| |
| |
| |
6
Als men een ‘verzamelaar’ van historische plekken of tempels of zuilen is, en dat wordt men gauw in Griekenland, dan is het een kwelling in één ruk van Athene naar Delphi te reizen. Het eerste stuk tot Eleusis gaat nog wel, want Daphni en Eleusis heeft men natuurlijk van Athene uit bezocht, maar na Eleusis tuft men, steeds droevig kijkend om hetgeen men moet overslaan de verleidelijkste zijpaden voorbij. Het begint met de weg naar Aigosthena, één van de belangrijkste vestingen van Attika tegen mogelijke vijanden met muren uit de vierde eeuw en vijftien vierkante torens, waarvan verschillende nog geheel volledig zijn. Maar helaas, men moet na een moeilijke weg voor de auto nog 2½ uur op een ezeltje gaan zitten en dat is wel leuk, doch bijzonder tijdrovend en een vesting is geen tempel, en daarom slaan we Aigosthena maar over. Volgende vesting: Eleutherai, zo te zien van de weg af, dat wil zeggen: achteromkijkend, want van Athene afkomend houdt het zich schuil, twintig minuten naar boven of meer, bijzonder volledig, zeven poorten, waarvan enkele met twee verdiepingen, muren van twee meter zestig centimeter. Maar twintig minuten... Ik kijk de anderen aan, maar vind geen weerklank: hoekje om, wèg vesting.
‘Uit Eleutherai kwam Dionysos naar Athene’, zegt mijn vriend na vele hoekjes spijtig. Ik weet het, ik heb het ook gelezen. ‘Hij was van hout’, zeg ik, bij wijze van troost en we weten beiden, dat we iets gemist hebben.
Op zulke ogenblikken moet je oppassen, want van pure spijt mis je dan nog meer en het uitzicht als je, over de Kithairon komend, in de vlakte van Thebe kijkt is zo mooi, dat je geen andere gedachten in je hoofd mag hebben. We dalen steeds ‘ach’ en ‘oh’ roepend de berg af, schieten links van een bordje ‘Plataiai, 5 km’ de vlakte in. De beroemde, laatste veldslag tegen Mardonios, waar de Perzische veldheer sneuvelde en Griekenland zijn Perzen definitief kwijt raakte.
| |
| |
‘Een gewone vallei’, denk ik, ‘zoiets als Marathon’, en dan draaien we over een bruggetje, dat de oevers van de Asopos verbindt en daar was het kamp van diezelfde Mardonios en ik kijk nog even en zie een geit. Het gaat wel erg vlug, vooral in de vlakte en we zijn in Thebe voor ik Mardonios vergeten ben.
Thebe is naar veler mening gelukkig één van die stadjes, waar je door mag vliegen zonder je daarvoor te hoeven schamen. De ruïnes van het paleis van Kadmos zijn niet belangwekkend, het museum evenmin en de rest is grotendeels ‘topographie’. De bron, waaraan Oidipoes zich waste, nadat hij zijn vader had gedood, een op het oog modern geval, dat er alleen wat vreemd uitziet, omdat uit twaalf pijpen het water in een bassin stroomt, hebben we al eens gezien en de rest, nu ja, de rest is ook interessant, maar we gaan lekker niets opzoeken. Zo'n stemming kan soms een heel gezelschap bevangen, als de leden enige weken achtereen de ene antieke bedevaartplaats na de andere vol geestdrift hebben bekeken en eerlijk en echt onder de indruk zijn geweest. Men is plotseling ‘ruïne-moe’ en gelooft het wel. Pas de wroeging (en het is werkelijk wroeging) schudt de geest weer wakker en Thebe is erg geschikt om iemand er toe te brengen voortaan beter uit zijn ogen te kijken en een stapje om te lopen, want de stad ligt nog in zijn geheel op een, zij het ook lage, heuvel, omringd door een droge gracht en maakt de indruk van een vesting, wederrechtelijk in beslag genomen door een stelletje karakterloze burgers, die helemaal vergeten zijn, dat Pelopidas en Epaminondas hun voorvaderen zijn. Een beetje dictatoriaal aangelegd, zei U? Dat kan wel zijn, maar Oidipoes dan of liever Sophokles?
Zo zwerf je even door deze kaarsrechte straten met een paar namen in je hoofd, die je hier niet meer kan thuis brengen, maar aan het einde van zo'n straat zie je het plaveisel omlaagschieten in een droge, met bomen beplante vallei en je voelt je op een bult en in Thebe: phalanx, vadermoord, moederliefde, zeven jonge helden en een zuster, die haar broer wil begraven.
Na Thebe wordt het dan erg vlak en er zijn vele wegen, die van de hoofdweg leiden naar allerlei oudheden, maar die kunnen we niet inslaan, want het is daarbuiten modderig in het drooggelegde meer Kopaïs en na een Middeleeuwse toren en een grot zitten we voor we het weten in Levadia. Zo ben je al gauw meer dan honderd km van Athene en je hebt nog niets gezien.
In Levadia, een stadje uit Midden-Europa, tegen de bergen leunend en met een Middeleeuws kasteel er boven, wordt het een keuze tussen vergetelheid en herinnering, tussen Lethe en Mnemosyne, die het riviertje voeden, dat door de stad stroomt, maar de regen brengt uitkomst: de Hercyna-kloof ziet er formidabel uit, doch niet aanlokkelijk voor een groepje in wezen weliswaar gelijksoortige lieden, dat op het ogenblik echter verdeeld is in één doordrijvenden herinneraar en drie vergetelingen. Het befaamde orakel wordt dus niet geraadpleegd en niemand wil uit een bron drinken als het regent, zodat ook Levadia
| |
| |
weldra... maar neen, nu wordt het me te machtig en ik kondig enigszins plechtig aan, dat een tochtje naar Orchomenos slechts een omweg van twaalf, dat wil zeggen twee maal twaalf km betekent. En ik zeg: ‘Schliemann’, want ik weet, dat ons aller autobestuurder met drie slagwoorden te vangen is nl. Theater, Dionysos en Schliemann.
Schliemann doet zijn werk en we rijden de vlakte in naar een lage kam en staan midden of althans bijna midden in een dorp voor een geweldige poort met een diep, rond gat er achter: de schatkamer van Minyas, waarvan de koepel is verdwenen. Hoewel van dezelfde constructie als de bekende koepelgraven van Atreus, Klytaimnestra en Aigistheus te Mykene ziet deze ingang er nog indrukwekkender uit en ik beweer, dat hij hoger is. We kijken het na: ingang van het graf van Atreus 5,40 meter, die van het graf van Minyas 5,44 meter. Iedereen kijkt me ironisch aan, alsof ik beweerd heb, dat ik die 4 cm verschil werkelijk heb gezien. Gedekt met één enkele steen en niet in zijn afmetingen verkleind door een donkere ruimte er achter heeft dit bouwwerk iets gigantisch, alsof het door reuzen is gestapeld, een ander geslacht dan het onze. Het gevoel, dat men later in zo'n koepel bijgezet zou worden moet de levende mens enigszins getroost hebben in het besef, dat hij in de dood evenzeer onderscheiden zou zijn als in het leven.
‘Ik had dit niet willen missen,’ zegt één van de anderen goedkeurend, maar hij weigert de Akropolis op te gaan of zelfs maar de Macedonische stad te bezoeken, of, nog lager, naar de tempel van Asklepios te klimmen. ‘Er is hier nog een Byzantijns kerkje,’ zegt hij lafhartig en spoedt zich naar lagere regionen, waar een kerkje met een Grieks kruis als plattegrond en een wat al te ijverig in beton gezette koepel bewijst, dat het oud en nieuw tegelijk is, oud van 874 en nieuw van ongeveer duizend jaar later, toen het bij een aardbeving danig uit de voegen is geraakt. We scharrelen wat rond, kijken naar de altijd curieuze antieke fragmenten (je leest wel, dat zij bij de bouw van zo'n kerk antieke fragmenten gebruikt hebben, maar het is steeds gek ze dan te zien ook) en naar een paar kapitelen. ‘Karolingisch,’ zegt de één en de ander: ‘Karolingisch is beïnvloed door Byzantium’, en bijna hebben we de poppen aan het dansen, want de stemming is ietwat gespannen wegens het overslaan van bezienswaardigheden en het genoeg hebben van bezienswaardigheden en dan tuffen we maar liever zwijgend weg.
Doch nu verschijnt de Parnassos en na nog snel even de plaats te hebben overgeslagen, waar Oidipoes zijn vader vermoordde zitten we in de kloven van dit machtige massief, kijken vertederd en tevens geïntimideerd naar de besneeuwde top en schuiven langzaam langs Arakhova, dat ik tot mijn schrik lang niet meer zo mooi vind als vroeger, het dal van de Pleistos binnen, naar Delphi, waarvan wij ons eenstemmig voornemen geen enkele steen over te slaan.
Terwijl men bijna alle bezienswaardigheden van Griekenland met elkaar kan
| |
| |
vergelijken als ze ten minste een gelijksoortige functie hadden: Sounion met Aigina, de Akropolis van Athene met die van Lindos, Mykene met Orchomenos en dan weliswaar grote, doch geen principiële verschillen aantreft, is Delphi alleen met zichzelf te confronteren. Het had een unieke plaats in het Griekse leven, evenals Olympia, en de ligging is onvergelijkbaar met welke ‘heilige’ plek dan ook in Hellas.
Bij een eerste bezoek, vooral als men Sounion en Aigina kent, is de ligging teleurstellend: Sounion is wijd als de zee, men vindt er altijd een plekje, waar men alleen is, maar in Delphi zit men op een helling. Is men boven, dan kijkt men langs de helling, is men beneden, dan kijkt men weer langs de helling en iedere menselijke gestalte tekent zich met ontstellende nauwkeurigheid af. Delphi is zo bekend, dat niemand het mag overslaan en het gevolg is, dat men overal dames tegenkomt, die over hotels praten en heren, die hun guide bleu ‘voor alle zekerheid toch mee hebben genomen, hoewel ze alles weten’ en gezichten zetten, alsof zij heel anders kijken, lopen, en oordelen als andere mensen. Iedere man heeft hier zijn eigen oordeel, iedere vrouw demonstreert hier haar gemis aan oordeel.
Ik trek op met een guide-bleu-man, een baedeker-man, een dame met en een dame zonder parasol, verderop slentert een heer met een baard, die net doet of Delphi er niet is en achter me komt een heel gezelschap. Op naar Delphi, gij toeristen. Het is werkelijk afschuwelijk en ik hoop vurig, dat mijn mening, mijn inzicht niet beïnvloed zal worden door deze sfeer van supertoerisme; ik zie vier mensen op een rijtje hetzelfde kiekje nemen, dat ik reeds duizendmaal op prospecti, op ansichtkaarten bewonderd heb. Ik klim haastig naar boven en ben alleen: het ex-voto van de Lakedemoniërs, van de koningen van Argos, van de Epigonen, van de Tarentijnen... de koningen van Argos en de Epigonen liggen als twee halfcirkels tegen over elkaar, de schatkamer van de Sikyoniërs, de eerste mooie ruïne, de Siphiërs, de Knidiërs, twee lelijke huisjes, ik zie de gerestaureerde schatkamer van de Atheners en wil reeds gaan vloeken, maar wat hoor ik daar? Een donderende slag als een valwind, die door het ravijn kraakt en langs de bergwand versuist. Het klinkt enige seconden door en men hoort het geluid de hoek omsluipen. Ik luister gespannen en na enkele minuten herhaalt zich de geheimzinnige toon. Welke onnaspeurbare luchtstromingen kunnen deze stem, deze stem van Apollo veroorzaken? Een Helleen, een oude Helleen zou nu wellicht in aanbidding neerzinken en plotseling begrijp ik de kracht van het orakel.
In de verte zie ik mijn vrouw aankomen. Ik hol naar beneden en bemerk tot mijn verwondering, dat alle toeristen voor en achter me plotseling verdwenen zijn. Op de Romeinse markt voor de ingang van het sanctuarium spreek ik haar toe. Hoor je dat geluid? vraag ik gejaagd. Niet praten, even stil zijn... De stem van Apollo, wil ik er aan toevoegen, maar ik aarzel. Als het eens
| |
| |
niet de stem van Apollo was? Een valwind van de bergen, openbaar ik. Ach wat, beweert degene, wier geloof aan mijn onschendbaarheid verzwakt is door een langdurige, dagelijkse omgang. Het klinkt, alsof ze karretjes legen. En kijk, daar lopen wagentjes. Ze begint te lachen: ik ken je romantische hartje. Beschaamd kijk ik op naar de terrassen boven mij, maar ik behoef niet eens de bevestiging van haar verklaring in al haar zakelijkheid te aanschouwen: de herinnering aan het geluid is voldoende. De practische vrouw wint het van den op hol geslagen man.
Hoe beschamend dit incident ook is, het ontslaat mij van een pijnlijke taak. Aangezien ik karretjes voor wind verslijt, bestaat er geen enkele reden, dat ik iets meer van de opgravingen hier zou weten dan zij en ik ben gids af. Hoe eervol het baantje ook was: ik mag nu alleen lopen.
Deze gedachte verschaft mij de troost, die ik op dit katastrofale ogenblik zo nodig heb en ik sukkel dus welgemoed achter haar aan.
Ik heb hier het archeologisch fiasco van mijn leven doorstaan en het natuur- kundig-geografische, wat ik eigenlijk nog erger vind. Een valwind! Alsof ik nog nooit in de bergen geweest was, alsof ik niet wist, dat de warme lucht, die hier opstijgt nooit zo ijl kan worden, dat wil zeggen: hoe zat dat? de lucht wordt verwarmd en stijgt op en daardoor ontstaat een luchtstroom naar boven, terwijl de koudere luchtlaag van de bergtoppen naar het dal stroomt, ik heb er toch vroeger een plaatje van gezien met net zo'n steile wand als hier, ... kan het of kan het niet? In ieder geval psychologisch onjuist om er nu over te gaan debatteren, terwijl je de karretjes ziet lopen en welke valwind geeft zo'n klap? ... laat ik rechtvaardig blijven en nuchter... was die stem van Apollo wellicht het resultaat van een al te hevig verlangen deze heilige gronden niet het slachtoffer te laten worden van mijn te hoog gespannen verwachting?
Het huisje van de Atheners blijft echter afschuwelijk, niettegenstaande alle goede wil. De rots van Sibylle, de polygonale muur, die de zijkant vormt van het terras voor de Apollo-tempel, de weg stijgt, de portiek der Atheners, drie zuilen, steeds stijgt de weg. Op het hoekje van de polygonale muur zie ik mijn valwind. Op de driepootbasis van Plataiai staat een man, die manden met aarde en keien in een blikken goot werpt, welke naar een kipkarretje beneden voert. Men doet hier nog opgravingen. De weg stijgt... eindelijk: de tempel van Apollo. Het grote altaar, de lelijke gerestaureerde basis van het monument van Prusias, de vlakke stenen van de tempel, een enorm vlak van tegels, hier en daar gaten... ik stijg verder, misschien het theater? Het theater ligt weer heel wat hoger en ik stijg, ik beklim de trappen van de rangen tot aan de diazoma en kijk weer naar beneden. Het theater ligt ongunstig ten opzichte van de tempel. Te dicht op elkaar. Er is nog een stadion... de weg stijgt nu eindeloos, maar slingert ten minste pittoresk door stenen en bomen, maar de stijging duurt lang en boven ligt het langgerekte gebouw op een ingesloten vlakte
| |
| |
zonder uitzicht op de vallei. Doch ik ben boven en teruggaande kan ik nu ten minste al dalend alles op mijn gemak bekijken, men daalt niet graag als men boven is en zo gunt men zich dus werktuiglijk tijd. Eigenlijk behoort men te beginnen bij Marmaria, dat helemaal beneden in de diepte ligt, omdat de Atheners daar ook het eerst heengingen om hun Athena te bezoeken, alvorens ze Apollo raadpleegden, maar de Atheners hadden wellicht een klimmende constitutie, ik heb een dalende en ik begin bij het Stadion en daal af.
Eén ding heb ik hier al gemerkt: men vindt hier niet de enig zaligmakende sensatie. Waar men ook staat in deze ronde rotsketel, het berglandschap is steeds mooi, maar er is geen punt waar het mooier is dan ergens anders.
Het is een gesloten, halfcirkelvormig, het is één groot Grieks theater, dit Delphi; en Pythia (of de priesters achter de schermen) had de hoofdrol. De tempel van Apollo is de scène en het eigenlijke theater is hier niet op zijn plaats. Het is ergens domweg tegen de rotswand gezet en het had beter om de volgende hoek kunnen liggen.
Het stadion is een mooie lange baan met mooie lange rangen, die van ouderdom wat zijn gaan golven. Het is een rustige plek na het geroezemoes van kleine en grote gebouwtjes, kris en kras door en boven elkaar staande. Herodes Atticus heeft hier voor de zoveelste maal weer zijn best gedaan. Men kon zijn geld slechter besteden. De lange baan ligt buiten het gezicht van Pythia en Apollo en de slang en is heerlijk horizontaal. Na al het geklim is het een verademing er rond te wandelen zonder dat men op zijn voeten behoeft te letten, die steeds maar de heilige weg af willen glijden.
Tussen stadion en theater, tussen theater en tempel, tussen tempel en weg, tussen weg en helling, tussen berg en berg staat het hier vol met fundamenten van allerlei gebouwen. Delphi, de stad der muren, overal muren, verweerde, maar nog steeds vijandige muren en alleen de bomen, hier en daar verspreid en de bloemen en struiken verlenen deze barre heiligheid enige kleur. Ongetwijfeld, het is hier mooi: het ravijn van de Pleistos, de scherpe kanten der Phaidriaden, de olijfbomen beneden, het groen, het rood, het vale grijs... maar geen blauw van de zee, geen wit marmer, slechts een nauwe dalkom.
De Korinthiërs en Aigineten, de Atheners en de heden van Megara, de eiland- en kustbewoners moeten zich angstig beklemd gevoeld hebben in dit dal zonder horizon. Dit is Griekenland niet, dit is een oord, waar zeelieden de onaangenaamste ervaringen verwachten, waar ze zich niet meer zeker voelen en wellicht geloven aan de uitspraken van een hysterische vrouw.
Hebben ze het ooit geloofd? Het valt me zo tegen van mijn tempelbouwers, die hun godsdienst zo geraffineerd in overeenstemming wisten te brengen met de natuur, dat ze in dit lugubere hol krachten zochten, die sterker waren dan hun alomtegenwoordige goden, hun goden van de lucht, het land en het water, die hun tempels omgaven als de hemelkoepel. In dit nauwe aardgat tronen de
| |
| |
duistere machten als men van het wijde Attika komt, maar men laat zich toch niet voor altijd beetnemen?
Er zijn gevallen bekend, dat de Pythia of de priesters partijdig oordeelden, o.a. uit vrees voor plundering ten gunste van de Perzen, ik herinner mij zelfs een geval van omkoping bij een kwestie over de troonsopvolging in Sparta. De verstandige Atheners, de slimme Korinthiërs, deze sceptici en zonder twijfel practische lieden zonden ook in latere eeuwen hun gezanten en zij handelden naar de uitspraken. Het lagere volk moet deze grot- en slangaanbidding in stand gehouden hebben, de lagere instincten.
Of juist de hogere? De metaphysiek? Wat was de Pythia: een waarzegster met koffiedik of een gevoelig medium? Waarschijnlijk nu eens de één en dan weer de ander. Pythia het medium werd opgevolgd door Pythia de bedriegster, de priester-wijsgeer door de priester-domoor en zo in bonte rij door de eeuwen heen een merkwaardig mengsel van geloof en charlatanerie. Ik bekijk met medelijden het goede, oude theater, dat hier van oneerlijke concurrentie te lijden had. Wat kan een schrijver, een acteur in zijn eerlijke kunst beginnen tegen deze geraffineerde geheimdoenerij, die met geestelijke theatermiddelen arbeidt? De tempel van Apollo beheerst de situatie en het is niet voor niets, dat de heilige weg zo steil, zo moeizaam, zo nederig naar boven kruipt.
Groots is het landschap bij de tempel, benauwend en wijd tegelijk, daar langs de Phaidriaden gaat het dal van de Pleistos... gelukkig er is een uitgang en rechts gaat men naar de zee, die hier niet te zien is. Het nieuwe Delphi kijkt op zee uit en is naar mijn gevoel oneindig veel mooier gelegen, maar dit is geen plaats door de Grieken gekozen, het is het hol der priesters en zij wisten wat zij deden toen zij de zee uitschakelden. Het was ruimer geworden en verhevener, maar niet zo beangstigend.
Aan de rand van de tempel valt mij nogmaals op, dat de complete reconstructies (ongetwijfeld juist uitgevoerd, hoewel de basis van Prusias een paar meter verkeerd staat) de enige dingen zijn, die hevig detoneren. En weer vraagt men zich onwillekeurig af: opbouwen of niet? En zo ja, hoe ver mag men gaan? In de algehele afwijzing van reconstructie zie ik een teken van een slecht soort en zelfs misplaatste romantiek. Een slecht soort romantiek, omdat men de dood verkiest boven het leven, de aftakeling boven de vernieuwing, het toeval boven de orde, een romantiek, verwant aan de liefde voor ‘pittoreske’, doch onbewoonbare huizen. Misplaatst, omdat deze stenen slechts bij uitzondering langs natuurlijke weg op de plek terecht gekomen zijn, waar ze nu liggen. En zelfs als ‘de tijd’ als stedebouwer van ruïnes is opgetreden, wat dan nog? Dat is geen reden om ze precies zo te laten liggen, waar de mens de bedoeling had iets menselijks, een gebouw te maken. De tijd heeft deze tempels romantisch, doch tevens onmenselijk gemaakt, de mens kan ze weer gedeeltelijk heroveren door het gebouw te herstellen.
| |
| |
In Delphi heeft men enkele zuilen van de Apollo-tempel weer opgericht, gedeeltelijk slechts, omdat er niet meer trommels voorhanden waren. Deze zuilen-trommels lagen voorheen heel romantisch tussen de bloemetjes en nu staan ze heel romantisch overeind. Ze geven een hoogte-accent aan de vroeger al te vlakke tempel-vloer, die eigenlijk niets meer met een tempel te maken had. En wat wij in de Grieken bewonderen was hun architectuur, hun bouwkunst, niet hun afgebroken architectuur of de ruïnes van hun bouwkunst. Indien wij eerlijk willen staan tegenover hun werk moeten we de reconstructie bewonderen, niet de fragmenten als zodanig.
Hoe logisch dit alles ook klinkt, een deel van de charme gaat onmiskenbaar verloren als men te ver gaat met de restauratie en dit is wellicht verklaarbaar: ook de gave tempels zijn geen tempels meer, want de Goden zijn dood. Wij staan hier voor een cultuurstadium van onszelf (vandaar dat het ons zo treft), dat ondanks alle verwantschap voorgoed voorbij is. Dit geldt vooral ook voor Delphi met zijn orakelindustrie: men kan de prachtige ligging bewonderen, het raffinement, waarmee de gelovigen geïmponeerd werden, maar de Pythia, de stem van Apollo, zwijgt. Verregaande opbouw zou alleen maar belachelijk zijn. De gebouwen, gewijd aan een geloof, dat niet meer door levende mensen beleden wordt, kan men niet meer doen herrijzen, omdat het lege hulzen zouden zijn.
In het museum ziet dit probleem er ineens weer heel anders uit: daar staan in levende lijve opgericht de sphinx van Naxos, de schatkamer van de Siphniërs, de volledige Acanthuskolom van de dansmeisjes en als ik me deze heerlijkheden voorstel op de nu zo rustige berghelling, dan draait mijn maag zich in mijn lijf om. Hoe ontzettend lelijk moet Delphi geweest zijn!
Men vraagt zich op de Akropolis van Athene wel eens af, of de combinatie van gebouwen en beelden vroeger wel acceptabel was en men twijfelt, maar hier is geen twijfel mogelijk: het is een geloofskermis, een uitdragersuitstalling van de domheid.
Al deze gebouwen en beeldengalerijen, deze zuilen en drievoeten, op zichzelf misschien heel mooi, moeten naast elkaar, van verschillende steden afkomstig, uit verschillende tijden, door verschillende beeldhouwers vervaardigd een chaotische indruk gemaakt hebben.
Naast elkaar staan hier werken van 480, 369, 403, tegenover werken van 490, 456, 460, 500, 582, 530 afkomstig van Athene, Argos, Sparta, Sikyone, Tarente, Siphnos, Kerkyra! Het ene gebouw rond, het andere vierkant, hier 20 standbeelden van de koningen van Argos, daar een stier van Kerkyra, verderop bronzen beelden van paarden en gevangenen, ginds een portiek van kolossale vrouwen, die een fronton torsen... En dat is nog maar het begin: vlak bij de tempel stond de boel zo dicht bij elkaar, dat men een stuk van de ene offerande weg moest nemen om plaats te maken voor een andere, de ty- | |
| |
rannen van Syracuse gaven driepoten en Nike's van goud, die samen 1855 kg wogen. Het standbeeld van Eumenes II (2e eeuw voor Christus), het beeld van Paulus Aemilias (168 voor Christus), het monument van Prusias (2e eeuw voor Christus), er komt geen eind aan: Plinius telde er nog 3000!
Hoge en lage, brede en smalle, dikke en dunne gaven, werkelijk, men kan het niet zo rommelig voorstellen of het is niet rommelig genoeg voor Delphi. Ik slaak een zucht van verlichting bij de gedachte, dat die nachtmerrie eindelijk opgeruimd is. ‘Niets te veel’, zei Apollo? Werkelijk: in Delphi, bij uitstek zijn heiligdom, hebben de mensen, uit wraak voor zijn gierigheid, hem overstelpt en begraven in een ‘veel te veel!’ De ironie van het noodlot bezoekt zelfs Goden.
En nu zie ik plotseling ook een andere kant van Delphi: de naijver der Helleense volken, die hier op merkwaardige wijze tot uiting kwam. Griekenland is door zijn bergen een land van elkaar vijandige streken: woont men in dezelfde vlakte, dan heeft men gauw ruzie als in een te nauwe kamer en woont men in verschillende vlakten, dan is men elkaar nog vijandiger gezind om van de stemming van bewoners der verschillende eilanden ten opzichte van elkaar maar niet te spreken. Dat de Hellenen ooit één taal, één Delphi, één Olympia gemeenschappelijk gehad hebben, is eigenlijk een raadsel.
In Delphi komt de natuurlijke vijandschap tot uiting volgens de leidende principes der damesmode in een provinciestad, alleen nog iets ongegeneerder. De ene stad richt een schatkamer in om het standbeeld van een andere stad aan het oog der gelovigen te onttrekken, letterlijk in de schaduw te stellen. De één wil niet voor de ander onderdoen en zo ontstaat buiten Apollo om maar tot zijn voordeel deze met beelden dichtbezette berghelling, een circus van dwaasheid als men bedenkt, dat een monument gewijd aan de overwinning van de Arkadiërs op Sparta vlak tegenover een ander monument stond, opgericht ter herinnering van een overwinning der Spartanen op Athene, en dat het vergulde beeld van een courtisane naast de driepoot stond, gewijd aan de overwinning der Grieken op de Perzen bij Plataiai.
Het museum is helemaal nieuw en staat nogal hinderlijk zichtbaar op een hoek halverwege de ronde helling. Men had het beter uit het gezicht kunnen plaatsen, want het tamelijk karakterloze, gele gebouw verstoort de illusie in Delphi te zijn. Het is ook niet bijzonder fraai ingericht, lang niet zo fraai als de zo bescheiden verzameling bij de opgravingen van Sikyone en alles staat nogal vreemd door elkaar: de fameuze Omphalos, de stenen fetisch, symbool van het graf van de Python en de ‘navel’ der wereld heeft een plaats gevonden naast de tafel, waar men prentbriefkaarten verkoopt, de gevleugelde sphinx van Naxos staat tegenover een reconstructie van de schatkamer der Siphniërs en in het midden van diezelfde zaal staat de Acanthuskolom der danseressen, een liefelijk geheel, omdat de verminkte meisjes liefelijk en elegant zijn, doch
| |
| |
enigszins oppervlakkig, men zou ze als antieke winkelmeisjes of revuegirls willen zien. Ze zijn uit de vierde eeuw en de rest van de zaal is van de zesde eeuw. De chaos van buiten herhaalt zich hier.
Doch de wagenmenner staat alleen in zijn zaaltje en die kan men op zijn gemak bekijken.
Ik houd niet van hem: die starende ogen, waarvan het wit al te duidelijk is aangegeven, de al te rechte vouwen van het kleed, de te kalme houding (al wordt dan verondersteld, dat de man zijn ereronde maakt en in stap rijdt, een beetje meer emotie na de rit lijkt mij waarschijnlijk), de lichtgekromde tenen (prachtig en roerend tegelijk, maar ze doen hem niet op het vlak staan, ze laten hem wiebelen), het al te timide uiterlijk (wat drommel, jongen, je hebt gewonnen! Straks breken ze muren voor je af om je de stad binnen te halen!), ik weet, dat deze aanmerkingen niet ter zake doen, maar ze geven uitdrukking aan mijn tegenzin.
Men kan dit beeld, dat geen God of held voorstelt, niet anders zien dan als een min of meer geslaagde, desnoods synthetisch gevangen, copie van de natuur, zoals die zich aan ons oog voordoet. Dit is een wagenmenner. Is het mijn wagenmenner? Ik vraag mij af, hoe ik tegenover dit beeld zou staan als de rechterarm ook verdwenen was en de leidsels niet meer vasthield.
Men had dan wellicht getwist over de voorstelling en het is de vraag, of men het beeld herkend had als een wagenmenner. Nu behoeft men niet te twijfelen, maar dat maakt de zaak niet eenvoudiger, want deze starre jongeman heeft niets van wat wij onder een wagenmenner verstaan.
Ik betrap me er ineens op, dat ik de antieke beeldhouwkunst andere maatstaven aanleg dan de antieke architectuur. De laatste beschouw ik als een phase, een boeiende phase in de ontwikkeling van onze bouwkunst, maar tevens als een afgesloten periode, die ons weliswaar tot op de huidige dag heeft beïnvloed, doch die andere opgaven had en andere oplossingen vond dan de tegenwoordige architectuur. Na de tempels werden geen tempels meer gebouwd en een kerk in klassicistische stijl is in wezen verschillend van een bouwwerk, gewijd aan één van vele goden.
Bij de beeldhouwkunst ligt de zaak heel anders: de beeldhouwkunst werkt nog steeds met dezelfde middelen en deze wagenmenner is meer verwant met de Balzac van Rodin of de David van Michel Angelo dan het Parthenon met een kathedraal of een kerk uit de Renaissance of de Barok. Bij de beschouwing van de antieke architectuur is men zich voortdurend bewust, dat men te doen heeft met een bouwwerk uit het verleden, de werken der antieke beeldhouwkunst beoordeelt men als een modern mens. Men kan zeggen, dat in onze geest geen plaats meer is voor tempels, maar wel voor wagenmenners. Hetzelfde geldt merkwaardigerwijze voor de goden, die niet meer in tempels huizen, maar nog leven in de reliëfs.
| |
| |
Dit is vooral duidelijk, als men in het museum de reliëfs van het schathuis der Siphniërs bekijkt. Aan de voorkant was een fries, dat een vergadering der goden en de strijd van de Grieken tegen de Trojanen voorstelt en men herkent, zij het met behulp van de toelichting de goden: Ares, Aphrodite, Apollo, Hera en Zeus op een mooier bewerkt stoeltje: goden of menselijke goden of goddelijke mensen of alleen maar mensen, dat doet er niet toe, men herkent ze als vervaarlijke vrienden. Op een ander fries vindt de strijd plaats tussen goden en reuzen, de Gigantomachie en men staat aan de kant van de goden voor men het weet en constateert met voldoening, hoe Athena een reus doorsteekt. Men bewondert ook de prachtige uitvoering, de wijze, waarop de beeldhouwer van de ronde schilden elementen heeft gemaakt, die de felheid van de strijd en het grote aantal vechtenden demonstreren, maar verwonderlijker is de omstandigheid, dat men onmiddellijk partij kiest.
Hetzelfde ondervindt men bij de fragmenten van het derde fries, het oordeel van Paris, waarbij Athena een wagen bestijgt en Aphrodite, omkijkend, juist afstapt. Er is niet veel van over: de lichamen hebben geen hoofd en toch ziet men ze voor zich: Athena koninklijk met afhangend breed gewaad, Aphrodite coquet, elegant, personificatie van ‘de vrouw’. Godinnen van vrouwen beiden, geen twijfel mogelijk: als zij zich beledigd voelen zal een oorlog het gevolg zijn. Ze zijn maar klein, deze monumentale figuurtjes, doch het helpt niet of ik ze zowel historisch als tastbaar in de ware proporties tracht te zien: de beeldhouwer heeft er godinnen van gemaakt en ik moet in hen geloven of ik wil of niet. Zij zijn begerenswaardig en onbereikbaar en ze leven in de steen als de geest van het bovenaardse in mijn verbeelding: even vaag als waarachtig.
Men kijkt dan vertederd naar de détails: de voet van Athena, die is opgeheven en het been van Aphrodite, dat gebogen, juist de wagen nog raakt, de machtige plooien van de gewaden, het menselijke en tevens het goddelijke gebaar. De goden van Hellas leven voort, niet in hun tempels, maar in de in steen vastgelegde gedachten van de gelovigen.
Van het museum ga ik naar de Kastaliabron in de kloof der Phaidriaden en ik drink van het inspiratiewekkende water, men kan nooit weten waar het goed voor is.
Beneden ligt Marmaria tussen de olijven, klein en verscholen. Of het veel indruk zal maken na het bombastisch vertoon van Apollo, die hemel en aarde heeft bewogen om te overdonderen?
Ik daal af naar de plek, die de Atheners bezochten vóór zij het orakel raadpleegden. Langs een helling, dicht met olijven beplant gaat het naar beneden en bij een draai van de weg bevind ik mij weer op Griekse grond. Hier heersten weer eenvoud en waardigheid, hier kijkt men door het Pleistosdal in plaats van er op, hier is de zee, een klein stukje weliswaar (is het wel de zee? Het doet er niet toe: als het de zee niet is, moest ze het zijn), hier zijn de Goden aan- | |
| |
wezig, zoals wij ze kennen van Sounion en de Akropolis, van Korinthe en Aigina. Het is volmaakt stil, niet omdat er geen bezoekers zijn, maar omdat dit een stil oord is, vergeleken met de marktschreeuwerij van ginds. Boven mij vliegen raven (adelaars van Zeus, zegt het prospectus, maar ze zijn volkomen zwart, dus het zullen wel raven geweest zijn; na de valwind ben ik voorzichtig geworden), ze zweven om de top van de dichtstbijzijnde Phaidriade, de vlammende geheten, hoog en statig zweven ze en ze horen bij dit sanctuarium van Athene en niet bij de slangengod Apollo.
Ik vind hier de oude, bekende tholos, welks bestemming weer onbekend is, wit marmer tegen groen (het marmer bij Apollo is vuilgeel, niet goudbruin en in ieder geval: het past er niet) en de bladeren der olijven zijn zilver, de tempelzuilen lichtrood als de aarde en de klokjes van de ezels en de geiten tingelen in de verte. Het geurt naar kruiden en grond en gras. Eindelijk weer in Hellas.
Voor de Atheners was het de laatste groet van het vaderland voor ze tot het phantastische Delphi opstegen, de stad der chimaeren, en dreigend moet het chaotisch complex daar boven hen op de andere helling gelegen hebben. Maar misschien hadden ze haast om aan Pythia te vragen, of ze konden trouwen, of de voorgenomen onderneming goed zou aflopen, of ze op reis konden gaan of een oorlog konden beginnen en dan hebben ze de hoedende Athena maar even terloops bezocht en zeker niet de gedachte gehad, die ik hun in mijn verhitte verbeelding toeschrijf.
Maar voor mij blijft Marmaria het oord der Goden zonder poespas, de plek van contemplatie, tussen de ritselende bladeren door het dal en niet op het dal van de Pleistos kijkend.
En ik bezoek de oudste tempel, waar in 1905 een paar grote rotsblokken in gevallen zijn: een machtig gezicht, deze meer dan manshoge stenen te midden van de rechte lijnen der fundamenten, de streng behouwen ornamenten, de twee of drie nog rechtopstaande zuilen op de achtergrond. De avond breidt zich uit over Marmaria en alle emoties van de dag zijn verdwenen. Apollo ligt verduisterd in zijn halfcirkel. Hij heeft zoveel voorspeld, dat hij zijn voornaamste taak van Godheid geheel verwaarloosd heeft: die van wijding te geven. Vermoeid is hij naar bed gestapt en de bescheiden Athena Pronoia of Pronaia, de voorzienende hoedster neemt zijn taak over.
In mijn hotel kijk ik over het flauw schemerende water van de golf van Korinthe. Als hier de Apollo-tempel gestaan had, zou ik in al zijn voorspellingen geloofd hebben....
De volgende ochtend sta ik op met het gevoel niet alles gezien te hebben. Dit kijkspel, heden voor toeristen en vroeger voor bedevaartgangers: was dat werkelijk Delphi? Niets anders dan een groots opgezette theatertruc?
Het is half zes en ik besluit de tempel nogmaals te gaan bezoeken. Langs het
| |
| |
Pleistosravijn, dat vochtig en schemerig is, loop ik eenzaam de weg langs. Het licht is grijs en de harde tinten van gisteren zijn verzacht. De schatkamer van Sikyone met haar zuilstukken, de ex-voto's van de koningen van Argos en de Epigonen, de grijze muren liggen als kleine vergeten edelstenen tussen de hoogopschietende planten. De polygonale muur, een grillig bouwwerk en toch zo rustig (waarom maakt men die nu niet meer?), de portiek der Atheners, zij alle vormen in de ochtend precieus gerangschikte ruïnes, die zelfstandig een stilleven vormen.
Zo was Delphi voor den priester, die aan het begin van een vermoeiende dag van voorspelling en suggestie des ochtends zijn sanctuarium bezocht, als de gelovigen er nog niet waren. Zo is Delphi na het vermoeiende plaatsbepalen, het toeristisch monumentgespeur van de vorige dag: lelijk in zijn geheel wellicht, maar prachtig in details. Eerst nu ben ik in staat dit heiligdom door te lopen zonder sphinxen, stieren of wagenmenners, driepoten en beelden in bonte rij over en door elkaar te zien. Slechts één gebouwtje, één geheel van bij elkaar behorende brokstukken beschouw ik tegelijk en dit geheel kan ik bewonderen, zoals de priester destijds wellicht één kop, één gebaar kon afzonderen van de rest.
Teruggaand hoog boven de grote weg, zie ik bewerkte stenen, die geheel gehuld zijn in bloeiende braamstruiken en achter het museum vormen de fundamenten van het Romeinse synedrion, waar de Amphiktionen later vergaderden een prachtig strenge achtergrond voor een paar met gulle hand losweg neergestrooide fragmenten.
Hoe Helleens is Delphi; de afzonderlijke schathuizen, de monumenten en geschenken, waarvan de namen der gevers en oprichters niet verloren mochten gaan, geconcentreerd echter op beperkt terrein: saamhorig en verdeeld Griekenland. De scheiding, de naijver, de onafhankelijkheid van deze kleine stadstaten vindt men hier gedemonstreerd, doch in nood en geloof kwam dit twistzieke volk weer samen en sprak dezelfde taal. Delphi: honderd maal Hellas en verenigd Hellas.
In het ochtendlicht zijn er nog geen scheidingen en is Delphi een pelgrimsoord van de eenheid. Men vergeeft de priesters hun kryptische voorspellingen, de kooplieden hun winstbejag, de rijken hun praalzucht, de steden hun kortzichtigheid en alleen het rijk blijft over, het duizendjarig rijk van de Hellespont tot Sicilië, van Macedonië tot Pergamon, het rijk van onze geestelijke voorvaderen.
Hoe machtig is deze vallei, waar de navel van de Griekse wereld het middelpunt vormde van een cultuur, die ondanks alle tweedracht zichzelf bleef. De bruinrode rotsen, de zwermende kraaien, de zwevende roofvogels, de brede kom, het glinsterende water van de Korinthische golf, het verschietende dal van de Pleistos, de zeven ongelijke zuilen van de Apollo-tempel, de rode en gele, witte en blauwe bloemen, de olijven in het dal en de kale, rode rotsen
| |
| |
daarboven, de schathuizen en de voetstukken, zij vormen nu een onvergelijkelijk décor, waar niet meer in gespeeld wordt. Is het goed, dat we ‘vooruitgingen’, zo vraagt men zich af, dat we zoveel talrijker werden, de goden afschaften, de priesters wantrouwden, de wereld kleiner maakten en onszelf er bij? De angst voor het ongewisse heeft plaats gemaakt voor de vrees onze eigen middelen niet meer te kunnen beheersen. In plaats van ongenaakbare goden kunnen nu een paar gekken uit eigen broed ons vernietigen.
Doch beneden op de asfaltweg wacht een keurig instrument, dat ons in zijn snelle vaart van alle min of meer wijsgerige gedachten afhelpt en ons verder voert van décor tot décor, doch niet sneller dan de tijd, die de afstand tussen Delphi en ons samenperst tot één seconde. Eén seconde voorbij: van priester tot toerist, van Griekenland tot Europa, dat evenals Hellas bedreigd wordt door de barbaren.
|
|