
Het cafétje, waarin zich de beau-monde verzamelt, onderscheidt zich in niets van de andere cafétjes dan door de prijzen en hier hokken als bonte vogels de hidalgo met zijn roodgebloemd vest en zijn air van Don Juan, de niet meer jonge, doch nog steeds het gebaar van aangebeden schoonheid cultiverende gravin, de krullekop met de weelderige vormen en de vurige ogen, de beide juist het pensionnaat ontgroeide maagden, die van hooghartigheid nog niet weten dat haar hart leeft, de breiende grijze matrone met de kleurige omslagdoek, de dikke echtgenoot met het felblauwe hemd, de kunstzinnige student met de korte baard, de communistische surrealist van goede familie. Zij hebben reeds weken geleden met elkaar kennis gemaakt en kunnen alleen nog maar kaartspelen of trictraccen en ondergronds woelen vurige antipathieën. Maar voorlopig voelen zij zich de ‘badgasten’ en kijken bij voorkeur met rustige minachting uit het raam als de boot met toeristen is aangekomen, de toeristen, die hier hoogstens twee dagen blijven en één van die dagen gebruiken voor een bezoek aan Delos. Zij beschouwen deze handkoffertjesmuizen en rugzakratten met supreme onverschilligheid, hullen zich huiverend in de jumpers, die hun verenpracht bedekken en schudden de kaarten.
De inwoners van Mykonos zijn verplicht hun huizen smetteloos wit te houden, het wit is hun cultus en hun cultuur, de enige, want hier staat geen zuil, zelfs geen onnozel stuk muur, dat aan vroegere tijden herinnert. Hier waren slechts de graven der Giganten, die door Herakles waren gedood...
Door de kunstmatige éénheid van wit en wit en wit heeft men een aardig effect bereikt, maar na één of twee wandelingen valt de stad toch in twee wel te onderscheiden stukken uiteen: het oude gedeelte van de molenheuvel tot de haven en de moderne stad, die bedrieglijk op de oude lijkt, maar die, zodra men het wit wegdenkt, niets schilderachtigs heeft.
Schilderachtig noemen wij leken trouwens bij voorkeur juist dat, wat de schilder niet schildert. Het zijn ‘schilderijtjes’, deze aardige doorkijkjes, deze mooie fotografieën, men behoeft ze slechts over te nemen, zoals ze zijn en er zijn schilders die dat doen... Afgezien van de wind, die het doek naar een naburig eiland doet verhuizen, afgezien van het kleurarme dezer stad, moet een schilder hier wanhopig vluchten voor al deze ‘kiekjes’: de molen met het weitje, de sloot en de koe in Holland, de Spaanse danseres voor het Alhambra in Granada, de ezel met de kapel (er zijn er vierhonderd op dit eiland, dus één komt er altijd op) en de molens op Mykonos, alle zo ‘karakteristiek’ voor Nederland, Spanje of de Cycladen, zo ‘pittoresk’ in hoge mate, maar niets voor een schilder volgens mijn oordeel als volslagen leek. Een schilder ziet echter zijn motief waar wij blindelings tasten en dus moet ik er meteen bijvoegen, dat ik niet zou weten, waarom hier niet een paviljoen zou mogen staan, al lijkt het me
| |
| |
wat hoog gelegen voor beeldhouwers die zo dol op heel grote brokken steen zijn. Men behoeft het conventionele ten slotte niet te vinden, het zijn alleen de zwakke broeders, die daar op afvliegen en er zijn nog meer paviljoens: Delphi, Hydra, Rhodos, Kreta, Korfou...
Een instelling als deze is een prachtig, doch tegelijkertijd een hachelijk experiment: zonder dat de directeur van het instituut mijn nieuwsgierige vragen rechtstreeks beantwoordt (hij heeft waarschijnlijk in de weinige jaren, dat hij deze functie bekleedt reeds ongekende diplomatieke gaven bij zichzelf tot ontwikkeling gebracht) kan ik wel nagaan, dat hier reeds merkwaardige dingen zijn gebeurd en zodra ik deze gloednieuwe school binnentreed, springen mij de spanningen van de mensen, die hier misschien slechts een paar weken verblijf hielden, tegemoet; het is, alsof ik in een oud spookslot verzeild ben geraakt en ik ben er bijna van overtuigd, dat zich hier vroeg of laat nog eens een drama zal afspelen. Ik stel me dat zo voor: de Amerikaanse dame die had moeten trouwen, maar bij vergissing ging schilderen, de dronken Zwitser, die van louter genialiteit niet aan het werk kan komen, het reeds tien jaar getrouwde echtpaar, waarvan de een wel wat anders wil, maar niet durft en de ander wel wat anders durft maar niet wil, de fijngevoelige jongeman en het sceptische jonge meisje, zij allen met een heel eigen begrip omtrent ‘kunst’, allen tevreden, ontevreden, lastig, humeurig, alleen met zichzelf rekening houdend, geconcentreerd-afwezig of nerveus rondhollend en door dit alles heen de filosofische directeur, die niets ziet aankomen en de in goed burgerlijk milieu opgegroeide en nu hevig gechoqueerde concierge, weinige rustpunten in deze chaos van electrische vonken.
Er is een tijd geweest, dat het gewoonte was ter herinnering een schets achter te laten. Deze gewoonte bestaat niet meer, omdat de schilders waardeloze krabbeltjes aanboden of met een breed gebaar grote doeken offreerden, die ze dan enkele weken later door hun gezantschap lieten terugvragen. Men is hier nog steeds vrij te doen en te laten wat men wil en er bestaan geen ‘hotelregels’, maar tijdens mijn verblijf speelde een kleine, zielige vrouw op de meest ongelegen ogenblikken viool, telkens een melodie van twee, hoogstens drie noten, meer dan een uur lang... Niemand vraagt u naar uw trouwboekje, maar daarom verwacht men nog niet, dat de dames elke nacht een anderen stoeren visser meeslepen... Er bestaan geen voorschriften omtrent de plaatsen der bedden, doch het is voor het personeel wat lastig, als het deze nuttige meubels de ene ochtend op het dak, de volgende in de tuin, de derde voor het raam van een naburig atelier en de vierde nacht in de gemeenschappelijke gang vindt. Weldra zal dit instituut een voorbeeld zijn van bureaucratie en geen artist zal er meer willen wonen en alle partijen zijn dan voldaan.
Aan de andere kant klagen Griekse schilders, dat de bureaucratie hier reeds in haar ergste vorm hoogtij viert: voor buitenlanders is dit instituut gastvrij,
| |
| |
maar het is moeilijk voor een inwoner des lands om hier voor enkele weken onderdak te krijgen. Het is ‘academisch’ in hoge mate, vertelt men mij.
Het schijnt, dat deze nobele proefneming reeds van tevoren gedoemd is te mislukken, tenzij wij blijven hopen tegen beter weten in, de enige manier overigens, waarop men werkelijk iets kan bereiken, de enige wijze, waarop men ervaring kan opdoen en gemaakte fouten in het vervolg zal kunnen vermijden. Het gemakkelijkste is natuurlijk: dan maar helemaal niet, maar men neme het mij niet kwalijk: dat is Hòllands, niet Grieks.
Van Mykonos vaart men naar Delos in een combinatie van zeilschip en motorboot. Het is een raar gezicht een zeil bol te zien staan, terwijl de machine dreunt, maar het gaat vlugger en de overvaart biedt geen ongewenste verrassingen.
Bij het aan wal gaan zorgt Delos daar echter in ruime mate voor en het kost me heel wat zelfoverwinning den kapitein van de boot te zeggen, dat ik niet meteen om elf uur terugga maar eerst de volgende dag. Een romantisch aangelegd schrijver vertelt, dat zijn voet bij het aan wal gaan onmiddellijk een blok marmer raakte (het cementen steigertje was er toen zeker nog niet), maar ik glijd na nog geen tien passen gedaan te hebben uit op enige dierlijke uitwerpselen, die even recent zijn als het marmer oud. Ik heb niet naar de grond gekeken, maar kinderlijk verbaasd rondgestaard over dit veld van kille lelijkheid.
Ik loop langs het smalspoor, dat van het museum naar de haven voert en kijk over deze platte woestenij van steen, die mij herinnert aan een openluchtatelier van grafmonumenten, reusachtig, overdonderend groot, maar nutteloos en weinig imponerend.
Het museum, het paviljoen van het Office hellénique du tourisme, de huizen der opzichters en archeologen, zij steken als pretentieuze moderne gebouwen boven dit meer van marmer uit en maken zichzelf en hun omgeving nog lelijker dan ze al zijn. Hier en daar zie ik heel in de verte een eenzame zuil opsteken, mager als een lucifershoutje op een slecht geplaveid marktplein tussen de stenen gestoken. Zuchtend zet ik mijn koffertje neer en stort me dan maar in de rijstebrijberg. Het moet gebeuren.
Het eerste waar ik als doodonschuldig toerist tegenaan loop zonder andere gedachten dan mijn geest te laven aan deze dorre, doch eerbiedwaardige antiquiteiten is een volledige phallus, die als een ouderwets mortier op korte wielen naar het water staat gericht. Ik kijk om mij heen en bevind mij te midden van deze symbolen, die men nauwelijks symbolen kan noemen, zo goed zijn ze in alle anatomische bijzonderheden uitgewerkt. Deze kanonnen van viriliteit schieten over het heiligdom heen en omhullen het met een fontein van sperma. De opstelling ontlokt mij even een glimlach: het Dionyseion, dat kan ik wel raden
| |
| |
zonder in de gids te kijken, datgene wat uit de schoolboekjes geweerd wordt, waardoor wij niet-klassici altijd zo'n steriel idee van Griekenland krijgen... Als men ijverig en nauwgezet is en nu eenmaal toch een dag moet blijven in een plaats, die men het liefst meteen de rug had toegedraaid, dan komt het er wel uit: het hieron van de Delische Apollo is uit te vissen met geduld en doorzettingsvermogen. Ik weet nu, waar de portiek van Antigone stond en het sanctuarium der stieren en het prytaneion en de tempels van Apollo en Artemis, de portiek van Philippus, het grote beeld van Apollo (ik heb zelfs zijn rug en zijn dijbeen bewonderd, een paar ruwe blokken marmer), ik weet de oikos van de Naxiërs, het huisje van de Atheners, maar als men zich eenvoudig een hoop steenrommel voorstelt, verspreid over een vlakte van 180 bij 130 meter, dan is men ook in het hieron geweest.
Het enige wat men dan nog moet prijzen is de netheid der archeologen, die alle stenen netjes geklassificeerd hebben naar de herkomst, trommelzuil bij trommelzuil, architraafblok bij architraafblok, precies de afstand uitmetend, ongeveer 50 cm bij elk stuk. Men ziet hier niets en alles. Men ziet niet één aardig, ‘toevallig’ smaakvol gearrangeerd stuk ruïne, men ziet echter een groot aantal moeizaam vervaardigde reconstructies, die nooit een groter hoogte bereiken dan één meter en als archeoloog kan men aan de hand van de gerangschikte stukken de gebouwen bijna volledig doen herrijzen. Voor den aestheet is hier alles onecht, gewild, door mensenhand bedorven, voor den man der wetenschap moet Delos een voorbeeld van netheid zijn, een modelschool, een openbaring van ver-doorgevoerde systematiek, honderdmaal Eleusis, honderdmaal imponerender, maar ook honderdmaal lelijker.
Het hieron ligt aan zee en dat maakt even wel indruk, doch ten slotte ligt er in Griekenland zoveel aan zee en zij kan het ‘grafsteenachtige’ van dit ‘middenstuk van Delos’ niet wegnemen, dat hoogstens de aandacht vraagt door de enorme hoeveelheid, de duizenden en duizenden kilo's marmer.
Daar in de verte lokken een paar zuilen (ik herinner me met schrik, dat ik op Sounion voor Delos vijf zuilen reserveerde, maar dat was een lelijke vergissing, er zijn er minstens vijftig, als men die in de huizen van de theaterwijk meetelt, alleen die welke hier bij het veld staan, konden er even goed niet zijn, men ziet ze over het hoofd). Van hier af gezien is het niet veel, maar dichtbij kunnen zij misschien een eenzaam zwerveling op dit barre eiland troosten. Er moet toch ìets zijn: het heiligdom van Apollo was wel het voornaamste, maar hier bevond zich toch ook een stad? Een grote, welvarende handelsstad, doch neen, eerst de zuilen, het heilige meer, de markten, het fameuze leeuwenterras.
Ik weet wat ik hier behoor te zien, ik heb er meer dan genoeg van gelezen, maar ik neem nog eens mijn gids om in de stemming te komen. Als Delos mij niet suggereert, laat ik het dan mezelf doen en trachten ‘op historische bodem’ te gaan staan, de laatste toevlucht.
| |
| |
Even voorbij de leeuwen, die er van verre zo veelbelovend uitzien en het ook op de foto zo goed doen, maar die van dichtbij lelijk gerestaureerd (één leeuw heeft een vierkant cementen zuiltje als poot en ziet er erg mank uit, meelijwekkend in plaats van heldhaftig en in steen bepaald belachelijk) en ruw behouwen zijn, ga ik zitten voor het huis van de Poseidoniasten en naast het huis van de diadumenos, waar een copie van de beroemde Olympische overwinnaar van Polykleitos gevonden is. Het is hier reeds ‘huiselijker’ en ik tracht me nu aan de hand van de historie op te vijzelen tot ‘alles weten is alles mooi vinden’.
De geschiedenis van Delos kan men verdelen in twee stukken, die wel niet geheel gescheiden zijn, maar toch het aspect van de stad in twee verschillende periodes verklaren: het was eerst heiligdom en daarna handelsstad, het Delphi en Korinthe der Cycladen.
Het begon met de geboorte van de tweelingen Apollo en Artemis: het eenzame, dorre eiland werd een heilige plaats onder protectoraat van Naxos en later van Athene. Bedevaartplaatsen eisen in geografisch opzicht niet veel: zij mogen alleen niet te gemakkelijk, maar ook niet te moeilijk te bereiken zijn, dat is alles. Vruchtbare grond hebben ze niet nodig, evenmin als achterland, met strategische overwegingen behoeft men geen rekening te houden. Het eigenaardige van Delos is echter, dat zij van heiligdom veranderde in een havenstad van de eerste rang. Men schrijft dit toe aan de gunstige ligging op het kruispunt van zeewegen tussen Italië, Griekenland en de Orient. Natuurlijk zal deze factor een rol gespeeld hebben, het is alleen opvallend, dat zulk een factor altijd zo tijdelijk is. Onze ‘dode’ havensteden, Hoorn, Brugge, Venetië, Narbonne, Tartessos, Vineta hadden alle deze ‘gunstige’ ligging en werden op een gegeven ogenblik om dikwijls onnaspeurbare redenen verlaten. De haven verzandde of het verkeer verplaatste zich en de bloei was voorbij. In Delos was de opkomst eigenlijk onnatuurlijker dan het verval: zodra men het eiland betreedt, vraagt men zich af, wat de kooplieden hier te zoeken hadden. Een transitohaven, goed: van schip op schip? Op zijn minst genomen vreemd. Toch heeft dit verschijnsel zich nog in de negentiende eeuw in Griekenland herhaald: Hydra was de eerste haven van het vrijgeworden Hellas, Syra verdrong haar en de beide eilandhavens werden eerst later overvleugeld door de vastelandsteden Patras en Piraeus. In Delos waren het Romeinse handelslieden en bankiers, die voor de transformatie van de stad zorgden. Nauwelijks anderhalve eeuw duurde de korte, snelle ontplooiing en daarna zakte Delos ineen als een snel verdrogende plant; de ligging scheen toch niet zo goed geweest te zijn: piraten der Cycladen bedreigden de open, moeilijk verdedigbare stad en hier waren immers twee kansen: het uitgaande, zowel als
het binnenkomende schip liep gevaar en het deed er niet toe welk van beide men nam; ze waren even vol, want op Delos zelf bleef zeer weinig achter.
| |
| |
Zo heeft deze kruising van heiligheid en koopmansgeest een kort, romantisch en volkomen irrationeel bestaan geleid.
Wat is er overgebleven? De heiligheid ligt hopeloos tegen de grond, netjes gerangschikt weliswaar, maar zonder charme. De handelsgeest en de daaraan verbonden vrije opvattingen waren hier nu nog rond. Het huis van de Poseidoniasten, waar ik nu zit, heeft weinig met Griekenland te maken, het behoorde aan een confederatie van kooplieden uit Beyrouth en zo is heel Delos: aan beide kanten van het heiligdom is het handel en handel en nog eens handel en zelfs nu nog, te midden van deze ruïnes speurt men iets van de levendige geest van geven en nemen en pakken en krijgen en halen en brengen en tellen en verbrassen. Hetgeen ik in Korinthe vergeefs zocht vind ik hier: internationaal verkeer van Goden en mensen en een wat wufte sfeer. Ik kijk uit over het heilige meer en het heilige meer is droog, maar alle oude huizen hebben nog cisternen, waarin overvloed van water aanwezig is. De zon schijnt over de gladde grijze muren van de magazijnen, die slechts een dak nodig hebben om opnieuw gebruikt te kunnen worden en terwijl ik langs en door dit voorproefje van het eigenlijke Delos zwerf, besef ik reeds, dat ik mijn dag verder zal doorbrengen aan de andere kant, in de ‘theaterwijk’, waar de grote villa's staan, de paleizen der rijke kooplieden.
Zonder op of om te kijken loop ik het hieron van Apollo weer door en begeef mij stadwaarts. Straat in straat uit, huis in huis uit, de gehele stad is van mij, overal woon ik in deze verlaten, doch bijna nog helemaal gave stad. Slechts de daken ontbreken, het is of een reusachtig scheermes de bovenkanten van de huizen heeft weggesneden, maar de rest dan ook volkomen intact gelaten heeft; overal treft men hier menselijke sporen aan: een bad, vergeten in een hoek, stukken van gebruiksvoorwerpen, die te zwaar of te onbelangrijk waren om ze in het museum op te bergen, in de muur gekraste tekeningen van snel zeilende schepen, pleisterwerk met een ‘behangpatroon’, niet mijn smaak, maar hoe ‘bewoond’ maakt het deze kamers, mozaïeken...
Mozaïeken treft men hier in elk huis aan, eenvoudige en gecompliceerde, soms mooi van kleur, soms alleen maar ‘kunstig’, doch altijd geven zij een idee van de welvaart der bewoners. Ik tracht aan de hand van een kaartje de indeling van deze particuliere huizen na te gaan: hier was de binnenplaats, gewoonlijk met een mozaïek tussen de in een rechthoek gerangschikte zuilen en daaronder bevond zich de cisterne, links de keuken en de trap, aan de achterkant de eetzaal, de oikos, de toiletkamer, de appartementen van de ‘meesters’, van de binnenplaats naar de straatkant toe de vestibule, de kamer van den portier, het vertrek voor de slaven en de winkel. Ik verwonder mij, dat in deze chique behuizingen een winkel gevestigd is, maar het schijnt de gewoonte geweest te zijn. En zo zijn ze alle: het huis van Dionysos, het huis van de Drietand, het huis van de Maskers, het huis van de dolfijnen, rijk, weelderig, welvarend,
| |
| |
tegelijkertijd smaakvol, verfijnd, gezellig zelfs. Men ziet het: dit moeten prettige huizen geweest zijn om in te wonen, hoewel ze van de straat af geen grootse indruk maakten; als alle gebouwen in het Zuiden waren zij naar binnen gericht en het centrum van de woning was de binnenplaats.
Uren kan men door deze stad zwerven zonder zich een ogenblik te vervelen, zij is tegen een lichte helling opgebouwd en men heeft een prachtig uitzicht over de zee en de eilanden voor Delos, maar dat is niet het voornaamste; men staat hier dichter bij de oudheid dan waar dan ook in Griekenland en al is het dan niet de ‘echte’ klassieke oudheid, niet het bloeitijdperk, men leeft toch nog tweeduizend jaar terug en het gaat hier zo gemakkelijk, men behoeft zich niet steeds voor te houden, dat men op ‘historische bodem’ staat (er is hier trouwens niet veel gebeurd, wat men historie zou kunnen noemen; het geschiedkundig belang ligt daar beneden in het veld van marmer), het is hier zo ‘pas verlaten’, dat men zich niet zou verwonderen, als men ergens iemand zou ontdekken, die opgesloten was toen de bevolking vertrok en nu brommend te voorschijn kruipt. Men lacht niet als de gids vertelt, dat daar het loket was, waar men biljetten kocht voor het theater, zoals men lachte bij het bad van Agamemnon en Klytaimnestra: het kan! Wie weet is die baardige dikzak er zelfs wel bijgeweest en heeft zijn buik vastgehouden van het lachen, als er een klucht gegeven werd. Het theater ziet er van buiten indrukwekkend uit met de mooiste trapezoïdale muur, die ik ooit in Griekenland gezien heb, maar van binnen zijn de banken een beetje door elkaar geschud, alsof men bij de laatste voorstelling een ware orgie heeft gehouden. Het verwondert mij niet, dat in de stad zelf geen tempel te bekennen is, maar verder de berg op heeft men Goden in alle soorten en maten. En ook de godsdienst was hier ‘weelderig’: in de eerste plaats de Syrische goden Haddad en vooral Atargatis, de Syrische Aphrodite, die door het wellustige karakter van haar dienst zo snel populair werd onder de Grieken en Romeinen, dat de Atheners, ongerust geworden om zoveel geloofsijver bij hun landgenoten, een ambtenaar aanstelden om deze religie wat minder
‘aantrekkelijk’ te maken. Verder de Egyptenaren: Isis, Serapis en Anubis en ten slotte Aphrodite zelf... Het is geen wonder, dat de arme Apollo met zijn ‘niets te veel’ het niet uit kon houden tegen al deze vrijgevige concurrenten.
Neen, dan hebben Zeus en Athena het weer veel beter uitgezocht: de Grieken zouden geen Grieken zijn, als ze de top van de Kynthos met rust hadden kunnen laten en hier tronen dan ook de Helleense Goden par excellence (want Apollo met zijn Delphi en zijn voorspellerij en zijn slang vertrouw ik nauwelijks, niettegenstaande zijn ‘klassieke’ uitspraken). Na de van luxe barstende stad komt men weer in hoger sferen, men ziet weer het blauw van de zee, het grijs van de bergen en men betreurt uit de grond van zijn hart, dat hier niet één zuil is blijven staan, één slechts en deze plek was het centrum van Hellas geweest, het centrum van water en land.
| |
| |
Overal in het rond ziet men eilanden als duikende dolfijnen uit het water schieten, als vreemd gevormde oorlogsschepen opstomen, als voorwereldlijke dieren, lui drijvend met gekartelde ruggen, als draken met de kop onder water, die elk ogenblik gevaarlijk dichtbij op kan rijzen. En Delos zelf dat hier uitgestrekt ligt als een zeepaard: als de Goden niet op de Olympos zetelden, hadden zij hier hun verblijfplaats moeten kiezen, op dit reusachtige snelvarende schip te midden van het water, dat zoveel meer Griekenland is dan de aarde. Er is langs de helling van de berg een trap uitgehouwen naar beneden, een godentrap, eindeloos lang... een directe verbinding met de onderdanen, met zulke onderdanen, kan zijn nut hebben, heer Zeus, want je kan niet even omkijken of ze doen iets verkeerds: dat zou mijn advies geweest zijn, als men er mij naar had gevraagd, destijds.
De mens wordt aangetrokken door het lagere (het ligt in zijn natuur; de zwaartekracht is de schuld van alles) en zo daal ik gauw weer af naar mijn villawijk en in de schemering verbaast het mij, hoe weinig spookachtig deze eenzame stad is, hoe weinig ruïne met haar gehalveerde grijze muren. Men kan hier geen weids gevoel van ‘voorbij’ en ‘dood’ krijgen, men speurt hier rond als een rat, die blij is, dat de mensen zijn vertrokken en nu gauw gaat kijken of hij nog iets van zijn gading kan vinden. Hoe tragisch moest dit Delos zijn met zijn lege magazijnen, zijn nauwe verlaten straten, zijn voorwerpen, die tweeduizend jaar geleden voor het laatst werden aangeraakt met het doel ze te gebruiken, maar de stad is vrolijk, onlogisch in haar dood zoals haar bloeiperiode onbegrijpelijk was, en ik ben geneigd te denken, dat deze lichtzinnigheid verband houdt met dit gehele fata morgana van speculatief koopmanschap, deze fantasmagorie van nieuwe rijken. De stad mocht er niet zijn, zij kon er niet zijn, zij was er niet. Een goocheltoer, volkomen nutteloos en onpractisch, een zeer gecompliceerde goocheltoer weliswaar met erotische goden en losbollige mensen, veel kleur en mozaïek en vermaak, het korte bestaan van een al te uitbundig schitterende vlinder, een waarschuwing voor ernstig denkende lieden, dat men op deze wijze geen solide ondernemingen op touw zet, dat men zo handelend niets ‘bereikt’ dat eerlijk het langst duurt en dat de spreuk ‘zo gewonnen, zo geronnen’ ook hier geldt, dat men dus bezadigd dient te leven en bezonnen dient te sterven. Maar Delos lacht in zijn graf: het heeft zijn plezier gehad... Teruggekomen op Mykonos vertelt een inwoner mij met trots, dat zijn voorvaderen tot de piraten behoorden, die Delos plunderden: Let u maar eens op, zegt hij, behalve Delos, dat onderging, ligt geen stad van de Cycladen dicht aan het water, alleen Mykonos. En hij toont mij in één der
kapelletjes het graf van Monoli Mermlecha, een beroemd zeerover en verhaalt, hoe hij als jongen met zijn zusjes verstoppertje speelde. Wekenlang wisten de meisjes zich zo goed te verbergen, dat geen der jongens haar kon vinden totdat het deze laatsten begon te vervelen en zij de al te slimme speelgenoten volgden. Nu bleek, dat
| |
| |
zij de grafstenen in de kapel oplichtten, in het gat kropen en dit zorgvuldig boven haar hoofd sloten. De aankomende mannen, geheel van streek, durfden slechts op deze lugubere schuilplaats kloppen om de meisjes te beduiden, dat zij haar gevonden hadden en werden vol woede door de furiën achtervolgd, die zich intussen gewapend hadden met een half vermolmd dijbeen. Deze geschiedenis moest de moed der Griekse vrouwen illustreren en ik herhaal: arme echtgenoten, en dan die jongens nog wel afstammelingen van piraten? Het kan verkeren...
Na Delos heeft Mykonos weinig aantrekkingskracht meer voor me, hoewel de wind is gaan liggen en iedereen verademt. Zo had ik het bij aankomst moeten zien, met dit open leven, dit gezellige gedrentel van inwoners en badgasten, dit aangenaam zongekoester, maar het is nu te laat, elk ogenblik denk ik: het gaat meteen toch weer waaien en bovendien, er zijn meer eilanden. Na Mykonos, Syros, na Syros Santorini, dwars door de Cycladen.
Syros, waar wij een dag overblijven om op de boot naar Santorini te wachten is een soort groot-Aigina, juist iets te groot om de charme te hebben van een vissersplaats, te klein om een grootscheepse haven te zijn. Maar dieper het land in, doch nog de baai beheersend ligt het oude Syra, bewoond door afstammelingen van de Venetiaanse en Genuese veroveraars. Een eeuwenoude vestingstad op een puntige kegel gelegen, met nauwe straatjes, geheimzinnige poorten, trots, hoogmoedig en inderdaad Italiaans of Zuid-Frans, een veilig tehuis in tijden van oorlog, op het ogenblik een weinig ‘uit de tijd’ als men in de moderne benedenstad boodschappen wil doen, want de toegangswegen zijn zo nauw en steil, dat men reeds zuchtend zijn eigen gewicht betreurt, als men naar boven klimt.
Als hier in Griekenland niet zoveel te zien was, als de verscheidenheid ook niet zo groot en als men langzamerhand niet volkomen ‘verklassiekt’ was, zodat men alleen in geestdrift geraakt bij een zuil of een tempelfundament, dan zou Syra een bezienswaardigheid, zo niet van de eerste rang, dan toch een zeer behoorlijke van de tweede rang zijn. Het is een type van een nederzetting in een vijandig land, het is zo gesloten en zo geïsoleerd, het zondert zich zo ostentatief af met zichzelf en ook nu nog heeft het geen verbinding met het Griekse Hermoupolis, de Griekse haven. Op het ogenblik is het grappig hoe de slopjes in concentrische cirkels om de top, waar natuurlijk een kerk op staat, lopen en men vergeet geheel, dat deze speelgoedopstelling vroeger een eis der strategie was om in noodgeval de vijand zo lang mogelijk op te kunnen houden. In ieder geval was de voorzorg effectief: het oude Syra is gespaard gebleven voor uitplundering door Turken of piraten en hoewel men niet begrijpt, dat niet alle inwoners nu het gevaar voorbij is in de vlakte zijn gaan wonen, men betreurt hun vasthoudendheid niet, want ruïnes zijn er al genoeg in Griekenland en dit gave Middeleeuwse geval is een welkome afwisseling, terwijl het als bouwval
| |
| |
waarschijnlijk slechts een povere indruk zou maken. Elk dak is hier een sterkte van waaruit men de vijand kan bestoken of zijn buren kan begluren en... maar, neen, het is te gek, dat men hier nog blijft zitten, aan de helling hangend als een poes, die door honden achtervolgd wordt, in een boom. Het is zo onzegbaar dwaas in onze eeuw van electriciteit en auto's en zwakke harten of amechtige borsten, het is vooral zo opvallend raar, omdat vlak bij, bijna de voet van deze huizenburcht rakend, een werkelijk keurig nette stad ligt met een breed plein en een promenade met palmen, waar Zondagsavonds een kapel speelt. De traditie moet bij deze mensen merkwaardig veel kracht bezitten. Of is het de religie? Zij zijn Rooms-Katholiek, nog steeds geïsoleerd...
Indien men zich ooit verheugen wil op een reis door de Cycladen, dan moet men geen boemelboot nemen. Een boemelboot geeft beslist te veel van het goede. Wij gingen 's nachts om drie uur uit Syra en zouden eerst vijf uur de volgende middag in Santorini aankomen; heerlijk, een volle dag stomen door de Cycladen. Van puur enthousiasme was ik om vier uur al weer aan dek bij de eerste halte: Parikia op Paros en het speet me, dat het zo donker was, dat ik slechts een diepe inham en een grauwwit vlekje, het dorp, kon onderscheiden. Paros reeds voorbij, het marmereiland, nooit zal ik het meer zien en het enige wat ik er van zal weten te vertellen is, dat het zwart was als de nacht. Ik bleef aan dek en bad de zon voor deze ene keer een beetje haast te maken en ik staarde op de bij uitzondering steile kusten van dit Griekse eiland, afscheid nemende en vurig hopende, dat we Naxos eerst bij zonsopgang zouden bereiken.
Mijn wens werd uitbundiger verhoord dan ik ooit gewild had, want we bleven aan de kust van Paros hangen, alsof deze magnetisch geworden was en deden bij opgaande zon een andere haven aan, die er niet erg aanlokkelijk uitzag, Naousa. Van Paros had ik genoeg gezien en gelukkig staken we over naar Naxos, dat me het eerste kwartier boeide door zijn bij uitstek romantische bouw en ligging, het tweede kwartier, doordat letterlijk heel Griekenland met geiten en ezels en sinaasappels en baby's en kruiwagens en bedden aan boord gehesen werd, het derde kwartier door de eenzame marmeren poort van de Dionysos-tempel, die op een landtong de zee indrijft, het vierde kwartier door de kooplieden, die aan boord kwamen en hun gehele hebben en houden te koop aanboden en een man, die vijftig citroenen kocht en daarna met bezorgd gezicht aan iedereen vroeg, waar hij ze moest bergen, het vijfde kwartier door de bootjes, die maar niet van ons konden scheiden, maar het zesde en zevende en achtste kwartier (we konden niet aan land volgens den hofmeester, want we bleven maar zo kort liggen) vervloekte ik Naxos, maar eindelijk werd dan het anker gelicht en we gingen verder: terug naar Paros, een brede baai en een onzichtbaar dorp, Tsipidos en de zon begon te steken en het was nog maar tien uur en we hadden nog zeven uur voor de boeg.
| |
| |
Wij voeren te midden van duikende dolfijnen en fantastische draken, maar de dolfijnen leken op elkaar en de draken eveneens en elk spoor van dichterlijke visie, als het ooit aanwezig was, werd grondig uit mijn lichaam gebrand en de machine dreunde, het schip stonk en de wind ging liggen. Wij voeren als geesten door een hellichte dag naar Pholegandros, een brede baai en een onzichtbaar dorp, van Pholegandros naar Sikinos, een brede baai en welgeteld zeven huizen, van Sikinos naar Nios of Ios, een brede baai en een dorp in de bergen en ik ondervond, dat mijn zegsman op Mykonos gelijk had gehad: alle dorpen liggen binnen, nog altijd wegens de piraten en ik vond, dat de piraten geen voldoende rekening hadden gehouden met nieuwsgierige toeristen. Na Nios zag ik Santorini liggen, de archipel van Santorini, als fantastische oorlogsschepen opstomend en ik dacht aan de vulkaan daar ter plaatse: als ze eens allemaal, op het ogenblik, met één goede uitbarsting de lucht invlogen, dan was ik er af, dan was ik ontslagen van de Cycladen en dan zou het schip rechtsomkeert maken en wellicht zonder één enkele haven aan te doen van schrik doorstomen tot Piraeus. Wat kon dat Santorini zijn: een toeristenbluf als Mykonos dreigt te worden, meer niet. Erger: reeds volkomen bedorven. En het kwam maar niet dichterbij...
|
|