| |
| |
| |
7
Als men na verloop van enige tijd in Athene terugkomt en nog eens de naar men veronderstelt reeds bekende monumenten bezoekt, dan wordt men in de eerste plaats getroffen door de overstelpende hoeveelheid van antieke resten. Dat er op de Romeinse agora zoveel te zien is en dat achter het Parthenon nog complete gebouwen liggen, dat in de buurt van het Dionysos-theater hele symphonieën van stenen te bewonderen zijn en dat het Asklepieion bijna volledig is, dat heeft men destijds niet opgemerkt.
De grootste verrassing biedt echter de Pnyx, gewoonlijk meer door vrijende paartjes dan door toeristen bezocht. Op zichzelf om ‘sentimentele’ overwegingen al merkwaardig, omdat zich hier immers de grote redenaars van de vijfde en het begin van de vierde eeuw tot het volk richtten: Aristides, Themistokles, Perikles, maar vooral ook de moeite waard, omdat men van hier het mooiste gezicht heeft op de Akropolis. Bij avond, als de lage zon het warme marmer van het Parthenon en het Erechtheion beschijnt en het anders zo stoffig blinkende Athene een gedektere kleur aanneemt, is de Pnyx de plaats, waar men zonder zijn liefde voor het ‘klassieke’ te verloochenen, gezellig kan zitten uitrusten van de spannende, doch soms vermoeiende leergierigheid, welke een bezoek aan Athene nu eenmaal met zich meebrengt. Het toeristische ‘werk’ is afgelopen, men is voldaan en kan rustig nog wat napeinzen over alles wat men gezien heeft. Men kijkt tegen de Akropolis op en langs de Areopagos op de Agora, waar de Amerikanen de Stoa van Attalos in hevig wit marmer herbouwd hebben. Mag dat? Zo maar een heel nieuw gebouw oprichten, terwijl er geen enkel oud fragment voorhanden was? Is dat geen verregaande vervalsing? op geheiligde klassieke grond? Edele vraag, maar ze verliest zich hier in de vrije ruimte en je wuift genereus met je hand: laat ze bouwen als ze daar zin in hebben, het blijft daar anders zo'n kale boel en ze hebben hun best gedaan. Op de Pnyx word je edelmoedig en neem je de dingen zoals ze zijn,
| |
| |
zonder veel ‘maren’. Daarom is het goed zo nu en dan naar de Pnyx te gaan, zo nu en dan oneerbiedig ‘Pnax’ te zeggen, de zuilen in je hoofd wat te laten doortochten en aan niets anders te denken dan aan het feit, dat Athene aan je voeten ligt.
Zo kalmerend de Pnyx is, zo verontrustend is de Byzantijnse kunst. Het officiële staatsmuseum voor deze ‘afdeling’ is ondergebracht in het vroegere paleis van de Duchesse de Plaisance, een naam, die voor mij, waarschijnlijk omdat mijn Frans ten slotte niet perfect is, enorm veel romantisch sex-appeal van ritselende rokken, uitdagende décolleté's en fataliteit heeft.
Op de binnenplaats vindt men een aantal behouwen steenfragmenten en men wordt weer getroffen door de steeds in Griekenland geldende waarheid: liggen de stenen slordig, dan zijn ze mooi, zijn ze netjes op elkaar gestapeld, dan kijkt men er niet naar om. Ik loop dus vlug door en bestudeer Byzantium, dat me weinig zegt, voorlopig. Een viertal griezelige koppen, half Chinees bijna, mooi maar lelijk, staren mij in de tweede zaal van een hooggelegen plank aan (VI tot VIIe eeuw lees ik later), verder ikonen en ikonen in Greco-kleuren, hetzelfde gewassen groen, blauw en rood; zou Greco dan toch zijn kleuren uit Griekenland meegebracht hebben, evenals de langgerekte gezichten? De kleuren zeker en de gelaatsvorm wellicht ook, behalve dan dat de expressie geheel veranderd is. Deze Byzantijnse heiligen met neuzen, die er uitzien als stokjes met twee bessen aan elke kant, die de neusvleugels voor moeten stellen, bevallen mij maar half. De heiligen, Christus en Maria, allemaal kijken ze of ze pas iets erg zuurs gegeten hebben en hun naar beneden gehaalde mondhoeken hebben tegelijkertijd iets hypochondrisch en wreeds.
Na de werken in Greco-rood, groen en blauw schrik ik geweldig van al het goud uit een volgende periode. Ook de vereniging van plastiek met verf en de rare voorstellingen blijven mij vreemd. Het is niet zozeer het onderwerp zelf, dat me benauwt als de wijze, waarop het is uitgewerkt. De Vlaamse primitieven geven duizendmaal phantastischer voorstellingen en toch zijn ze niet zo bizar, niet zo sadistisch, niet zo onsmaakvol. Het ligt hem trouwens voornamelijk in de gelaatstrekken, de God der Byzantijnen was een machtig koning en een wrekende God, men moest verschrikkelijk bang voor hem worden zodra men in de kerk kwam. Het is ook monumentaal, zo'n met goud beslagen Christus vliegt uit zijn doek als een bergmassief uit de aarde, hij overdondert, hij bliksemt als Zeus, stormt als Poseidon, geneest met een kwaad gezicht als Asklepios (dat merkt men vooral in de kapelletjes, waar hele uitstallingen van blikken borsten, benen, handen, jongetjes, meisjes, ogen, neuzen, enz. hangen, het is nog Asklepios hier en Asklepios daar), maar hij houdt niet erg van zijn aardse onderdanen. Ik kan het niet lang bij deze toornende Goden uithouden. Vlug bekijk ik nog een paar beroemde weefsels en ik zie, dat ze als bezaaid zijn met geborduurde gezichten, ongelofelijk knap, alles goud en zijde en brokaat en
| |
| |
weelde, een groot Heer deze Christus, die toch ook maar op een ezeltje reed, een Turkse sultan is er niets bij. Ik kan geenszins zeggen, dat deze verzameling geen indruk op me maakt, en het is een mooi museum van de duchesse de Plaisance, maar het is jammer, dat de duchesse niet thuis is.
Er is nog een paviljoen met copieën en daar waakt een vriendelijk man over. Hij vraagt me of ik Griek ben en als ik hem vertel, dat ik dat nièt ben, waarschuwt hij me in zijn beste Frans: allemaal copieën hier. Ik laat me niet afschrikken en hij ook niet en dus wandelen wij samen verder. De heilige dit en de heilige dat, legt hij uit.
Dan komen wij aan het einde van deze zaal vol ongure, slecht uitgevoerde namaaksels van het beste wat de Byzantijnse kunst heeft opgeleverd. Een engel bij Maria, kondigt hij aan, in het midden Jezus (in een medaillon), Maria schrikt, (hij doet haar na en naar zijn gebaar te oordelen moet het wel schrikken zijn; uit hetgeen hij zegt, kan ik dat niet opmaken, want zijn Frans is plotseling Grieks geworden) ziet u, ze schrikt (nog eens dat gebaar). Waarom, vraag ik me af, maar ik durf het niet te vragen en om toch mijn belangstelling te tonen, informeer ik in mijn beste Grieks: Poe iene (ik bedoel: waar bevindt zich het origineel?) Hij antwoordt: Jeruzalem.
Ik: Ochji, avtó (ik klop op het kunstwerk). Poe iene? Het is in Jeruzalem gebeurd, maar waar is het schilderij? voeg ik er in het Hollands bij.
Hij: Jeruzalem.
We lopen voldaan verder, in het bewustzijn, dat we elkaar wel niet hebben begrepen, maar toch iets gezegd hebben en bij een copie in de tweede zaal zegt mijn gids: De heilige dit en dat en de heilige Demeter (ik kan er niets aan doen, ik verstond Demeter). In Saloniki.
Ik verbeter: ‘In de “Aghios Dimitrios” te Saloniki’.
Hij knikt voldaan: ‘Demeter in Saloniki’.
‘Dimitrios’, zeg ik.
‘Demeter’, zegt hij.
‘Evcharistó poljí, chjérete,’ zeg ik ten slotte en verlaat ten volle bevredigd den vriendelijken geleider en het museum.
Byzantium is mij nog vreemd gebied. De kerkjes zijn aardig, mooi van kleur en smaakvol als reliquiekastjes of bijouteriedoosjes, maar wij stellen ons bij een kerk iets anders voor en dat ligt natuurlijk aan ons, want ook de tempels waren niet anders dan Godenwoningen en geen verzamelplaats voor de gelovigen. Maar de tempels suggereren met hun rechte horizontale en verticale lijnen de beheersing der Goden van de ruimte, de alomtegenwoordigheid, die buiten de grenzen van het gebouw uitgaat; in de Byzantijnse kerken zit God heel geconcentreerd, vurig en gloeiend van energie in een doosje; de ronde daken zijn ook net deksels en men krijgt het gevoel, dat als ze er niet waren de al te hevig stralende Godheid ons van pure hartstocht zou verbranden.
| |
| |
Neen, dan toch maar liever het Helleens beeldhouwwerk, dat tegenstrijdige gedachten en gevoelens opwekt, maar waarbij men ten minste hoogstens denkt en voelt en geen beklemming ondervindt.
Eén van de onaangename eigenschappen der Griekse beelden is echter, dat ze in musea staan. Dit merkt men vooral, als men het Kerameiko bezoekt aan het eind van de Piraiosstraat, een combinatie van kerkhof en muuroverblijfselen. Het is niet zo vreselijk mooi, wat er op dat kerkhof staat, behalve dan de stier waar ik een zwak voor heb, maar het staat in de vrije natuur en men voelt meteen, dat het daar voor gemaakt is.
Verderop wordt het hier een chaos: men vindt overblijfselen van een muur van Themistokles en van één van Konon en dan nog een muur en de ingang van de Eridanos en van de heilige weg, die uit Eleusis komt, naar de stad, van een groot gebouw, waar niet veel meer van te zien is, het Pompeion en van het Dipylon, waar de Dipylonvazen naar genoemd zijn, een dubbele poort, alles zeer interessant maar een beetje verward.
Zo vlak bij de weg naar Daphni besloot ik nu eindelijk het beroemde klooster, dat ik steeds maar weer voorbijgereden was, te gaan bezoeken. De omgeving is in ieder geval mooi en ten slotte: men behoort de mozaïeken gezien te hebben.
Het is maar gelukkig, dat ik dat besluit genomen heb, want hier kom ik tot het inzicht, dat men behalve de klassieke ruïnes, de beelden, de reliëfs, de vazen en de goudschatten, het landschap en de zee ook al de Byzantijnse kunst in Griekenland au sérieux moet nemen. Ik had een stille hoop gehad, dat men althans deze met een zeker nonchalant air zou kunnen behandelen, al was het maar om een tegenhanger te vinden van de door de andere bezienswaardigheden veroorzaakte emoties, iets waar men hartelijk om kon lachen, iets dat men in ieder geval met gerust geweten kon voorbijlopen, maar na Daphni is het uit met de bouderende heiligen. Zij kijken nog steeds boos en Christus Pantocrator, die ons van de zoldering van het klooster aanstaart is mijn Christus niet, maar men voelt het: hij heeft het een en ander geschapen. Hij is niet meer uitsluitend destructief en angstaanjagend, maar hij heeft tevens waardigheid en kracht. De taferelen van Daphni zijn in de eerste plaats prachtig van kleur: het blauw en het wit, het groen en het zachtgrijs, slechts hier en daar ziet men rood of violet en hierdoor wint het geheel aan sereniteit. Het valt mij op, dat de met de bogen mee rondende figuren geen vertekening vertonen, als men ze beschouwt. Hetzij, dat het oog snel aan de op gekromde vlakken aangebrachte figuren went en zichzelf corrigeert, hetzij, dat door den kunstenaar reeds rekening gehouden werd met de eigenaardige hoek, waarin zijn werk beschouwd zou worden: behalve het vermoeiende met zijn hoofd in de nek lopen biedt het bewonderen van deze mozaïeken generlei optische bezwaren en men kijkt er naar als naar vlakke schilderijen.
| |
| |
Het water valt en is doorzichtig en men verwondert zich nauwelijks, dat water weergegeven kan worden door middel van naast elkaar gelegde steentjes, de ‘techniek’, de curiositeit van de techniek valt helemaal weg en men kijkt slechts naar de conceptie, de compositie, de kleur. Slechts bij een smalle figuur van een enkelen heilige is het wat gek, dat hij zijn hoofd al te zeer naar ons toebuigt, maar onmiddellijk daarop merkt men op hoe prachtig blauw en wit hij is, hoe vriendelijk en innemend en zijn gebogen gestalte is bijna een symbool... Enigszins uit het veld geslagen, omdat ik mijn wat losweg aangenomen houding tegenover Byzantium moet herzien, verlaat ik het kerkje en mijn eerste gedachte is: is er nog iets Byzantijns in de buurt van Athene? De kleine 13e eeuwse kerkjes in de stad zelf ken ik, het blijven prachtige bijouteriedoosjes, Kapni karea, zowel als de kleine Metropool of Haghios Theodoros. Ik kijk mijn verschillende prospecti en gidsen na en ontdek: Kaiseriani, aan de andere kant de bergen in, voormalig klooster met een interessante kerk. En ik lees, dat Ovidius de plek heeft beschreven:
Est prope purpureos colles florentis Hymetti
Fons sacer et viridi cespite mollis humus.
Silva nemus non alla facit, tegit arbutus herbam,
Ros maris et lauri nigraque myrtus olent...
Al is Latijn niet mijn sterkste zijde, ik maak uit deze gids in dichtvorm op, dat er heuvels zijn en een heilige bron en een bos en dat het er lekker ruikt en overigens: waar Ovidius geweest is, kan ik me ook vertonen. Het is maar vijf of zes kilometer van Athene en men gaat eerst een heel stuk met de bus...
Inderdaad: de bus brengt ons naar mijn schatting zo ongeveer tot aan het klooster, minstens vijf kilometer van zijn standplaats achter de Academie en ik stap dus uit in een troosteloze nederzetting van vluchtelingen in de verwachting onmiddellijk het bos en de bloemen en de geuren en de bron in oog en neus te krijgen, hoewel ik me niet voor kan stellen, dat het hier ergens om een hoekje kan liggen en toch zijn sfeer heeft bewaard en het valt dan ook tegen, of liever mee, want het blijkt, dat we nog minstens drie kwartier moeten lopen voor we er zijn. Hoe dit in overeenstemming kan zijn met de aanduiding in de gids is me een raadsel, maar zo zijn ze nu eenmaal.
Het is wat vermoeiend steeds naar een klooster uit te moeten kijken, dat er niet is, maar het wordt hierdoor begerenswaardiger en de wandeling door het voorgebergte van de Hymettos (ik had gedacht, dat deze nu een uitzondering zou maken en onmiddellijk als een muur van steen op zou rijzen, maar ik heb me vergist: er komen nog heel wat heuveltjes voor men kan zeggen, dat men de helling bereikt heeft) is niet onaangenaam; Athene strekt zich als een luie poes uit over de hele vallei.
En wij hebben ons niet te beklagen, want voor en achter ons torsen groepjes
| |
| |
van vier en vijf personen mondvoorraden mee voor het dubbele aantal: de onafscheidelijke karpóezi, die zo naar hol smaakt, als men er voor het eerst in bijt, maar heerlijk veel vocht heeft, als men dorstig is, grote ronde broden, groenten, stukken vlees, pannetjes...
Als wij aan de plaats van bestemming komen, inderdaad een bijou van een kerkje verscholen tussen het groen, zien wij, dat deze plek een geliefd uitspanningsoord is voor de Atheners. Tussen de bomen wordt overal gekookt en om de twintig meter komt men hier in het dal een vrolijk gezelschap tegen van mensen, die ‘uit’ zijn. Het intérieur van de kerk is niet imponerend, maar de binnenplaats met haar galerij van cellen en haar uitbundige vegetatie is romantisch en maakt een weelderige indruk na de tocht door de kale bergen. Een dikke zeug heeft het zich in een der cellen gemakkelijk gemaakt en kijkt mediterend over de leuning naar beneden op de gelovigen, en in het enige bewoonde huis, dat een deel vormt van de voormalige kloostermuur, is men ijverig in de weer, niet lettend op Atheners of vreemdelingen. Men is hier onder elkaar en de ‘bezienswaardigheid’ krijgt iets onzegbaar gemoedelijks.
De oranje-gele kerk met zijn bruinrood dak staat in een goed onderhouden hof met een hoge pijnboom en nog hogere donkergroene cypressen en laurieren, die er uitzien als opgeschoten treurwilgen met roze takken. Er zijn hier geluiden, die men anders weinig in dit strenge land verneemt: de vogels zingen, het water klatert en de wind ruist door de bomen. Overal prijken bloemen: donkerblauwe irissen en rode geraniums en gele brem. De hof is keurig geplaveid met grijze steen en in de muur heeft de natuur hier en daar een toef groen gestoken, terwijl de mensen een aantal antieke resten (er stond hier een Aphrodite-tempel) hebben uitgestald of in de deuren en muren verwerkt, waardoor men zich toch in Griekenland voelt en niet in Italië of Spanje, waar dergelijke hoven dikwijls de kern vormen van een klooster. Er gaat iets kalmerends uit van dit kleine gebouw, dat zo gaaf staat tussen de gave ruïne van het klooster, goed bewaard gebleven, en zijn vervallen en ongebruikte staat alleen verradend, doordat een paar stenen trappen slechts naar de hemel en niet naar een paar verdiepingen, die er eigenlijk nog moesten zijn, leiden. Het klooster en zijn domein is nu staatsbezit en dat is maar goed ook, want in de oorlog is het bos er omheen totaal verdwenen, omgehakt door de Duitsers en de bevolking, doch men heeft nu overal de hellingen opnieuw beplant, voornamelijk met jonge cypressen. Van die hellingen heeft men een prachtig uitzicht op Athene, vooral op de Lykabettos, die men in de stad steeds als spitse heuvel ziet, doch die in werkelijkheid een rug is, een liggende kameel met twee bulten, maar dan mooier, en verder drie ‘coulissen’ van vage bergmuren achter elkaar oprijzend. Een heerlijk rustig oord om de Zondag door te brengen en dat doen de Atheners dan ook, hoewel het hier niet zo schaduwrijk meer is als vroeger.
Het is niet gemakkelijk Grieken onbemerkt gade te slaan: zij letten zelf te veel
| |
| |
op vreemdelingen, maar hier is men dagjesmens met de dagjesmensen en niemand let op niemand. Er wordt geen trictrac gespeeld en de kettingen, die de mannen anders steeds door hun handen draaien, heeft men thuis gelaten.
Over die kettingen met gele kralen met of zonder kwastje ergeren zich vele buitenlanders; het ziet er zo ‘vrouwelijk’ uit en hier spelen uitsluitend mannen er mee. De ketting is als een wild geworden rozenkrans en leidt de al te gespannen zenuwen af, maar waarom is de Griekse man nerveuzer dan een andere Europese man en nerveuzer dan zijn vrouw? Hoe dit ook zij: het ziet er werkelijk nogal gek uit, maar ik vind, dat men er zich te veel over opwindt.
Merkwaardig is, dat het Griekse volk zich, als men het eenmaal meent te kennen, aan een algemene karakteristiek onttrekt. Hoe gevaarlijk het ook is ten opzichte van een volk te generaliseren, men kan gewoonlijk als men in een land woont, een paar dingen zeggen, die enig idee geven van de habitus, van het karakter. Een Duitser, een Fransman, een Oostenrijker, een Spanjaard, de aanduiding betekent meer dan een man, die een bepaalde taal spreekt en in een zeker land woont.
Bij de Grieken is dit lastig: zeker, zij hebben wat meer de tijd dan de Noordelijke volken, maar dat hebben zij gemeen met de meeste Europeanen, die langs de Middellandse Zee wonen, zij drinken veel water (ik zie mezelf hier op een avond al zes glazen jenever drinken, zoals sommige van mijn kennissen in Holland doen zonder dat hun hand ook maar een spoor van onvastheid vertoont, het is heus te warm), hun wijn is met terpentijn vermengd en smaakt afschuwelijk, zij praten met hun handen (waar in de Orient doet men dat niet?), maar een opvallende eigenschap: de trots van den Spanjaard, het chauvinisme van den Fransman, de nuchterheid van den Hollander, een speciale karaktertrek ontbreekt.
Er zit iets onsympathieks in de manier, waarop ze ontkennen of weigeren, dit naar achteren brengen van het hoofd, terwijl de oogleden geloken worden heeft iets van leedvermaak. Een winkelier kan u beduiden, dat hij een bepaald artikel niet heeft op een wijze, die bijna beledigend lijkt. Er zit ook verachting in, als men dit gebaar door een heer ziet maken, die een schoenpoetser te kennen wil geven, dat hij niet op zijn diensten gesteld is. Ook de wijze, waarop het woord ‘óchji’ soms uitgesproken wordt is zonder twijfel onaangenaam, de ‘o’ wordt heel open uitgehaald en het geheel krijgt een synonieme betekenis met: donder op, je bent gek, al naar de interne betekenis van het ‘neen’. Het feit al, dat ons neen bij hen een bevestiging is zou reeds op de onvriendelijkheid van dit volk wijzen, had het niet een andere zo welluidende term voor ‘ja’, namelijk: ‘málista’ en het soms nog aangenamer, bijna intiem geïntoneerde ‘pos’.
En verder het aantal manieren, waarop men elkaar goedendag zegt, is eenvoudig overdonderend: Kaliméra, Kalispéra, Kaliníechta, Adío, Jássas, Chjérete,
| |
| |
Stokaló in allerlei variaties met of zonder ‘sas’, het dikwijls tweemaal herhalen van dezelfde groet... neen, dit volk is niet onvriendelijk, al kan het iemand afwijzen op de sadistische wijze van zijn Byzantijnse heiligen.
Want het hoofdachterovergebaar en het ‘óchji’ is dikwijls nog niet voldoende, soms wordt de hand er nog afwerend bij opgeheven en het hele bovenlijf naar achteren gebracht en soms is er nog een veelzeggender handbeweging, die verder in Europa helemaal onbekend is: men spreidt de vingers van de ene hand of van beide handen uit voor het gezicht van de aangesproken persoon en dit is het gevaarlijkste, wat men als buitenlander tegenover een Griek kan doen, want men kan zich nauwelijks realiseren, dat men hem hiermee dodelijk beledigt. Ik vroeg mijn kennissen naar de preciese betekenis van dit gebaar en zij wisten er geen andere verklaring voor te geven dan: het is hetzelfde als dat men iemand in het gezicht spuwt. Een volk met zulke tergende gebaren... Doch dat is het enige; men moet al een heel teerhartig mens zijn, wil men Grieken als wreedaards zien, zij behandelen hun beesten niet te best, maar ook dat is Oosters, en dan is het lijstje op dit gebied ook volledig uitgeput.
Voor zover ik kan nagaan, zijn ze eerlijk, in geen geval oneerlijker dan andere volken, alleen ze beschuldigen elkaar doorlopend en daardoor komen de praatjes in de wereld.
De vrouwen zijn nieuwsgierig, vertelt me... een vrouw en ik verwijs haar naar haar soortgenoten in andere landen: als karaktertrek lijkt deze karakteristiek niet karakteristiek.
De Griekse vrouwen zijn mooi en wat vooral bij haar opvalt is de gang: bijna elke Griekse vrouw heeft een statig-elegante loop, die door de meeste bezoekers van Griekenland verklaard wordt uit het feit, dat ze vroeger met waterkruiken op haar hoofd liepen. De hoge hakken zijn bezig alles te bederven, schreeuwt reeds een natuur-aestheet. Ik kan het niet met hem eens zijn: de Griekse vrouwen lopen op dunne, hoge hakken, alsof ze er op geboren zijn en klauteren er mee als gemzen, haar heupen wiegen heel even onder het gaan, juist zoveel, dat men even gebiologeerd omkijkt, juist zo weinig, dat zij niet te ver gaan in haar uitnodiging... in ieder geval: niets te veel. Zij zijn slank, goed gekleed en een Grieks heer, van wien men moet veronderstellen, dat hij zijn volk door en door kende, beweerde, dat ze intelligenter en ook moediger zijn dan de mannen. Arme echtgenoten...
Dat de kapelletjes op plaatsen staan, waar men vroeger een tempel had gezet, dat de ikonen met handen en voeten en borsten en ogen behangen zijn, zoals men vroeger Asklepios met afbeeldingen van zijn zieke lichaamsdelen verblijdde: het verschaft mij weinig licht. Het Griekse volk heeft misschien een ‘minderwaardigheidscomplex’: zo'n verleden geeft daar gerede aanleiding toe, benevens het feit, dat het land ten slotte klein is en weinig bewoners telt, alsmede de omstandigheid, dat het bij wijze van spreken pas onder het Turkse
| |
| |
juk vandaan gekropen is. Een complex en een karaktertrek mag men echter niet met elkaar verwarren: als iemand mij zegt, dat hij een complex zus of zo heeft verwijs ik hem naar een psychiater en niet naar een psycholoog. Het brengt ons niets verder, behalve dan dat het misschien verband houdt met de gele kettinkjes.
De Grieken lopen wat hun gestalte en gelaatsvorm betreft geweldig uiteen. Men ziet veel kleine, zwartharige en bruinogige Grieken, maar men treft ook, evenals in andere Zuidelijke landen mensen met blauwe ogen (weinig met blond haar) aan. Ik heb neiging van de Grieken hetzelfde signalement te geven als dat waarmee men iemand, die zijn uiterlijk nogal merkwaardig vindt, verblijdt, zodra hij een paspoort aanvraagt: neus: gewoon, mond: gewoon, haar: gewoon, gezicht: gewoon. Bijzondere kentekenen: gene. Ik kan met de beste wil van de wereld niets bijzonders aan den gemiddelden Griek ontdekken. Voor mij zijn het noch naar lichaam, noch naar de geest ‘gedegenereerde’ oude Grieken of ‘echte zonen’ der Hellenen. Hellas en Griekenland: het zijn twee gescheiden gebieden en ik zie nog geen aanknopingspunt, in gunstige noch ongunstige zin.
Vele Grieken achten de bewering van ‘buitenstaanders’, hoe deskundig zij overigens mogen zijn, onjuist, dat er geen verband zou bestaan tussen het klassieke Hellas en het tegenwoordige Griekenland, dat overigens door de Grieken zelf nog steeds Hellas genoemd wordt. Zij wijzen op de omstandigheid, dat tussen de Helleens-Hellenistische en Romeinse tijd enerzijds en de tijd van de Turkse overheersing en die van het bevrijde Griekenland anderzijds Byzantium ligt, dat zij in wezen ‘Grieks’ achten. Zoals Byzantium gevoed werd door de Helleense geest, zo vindt men in het tegenwoordige Griekenland, met name in het ritueel van de kerk, de volksliederen en volksdansen een voortzetting van Byzantium. Wil men het hedendaagse volk begrijpen, dan dient men zich allereerst te verdiepen in de geest van wat wij het Oost-Romeinse rijk noemen, zo meent men.
Nu is dit niet gemakkelijk; de belangrijke Byzantijnse monumenten liggen niet uitsluitend in Griekenland: om ze te leren kennen moet men de kloosters van Joego-Slavië zowel als Konstantinopel bezoeken, Ravenna, Venetië, Rome en Torcello in Italië, Daphni, Hosios Loukas, Saloniki en Arta in Griekenland. Veel is beschadigd en vaak niet zeer deskundig hersteld, men moet over een zekere phantasie beschikken om de op zichzelf reeds ingewikkelde Byzantijnse historie in haar schaarse monumenten te doen herleven.
Daarbij komt nog, dat de kunst van Byzantium niet onmiddellijk aanspreekt: de kerken zijn over het algemeen klein, zij zijn gecompliceerd van structuur en iemand, die gewend is aan Gothische of Romaanse kathedralen zal ze, behalve de Aghia Sofia van Konstantinopel en de San Marco van Venetië niet groots vinden. De geest van de figuratieve voorstellingen is eerder hard en
| |
| |
afwijzend dan innemend, voor onze begrippen streng en feodaal, hetgeen weer niet in overeenstemming is met de geringe afmetingen.
De Byzantijnse keizers hebben geen paleizen nagelaten, de Byzantijnse edelen geen kastelen, de Byzantijnse burgers geen huizen, de Byzantijnse kunst kan men slechts leren kennen in haar kerken en in haar mozaïeken of wandschilderingen, haar handschriften en haar literatuur. Het Byzantijnse rijk werd in zijn geestelijk leven sterk beïnvloed door het Oosten en beïnvloedde op zijn beurt het Westen, maar voor den gemiddelden leek begon onze beschaving met Griekenland, zij werd ‘voortgezet’ door Rome en ontwikkelde zich tijdens de Middeleeuwen in de Westelijke landen. Bij dit alles schijnt Byzantium dan slechts zijdelings te zijn betrokken en het verdwijnt na nog een rol gespeeld te hebben in de kruistochten na 1453 bij de val van Konstantinopel achter het ‘ijzeren gordijn’ van het Turkse imperium.
De werkelijkheid is wel enigszins anders, maar om dit te beseffen moet men zich wat moeite geven en zich verdiepen in geschiedenis en cultuur van Byzantium. Wil men dit doen, dan mag men Saloniki niet overslaan, Saloniki dat althans op Griekse bodem een sleutelpositie inneemt. Niet alleen om haar zeer belangrijke kerken, maar wellicht om de gehele sfeer van de stad, die in mijn verbeelding minder Helleens is dan de steden van het Zuiden, dichter bij Konstantinopel, dichter bij Byzantium.
In mijn verbeelding vermoedelijk, want ik kan niets bewijzen en ik vraag mij af, waarom ik mij Saloniki niet ergens verder in de Westen of dichter bij Athene kan ‘denken’. De stad ligt als een reusachtig amphitheater tegen een ronde helling, bekroond door Middeleeuwse muren, waarvan de vierkante torens een forse rij van stevige bastions vormen. Onder die muren kronkelen de steile straten van de oude stad, waar de huizen op de helling geschaard liggen, waar men onverhoeds een verlaten klooster met pauwen en mozaïeken, een ezelkaravaan, een oude kerk, goed onderhouden tuintjes, waterpijprokende grijsaards en moderne mensen tegenkomt. Hoewel de woningtoestanden allesbehalve florissant zijn wordt het schilderachtige beeld niet ontluisterd door schreeuwende armoede, de in vrolijke kleuren gepleisterde huizen met brede erkers zien er vrij goed onderhouden uit en de binnenplaatsen zijn schoon. Afdalend komt men ineens aan de brandgrens van 1917, want het centrum van Saloniki werd in dit jaar grotendeels verwoest: een smalle straat wordt plotseling een brede boulevard, die uitloopt op een ruim plein en men staat in een volkomen nieuwe stad.
Deze nieuwe stad is ontworpen door den Fransen architect Hébrard en men loopt er niet zonder een vreemde vertedering door, want het blijkt, dat voor dezen goeden man het begrip stedebouw identiek was met het trekken van aardige rechte of schuine lijntjes op een tekenbord. Ergens in het midden heeft hij een enorm plein ontworpen, dat met het eigenlijke centrum van de stad niets
| |
| |
te maken heeft en dan ook hoofdzakelijk leeg is. Van deze open vlakte daalt een brede boulevard af naar zee. Aan weerszijden eveneens een boulevard, ook naar zee lopend en de tussenruimte ingevuld met vierkante blokken. Hiermee nog niet tevreden ontwierp hij twee boulevards evenwijdig aan de kust ‘boven’ en ‘onder’ het grote plein en versierde het geheel met een paar schuinlopende straten aan de zijkanten. Het resultaat is eerder vreemd dan fraai, maar een vreemdeling heeft het voordeel, dat het niet moeilijk is zich in Saloniki te oriënteren. Kent men eenmaal het systeem, dan kan men blindelings de weg vinden. Eén ding heeft onze tekentafelexpert echter niet vergeten: hij ontwierp een prachtige boulevard aan het water, waar heel Saloniki tegen zonsondergang op en neer loopt om te zien en gezien te worden.
Dit strakke Franse plan, geadopteerd aan het wat slordige dagelijkse leven van den Griek, heeft een eigenaardige bekoring: kennelijk is nog heel wat blijven staan, dat volgens den ontwerper afgebroken had moeten worden en zo verzeilt men van de strengheid alras in wat ongegeneerder gedoe en vindt men naast een hoog woongebouw een verwaarloosd Turks bad, dat als bioscoop dienst doet. De straten zijn slecht geplaveid, de trams voorwereldlijk, de ezels talrijk, de café's ontelbaar, de markten kleurig en in enkele nette straten heerst toch nog een vrolijke bazarstemming met glinsterende vis, oranje sinaasappels, rood vlees, scheermesjes en dweilen, potten en pannen, olijven en macaroni uitgestald in de buitenlucht. Daarbij komt nog, dat vele gebouwen in Jugendstil zijn opgetrokken, in 1917 was men hier blijkbaar een goede tiental jaren achter bij de ontwikkeling van de bouwkunst in het Westen, want vele gewaagde krullen prijken in de binnenstad met een jaartal van na de brand naast de hier dikwijls saaie producten in gewapend beton, die evenals in Athene meestal onverantwoord dicht op elkaar staan.
En daartussen liggen de kerken: de kerk van St. Demetrius is in 1917 ook geheel verwoest met bijna alle mozaïeken, die te oordelen naar het zestal, dat overgebleven is, een prachtig geheel moeten hebben gevormd. Zij waren slechts tien jaar tevoren ontdekt. Van de zes, die zijn bewaard gebleven zijn vier geheel gaaf en als men hier niet overtuigd raakt van de schoonheid der Byzantijnse mozaïeken dan kan men het wel opgeven. De figuren zijn strak, gestyleerd, en men krijgt de overtuiging, dat de Byzantijnen in een sterke traditie gevangen waren, maar deze koninklijke heiligen, wier gespannen houding de rigiditeit van het ‘orthodoxe’ geloof weerspiegelt, zijn krachtige figuren, die de hemel kunnen weggeven, mits men in hen gelooft. Zij zijn niet van onze geest en bedreigen ons eerder dan dat zij ons liefhebben, doch zij geven de garantie, dat men met hun hulp de dood kan trotseren. Ik houd niet van dit soort voogdij, evenmin als van die van de Egyptenaren, maar ik moet toegeven, dat deze onaardse gestalten in mensengedaante meer indruk op me maken dan bijvoorbeeld de meeste Madonna's van Rafaël. Piero della Francesca weet dezelfde
| |
| |
ongenaakbaarheid, die nochtans niet geheel afwijst, op te roepen. Massacio en Giotto zijn veel devoter, Mantegna veel meer vervuld van het détail en in het algemeen van andere problemen dan de vroomheid, Carpaccio is veel bekoorlijker, Greco, de Kretenzer, die uiterlijk toch wel iets Byzantijns heeft, vertolkt niets van het wezen van Byzantium, omdat hij te zeer vervuld is van het leed. Het is moeilijk aan de hand van hetgeen men kent dit stadium van de Byzantijnse kunst te doorgronden, maar Saloniki geeft gelukkig zelf het vergelijkingsmateriaal en eerder dan aan een bepaalden kunstenaar te denken moet men hier ‘periodes’ vergelijken: dan zijn de mozaïeken van St. Demetrius vroeg-Byzantijns en vormen een hoogtepunt, terwijl de waarschijnlijk nog oudere figuren van St. George, een oorspronkelijk Romeins gebouw, dat als Byzantijnse kerk heeft dienst gedaan, hoe interessant ook, de verwantschap, de relatie met de mens ontkennen. Alle latere mozaïeken zijn veel meer voorstellingen dan de ‘afgodsbeelden’ van St. George, maar de heiligen van St. Demetrius vormen de overgang: het afgodsbeeld gaat leven doch handhaaft de afstand tussen de sterfelijken en de onsterfelijken. Iets dergelijks treft men aan bij de overgang van archaïsch Grieks naar klassiek, en van Cimabue naar Giotto. Voor de hand liggend is de mening, dat naarmate de kunstenaar vaardiger wordt, hij aan overtuigingskracht kan verliezen. Als men aanneemt, dat even vóór Phidias, bij de mozaïeken van St. Demetrius en bij Giotto een korte tijdspanne van ongekende harmonie ontstaat, men zou dit de geboorte van het ‘kunnen’ willen noemen, is het echter noodzakelijk ook de persoonlijkheid van den op dat ogenblik bewust wordenden kunstenaar in het proces te betrekken en deze verschuilt zich meestal nog, zij het niet willens en wetens, juist omdat hij de ‘eerste’ is. Wat er aan de bewustwording van de
vaardigheid is voorafgegaan (niet aan de verwerving van de vaardigheid zelve, want die vond reeds veel vroeger plaats en het woord ‘primitief’ is dan ook bijzonder misleidend) ligt vermoedelijk op ethnologisch-religieus terrein, maar de bewustwording zelve is behalve een geboorte meteen een zondenval: de mens wordt van zijn God of van zijn medemensen, zijn clan, dikwijls van beide, gescheiden. De bijna gelijkvormige figuren in de rand van de koepel van St. George, geplaatst voor een architectuur, die aan Pompejaanse wandschilderingen doet denken of misschien aan de klassieke toneelbouw, vinden hun voortzetting in de mozaïeken van San Apollinare Nuovo en in die van de koepel van de Aghia Sofia te Saloniki, alsmede in sommige Joego-Slavische wandschilderingen, met name de heilige krijgslieden van Nerezi en de kerkvaders van Sopocani, waar de Byzantijnse kunst monumentaal wordt door herhaling van schier identieke, maar niet geheel identieke motieven. Reeds in St. George is in détails deze neiging hetzelfde thema haast onmerkbaar te variëren aanwezig. De pauwen op de gebouwen achter de figuren worden paarsgewijs symmetrisch geplaatst, doch bevinden zich van voorstelling tot voorstelling, ook weer paarsgewijs, steeds
| |
| |
op een andere plaats, terwijl ook de architectuur wisselt. De monumentaliteit is echter een andere dan die in de figuur zelve en in de Aghia Sofia van Saloniki wordt zij bijna kinderlijk als men de twaalf apostelen tussen steeds dezelfde bomen ziet staan, als in een kringetje van kiekeboe spelende jongens. Later, in Daphni bijvoorbeeld en vooral in de kerk van Dódeka Apóstoli te Saloniki met haar XIV-eeuwse wandschilderingen zijn de voorstellingen veel meer illustratief, dan maakt de afbeelding plaats voor het onderwijs, nuttig zonder twijfel, ontroerend ook, maar de bovenaardse kracht is verdwenen als bij de Hermes van Praxiteles of de laat-Gothische beeldhouwwerken.
Zo is dus Saloniki, behalve een gezellige stad van pantoffelparades en Jugendstil, van bolwerken en vergezichten, van kleurige uitstallingen en vaalgroene trams tevens een leerschool voor degene, die wil trachten de Byzantijnse kunst te benaderen, een goede of een slechte leerschool, dat hangt, als steeds, van den leerling af.
|
|