| |
| |
| |
4
Eén van mijn vrienden in Holland had me aangeraden de fameuze ‘heilige weg’ van Athene naar Eleusis te lopen. Aangezien hij aan mijn opvoeding voor ik op reis ging veel zorg besteedde, ten einde me niet helemaal als barbaar naar Hellas te laten gaan, had ik me voorgenomen zijn bevel op te volgen. Mijn klassicus in Athene, die er niet tegen opziet een flinke omweg te maken ten einde een taxi te kunnen nemen, haalde zijn schouders op. Deze plotselinge subtiliteit ontging hem volkomen en hij had gelijk: 22 kilometers zijn geen kleinigheid in Griekenland. Bovendien was ik al eens naar Korinthe gegaan langs dezelfde weg en nog eens naar Megalo-Pevko, zodat de eerste ‘wijding’ er al af was. Hem nu voor de derde maal ditmaal te voet af te leggen, leek zelfs mij, die als ‘bekeerling’ ongekende ijver wilde tonen, dwaasheid.
Het is trouwens de schuld van de ‘heilige weg’ zelf, dat men hem niet meer bewandelt, hij is te zeer op de hoogte van zijn tijd gebleven en van een contemplatieve stemming kan weinig sprake zijn, als men elk ogenblik op zij moet springen voor een voorbijrazende auto.
Maar toch: ik kan iedereen aanbevelen deze weg te lopen, zoals mijn vriend (die het ook niet deed) aanraadde. Het moet heel mooi zijn, een prettige sensatie vooral, als men uit de bergen komend Eleusis aan de overkant van de baai ziet liggen en men weet, dat men nog 2 uur voor de boeg heeft voor men het zal bereiken. Met volkomen wijding zal men de Propylaeën betreden, misschien wat bezweet hier en daar, doch volkomen bereid om Demeter (gecombineerd met Dionysos) te aanbidden. Men zal dan bemerken, evenals de oude Atheners, dat droog brood een heerlijk voedsel is en dat de gave van de godin aan Triptolemos wel een paar jaarlijkse plechtigheden waard was. Die wandeltocht was dus wellicht uit ‘paedagogisch’ oogpunt voorgeschreven... Men komt al rijdende ook heel wat critischer gestemd aan; men heeft van het beroemde ‘bederven’ der Eleusinische velden met een kalk- of zeepfabriek
| |
| |
gehoord en men ziet dan ook prompt het eerst de fabriek. De fabriek is misschien de grootste bezienswaardigheid van Eleusis: iedereen praat over haar lelijkheid en och, zo jammer, dat zoiets moois bedorven kan worden door instellingen van winstbejag en men kijkt elken Griek verwijtend aan of men prijst zich gelukkig, dat andere monumenten zo goed in ‘natuurstaat’ gebleven zijn. Eleusis is het heerlijke zwarte schaap onder de overigens zo imponerende antieke kunstschatten: die Grieken, geen eerbied voor hun kostbare bezit, het zijn ook geen echte Grieken meer, kan je zó zien, enz.
In waarheid viel er niet veel te bederven en is er niets bedorven. Eerst het laatste: er is niets bedorven, omdat de fabriek van de ruïnes af niet te zien is. Zij stoort met haar rook en haar opdringerige schoorstenen, zolang men de heilige gronden nadert, maar plotseling is ze als bij toverslag verdwenen en verbergt zich bescheiden achter een enorme rots.
Het uitzicht wordt alleen ‘gestoord’ door de aanwezigheid van de stad, maar ja, men kan een hele stad niet met de grond gelijk maken terwille van een uitzicht (als het opgravingen betreft, is men hier niet bang, dat bewijst Delphi, dat bewijst Athene, waar de Amerikanen de stad tussen Hephaisteion en Akropolis geheel hebben afgebroken) en het is de vraag of de enorm brede en platte vlakte van Eleusis niet wat eentonig zou zijn zonder die huizen, die al zijn ze lelijk (en sommige staan inderdaad hinderlijk dichtbij), toch enig reliëf geven. De ruïnes zelf zijn zeer uitgebreid en de algemene indruk kan men aldus samenvatten: er is te veel en er stáát te weinig. Voor een archeoloog moet Eleusis interessant zijn, voor een toerist is zij het nauwelijks. Het geheel is te rommelig en te netjes.
Het Telesterion is enorm groot en maakt een machtige indruk met zijn trappen, die in de rots uitgehouwen zijn, maar het is wat ‘vlak’ en dat kunnen drie of vier pilaarstompjes op dat brede veld niet verhelpen. De Propylaeën (de grote en de kleine) geven beide juist te weinig om een goede voorstelling van het geheel te krijgen en de muren zijn van buiten zware bastions, maar van binnen ziet men ze niet, omdat het grondvlak van de gebouwen gelijk met de bovenkant van de muren ligt.
En verder: de archeologen zijn hier al te ‘wetenschappelijk’ aan het werk gegaan. Geen enkele geleerde heeft hier losweg gezegd: zet dat dakje daar maar zolang neer, Jorgo, integendeel: met de zin voor orde van een boekhouder en de systematische rangschikkingslust van een postzegelverzamelaar hebben ze hier stukje naast stukje gezet; zelfs heeft men niet kunnen nalaten hier en daar een merkwaardig ‘geheel’ op te bouwen, dat geen reconstructie en geen aesthetisch experiment is, doch alleen maar foeilelijk.
De grootste charme van het Griekse ruïnencomplex, de ‘toevallige’ ligging van brokstukken steen en marmer, hier een architraaf, daar een zuilentrommel, ginds een kapiteel, samen dikwijls een abstract of surrealistisch schilderij vor-
| |
| |

De koepel van de Byzantijnse kerk van Panajia Parigoritissa (de troostende Maagd) te Arta
| |
| |

De ruïnes van Delphi (boven), te midden waarvan de Apollo-tempel (beneden) ligt
| |
| |

De portiek van de Atheners te Delphi: de Heilige Weg buigt linksom naar het tempelterras
| |
| |


Maritiem Griekenland: een inktvis wordt murw geslagen en huizen aan zee op Mykonos
| |
| |
mend, is met zorg vermeden. De archeoloog heeft hier te grondig ingegrepen en het resultaat is niet meer dramatisch, het is belachelijk.
In Eleusis treft men de ‘mensenhand’ overal aan: alles is netjes naast elkaar gelegd, triglyphe bij triglyphe, zuil bij zuil, en de eigen bouwsels zijn om kippevel te krijgen: een driehoekig façadefront ondersteund door twee kapitelen, aldus een luguber geheel vormend als een man, wiens beide benen zijn geamputeerd en die nu op een krukje zit, verderop een ander onmogelijk geval met een stuk beeldhouwwerk als hoofdmotief, op een griezelig opgezet beest lijkend. Men heeft het te mooi willen doen en het resultaat van deze al te ijverige combinatie van natuur en kunst is onnatuurlijk en onaesthetisch.
Het museum ligt aardig (aan de kant van de fabriek) en bevat een mooi archaïsch paardenkopje en een enkele torso uit de zesde eeuw. Alleen ligt het wat hoog (hiermee wil ik niet zeggen, dat het ergens anders beter kon liggen, maar het ligt hoog en het was warm) en als men het uitgebreide ruïnencomplex heeft doorlopen is men niet dankbaar gestemd.
Als wij teruggaan langs de kleine Propylaeën fotografeert een amateur zijn kennissen tegen de oude stenen, waarbij hij zich vooral bezorgd maakt over de dames, die steeds in elkaars schaduw kruipen (begrijpelijk bij deze felle zon), de ruïnes moeten zelf maar zorgen, dat ze er op komen. De man heeft gelijk: hier kan men niets anders fotograferen dan een groepje kennissen.
Aan de ingang van het opgravingsveld is een aardig pleintje. Zo nu en dan vindt een Griekse regering het nodig de entrée van de meest bezochte bezienswaardigheden te herzien. Het is hier tamelijk bescheiden geschied en voorlopig is het nog een verbetering, maar ik houd mijn hart vast, als plotseling iemand zo ijverig wordt als de archeologen van Eleusis.
De bus staat wat achteraf en gaat om het uur en als men het niet goed uitmikt, daalt men op een ongeschikt ogenblik af, zodat men drie kwartier moet wachten. Ik kijk door de voorruit en ‘verzamel mijn indrukken’ en als altijd ben ik ten slotte tevreden. Eleusis was niet het mooiste, maar ik had dit ‘anders dan anders’ niet willen missen, hoewel de sfeer der mysteriën heeft plaats gemaakt voor de zakelijkheid ener droge optelsom.
Het uitzicht helemaal boven op de berg, de z.g. Akropolis (ik heb geen polis gezien en zelfs niet wat er naar zweemt, een foeilelijke klokketoren, met een klok waar ik op had moeten kijken, in cement, een cementen electriciteitsgebouwtje of een soortgelijke nuttige instelling, een min of meer mislukt Byzantijns-of-nog-niet-eens ook niet zo leuk torentje zonder klok en een weinig zeggend, niets was nog beter, kapelletje), het uitzicht over de blauwe baai, het wijde uitzicht over de wijde blauwe baai en Salamis en de cypressen en de rode bergen, het uitzicht is niet bedorven. Mensen, die de ‘heilige’ weg liepen, hebben misschien recht zich te beklagen, ik niet.
Zo peinzend staar ik naar de overkant van de weg op een aardig witroze ka- | |
| |
pelletje, waarvan de tuin ook al onderzocht is. Hier en daar ligt een stuk marmer en naast de openstaande deur staan zelfs een paar halve zuilen. Het roze gebouw, het groen, het witte marmer, de rechte gaten, de horizontaal liggende stenen, het licht, dat tussen deze ongelijksoortige elementen zweeft... hoeveel mensen, die haastig naar de ‘grote’ ruïne trekken zullen hier niet voorbijlopen en het bij de terugkomst ‘ontdekken’, denk ik en ik voel me vertederd bij de gedachte aan dit bescheiden kerkje met zijn bescheiden opgravingen...
Ik blijf staren tot de chauffeur instapt en de motor aanzet. De enige kiek, die ik in Eleusis had kunnen maken, denk ik met schrik en maak een beweging om nog snel uit te stappen. Nog een uur wachten? Om die ene foto? Ik besluit te blijven zitten en heb spijt als haren op mijn hoofd, zodra wij een vaart van 50 km bereikt hebben.
Langs de olijven, die er als knotwilgen uitzien (ik heb in een paar jaar geen knotwilgen gezien en ik hoop niet, dat ik één van beide bomen beledig), langs de zee, het meer moet men eigenlijk zeggen, maar dan kweekt men verwarring, want er is ook een meertje. Een raar meertje aan zee met een stenen borstwering en riet. Het ligt hoger dan de zee en bevat zout water, naar men mij als bijzonderheid vertelde, of was het zoet? Waarom het geen zout of zoet water mag hebben of waarom het zout of zoet water heeft is mij niet duidelijk. Het heeft een roeibootje aan de kant. Vlak er naast, aan de overkant van de weg is een hele zee om te bevaren en het meertje, het bassin is niet langer dan vijftig en niet breder dan twintig meter. In een waterloos land had ik zoiets begrepen: een Spanjaard van het binnenland maakt van een modderplas een Oceaan, maar hier in Griekenland? Ik zou het curieus gevonden hebben als ik het ergens anders gezien had, in een dor land een plas en dan plotseling een roeibootje. Ach, laat ze eens in Holland komen, zou ik met medelijden in mijn stem zeggen, daar zullen ze leren wat varen is. Maar hier, bij de van oudsher in en op het water geboren Grieken, deze zeevaarders van het Zuiden, hier is het alleen maar gek: zo'n roeibootje boven de borstwering van een bassin met riet. Uit de vlakte van Eleusis stijgt men op naar Daphni met het beroemde klooster, dat zo vlak bij de weg ligt, waardoor men steeds de neiging heeft het voorbij te rijden en even verder ziet men plotseling bij een draai van de weg Athene.
De stad ligt in een waas en is nu niet in een vlakte gebouwd, zoals men steeds gemeend heeft, maar tegen de helling van de Hymettos op. De Lykabettos en de Akropolis zijn nietswaardige heuveltjes vergeleken met het enorme massief, waar de huizenzee tegen opgolft.
Het wàs toch een vlakte, vraagt men zich onwillekeurig gepijnigd af en men vergeet bijna van schrik dit wijde panorama te bewonderen. Men daalt en de Hymettos stijgt torenhoog, maar dan stijgt men weer en de Hymettos krimpt inéén. Gezichtsbedrog, het is een vlakte, de naderende voorwerpen worden
| |
| |
steeds hoger, maar de Hymettos, die op grote afstand ligt, blijft gelijk en schijnt dus te dalen. Maar men ziet aan de auto, dat men werkelijk stijgt en dat de grijze bergwal daar vooruit duikt en duikt. Voor men het weet is men, onder de zwaarte van dit probleem gebukt Athene binnengekomen. Hoe was het machtige uitzicht daarboven? Toch eens nakijken, of Athene werkelijk in een vlakte ligt...
De bus naar Poseidon is aan Artemis gewijd: jachthonden wringen zich op onnavolgbare wijze onder de lage zitplaatsen en een juffrouw maakt bezwaar tegen een dubbelloopsgeweer, dat steeds op haar gericht blijft. Het is niet geladen, verzekert de eigenaar, maar de dame kent waarschijnlijk het mopje van de kapotte paraplu, die nog afgaat, als God het wil en zij wenst te verzitten. Ik doe het foudraal er wel om, sust de jager, een eenvoudig man, doch een psycholoog, waar een vakman een lesje bij kan nemen, want de dame is nu geheel gerustgesteld.
Naast me zit een jongeman met een scherpe, rechte neus: hij spreekt Frans, maar blijkt een Italiaan te zijn, die in Egypte woont en een Spaanse moeder heeft. Hij is blond en heeft grijze ogen. Ik stel me zo voor, dat het Sounionpubliek wel altijd zulke phenomenen telt: hevig internationaal en het zou me niet verwonderd hebben, als ik een neger, een Chinees en een Eskimo broederlijk naast elkaar had zien zitten. Ten slotte valt het echter mee: de Italiaan is de enige vreemdeling buiten ons, die in onze eigen ogen maar voor halve vreemdelingen tellen; de overige toeristen zijn Grieken.
Wij zijn te vroeg en de bus vertrekt te laat, hoewel men de Italiaan het sprookje verteld heeft, dat Griekse bussen wel eens te vroeg vertrekken (waar ter wereld geschiedt zoiets werkelijk?).
Weldra draaien we voor de Penthelikon naar rechts en schuiven een brede, lange vlakte van wijnstruiken en olijvenbomen binnen. De olijven zijn zilverig en lijken niet op wilgen. Een enkele spreidt zijn takken uit als een danseres haar veren revuewaaier (ik vraag mij af, wat zulk een erkende combinatie van schoonheid en charme zou zeggen, als ik haar vertelde: je ziet er uit als een olijf, en toch: het zou een compliment zijn), een tweede is een heer, die een boeket bloemen aanbiedt, een derde lijkt gewoon op een olijf en een vierde op een bal zilverdraad aan een stokje. Zij zijn knoestig of slank, wollig of sprietig, maar nooit groots. Het is verkeerd om van een olijvenbos te spreken, zoals sommige mensen doen, ik hoorde zelfs wel eens het woord ‘olijvenwoud’ vallen. Olijven kunnen, hoe oud ze ook worden, nooit een bos vormen, evenmin als bij voorbeeld... wilgen.
Na de vlakte komen de beroemde Griekse ‘parkbergen’. Vele Griekse bergen
| |
| |
zien er uit als de kunstmatige heuvels in een park, met flauwe hellingen en ronde kopjes. Er zijn uitzonderingen, vooral ook onder het hogere genre, maar voor men in het werkelijke gebergte komt vertoont het Griekse land verhevenheden, die meer basis hebben dan top: builen, bobbels, puisten van het aardoppervlak doch geen zelfstandig omhoogrijzend steengevaarte. Hiermee wil ik geenszins zeggen, dat ze lelijk zijn, integendeel, aan deze eigenschappen hebben we het ‘drijvende’ van de eilanden te danken. Steile, pardoes neervallende rotsen kunnen niet drijven. De weg is prachtig, zegt de Italiaan en hij praat nog even door over de ouderwetse en verouderde spoorwegen en dat men een land beter per auto dan per trein kan zien, en dat in Egypte helemaal geen wegen zijn en dan kraakt er iets en we zitten op een weg, die dan wel Egyptisch mag heten. Mijn tijdelijke reisgenoot kijkt beteuterd voor zich uit, hij ziet in, dat hij te veel gezegd heeft. Men prijst de weg niet in een autobus. Dat loopt nooit goed af.
Niet ver van het elliptische theater van Thorikon rusten wij even uit van al dat verticale beweeg, dat horizontaal had moeten zijn. Het theater ligt wat verloren tegen een brede berg en het ziet er weinig theatraal uit door de langgerekte vorm, maar het kijkt, zoals altijd in Griekenland, weer mooi uit.
In Laurion ruikt, ziet en proeft men de mijnen. Onzegbaar trieste huisjes aan een blauwe baai, de tegenstelling is schrijnend en deprimeert even. De palmen en oleanders, de pijnbomen zelfs zijn plotseling zielige plantjes in deze woestenij van arbeidzaamheid: overal waar de mens te hard werkt en te weinig verdient wordt de natuur lelijk. Laurion is een gevloekte plaats, de wind waait er harder of de kleine vlakte brandt onder de zon; een koele bries is hier zelden, dat voelt men onmiddellijk. Vierkante schoorstenen op de heuveltoppen, roestige werktuigen en vuile fabrieksgebouwen.
Nauwelijks is men de stad uit, of men komt aan de Rivièra van Griekenland, de zoveelste, maar nu de echte. Het landschap doet denken aan de Côte d'Azur of aan de Costa Brava van Catalonië. De pijnbomen zijn heel licht groen, een groen, dat men bij ons alleen ziet, als het lente is. Het is feestelijk groen van een eeuwige lente, het ziet er nieuw uit in September, pas uitgekomen.
Langs de zee slingert men van baai tot baai, voorbij aardig gelegen en goed onderhouden villa's en Laurion bestaat niet meer. Ik stel me voor, hoe Sounion zal zijn (ik kan deze verkeerde gewoonte nog niet nalaten en ten slotte: zij is onschuldig. Men heeft plezier, als men goed geraden heeft en nog meer als men het weer mis heeft). Een tempel op een rots van 60 meter hoogte (op de meeste foto's lijkt het, alsof de zuilen zó aan zee staan, maar ik heb het in de gids nagekeken: 60 meter), de zuilen hebben een beetje rare vorm, bijna niet toelopend, met 16 groeven in plaats van 20, waardoor ze er waarschijnlijk wat plomp uit zullen zien, zoals op de foto's, die hoe bedrieglijk ze ook overigens zijn in dat opzicht niet liegen; een heuvel met het welbekende groene struik- | |
| |
gewas, een echte kaap, die steil aan alle kanten afloopt en dan bij wijze van ‘wachter’ de tempel, militant en bijna somber de zee beheersend, een symphonie in donkergroen, blauw en wit, met iets van de oude zeevaarders tegen hun eeuwigen vriend en vijand Poseidon: ik aanbid je, maar ik lust je tegelijkertijd. Kom maar op.
Maar nu komt de laatste bocht tussen het groen en het blauw en het roodgrijs en plotseling ziet men een paar speelgoedpilaartjes bovenop een heuvel: Sounion. Als elke Griekse tempel, die men in het landschap tegenkomt heeft men onmiddellijk de gecombineerde sensatie van iets groots en iets kleins, en bij het zien van die enkele zuilen is men al meteen overtuigd: het zal wel weer goed zijn en anders dan ik me had voorgesteld.
Ik let nauwelijks op de vergezichten langs de weg, de isthmos, die de kaap met het land verbindt, ik kijk naar die onnozele streepjes wit tegen al dat blauw en ik bedenk met schrik, dat het ook een massief gebouw had kunnen zijn. Ook mooi waarschijnlijk, maar niet zo... (hier faalt de terminologie, laten we zeggen: niet zo Sounionachtig).
Sounion bestaat eigenlijk uit twee kapen, als de twee einden van een hamer naast elkaar liggend, terwijl het ene eind dan de helft kleiner en lager is dan het andere. Op de laagste kaap staat een toeristenpaviljoen: foeilelijk en een betreurenswaardige concessie aan de luiheid van de toeristen, die beter gedwongen konden worden een paar minuten te lopen. Als het gezelschap uitstapt, valt het mij op, dat niemand op het toch helemaal niet zo vreemde idee komt eerst een glas ijskoude limonade of iets dergelijks te drinken. Het is geen heiligschennis als men Poseidon pas bezoekt na eerst zijn dorst gelest te hebben en wat bekomen is van de busrammeling. Maar niemand schijnt op deze menselijke overweging te komen: dikke dames en oude heren, Grieken en vreemdelingen beklimmen hijgend, gebiologeerd door die paar zuiltjes, de steile helling. Ik hol vooruit om het heiligdom nog even te zien voor het te zeer bevolkt wordt (de Grieken slapen vanmiddag, troost ik mezelf snel, en voor twaalf uur gaan ze baden, maar goed, voor alle zekerheid).
Bovengekomen, deins ik bijna van schrik terug (verdorie, bijna de zee ingehold), ik heb enige last van hoogtevrees en dit ding staat toch wel gevaarlijk hoog boven het water. Maar als ik dan mijn evenwicht hervind (zonder veel moeite, want ten slotte scheidt de hele tempel mij nog van de afgrond; alleen het breekt aan de andere zijde zo scherp af) betrap ik mij op een glimlach. Deze tempel is vriendelijk en vol vreugde en mijn verbeeldingskracht mag ik wel weer eens herzien. Poseidon van Hellas is niet Poseidon van Holland.
Onze zeegod is een eenzame kluizenaar, die slechts brommend en onwillig de rare mensenbouwsels, die men schepen noemt, op zijn rug draagt. Altijd schuimt en bruist hij en al te dikwijls verheft hij luid brullend zijn stem en slaat als een wildeman in het rond, zodat niemand hem durft benaderen. De Hel- | |
| |
leense Poseidon is een vriendelijke oude heer, die gaarne gasten ontvangt en hun de schoonheid van zijn rijk toont. (Nu ja, bij wijze van spreken, want de Meltèmi, die over en langs de eilanden van de Griekse archipel waait is lang niet mis). Kom binnen, kom binnen, nodigt hij uit, aan de ingang van zijn tempel, kijk eens, hoe liefelijk mijn gebied er vandaag weer uitziet.
Wij, Hollanders, die ons land ‘ontworstelden aan de baren’, die in eeuwige strijd met de zee leefden en haar meer als iets dat men bedwingen dan iets dat men liefhebben moet beschouwen, begrijpen weinig van deze op het ogenblik zo gezellige zeekoning. Dit marmeren paleis moet de ‘zomerresidentie’ van Poseidon geweest zijn, waar hij, uitrustend van de vermoeiende stormerij om deze anders zo gevaarlijke kaap zijn gemak nam en met genoegen de zeilschepen van zijn aardse onderdanen zag voorbijvaren, blij, dat hij het hun eindelijk eens niet moeilijk behoefde te maken.
De ligging is weer onmogelijk te beschrijven; men denkt onwillekeurig aan de Aphaia-tempel van Aigina, maar het is toch heel anders. Bruinrode bergen, baaien, kapen, eilanden vlak bij en in de verte wegschietend als trage vissen, ach neen, in de eerste plaats open. Nergens voelt men zich zo volledig tussen water en hemel als hier: men vormt een deel van beide en het land is zo ver weg, dat men het als buitenstaander, als uit een vliegmachine kan bekijken. Het land is er alleen voor de zee, om de baaien te doen ontstaan, om het water reliëf en contour te geven.
Van de tempel zelf kan men in tegenstelling met Eleusis zeggen: er is weinig, maar er staat veel (niet te weinig, niet te veel, juist goed). Het enige wat men behoeft te weten, als men Sounion bekijkt, is de bestemming van de tempel, maar als men dat zonder gids niet voelt, dan toont Griekenland u vergeefs zijn schatten. Er staan 12 zuilen, een enorm gebouw dus.
En in die schaduw van één van die zuilen tracht ik een rekensom te maken: hoeveel zuilen telt Griekenland? Daar heb je eerst Athene: het Parthenon naar schatting 2 maal acht en 17, daar gaan twee af en aan de andere kant een stuk of tien en dan 6 van de portiek vóór (of liever achter, want de ingang was aan de kant, die van de Propylaeën afgekeerd staat), dus ongeveer 50 (het lijkt me erg veel en ik reken het na, maar het kan niet veel schelen), het Erechteion een stuk of vijftien schat ik, de Propylaeën ook vijftien, Nike ik meen vier, de kolommen van Thrasyllos twee, het Hephaisteion dertig ruim geschat en het Olympieion vijftien en nu wordt het moeilijk: moet ik de zuilen van de Romeinse Agora er ook allemaal bijrekenen? Die blauwe stoepstenen liever niet, maar wel de portiek van Athena Archegetis, vijf zullen we zeggen om in ronde getallen te blijven (het zijn er geloof ik vier plus één, om een hoekje) en dan hebben we 50 + 15 + 15 + 2 + 30 + 15 + 5, dat is dus 130 (die kolommen van Thrasyllos komen dan bij de algemene verhoging voor datgene wat ik vergeten heb). Het lijkt veel, die 130 en ik had nog wel ge- | |
| |
dacht, dat Hellas niet de 200 zou halen en dan in Athene alleen al 130! Het ziet er donker uit.
Ik had willen zeggen: en met nauwelijks een paar honderd zuilen, nauwelijks tweehonderd zuilen, houdt Hellas ons gevangen... het klonk zo mooi en het is toch ook waar, er is als men alles bij elkaar telt erg weinig en toch is het enorm veel. Wie zou het in zijn hoofd halen voor een enkel gebouw, voor een enkele ruïne, voor welgeteld (ik kan hier gelukkig precies zijn) twaalf zuiltjes een reis te maken van drie uur in een rammelende autobus heen en drie uur terug, als het niet Sounion was? Voor vier of vijf zuilen maakt men een reis en zegt, dat er veel te zien was. Maar verder: 130 voor Athene, veel te veel overigens, Sounion twaalf, Aphaia tweeëntwintig volgens een foto, die ik bij me heb, één van mijn eigen Venusheuvel, Korinthe zes van Apollo en nog een stuk of drie hier en daar rondzwervend, Olympia en Delphi elk vijf (ik ben er nog niet geweest, maar op de foto's zag ik weinig zuilen), ik haal de tweehonderd toch nog niet, ik had toch gelijk, de tweehonderd zuilen van Hellas, die zo'n indruk maken, eens optellen 12 + 22 + 1 + 6 + 3 + 5 + 5 dat is 54 plus 130 is 184, ik kijk zegevierend het Poseidonterras rond, ik kan nu wat weggeven: Delos een stuk of vijf en voor het verlies nog tien en één cadeau bij wijze van toegift. Precies tweehonderd. Plotseling denk ik met schrik: de tempel van Bassa. In de eerste plaats de naam, in de tweede plaats, dat hij zo moeilijk te bereiken is, 12 uur op een ezel van Olympia naar Andritsena (omdat de weg na twintig jaar nog niet klaar is) en dan nog eens een uur of drie, vier van Andritsena af en nu komt dat lelijke ding (want een kennis van me, die verstand van de werkelijke schoonheid van zuilen heeft zegt, dat ik er niet naar toe behoef te gaan, hij is niet mooi, niettegenstaande hij door Iktinos, den bouwmeester van het Parthenon, is ontworpen, maar hij is de volledigste tempel van Griekenland na het Hephaisteion en het is onbeleefd om hem te negeren), en nu komt hij mijn mooie
berekening in de war schoppen. Tempel van Bassae (in Holland nog nooit van gehoord), en ik herinner mij een kiek met een compleet zuilenwoud, heel lang vooral, in het geheel dus minstens dertig, zo niet veertig, schandelijk! En Nemea drie, de Hadrianus bibliotheek vier! En Rhodos: wat die Italianen niet allemaal opgebouwd hebben in Lindos en Kameiros en Ialysos en het Gymnasion van Sikyone, ook nog twee... Dus dan maar 250. Nu moet men bedenken wat 250 zuilen zijn. 250 zuilen is eenvoudig niets. Het klinkt veel. 250 zuilen bij elkaar op een open veld, ik moet er niet aan denken, neen, het is toch wel veel, maar kijk eens, 250 zuilen, alles wat er overgebleven is van een oude beschaving, 250 zuilen, die ons in haar magische greep (is die beeldspraak wel zuiver?) gevangen houden, 250 magische, ik bedoel 250 zuilen, de 250 zuilen van Hellas, niets nietwaar? Wat zijn nu 250 kleine, onnozel kleine vestzakzuiltjes? Neen, het gaat niet. Met 200 was het gegaan, met 250 gaat het niet meer. Een paar honderd, slechts iets meer dan honderd, enkele
| |
| |
honderden (was het maar driehonderd geweest), nauwelijks, maar tweehonderdvijftig, dat overtuigt niet meer, evenveel zuilen als een rijksdaalder centen. Enorm eenvoudig, een zak vol... En toch, hoeveel gebouwen zijn het? Parthenon, Erechtheion, Olympieion, Hephaisteion, Aphaia, Sounion, Apollo, Bassae, acht stuks, weinig... alleen het is niet eerlijk, want zo schakelt men Epidauros, Mykene, Tiryns, Delphi, Olympia, Delos uit. En ik zou bijna vergeten, dat ik tussen lucht en water op een zwevend terras van de Poseidontempel zit (het boventerras dan, want er zijn er twee). Het is eigenlijk geen terras meer, maar een podium, een podium der zee.
Het is merkwaardig, dat de natuur het weer zo goed uitgemikt heeft om juist de zuilen, die aan de zeekant zouden moeten staan te doen verdwijnen. Zo krijgt men, als men de tempel binnenkomt de indruk, dat het terras in loodrechte lijn tot het water afdaalt en deze illusie behoudt men zelfs tot dicht bij de rand. In werkelijkheid is de helling niet zo steil, dat men niet zonder bezwaar naar beneden kan gaan, maar de mens is zo gewend geen rekening te houden met dingen, die hij niet ziet, dat ik bij het betreden van dit terras werkelijk even de pas inhield om niet met al te veel vaart bij de rand aan te komen. Eerst een voorzichtig onderzoek wees uit, dat alles gezichtsbedrog was en dat kunst (het verhoogde terras) en natuur (de zuilen verdwenen) hier weer een ‘toevallig’ unieke combinatie hadden geschapen.
Op dit zeebalcon staande heeft men de zuilen in de rug en kan men zich een gast van Poseidon voelen. De schepen varen tot dicht onder de rotsen voorbij en men voelt onwillekeurig, dat de Godheid slechts een bries behoeft op te roepen om ze te vernietigen. Maar hij heeft geen zin, hij is op het ogenblik in een uitstekend humeur.
Eén ding zou mij voor den ouden heer benauwen, als Poseidon nog op Sounion woonde. De villa's komen een beetje erg dicht bij. Ze zijn nog net ver genoeg af, ze liggen bescheiden beneden aan de overkant van de baai, maar er is één lelijk groot villagebouw bij, waarschijnlijk een hotel, dat al een eigen schreeuwtoon, lichtelijk detonerend zelfs op deze afstand, laat horen. Ik heb vroeger altijd gelachen om mensen, die gestoord werden door huizen op mooie plekjes. Ik nam me voor om, mocht ik ooit geld krijgen, mijn huis op een mooie plek neer te zetten.
Op Sounion en in het algemeen in Griekenland ben ik bekeerd en aestheet geworden. Laat de mensen wonen waar ze zin in hebben, maar niet in de nabijheid van de Goden. Ze vallen uit de toon. Het is niet voldoende, dat de kaap zelf vrij blijft en men dat afschuwelijke paviljoen afbreekt, als ik Poseidon was zou ik met een breed gebaar al die huizen en huisjes naar de andere kant van de bergen verwijzen. Daar is het ook mooi en daar zouden zij mij niet storen in mijn gedachten over het wel en wee der zee.
De pijnbomen zien er op de terugweg haast nog feestelijker uit, alsof men
| |
| |
alle naalden nog gauw even bijgeverfd heeft, een tikje lichter nog, wat gloednieuwer en lenteachtiger. Zelfs Laurion is van de andere kant komende acceptabeler en men maakt grapjes. De chauffeur geeft plotseling gas om den conducteur te beletten de auto te bereiken en deze ambtenaar klautert over de radiator van de wagen, die reeds een flinke vaart heeft en valt ten slotte hijgend neer op één van de voorste banken. Dan heeft een passagier zijn geld vergeten en we gaan nog even terug. Gelukkig, Laurion is toch nog een echte provincieplaats, niettegenstaande haar somber uiterlijk. Eenmaal goed en wel op weg rijdt de chauffeur als een duivel om de verloren tijd in te halen en slaat bij elke kerk een dubbel kruis.
Zodra wij de bergen over zijn zien we de Penthelikon al in de verte liggen, haar ontvellingen zijn vandaag bruinig, vuil-wit, alsof de huid er pas afgetrokken is. Ik begrijp niet, dat ze in die oude groeven niet een paar bomen neergezet hebben, het ziet er naar uit zo, zegt mijn metgezel. Inderdaad het lijkt bloederig, iets van gestroopt zijn, een onaangenamer indruk makend, dan toen ik de berg voor het eerst zag.
En nu moet ik de Hymettos in de gaten houden. Deze bergketen, die er van Eleusis komend zo imposant uitziet en in Athene steeds de rol van beschermende wal speelt, is plotseling verdwenen, zodra men de weg naar Marathon en Sounion opgaat. Dan ziet men de Penthelikon en de Parnes, maar de Hymettos is gereduceerd tot een flauw heuveltje van een paar honderd meter. Deze indruk kreeg ik de vorige keren al; komende van Marathon kijkt men al uit naar de vertrouwde Hymettos, maar er is niets te zien tot, floep, daar ligt hij weer. Nu let ik op dezen oplichter onder de Attische bergen. Kijk, daar links een heuvel van een 500 meter, niets in vergelijking met de gewonde Penthelikon en de gesneden Parnes (die een zigzagautoweg op zijn buik heeft), daar Psychiko met dat rare lange gebouw voor jonge meisjes, neen, niet naar rechts kijken, naar links, nog steeds een laag heuveltje, een helling flauw, dat de top kilometers ver weg moet liggen, wil hij nog maar een hoogte van 300 meter bereiken. Nu, we zullen zeggen 500 meter.
Tot vlak bij Athene blijven Penthelikon en Parnes geweldig groot en de Hymettos is er nog steeds niet. Maar nauwelijks hebben we Athene bereikt, of de beide bergen zijn weg en de Hymettos plaatst ons achter zijn veilige verschansing.
Als ik thuiskom haast ik me naar boven om den bedrieger te ontmaskeren. Parnes lees ik: 1413 meter, Penthelikon 1110 meter, zie je, dat zijn nog eens bergen, nu de Hymettos: 1027 meter. Hm, brom ik, ik mag, geloof ik, niet zeggen, dat het fout in de gids staat, maar ik hoop, dat ze goed gemeten hebben.
|
|