| |
| |
| |
5
Griekenland is weliswaar bezig een goed georganiseerd toeristenland te worden, doch dit wil niet zeggen, dat men alle plaatsen van enige betekenis gemakkelijk kan bereiken. Delphi, Korinthe, Mykene, Epidauros, Olympia, dat gaat gemakkelijk genoeg en als men deze plaatsen bezocht heeft, dan heeft men ook het voornaamste gezien, doch de grote bekoorlijkheid van Griekenland ligt niet in deze plaatsen alleen: het zijn de vaak wat afgelegen oorden, waar de geschiedenis, het ‘grote gebeuren’ aan voorbijging, de stadjes, waar nog stadswallen van over zijn, die nooit belegerd werden, de bescheiden tempel, het kleine heiligdom, die een met enige voortvarendheid behept reiziger de meeste voldoening schenken. Zo had ik mij in mijn hoofd gezet het Amphiareion en Rhamnonte te bezoeken. Het Amphiareion is een heiligdom, gewijd aan Amphiaraos, één van de zeven helden, die Thebe belaagden (overigens tegen zijn zin), van goddelijke oorsprong en zelf ook min of meer goddelijk. In werkelijkheid vermoedelijk een aardgeest, personificatie van afgronden en kloven. Zijn eredienst, afkomstig van Thebe, verplaatste zich naar het land van Oropos en vond ten slotte zijn definitieve vestiging in een diep ravijn, waar zich een geneeskrachtige bron bevond, in de buurt van Kalamas, 45 km ten Noorden van Athene. Niet ver daar vandaan, eveneens aan de uiterste Noordrand van Attika ligt Rhamnonte, bekend om zijn heiligdom van Nemesis en Themis. Heel belangrijk zijn de bouwvallen niet, er staat ook geen zuil overeind en je vraagt je zelf dan wel eens af, waarom een bezoek aan zoiets toch tamelijk onbelangrijks bij kan dragen tot je geluk.
Tijdens mijn verblijf in Griekenland gedurende bijna twee jaar was ik er nooit toe gekomen zo'n reisje van Athene naar Kalamos, niet eens Amsterdam-Den Haag, te maken en jarenlang spookten de namen Amphiareion en Rhamnonte als woorden zonder vaderland door mijn hoofd. Zij verontrustten mij als zwervers, die degelijk willen gaan leven, maar geen rust kunnen vinden. Ze
| |
| |
kwamen in me op als ik rustig zat te lezen of met vrienden uit was en ze konden me ineens bedroeven, alsof ik door er destijds geen aandacht genoeg aan te schenken iets geweldigs, een prachtige kans had laten ontglippen. Ze zaten me achterna in mijn dromen, bleven soms jaren weg en kwamen op een ogenblik, dat ik het juist niet kon hebben, weer te voorschijn. ‘Amphiareion, ooit van gehoord?’ vroeg ik soms ineens aan iemand en dan dacht hij, dat ik gek was. Een mens wordt begerig in Griekenland als hij eenmaal ‘de steen’, de bewerkte of door mensenhand gestapelde steen geroken heeft. Hij wil alles zien, hij wil niets overslaan: Asine en Argos niet, Stymphalos en Aigosthena, Sikyone en Messene, Orchomenos en Phygaleia, het Heraion in Argos en het heiligdom van de Isthmische spelen, Samikon en Dodona, maar vooral niet het Amphiareion en Rhamnonte. Je voelt je kinderachtig als een postzegelverzamelaar en toch kun je het heftige verlangen naar die onbestemde en toch zo precies bestemde steden, dorpen, heiligdommen, allemaal puinhopen, niet onderdrukken. Het gemis ervan zit je dwars als een lege plek in je ziel, alsof je niet volledig bent, niet volledig geleefd hebt als je ze niet kent.
Met het Amphiareion zou ik wel geen moeite hebben, zo dacht ik: naar Kalamos gaat een bus en dan was het nog twintig minuten lopen, maar Rhamnonte lag lelijker of misschien mooier, maar in elk geval nog veertien km van het dorp Marathon en er was geen behoorlijke weg voor auto's. Ezels zijn tegenwoordig duur in Griekenland en het moest dus een wandeling worden.
Met al die gemengde vooruitzichten voor ogen liep ik een van mijn vrienden tegen het lijf, die de gewoonte hebben in je leven als een vleesgeworden Deus ex Machina op te duiken. Wel ja, natuurlijk, hij was met zijn volkswagen van Brindisi overgestoken en reed onbezorgd alle heiligdommen van Griekenland af. Of hij al naar het Amphiareion en Rhamnonte geweest was? Neen, dat niet. Moeilijk te bereiken? Zijn volkswagentje was in de woestijn op de proef gesteld. Of ik mee wilde? Het werd een wat eenzijdige symbiose: ik wilde wel en hij bracht me er heen.
De Noordkant van Athene is niet erg opwindend of misschien juist wel: ik wond me op over de chaotische bebouwing van Kifisia, waar iedereen het mooiste uitzicht wil hebben met het gevolg, dat de een voor de ander bouwt en de schoonheid van het landschap haastig verdwijnt. De opmerking, dat Kifisia binnenkort ‘onbewoonbaar’ zal zijn, bezorgt me de bijnaam ‘Kassandros’, door mijn lieftallige eega verkleind tot ‘Kassandráki’. Men houdt dan verder zijn mond en dit is wel nodig ook, want na Kifisia begint het landschap de eerste viool te spelen, steeds weer op dezelfde variant: grijze bergen, blauwe bergen, rode aarde, gele aarde, groene velden, kale velden, paarse zee, azuren zee, zwarte geiten, witte geiten, in het oneindige wegglijdende valleien en drijvende eilanden. Het is onbegrijpelijk hoeveel de mens en de natuur bereiken met deze eenvoudige, zij het ook machtige elementen. Soms zit je bijna in zee, soms rijd
| |
| |
je er hoog boven en het oog went nooit aan de verschietende vergezichten. Van Kalamos, waar het hele dorp, althans wat de mannen betreft, lekker buiten zit in de zon, draaien we, steeds de zee van een andere kant bekijkend, omlaag en ineens is er geen zee meer. ‘Hé,’ denk ik, ‘waar heb ik dat meer gehad?’ En ik herinner me Delphi. Het Amphiareion ligt verscholen in een ravijn vlak bij zee, net als Delphi. Geen vrije blik: die schijnt noch bij orakels, noch bij wonderen verrichtende wateren te horen. De priesters staan al gereed om den armen zieke van zijn kwalen en zijn geld te ontlasten: men moest om te beginnen een ram offeren, waarvan men de huid mocht bewaren om er een nachtje in te slapen en dan een verlossende droom te krijgen. Na de genezing moest men in de heilige bron een zilverstuk of een goudstuk werpen, dat er ongetwijfeld weer met een priesterlijk schepnet uit werd gevist.
In de kloof worden we niet ontvangen door een priester, doch door den bewaker, die zich verontschuldigt, dat hij nog geen uniform heeft. Hij is pas aangesteld en met de ijver van een beginneling begint hij ons rond te leiden. Hij heeft alles wat in de gids staat al uit zijn hoofd geleerd en meer dan dat: Amphiaraos was volgens hem een uitzonderlijk soort generaal, namelijk eentje, die medelijden had met de gewonden en op zijn oude dag ging hij dus het beroep van wonderen verrichtend geneesheer uitoefenen. Het werd klaarblijkelijk een druk beklante zaak, gezien de eindeloos lange portiek van liefst 110 meter, waar de zieken hun kuur volbrachten, maar Amphiaraos was toen al dood, ofschoon hij niet zozeer stierf dan wel als goed mysticus met de Noorderzon vertrok zonder enig spoor na te laten. Voorts was er nog een tempel, waarvan de helft door de rivier, die er ondanks alle regen de laatste dagen erg onschuldig uitziet, is weggeslagen, de beroemde bron, een altaar en een theater, lief gelegen, maar meer een halfronde kuil dan een bouwwerk: de zuiltjes van het proskenion, die het eigenlijke toneel droegen, liggen echter keurig op een rij en er staan nog een paar zetels, voor den priester van Amphiaraos bestemd.
In deze verlaten vallei, zo ongezocht bezaaid met brokstukken van gebouwen, zingen de vogels, lispelt het water en klettert ook weldra de regen. Onze gids, onvervaard, blij, dat zijn domein ook eens bezoekers heeft, doet alle mogelijke moeite ons verblijf te verlengen en op zijn verzoek gaan we picniccen in zijn huisje. Hij doet zelfs alsof hij ons ingeblikt vlees lekker vindt en hapt moedig in een op vaderlandse wijze klaargemaakte boterham, doch verder dan tot één brengt hij het niet. De picnic is ten slotte geen succes en de geestdrift der aanwezigen vermindert. In zo'n geval kunnen alleen de oude stenen nog hulp bieden en ondanks dreigende luchten vermeien we ons maar liever buitenshuis. Als ik na zo'n bezoek tracht na te gaan, wat het Amphiareion, waar ik zo hevig naar verlangd heb, me gegeven heeft, dan is dat moeilijk weer te geven, want alles bij elkaar krijgt men van het geheel een ietwat provinciale indruk. Alle beroemde bezienswaardigheden zijn interessanter of indrukwekkender en toch
| |
| |
heeft het Amphiareion ‘in al zijn eenvoud’ mij voldoening geschonken. Waarom, vraagt men zich af en het antwoord blijft uit of is weinig overtuigend en komt neer op: het was er liefelijk en we hebben er plezier gehad. Meer plezier dan tijdens een dagje op de Veluwe of ergens anders. Dat ligt dan vermoedelijk wel aan die oude stenen, die daar zo achteloos of soms ook ordelijk liggen. Zo nemen we dan hoogst tevreden afscheid van onzen gids, die ons hartelijk nawuift. ‘Op naar Rhamnonte’, kondig ik energiek aan en wij begeven ons op de onbekende wegen van Attika, die op de kaart onheilspellend als stippeltjes staan aangegeven en zakken zo diep in de modder, dat driekwart van de inhoud van onze ‘in de woestijn beproefde’ moet lopen en het overblijvende kwart balancerend over richels van diepe karresporen en moedig in plassen duikend als een koorddansend automobilist aflegt. Dat blijft zo een goed uur en dan komen we in Marathon, het dorp, waarnaar de beroemde vlakte genoemd is en dan is het nog veertien kilometer. We sukkelen een eind de aangegeven weg op, maar na een half uur zien we in, dat het niet gaat en als Rhamnonte achterblijft ergens ver aan de andere kant van de heuvels kijk ik weemoedig om. Zelfs de tumulus van Marathon met zijn prachtige uitzicht over de vlakte vol olijven kan me niet troosten en ik luister maar half naar de overpeinzingen van de anderen, die trachten na te gaan wat er gebeurd zou zijn als de Grieken de befaamde slag niet hadden gewonnen. ‘Hier werd de Europese beschaving gered’, zegt één van hen plechtig, maar meteen voegt hij er bij: ‘ik vraag me overigens af, of we er iets van gemerkt zouden hebben, als de Grieken niet hadden gewonnen. Dan stonden we hier misschien in zijden pofbroeken, lieten onze waterpijpen boven brengen en vertelden onze zoons, dat we hier voor het eerst in Europa waren geland’.
‘En wij dan?’ vroeg één van onze onmiskenbaar geëmancipeerde vrouwen.
‘Jij zat in de harem,’ zei mijn vriend niet zonder enige wrede voldoening.
‘Met een stuk of tien anderen’.
‘Rhamnonte,’ dacht ik en mijn vrouw ging al vast naar beneden, want het was haar te winderig daar boven. Zo dacht dus elk van ons een andere kant uit en Amphiaraos was vergeten voor we Athene naderden door onze nederlaag voor Rhamnonte.
Het bleef echter door ons aller bollen spoken, toen we de volgende dag de verkeerde kant uitdraaiden naar Sounion, dat die dag een vreedzame, zij het ietwat luidruchtige bezetting van bustoeristen had te doorstaan. De tempel stond nog op zijn plaats en deed zijn best, maar de bustoeristen ook en zij wonnen het van de andere bezoekers, die ten slotte het veld ruimden.
‘Morgen Rhamnonte,’ besloten we eenparig, nadat we om de Hymettos waren gedraaid en weemoedig naar het Noorden keken: ‘Daar is vast niemand’.
De hardnekkigheid werd beloond en na een hobbeltocht voorbij Marathon, die meer dan een uur in beslag nam, kwamen we dan eindelijk op het mooiste
| |
| |
plekje van Griekenland. ‘Dit is het mooiste wat we tot nu toe gezien hebben’, zeg je dan tegen elkaar en het is nog waar ook: elke plek in Griekenland is altijd mooier dan elke andere. Rhamnonte ligt op een kam tussen twee bergen, kijkt neer op zee en op het krachtige silhouet van Euboia en heeft in de rug een brede, vruchtbare vlakte. Op het korte zadel liggen twee tempels, een aan Nemesis, een aan Themis gewijd. Een grote rechthoek naast een kleine rechthoek, op een hoog terras, dat gesteund wordt door een polygonale muur. De ligging is onvergelijkelijk schoon, maar van de tempels zijn alleen de fundamenten, de stylobaat, een paar stukjes muur en een paar fragmenten van zuilen overgebleven. Dit is echter slechts het heiligdom: ver beneden ons ligt de eigenlijke stad, een onbeduidende heuvel van hier uit gezien, maar als een felle bol gelegen tussen de andere rotsen van de kust als men dichterbij komt, ongetwijfeld een sterke vesting. Wij dalen langs een pad, dat 's winters waarschijnlijk dienst doet als bedding voor een riviertje, de kam af en naarmate we al struikelend naderen, tekent het onnozele heuveltje zich duidelijker af als een formidabel fort, geheel geïsoleerd aan de kust op een vooruitspringende rotspunt gelegen en omringd door hoge, grijze muren. Er is één ingang en men betreedt deze aarzelend, hoewel zij slechts verdedigd wordt door hagedissen, een paar grote sprinkhanen en massa's gele bloemen. De op het eerste gezicht geleidelijk opbollende heuvel heeft bij nader inzien nog twee terrassen, waarvan het hoogste weer omringd is door een muur en men kan nog de overblijfselen van een tempeltje onderscheiden en zowaar een theater, of een agora, die als theater dienst deed, met één gehavende zetel. Van hieruit kijkt men eerbiedig op naar de strakke lijn van de onderbouw der beide tempels op de kam, doch zegevierend neer op elke vijand, die zich in de nabijheid ter zee of te land zou vertonen. Er
zoemen een paar bijen, op de met lage struiken begroeide hellingen der heuvels klinken de klokjes van de geiten en zo nu en dan hoort men de schelle kreet van het herderinnetje, dat de dieren bijeen houdt, verder is het volkomen stil, zelfs de wind ruist niet door de bomen en het lichtblauwgrijze water is vlak als een spiegel. Er is niets ‘heiligs’ aan deze plaats, Alkibiades en Sokrates zijn verre, het is een ruïne van een oude stad, waar weinig van overgebleven is en niets herinnert ons duidelijk aan ‘de klassieke oudheid’.
Op zo'n ogenblik tracht je dan wel eens uit te maken, hoe het komt, dat talloze Middeleeuwse kastelen, voorzien van kantelen en poorten, ridderzalen en ophaalbruggen, legenden, spoken en de schimmen van historische figuren je weinig zeggen en dat je hier de mens steeds weer hervindt. Brederode of Holyrood, Chenonceaux of Drachenfels, je loopt er met een gezicht door alsof je het allemaal veel beter in een boek kan vinden: hier gooiden ze met pek en daar schoten ze met spek en ergens anders vrijden ze in bed (hoeveel bedden worden je niet getoond, waarin Napoleon, die aarts-toerist, geslapen heeft) en het laat je koud. Maar een putje uit de vijfde eeuw in Griekenland, een steen, waar je
| |
| |
alleen maar als je erg goed kijkt aan kan zien, dat hij bewerkt is, een richeltje van een zuil en een muur van ruw behouwen marmer winden je op. Wat daarvan de reden is, valt nog wel na te gaan, als je niet schroomt jezelf er in te betrekken. En dan is één der redenen voor mij vooral, dat ik in wezen, niet alleen in het diepst van mijn hart, maar ook in afkomst en karakter een man van het volk ben. Ik houd niet van ridders en koningen, van veldheren en diplomaten: het zullen wel niet allemaal domme jongens geweest zijn, maar een Darnley, een Wittenberg of een Alva wekken bij mij dezelfde ietwat koele minachting op als ik bij hen, als ik ze ooit zou hebben ontmoet. Het zijn voor mij de lieden, die afgedaan hebben: hun titels en hun zwaarden, hun trots, hun eenzijdigheid hebben onze wereld, mijn mensen, door de eeuwen heen kwaad gedaan. Blauw bloed, te veel geld, trots op blauw bloed, zucht naar te veel geld maken me wrevelig. Hun positie was vaak zo duidelijk onafhankelijk van hun verdiensten en de achterlijken onder hen, en dat zijn er heel wat geweest, hebben een schier onhandelbare maatschappij geschapen. Hun kastelen zijn mooi en hun onderdanen woonden in krotten, waar we als toeristen in gepaste bewondering naar kijken, omdat ze zo schilderachtig zijn en de zonen van die onderdanen wonen nog steeds in diezelfde schilderachtige krotten. Al die uit hoofde van hun geboorte hogere klassen zijn niet mijn soortgenoten en ik mag ze niet. Bij het graf van Shakespeare heb ik enkele minuten stil gestaan en bij mezelf gezegd: ‘Daar ligt hij nu’, op de praalgraven van prinsen en vorsten, kardinalen en hovelingen heb ik een onverschillige blik geworpen en gedacht: ‘Daar liggen ze nu’, zonder voldoening, maar ook zonder sympathie. De tijd en de dood hebben van deze historische figuren geen mensen gemaakt, het zijn figuren gebleven. Hun kastelen zijn spookhuizen, waar de stem galmt tegen de muren, hun paleizen zijn leeg
als hun hoofden waren, hun geest is opgelost in hun daden, die verschoten zijn tot machteloze gebaren.
In Griekenland is het anders: een stoa of een tempel, een agora of een theater was het toneel van activiteit voor alle burgers. Niemand wijst mij het paleis van Perikles, de burcht van Sophokles, de vesting van Alkibiades, het kasteel van Plato. Wij zien cisternen, spreekgestoelten, offertafels, brongebouwen, vestingwallen. Alleen Mykene en Tiryns maken een uitzondering, maar deze steden zijn niet Helleens en het geslacht der Pelopiden vernietigde zichzelf: het is misschien geen toeval, dat de grote toneelschrijvers der klassieke oudheid aan de niet meer bestaande koningsgeslachten zo'n aandacht besteedden, een soort afrekening wellicht. Zeker: de Grieken hielden slaven en waren in het algemeen geen vriendelijke jongens, maar een Griek was een Griek, geen onderhorige, hij was deel van mijn volk, niet van dat der domme vorsten, begerige prinsen en verwaten hovelingen.
Dan voorts de verscheidenheid: als men één Middeleeuwse ruïne gezien heeft, heeft men er tien gezien, ze lijken allemaal op elkaar. In Griekenland is altijd
| |
| |
sprake van een gevarieerd thema: elke stad heeft een eigen karakter en al mag wat de architectuur betreft de zuil het voornaamste onderdeel zijn, de tholos en de tempel, het stadion en het theater, het prytaneion en de stoa, het brongebouw en de vestingmuur geven gelegenheid tot het ontstaan van een steeds wisselend beeld. Een Middeleeuws kasteel is een geïsoleerd monument, een Griekse stad is steeds een samenvatting van verschillende elementen. Een verlaten kasteel is dood al is het nog helemaal gaaf, een Griekse stad leeft, al vindt men er slechts een architraaf, een zuilentrommel en de groene, ronde helling van een theater.
De bekoorlijkheid van de Griekse architectuur en dus ook van de overblijfselen ervan ligt in de wijze, waarop de bouwmeesters verscheidenheid zochten en vonden in eenvoudige mathematische lijnen en figuren. Bijna alle Griekse gebouwen zijn te ontleden in driehoeken, rechthoeken, cylinders en kegels, de lijnen zijn recht of zij maken deel uit van een cirkel. De theaters, de stadions, de tempels zijn als ‘soort’ alle op hetzelfde stramien gebouwd en verschillen alleen in omvang en ligging, zij vormen varianten op een thema, dat steeds gelijk blijft...
In hun stedebouw waren de Grieken vrij achteloos: op de agora in Athene, in Olympia, Delphi of Epidauros kan men voorbeelden aantreffen van gebrek aan inzicht, gebrek aan belangstelling misschien ook ten aanzien van de plaatsing der gebouwen, men lette er nauwelijks op of een nieuw gebouw wel tot zijn recht kwam, of het een ander gebouw niet in de weg stond, of het, kortom, in het reeds bestaande geheel paste. Van symmetrische rangschikking, ja zelfs van iets wat op rangschikking lijkt, was zo goed als nooit sprake en toch werd een zekere regelmaat, een zekere rust verkregen, omdat de gebouwen op zichzelf rustig en symmetrisch van vorm waren. Toen men echter later het zo lelijke wafelijzerpatroon in de stedebouw toe ging passen behoedde de afwisseling van de vormen der verschillende gebouwen de stad voor eentonigheid. Zo moet het bij de gave steden geweest zijn, zo is het eveneens bij de ruïnes. Een tempel, een stadion, een theater en prytaneion zijn ook in de staat, waarin ze nu verkeren nog verschillend van karakter en zij vormen steeds een boeiend geheel. Het is verbazingwekkend, hoe gemakkelijk men zich in deze ruïnes beweegt, men voelt zich niet beklemd, men heeft geen associatie van ‘vergane grootheid’ of van ‘de betrekkelijkheid van alle dingen’, van ‘rammelende ketenen’ of ‘feestgelagen’, men voelt zich op een of andere wijze ‘thuis’. Ook het Griekse volk van heden voelt zich hier thuis: op de Pnyx zitten vrijende paartjes, de kinderen hebben de Zeustempel te Nemea als speelplaats gekozen, men gebruikt deze ruïnes met blij gemoed.
Dat bleek ons bij een bezoek aan Eretria op Euboia, waar wij een heel gezelschap in het theater verrasten, bezig met een uitgebreide picnic. Ze zaten vredig bijeen aan lange tafels midden in de orchestra en de kinderen vermaakten
| |
| |

Op Delos was het water zeer schaars, zodat men grote cisternen bouwde om het te kunnen bewaren
| |
| |

De oude handelsstad Delos, beschermeling der Romeinen en slachtoffer der piraten (volgende pagina)
| |
| |
| |
| |

Het haventje van de voornaamste stad van Santorini, Phira, ligt onder aan de kraterrand
| |
| |
zich door in en uit de tunnel te kruipen, die van de scène naar het midden van de orchestra voert, want dit theater was berekend op bovenaardse of liever ondergrondse verschijningen. Eretria, het theater en de tempels wel te verstaan, ligt slechts enkele meters hoger dan de brede vlakte van het dorpje Néa Psarà, dat nogal los gebouwd zich tot de zee uitstrekt. Men vindt hier op enkele brede, onbebouwde stukken grond nog antieke resten, o.a. van een gymnasium, een Isaion, een tempel van Apollo Daphnephoros, alles rijkelijk plat en door elkaar geschud. Van het theater kijkt men echter juist over de lage witte of lichtgele huisjes met rode daken van het dorp op de blauwe, smalle baai, die Euboia van het bergachtige vasteland scheidt en men prijst de oude Hellenen, die hun voornaamste gebouwen een eindje de helling op hebben gezet.
Het Griekse feest is intussen afgelopen en krijgt door het overvloedige gebruik van wijn, overigens een zelden voorkomend verschijnsel in dit sobere land, een wat luidruchtig slot, waarbij één man vooral heftig protesteert, dat hij alleen maar de kop van het lam heeft gekregen en niet de staart. De gebaren worden heftig, de armen worden met de handpalmen naar boven strak vooruitgestoken en de stemmen slaan wat over, één dame verdwijnt met de resten van het lam en voert intussen zowel haar zoontje als het hoofd van het gezin lepeltjes yoghurt en dan komt men naar ons toe om te verklaren, dat het heus niet zo erg gemeend was en dat het slechts een klein meningsverschil betrof onder goede vrienden. Het gezelschap verlaat daarna eensgezind het theater en laat stoelen, tafels, borden, pannen, kortom de hele picnic opruimen door een echtpaar met twee kleine jongetjes, die de hele zaak netjes op een karretje laden.
‘Een kapitalistisch land’, merkt één van ons op. ‘Geen van die jonge kerels steekt een hand uit om die mensen even te helpen,’ maar dat gaat me iets te ver en ik vraag, of bij ons de landheer, als hij een buitenpartijtje geeft soms na afloop met de vuile borden gaat sjouwen.
De waarnemingen, die men in een vreemd land doet behoort men niet altijd te toetsen aan de eigen, persoonlijke opvattingen. Natuurlijk is het vreemd als men in een hotel ziet, hoe een nogal zielige kinderjuffrouw een klamme portie spaghetti zit te eten, terwijl het dikke zoontje van de familie wordt volgepropt met vlees en lekkernijen, terwijl de vader en de moeder slechts zo nu en dan komen kijken, omdat ze het druk hebben met feestvieren. Dat alles is echter niet typisch Grieks, hoewel ondanks een schijnbaar amicale omgang tussen arm en rijk hier wel degelijk een schier feodaal standsverschil bestaat, althans op het platteland.
Intussen is het theater dan ontruimd en het dient gezegd, dat het er leeg mooier uitziet dan gevuld met publiek of spelers: in deze ruïnes passen geen mensen, behalve dan de waarnemer en dit bewijst, dat men niet te ver moet gaan met
| |
| |
het in de geest doen herleven van deze steden: ze mogen dan intenser aan het leven herinneren dan de gave Middeleeuwse kastelen, de mens hoort er evenmin in thuis.
De vlakte tussen Eretria en Khalkis is een lusthof van goed bevloeïde velden met uitbundige bomen, die hier dicht op elkaar staan, zo nu en dan is het land statig versierd met een vierkante Middeleeuwse toren en het maakt voorts een uiterst welvarende indruk. De weg van Khalkis naar Thebe biedt slechts één schoon vergezicht, maar dat is dan wellicht ook het mooiste van geheel Griekenland: van Khalkis af gaat de weg namelijk steil omhoog en op de heuvel ziet men de voornamelijk lichtgrijze, doch hier en daar met kleurplekken getooide stad aan weerszijden van het nauwe kanaal liggen, dat Euboia en Attika scheidt. Onbeschrijflijk sprookjesachtig en toch monumentaal vormen de groengrijze bergen van het eiland een achtergrond voor de kleine menselijke nederzetting tussen twee spits toelopende gekartelde baaien. Dit is steeds weer een van de verrassingen van Griekenland: men zoekt de ruïnes en men vindt een landschap, dat een boeiende variant vormt van hetgeen men gezien heeft. En zo kan men vol vertrouwen op weg gaan: zijn de antieke overblijfselen wat klein uitgevallen, dan komt er altijd een ogenblik, waarop de natuur verrast en zo kan men dus, in Griekenland reizend, rustig ook de minder belangrijke antieke ruïnes gaan bezichtigen, zij zullen steeds voldoening schenken als men deze slechts wil vinden. In Griekenland vindt men steeds wat men zoekt: meestal meer, maar nooit minder.
|
|