| |
| |
| |
3
Voor zomerhuizen gaat men naar Glifada en zodra ik dan ook de wens te kennen gaf in Griekenland te blijven verwees iedereen ons naar dit Zandvoort van Athene.
Het is eigenlijk niet alleen Glifada; de kust is van Piraeus tot waar de Hymettos de zee bereikt één lange badplaats: Nieuw-Phaleron, Oud-Phaleron, Kalamaki, Glifada, Woela, Woeliagmeni. Slechts enkele kilometers van Athene en een prachtig strand, mondaine genoegens, een heerlijke omgeving: ik stelde mij iets voor van deze Helleense Riviera. De huizen zijn er duur, waarschuwde men mij, want deze plaatsen zijn in de mode, maar hier zul je zeker iets kunnen krijgen. Vol verwachting reden wij de brede Syngrosboulevard af, wel enigszins geintimideerd door de faam van élégance, luxe en unieke schoonheid van deze veelbelovende oorden. Voor eenvoudige burgers waarschijnlijk niet te betalen. Phaleron viel ons niet mee: een fabriek aan zee, bijna in zee, een aantal grote huizen, die elkaar in de weg stonden, zonder uitzicht op het water, een volkomen vlakke kust en de Hymettos, plotseling somber, kaal en grauw, als troosteloze achtergrond voor dit vrolijke vacantieverblijf. Kalamaki, de huizen iets meer verspreid, maar overigens als Phaleron, doch dan eindelijk: Glifada.
Het spijt me, dat ik Zandvoort ooit heb vergeleken met dit merkwaardige oord van vermaak. Een eindeloos brede, volkomen kale vlakte, bezet met huizen van elke kleur en elk formaat, van villa tot varkensstal, met rechte, barre wegen en naast dit moois een plas, een brede, kale plas, die onmerkbaar overgaat in land. De saaiste zee, die ik ooit van mijn leven heb meegemaakt, het meest trieste land bespoelend. Een smoezelig vuile zee, een vaal en kleurloos land, waar men elk ogenblik een hoop oud-roest verwacht.
Slordig is dit landschap, slordig zoals de natuur nooit, zoals de mens slechts bij uitzondering kan zijn: een haven- of spoorwegemplacement, de terreinen van een hoogovenbedrijf of een ijzergieterij zijn soms zo intens lelijk, zo hopeloos
| |
| |
niets, maar een badplaats? Al liepen hier de sirenen van Ulysses, de hetaeren van Korinthe, de girls van Broadway in haar meest uitgebreide verleiding rond, ik zou Zandvoort prefereren met zijn vrees voor vrouwelijk schoon. Messalina, Kleopatra en Helena, ja Aphrodite zelf zou me hier niet kunnen vasthouden. Ik zou gaan huilen en om mijn moeder roepen.
Het moet een lugubere grap van de Atheners zijn: nadat de Grieken hebben getoond (en nog tonen, men lette slechts op de geraffineerde plaatsen, waar kapelletjes worden neergezet), dat zij de enigen zijn, die de structuur van een landschap begrijpen, die natuur en kunst tot een onverbreekbaar volmaakt geheel weten te combineren, hebben zij ons het tegendeel niet willen onthouden: zij gaven ons Glifada en haar tegenhanger in de bergen Kifisia. Bij wijze van hulpmiddel misschien, want als ik de sterkste, de meest plastische, de zuiverste uitdrukking wil geven aan mijn bewondering, dan zeg ik eenvoudig: de volmaakte tegenstelling van Glifada.
Deze schoorsteenveger onder de badplaatsen bewijst hoe lankmoedig en lui de mens is en hoezeer gespeend van goede smaak: als een volgzame kudde vee, geleid door de herdersstaf der moderne publiciteit, gaat ‘men’ naar Glifada en niet naar Rafina of de baai van Eleusis of de streek tussen Megara en Korinthe, terwijl de eerste toch nauwelijks verder van Athene liggen.
Wij werden van het ene huis naar het andere gesleept door een ijverig agent, kregen hier bloemen en ginds vruchten van de vriendelijke verhuurders, maar het hielp weinig: Glifada werd er niet mooier van.
In ernst, het ontstaan van deze badplaats is mij een raadsel, waarvan de onoplosbaarheid alleen overtroffen wordt door de puzzle: hoe komt het, dat deze plaats ‘in de mode’ blijft? Griekenland is zo prachtig en er is zoveel ruimte... Woela is iets aannemelijker met pijnbomen aan zee, in ieder geval een verademing vergeleken met het mondaine lustoord, Woeliagmeni is niet onaardig, maar wij gaven het op: het vooruitzicht van een tocht per bus, zij het ook slechts eens in de veertien dagen naar Athene door deze woestenij van plezier schrok ons af en de laatstgenoemde plaatsen zijn eerst te bereiken, als men de rijstebrijberg van genoegens heeft doorworsteld.
Megalo-Pevko, waar wij langs gekomen waren op weg naar Korinthe, spookte door mijn hoofd en ik moest en zou mijn geluk beproeven in het dorp met de veelbelovende naam.
De weg naar Eleusis, vol autobussen, prachtig voor het verkeer, minstens vier kunnen er naast elkaar rijden, langs een klein, heilig, maar niet erg heilig meer, langs de baai tot Eleusis, waar we weer niet uitstapten, dan nog een kwartiertje verder en daar stonden ze nog: de schaduwrijke bomen aan de oever, de cafétjes met veranda's van dennentakken en Salamis tegenover ons.
Het leek bijna nog aardiger, nu we konden stilhouden en hier op ons gemak mochten rondsnuffelen. Ik bekeek het plaatsje reeds, alsof ik er al woonde;
| |
| |
slechts een klein, eenvoudig, alleenstaand huisje, het was niet te veel gevraagd in een streek, waar het landschap met zijn eigen schoonheid geen raad weet. Of er huizen te huur waren, informeert onze Griekse vriend, die ons zou helpen bij de moeilijke onderhandelingen. Huizen? De waard maakt een weids gebaar: het hele dorp verhuurt. En we gaan vol moed op weg met het huis al vrijwel in onze zak.
De eerste woning staat dicht aan de weg en niet aan zee, maar ze heeft een aardige veranda, die weliswaar nergens op uitkijkt (doch ten slotte hoeft men niet op een veranda te zitten) en verder hebben de buren een hond. De hond blaft voortdurend en we kunnen elkaar nauwelijks verstaan. Er zijn meer huizen in Megalo-Pevko en we verlaten de hond. Het tweede huis staat ook aan de weg en de keuken staat een beetje verder weg aan een ander huis en in dat huis wonen drie zuigelingen (hoe de moeder dit wonder heeft gewrocht, is haar zaak: het was geen drieling en toch schreeuwde het in koor). Wij verlaten de zuigelingen, die evenmin op zee uitkijken en bezoeken ons derde huis, dat nog niet af is, op zee uitkijkt (langs een stuk of drie, vier buren), omdat het eigenlijk een verdieping is en mijn vrouw maakt bezwaren tegen een bovenhuis aan zee. Daarna komen drie huizen, die ontruimd zullen worden, zodra wij ze huren. Maar waar gaat het gezin dan wonen? In dat schuurtje (op het erf), wij slapen 's zomers buiten (op het erf), in die kamer (aan het erf). En de W.C.? Ook op het erf. Gemeenschappelijk. Ik doe het nog liever... zeggen wij.
Het zevende huis was eveneens een erfhuis, het achtste en negende stonden in een straat, waarvan de bewoners de lastige nabijheid van de zee volkomen hadden weten uit te schakelen door de woningen vlak op elkaar te bouwen en het rook er, alsof het wijde water uren ver verwijderd was, het tiende was een villa in de bergen (tien minuten lopen van zee af, maar men keek er ten minste op), het elfde huis was zonder keuken (doch men kon in het hotel eten), het twaalfde was een samenvatting van alle andere en het dertiende was kraakzindelijk en leeg; er stond zelfs geen stoof.
In de bus sprak één van ons gevoelige woorden over de bekwaamheid en het inzicht der bewoners van Megalo-Pevko, die er in geslaagd waren de charmes van hun woonplaats zo grondig te bederven, terwijl het van buiten af nog zoveel leek. De zee uitgeschakeld en als mestvaalt gebruikt, de huizen bij voorkeur in elkaars gezicht, de café's zo gelegen, dat men zuchtend betaalt, wat ze schaamteloos vragen.
Ik nam in gedachten reeds afscheid van Attika, zo niet van geheel Griekenland... Op dat ogenblik trad een reddende engel ten tonele in de gedaante van een schilder. Men kan van schilders zeggen wat men wil: zij weten de goede plekjes te vinden en onze nieuwe vriend sprak over Aigina.
Hoewel het idee op een eiland te wonen me tegenstond, had ik te weinig keus om ons een kans te laten ontglippen en ik was dus gedwongen deze moge- | |
| |
lijkheid om tot een oplossing van het woonvraagstuk te komen te aanvaarden. Zijn toon was niet hoogdravend maar vol liefde en we besloten te gaan varen. Het kleine buurtverkeersbootje bracht ons door de Saronische golf langs de Noordkant van het eiland om de lage kaap met het kleine verticaal in brede rood-witte banden gestreepte vuurtorentje, langs de barre, steile landtong van de Aphrodite-tempel (of liever: Apollo-tempel volgens de onderzoekingen van ‘de archeoloog van Aigina’, Welter) met zijn eenzame, scheefgebroken zuil, voor de stad Aigina.
We worden in kleine, snelle en lage scheepjes overgebracht en varen nu schier in het water liggend de haven binnen.
Onze metgezel stoot ons even aan: op een verbreding van de Noorderpier staat een klein, helwit gekalkt kerkje; het drijft bijna op het water. En achter de haven breidt zich een halve cirkel uit van gelijk- en gelijkvormige huizen voor een keten van grijze, onregelmatig getande bergen.
Aigina: het is zo'n gewone, eenvoudig gelegen haven zonder panorama's die met een sterretje in de gids staan, niet pittoresk in de toeristische zin van het woord, maar het is zo in alle delen een haven. De ondefinieerbare luchtjes, de verveloze stoeltjes van de café's, de helder gekleurde boten, het rustig bedrijvige leven, in geen enkel opzicht een bezienswaardigheid, in alle vezelen maritiem Griekenland.
Er staat slechts één groot hotel, dat niet hevig floreert, want de vreemdelingen, die het eiland bezoeken laten zich onmiddellijk in één van de vele auto's of in een wagentje of een bus hijsen om haastig de Aphaia-tempel te kunnen bereiken en net op tijd terug te zijn voor de avondboot naar Athene.
Wij willen ook geen hotel, wij willen een huisje, een alleenstaand huisje, geen dennen aan zee, geen badnimfen in het water, maar ook geen lastige of hartelijke buren. Onze nieuwe vriend heeft ons de woning, die hij op het oog heeft, reeds beschreven, maar men weet hoe dat gaat met beschrijvingen: zij wekken steeds een verkeerde voorstelling.
Hier volgt dus de beschrijving: achter de zuil van de Aphrodite-(Apollo-) tempel ligt een grote tuin met pistache-bomen, granaatappels, vijgen en druiven tegen een heuvelrug, die net hoog genoeg is om een vrij uitzicht over Aigina te geven en net laag genoeg om de zee niet tot een verre waterplas te degraderen.
Achter in de tuin staat een klein huisje, omgeven door een breed tegelterras, dat aan één kant drie of vier meter boven een veld, alleen door geiten en schapen bezocht, uitsteekt en dat om het huis draaiend gelijkvloers komt te liggen met het eerste terras van de tuin.
Over de zee een stukje pier, de uitgang van de haven, de grillige kam van Moni, de sombere massa van Methana, de platgeslagen pyramide van Ankistri, dan plotseling vlak voor ons de zuil van de Aphrodite-tempel, als een scherpe sil- | |
| |
houet tegen de lucht en vervolgens langs de vijgebomen een nieuwe baai en ver achter deze groep de horizon hoog afsluitend het bergland van Epidauros, soms blauw en scherp, soms grijs en vaag.
Over het land het stadje Aigina, de scherpe pieken van de Oros en de grillige top van Palaiochora, de kathedraal, de langzaam rijzende vlakte bezet met zachtrode, lichtblauwe, vaalgroen met roze huisjes in pastel, een dennenbosje, enkele cypressen. Boven ons, doch ver genoeg om niet hinderlijk te zijn, de witte zeshoekige villa van een generaal en verder naar voren een donkerrood huis van een oude dame. De generaal was niet thuis en de oude dame zat in Athene. Wij huurden.
Aigina, mijn Aigina! Wat men liefhebt kan men niet in woorden vangen.
Waren het de breeduitdijende tonen van een lied, dat over het water klonk op de koele zomeravonden als drie luidsprekers door elkaar zongen aan de haven en wij tussen de pratende en trictracspelende inwoners gezeten de stille schepen zagen binnenzeilen als nachtvogels op een zachte wind? Was het dat irriterende geknars van de windas boven onze put als Apostóli, onze tuinjongen, ons uit de middagslaap wekte om de dorstende, verdorrende bomen water te geven? Was het de maan, die 's avonds als een verlichte ballon precies in het midden tussen de scherpe toppen der bergen hing, terwijl haar licht de schaduwen verdonkerde en in een Zigeunerkamp een jongen uren achter elkaar hetzelfde accoord op zijn guitaar aansloeg? Waren het onze honden, die we niet hadden willen hebben, maar die wij niet kwijt konden raken en die bij nacht en ontij elke voorbijkruipende mier aanblaften? Was het Pempti, onze Donderdagse kat, die steeds opnieuw onze vingers voor de moederborst aanzag, omdat hij als blinde nestling reeds te vondeling was gelegd? Was het de huilende nachtwind, waren het de als torpedoboten binnensnorrende torren, de hagedissen op het dak boven ons bed, de cicaden in de moerbeiboom, de veldmuis, die alleen op bezoek kwam, als wij meloen hadden gegeten? Of misschien de mieren, die uit en in alle gaten en reten kropen, overal nesten bouwden, onze jam bedierven, ons de kaas van het brood aten, onze bezittingen wegsleepten en die standvastig weigerden zich te laten lokken door een potje met zoetigheid, dat ik altijd weer geduldig op het terras zette om met één zwaai een hele kudde te kunnen verdelgen? Waren het de geiten, die zo hevig begonnen te blaten als ze het door hun touw toegewezen terrein hadden afgegraasd of 's avonds te laat naar hun zin werden binnengehaald? Waren het de schapen, die in maanlichte nachten aan onze voeten kwamen grazen met zacht geraas de dorre vezels afrukkend, die de geiten hadden overgelaten? Of was het de schreeuwende
herderin, die haar beesten niet bij elkaar kon houden en van de ene kant naar de andere holde om de altijd vluchtende dieren bij elkaar te drijven, terwijl onze avondlijke herder met beide benen aan een kant van zijn
| |
| |

Het theater van Epidauros is gebouwd door Iktinos, de bouwmeester van het Parthenon
| |
| |

De Aphaiatempel op Aigina (links) is van de oude heiligdommen het best bewaard gebleven
| |
| |

Netten en schepen, lage eilanden en de zee: dat zijn de eeuwige attributen van Hellas
| |
| |

De zeeboulevard van Saloniki en de toren, in de XVe eeuw door de Venetianen gebouwd
| |
| |
ezeltje gezeten slechts een paar woorden voor zich heen bromde en zo nu en dan een steen wierp? Was het Stavróela, die ons elke morgen water bracht, zo dikwijls een kruik brak en haar tenen dan verlegen kromde, als zij toch een koekje kreeg? Was het Artèmi, die druiven gapte, door Apostóli betrapt werd en daarna door dezen strengen navolger van den Heer uit de tuin van Eden verdreven werd? Was het ons rood-wit-blauwe huis, het rood van de deuren, het wit van de randen en het blauw van de muren? Was het onze huisbaas, die met een verlegen lachje de druiven uit zijn tuin op onze tafel legde en voor wij konden bedanken zijn brede rug zo klein mogelijk makend, schielijk verdween? Was het mijn vreugde, als ik veel geschreven had en mijn wanhoop, als ik er zelfs niet toe had kunnen komen een brief te tikken? Was het onze eigen Venusheuvel? Onze tedere en vijandige ogenblikken? Waren het onze Griekse vrienden? De steeds afwezige archeoloog, over wie altijd gesproken werd, met zijn Amerikaanse assistente? De advocaat en landheer, die zo goed Turkse liederen kon zingen? Was het wel iets of iemand zelfstandig of was het slechts ‘iets op Aigina’?
Aigina maakt heden op mij nog dezelfde indruk als op de dag van aankomst, het handhaaft zich in verschillende stemmingen. ‘Niets te veel’, het voor mij enigszins gierige spreukje van Apollo, wanneer dit op werk van mensenhand wordt toegepast, krijgt in de natuur pas betekenis. De Goden, de natuur zijn in staat oneindig te geven, men behoeft bij hen niet achterdochtig te kijken, als ze ‘niets te veel’ doen, het is geen spaarzaamheid, die voortkomt uit armoede. Indien wij mensen op ogenblikken, dat de Goden geen tijd hadden, ook landschappen mochten bouwen, dan zou het landschap, dat ik zie van het terras van mijn huis een ‘klassiek’ kunstwerk kunnen zijn, zoals ik mij klassiek in de eenvoud mijns harten voorstel, nl. vele elementen verenigd tot een harmonisch en onwrikbaar geheel. En ik verwonder mij, dat hetgeen ik in de natuur altijd kan waarderen in een werk van kunst soms mijn wrevel opwekt. Het komt niet in mijn hoofd op te vragen, waarom de bergen van Methana niet wat dichterbij liggen en de Venusheuvel geen twee zuilen heeft in plaats van één, de bergen van Methana hebben een bepaalde afstand en wil ik ze van dichtbij zien, dan moet ik er maar heen gaan en het toeval heeft gewild, dat op de Venusheuvel slechts één zuil staat... en ik ben tevreden met de stand van zaken. Bij een klassiek kunstwerk heeft men eveneens te doen met zo'n superlogische samenhang: waarom dit beeld vooruitkijkt en niet naar rechts, waarom hij zijn arm opheft en niet slap laat hangen: men aanvaardt het als een berg in de natuur. De kunstenaar is een God geworden en wat hij deed was goed. Ik moet aannemen, dat het wellicht het doel der kunst is ons buiten onszelf te laten treden en tot hogere wezens, waarop niets meer te zeggen valt te evolueren, maar het bevalt mij niet. Het Parthenon, zowel als het Epidaurostheater, ofschoon slechts bouw- en geen beeldhouwwerken, zijn als het landschap van
| |
| |
Aigina, zij zijn een stuk natuur geworden en juist deze al te natuurlijke natuurlijkheid staat mij in de kunst tegen. De mens is geen God en ik zou in een kunstwerk de onvolkomenheid niet willen missen, als ik schadeloos gesteld word door de intensiteit. Het klassieke kunstwerk is volkomen, maar nooit intens. Het doet de armen wijd uitbreiden, maar het hart niet sneller kloppen. De klassieke kunst heeft zich als Tantalos te familiaar met de Goden getoond en is nog steeds niet van de Olympos afgegooid en haar a-menselijkheid, haar hovaardigheid en haar bloedloosheid, haar onverdraaglijke airs zijn het, die mij irriteren: het ‘half-Goddelijke’.
Ik weet niet, welke indruk het Parthenon en het Epidaurostheater op mij gemaakt zouden hebben, als er niet zoveel over geschreven was, als zij niet tot standaard verheven of gedegradeerd waren van een kunstrichting, die zo'n funeste uitwerking heeft, omdat zij zich meester maakte van het onaantastbare. Het is onrechtvaardig tegenover het Parthenon en het Epidaurostheater, maar ik houd op het ogenblik nog meer van het Olympieion en van de vervallen banken van Dionysos, omdat ik deze ten minste niet goed kende en omdat ze geen natuur zijn, zodat ik mijn antipathie voor ‘kunst zonder bloed’ niet met hun grillige stenen kon verbinden.
En ik heb spijt, dat ik geen volslagen analphabeet was op het gebied der Helleense kunst, toen ik Griekenland betrad. Wellicht, dat ik dan ieder het zijne had kunnen geven.
Ik hoop voor mezelf, dat het geen neiging is tot excentriciteit, wanneer ik de twee erkend mooiste bouwwerken van Hellas onderschat; ik vind ze prachtig en ik ben volmaakt tevreden en gelukkig als ik ze zie, zoals ik volmaakt tevreden en gelukkig ben op het terras van mijn woning in Aigina, maar ik zal, als ik in mijn vaderland teruggekeerd ben, misschien meer naar het laatste verlangen in het volle besef, dat ik al het andere onrecht doe.
Men heeft ons verkeerd aan elkaar voorgesteld en de vriendschap, die niettegenstaande dat ontactvolle optreden ontstaan is, heeft iets gedwongens... Als ik maar eenmaal zover kom, dat Hellas niet meer ‘klassiek’ voor mij is, dan zal ik het eindelijk in mij opnemen, dan ben ik van Philhelleen inwoner geworden, zoals ik inwoner ben van Aigina.
Wij woonden reeds enkele maanden op Aigina voor wij de tempel van Aphaia bezochten. Het is alsof men in Amsterdam bij het Rijksmuseum zit: men komt er eenvoudig niet toe. Dan waren er zoveel manieren, waarop men de ruïnes kon benaderen en ten slotte lieten de middelen van vervoer te veel keuze: auto, rijtuigje, ezel.
Onze Aiginetische vrienden bezwoeren ons, dat we geen rijtuig of auto moesten nemen. Het landschap was zo mooi, dat het jammer zou zijn als we zo snel heen en terug renden. Drie ezels dus, besloten we, want we zouden met zijn
| |
| |
drieën gaan, maar weer kwam er kritiek van de kant der technici. Eén ezel voor drie personen was meer dan voldoende. We konden wisselen, zo vaak we wilden.
Zelfs die ene ezel was niet gemakkelijk te vinden; niet dat ze er niet waren, maar men gebruikte ze allemaal bij de druivenoogst. Ten slotte vonden we een jongen en de ezel zou er de volgende ochtend bij zijn en in de hoop, dat de ezel of de jongen niet alleen zou komen of beiden zouden wegblijven, gingen we slapen.
's Ochtends om vijf uur werden we gewekt door het welbekende klagende gehuil van ons rijdier en onze drijver, die om zeven uur besteld was, zat al op een hekje naar ons uit te kijken.
Tijd is geen geld in dit gezegende land en een ezel voor een dag is een ezel van zonsopgang tot uren na zonsondergang.
Dames gaan voor, ook op ezels, en zo besteeg mijn vrouw de viervoeter het eerst. De rijtoer door het dorp baarde enig opzien bij onze leveranciers, maar men schonk er minder aandacht aan, dan ik had gehoopt.
Brood, kaas, karpóezi, eieren, druiven en vrouw: ik kijk hoofdschuddend naar de vier dunne, precieus voortstappende beentjes, die dat alles moeten dragen, maar de jongen bromt zo nu en dan ‘adèvri’ en regelmatig tikken de hoeven op de stenen.
Eerst nu merk ik, dat op Aigina alles per ezel gaat: wij komen hele karavanen tegen, modern geklede meisjes, die niet eleganter konden zijn als ze achter het stuurrad van een limousine zaten, kinderen, die als amazones rijden, magisch verbonden met het rhythme van het dier, maar ook vrouwen, die hun ezel met kippen, tomaten, druiven hebben behangen, oude mannen, die nog nooit in hun leven de vlakte van Aigina hebben betreden en het veel gekker vinden, dat daar twee vreemdelingen lopen dan dat een enigszins uitheems aandoende vrouw wat onwennig rijdt.
Maar iedereen zegt vriendelijk goedendag, zoals dat in Griekenland op het land gewoonte is en niemand denkt langer aan ons dan de tien seconden, gedurende welke hij ons voor zich ziet.
Een mooi landschap, dat men voor het eerst ziet, is vaak beklemmend in zijn schoonheid, maar ik heb reeds maanden lang tegen deze bergen opgekeken, de zee gaat nu wat platter liggen, Methana wordt hoger, maar het blijft de bekende zee en het bekende Methana en wij wijzen elkaar de alleenstaande huizen van onze vrienden en zeggen met dezelfde liefde, waarmee wij thuis bevestigen: ‘Wat is Holland toch mooi,’ nauwelijks anders voelend: ‘Wat is Aigina toch mooi.’
We kijken over onze eigen rotsen, onze eigen baaien en kapen, onze eigen bergen aan de overkant, Methana, Ankistri, Moni, het bergland van Megara en verderop, vaag, de Hymettos.
| |
| |
Eén van de wandelaars wordt moe en ons gezamenlijk rijdier krijgt nu een grotere last te dragen, waar hij blijkbaar niet erg op gesteld is. Hij gaat uit wraak langs het kantje van de weg lopen, en hoewel de helling niet erg steil is, acht de vermoeide het beter de begane grond op te zoeken, zachtjes scheldend op deze ‘wants van een ezel’. Het dier is inderdaad zeer klein, maar de opmerking is onvriendelijk en onjuist: een wants loopt sneller. Juist op het ogenblik, dat ik onzen metgezel met trots toon, hoe men op een ezel moet rijden, krijgt het beest dorst en gaat drinken. Met een volle maag heeft hij helemaal geen zin meer en bokt; men heeft mij steeds verteld, dat deze geduldige dieren enz. lang niet zulke lelijke, koppige enz. wezens zijn als wij Noorderlingen denken, dat men ze in het klimaat, waar ze thuishoren, moet meemaken enz., maar het beste lijkt me deze stelling niet te demonstreren langs een brede weg met een volslagen leek als ruiter.
Wij zijn nu diep in de bergen van Aigina bij de ‘kloosterberg’ Palaiokhora, waar de nonnen en de hermieten wonen. De helling staat vol ruïnes en het is verwonderlijk hoe eenzaam, hoe verlaten dit landschap aandoet, dat hemelsbreed misschien dertig kilometer van Athene verwijderd is.
Aigina is voor het grootste deel bergland, dat merk ik nu pas; tot heden vormden de heuvels slechts een aangenaam afsluitend décor, waar wat mij betreft de aarde kon beginnen of ophouden, maar nu klimmen en zweten wij in deze tegen wind beschutte dalen en de Aphaia-tempel was ‘slechts’ twee uur en een kwartier, d.w.z. slechts 12 kilometer, maar de Mount Everest is ook maar twee uur hoog, en koeler.
Langs de nonnen liep een van ons reeds met naakt bovenlijf, maar nu er werkelijk vrouwen in de buurt komen, begint hij het plotseling koud te krijgen. Het schaamtegevoel van den man schijnt dieper te wortelen dan dat van de vrouw, maar ten slotte: we zijn in een vreemd land en de mannen in Griekenland lopen niet ontkleed.
Na Messagro, waar we een huisschilder inlichten, hoe men ‘Aphaia-hotel’ in Latijnse letters moet schrijven (hij heeft blijkbaar de opdracht aanvaard in de hoop, dat er wel vreemdelingen voorbij zouden komen om hem te verbeteren, maar hij was alvast, zij het ook enigszins Grieks, begonnen) en waar we geen limonade kunnen krijgen (boven, bij de tempel, zoveel u wilt, mijnheer), gaat een pad steil bergopwaarts, maar ter wille van onze ezel, die niet zo goed kan klimmen, lopen we een gemakkelijker begaanbaar pad, dat ons een half uur kost. Men hoort van ezels, enz., die bergen enz. beklimmen als gazellen met een onmogelijk grote last op hun rug, maar voor onze ezel, ons blok-aan-het-been, onzen aangenomen zoon gelden deze lofzangen in ieder geval niet. ‘Adèvri’, dit toverwoord, waarmee men ezels in Griekenland laat lopen, helpt evenmin als ‘abacadabra’ bij het maken van goud (men gelooft altijd in zulke veelbelovende woorden, ze klinken zo vertrouwenwek- | |
| |
kend, al hoort men dan ook later, dat de ezelspreukslechts ‘vooruit’ betekent). De tempel speelt kiekeboe tussen de pijnbomen en maakt zichzelf hierdoor begerenswaardiger. We lopen om en te ver, beklimmen de heuvel van de verkeerde kant, zien de ruïne van de verkeerde kant, maar het kan ons niet schelen: zonder een ogenblik te aarzelen, beginnen we te hollen, alsof er een prijs is uitgeloofd voor degene, die het eerste de grote steen in het midden van de pronaos zal betikken en dan eerst kijken we voldaan om ons heen. Het is een genot over de stenen binnen de tempelgrenzen te klauteren, intussen genietend van het uitzicht; aan beide lange kanten kijkt men op zee uit. Het staat er zo eenvoudig: men kijkt van de tempel op zee uit, maar het gevoel, dat iemand bevangt, als hij voor het eerst langs twee grijze, verweerde en met wil mos bedekte zuilen langs het stralende groen van de pijnbomen op de helbauwe, eindeloze watervlakte ziet, is
niet gemakkelijk in woorden weer te geven.
Deze ontroering is mijzelf tot nu toe onverklaarbaar gebleven. Ik heb zitten springen op mijn stoel in een concertzaal, hevig betreurend, dat mijn stemgeluid niet mooi genoeg was om de schoonheid van een symfonie mee uit te zingen, dat het tegen de goede toon streed om een paar heftige gebaren te maken, hevig betreurend ook, dat men niet gewoon is elkaar in dergelijke instituten vrolijk aan te kijken als Mozart gespeeld wordt of elkaar amicaal toe te zwaaien als Haydn wordt gegeven.
Het heeft me dikwijls gespeten, dat men voor de beste schilderijen van een museum geen halters of rekstokken plaatste om de bezoekers gelegenheid te geven de opgenomen spanning te neutraliseren, dat men niet met zijn hoed mag gooien of den suppoost een klap op zijn schouder mag geven of op zijn hoofd mag gaan staan. Het heerlijk normale van een antieke ruïne ligt in de mogelijkheid, zijn bewondering op eigen wijze te uiten, waar en hoe men wil. Sommige inspireren mij tot gedachteloos rondzwerven, andere tot opgewekte conversatie, weer andere tot buitelen, springen en klimmen. De Aphaiatempel behoort tot de laatste categorie. Men is uitbundig vrolijk, men voelt zich tientallen jaren jonger, men zit op steen, staat op steen, laat zich vallen op steen, hangt op steen en eet als een wolf op steen.
En waarom? Dat men bij een kunstwerk in vervoering raakt, omdat hier de beste gedachten, die de mensheid kan hebben zijn uitgedrukt in onwankelbare vorm: het is niet meer dan logisch. Maar vanwaar deze geestdrift bij een ruïne? Een goed geconstrueerd gebouw, dat nog zijn dienst verricht, zou eerder enthousiasme moeten wekken.
Geen Romaanse kerk, geen Gothische kathedraal, geen Byzantijns klooster, doch evenmin een breed uitdijend paleis of een ongenaakbare ridderburcht, heeft ooit zoveel indruk op mij gemaakt als één of twee zuilen met wat water, wat groen, wat rots, hier en daar een paar verloren stenen en een stuk fundament. Het kan niet alleen de kinderlijke exploratiezucht zijn om aan de hand van een
| |
| |
gids de vroegere stand van zaken uit te vissen, het kan niet alleen de ouderdom zijn of het besef, dat de antieke wereld een moderne wereld was, het is niet slechts snobisme of de vrees een voor kunst ongevoelig mens te zijn en ook al deze elementen samen vormen nog geen afdoende reden.
Ik kan me iemand voorstellen, die deze ruïnes bekijkt zonder een gids te willen raadplegen, zonder ook maar een letter over de Grieken te willen lezen, ik kan me voorstellen, dat hij vermoeid raakt in een schilderijenmuseum of halverwege het concert de zaal verlaat, omdat de sfeer heviger afstoot dan de muziek aantrekt, en dat hij voortaan een straatje omloopt als hij een schilderijententoonstelling of een muziekuitvoering aangekondigd ziet, ik kan me voorstellen dat iemand bij een Picasso, een Rousseau, een Mantegna of bij Debussy, Strawinsky of Händel huichelt, en ik zou zo iemand om andere kwaliteiten kunnen achten (het klinkt als een vloek en ik vraag hun, die hun leven voor hun werk inzetten bij voorbaat om vergeving), maar mocht ik ooit iemand ontmoeten, die na een bezoek aan de ruïnes van Hellas zou bekennen, dat hij niets heeft ondergaan, dan zal ik hem plaatsen onder de hopelozen, de armen van geest, die ik hoogstens kan toewensen een wedergeboorte te ondergaan.
Mocht zo iemand mij echter zeggen, dat hij van muziek hield, wekelijks schilderijententoonstellingen bezocht en elke dag een boek uitlas, dan zou ik zijn bewering in twijfel trekken. Er bestaat dus wel verband...
En toch: wij staan hier niet voor een kunstwerk. Afgezien van het feit, dat een gebouw, al spreekt men nu duizendmaal van bouwkunst, geen ‘vrij’ kunstwerk kan zijn, omdat de uitingsvorm gebonden is aan praktische doeleinden: een Griekse tempelruïne is geen gebouw meer.
Hiermee vervalt ook de oppervlakkige conclusie, die men gewoonlijk trekt, wanneer men de liefde voor Helleense overblijfselen wil verklaren: dat kunst en natuur op onnavolgbare wijze hebben samengewerkt en dat degene, die voor de steen ongevoelig is, de natuur kan beminnen en omgekeerd volgens het principe: Elck wat wils.
Natuur en kunst hebben dikwijls met vrucht samengewerkt bij stedebouw en het is niet nodig daarvan voorbeelden aan te halen, ook buiten Griekenland, kunstruïne en natuur hebben eveneens in dat opzicht iets bereikt en natuurlijk kan men, als men wil, constateren, dat de laatste combinatie haar hoogtepunt heeft gevonden in de Griekse tempelruïne, maar men vraagt zich dan onwillekeurig af: hoe komt dat? Waarom hier? Waarom zo?
Het zijn vragen, waar men het beste zijn schouders bij kan ophalen, omdat er geen definitief antwoord op te vinden is, maar de menselijke geest is dikwijls sterker dan zijn verstand en hij wroet verder (steeds klimmend en springend, desnoods zingend. Als men dat er bij nalaat, kan men beter achter de schrijftafel blijven zitten en zijn spitsvondigheden daar verzinnen).
De Griekse tempel geeft gerede aanleiding speculatief de geest van het toeval te
| |
| |
overpeinzen. Daar liggen de stenen, door de eeuwen heen aan allerlei krachten blootgesteld en op dit ogenblik vormen zij een volmaakt, een bijna entropisch geheel, een abstracte compositie, die nog veranderen kan weliswaar, maar schier zijn ruststadium (dat wellicht tevens zijn ‘mooiste’ stadium is?) heeft bereikt. De volmaakte dood. Het toeval, dat anders in ons leven de rol speelt, die wij het niet gunnen, omdat het inbreuk maakt op ons zelf geconcipieerd recht van de vrije wil of onze nog eigenmachtiger ingestelde theorie van de evolutie (wij zullen er wel komen, wacht maar! Waar? Daar! Ergens vaag in de verte, ook midden in de woestijn) heeft hier althans veroorzaakt, dat ondanks onze weinig inschikkelijke doelstellingsdrang een voorlopig en in aesthetisch opzicht aanlokkelijk eindpunt bereikt is. Zelfs de energiekste hardloper des geestes zal niet willen, dat deze stenen tot gruis verpulveren, zodat de zaak uiteindelijk afgelopen is en het stof gebruikt kan worden om graan te voeden of nieuwe gebouwen op te trekken. Er is zoveel stof, er zijn al zoveel nuttige planten en er zijn genoeg gebouwen. We mogen even pauze houden en uitrusten op de stenen, die het noodlot, vriendelijk als het is, voor ons heeft neergelegd, toen het hier langs kwam.
Zodra wij tot het besef komen, dat wij op deze manier tijd verliezen, mogen we verder hollen en meewerken aan de wereldbouw en deze dode steen verachten. Enkele luiaards blijven echter hardnekkig zitten in de overweging, dat de stoet hier wel weer langs zal komen. Het heelal is gekromd als het aardoppervlak, zoals ons vele geleerden verzekeren en we hebben de tijd. Indien men ook dit alles onder samenwerking van natuur en kunst verstaat, dan zijn we gelukkig geen stap verder gekomen, maar bij onze filosoferende luiaards blijven zitten....
Een andere overweging doet ons echter even verschrikt opspringen: we zitten helemaal niet op deze ideale combinatie, die het toeval (ditmaal bij wijze van uitzondering acceptabel) heeft voortgebracht. Wij zitten hier bij, naast, boven en te midden van opgravingen. De mens was er wel niet het eerst, maar heeft het toeval verbeterd. De ideale toestand is in laatste instantie het werk der archeologen. Zij hebben hier wat rechtgezet, daar wat verschoven, ginder iets geëtaleerd... Zo ziet men: de mens als beheerser van het heelal, of ten minste van de tijd. De nuchter vooruitstrevende mens heeft den romanticus overwonnen, zelfs in deze subtiel aesthetische kwestie. De archeologen waren de kunstenaars, moeten wij veronderstellen. De natuur en de kunst hebben een goede hoofdrol gespeeld, maar de archeoloog was jeune premier. Doch welke motieven overheersten in het hoofd van dezen machtige? Diende hij de kunst? Wij mogen veronderstellen van niet: hij diende de wetenschap (en voor een deel het toeval: zet dat dakje maar zo lang daar neer, Jorgo. Alle Grieken heten Jorgo, dus de naam zal wel goed zijn). De wetenschap is als drijfveer op aesthetisch gebied een element van toeval. Een wetenschappelijk goed geconstru- | |
| |
eerd instrument kan mooi zijn, maar is dan dikwijls toevallig mooi (behalve voor de rechtzinnige functionalisten, die arbeiden volgens het principe: nut baart kunst, maar zij verdiepen zich niet in de aesthetiek van oude ruïnes). Een cirkel, een vierkant zijn in zichzelf volmaakte, doch ‘toevallige’ werken, ergo: geen kunstwerken, daar het toeval bij de laatste althans geen beslissende rol mag spelen (heel veel verder is het natuurlijk toch ook weer toeval, d.w.z. voor ons onberekenbaar, maar dan is de bewuste mens reeds verbleekt tot verschijnsel. Toch kan men niet ontkennen, dat de archeoloog, zij het ook toevallig, heeft ingegrepen in een werk van toeval en zoals het gewoonlijk gaat, wanneer een sterfelijk wezen
ingrijpt in de beslissing der Goden: het resultaat is dramatisch. Een drama in steen vormen deze verstarde brokstukken van menselijke gedachten en hiermee zeggen wij vermoedelijk niets nieuws na de dichters, die dit soort beeldspraken uit hun mouw plegen te schudden zonder te weten wat zij doen. De archeoloog is echter misschien ook voor een goed deel ‘natuurlijk’ en we blijven dus bij onze aanvankelijk zo oppervlakkig schijnende combinatie, ook al uit piëteit, omdat de Grieken oorspronkelijk niet anders bedoeld hebben. Al is het dan niet precies juist op het ogenblik...
In deze Aphaia-tempel, die als een kostbaar kleinood neergezet is op een sluier van groen, dat van alle kanten van de zijden neergolft, komt men tot het inzicht, dat de Grieken reeds het geheim der samenwerking kenden; zij schiepen een geheel, dat natuur noch kunst is, een geheel, waarbij men de rol van beide samenstellende elementen niet meer kan onderscheiden, waarbij men zich niet meer kan afvragen: wie droeg het meest bij tot dit effect? Een volkomen synthese dus, gemakkelijk voor een ieder te begrijpen, omdat zij zo eenvoudig, zo duidelijk is, omdat zij zo ‘levensgroot’ voor ons staat.
Ik bemerk tot mijn grote verbazing, dat ik met deze redenering in strijd kom met één der zo goed klinkende uitlatingen van Picasso: Men spreekt over naturalisme in tegenstelling met moderne kunst. Ik zou wel eens willen weten of ooit iemand een natuurlijk werk van kunst heeft gezien. Natuur en kunst, twee geheel verschillende zaken, kunnen nooit hetzelfde zijn. Door middel van kunst drukken wij onze conceptie uit van datgene wat de natuur niet is.
Het is maar gelukkig, dat wij ongeveer hetzelfde bedoelen. Ik durf de uitspraak van dezen voorman der modernen niet verder te interpreteren, maar zou bijvoorbeeld een nieuwe kunnen fabriceren uit de oude (men doet zoveel wat niet door de beugel kan), nl.: Kunst is de uitdrukking van datgene, wat de natuur wordt in de geest van de kunstenaar, kunst is onze conceptie van wat de natuur in ons is geworden.
En de Griekse architect, het Griekse volk heeft deze gedachte driedimensionaal, een beetje eenvoudiger, maar daardoor aanschouwelijker opgevat. Hij redeneerde, laten we zeggen aldus: die natuur daar is niet zo mooi zonder tempel als met tempel en mijn tempel is niet zo mooi zonder die natuur als met die
| |
| |
natuur en dus creëerde hij fluks een verbetering der natuur: kunst-en-natuur. Het is niet zo gek, dat hij wist wat goed voor zijn tempel was; mystieker is het phenomeen, dat hij intuïtief zag, wat goed voor de natuur was...
In Athene of Korinthe kan men nog twijfelen: de Grieken hadden geen schoonheidscommissie voor de oude steden, maar op Aigina en ook op Sounion wordt men zich de opzettelijkheid van de Goddelijke combinatie bewust. Geen van beide tempels lag in of dichtbij een stad, zij hadden op andere heuvels, desnoods in de buurt kunnen liggen, zij hadden er helemaal niet kunnen zijn, maar gelukkig, zij zijn er en zij behóren er te zijn. Opvallend is de omstandigheid, dat het altaar hier een halfcirkelvormig dal tot achtergrond heeft; het bevindt zich als gewoonlijk voor de tempel, waarvan de ingang als steeds ongeveer naar het Oosten is gericht. Het komt dikwijls voor, dat de voorkant van de tempel het décor en de zijkant het wijde uitzicht heeft, maar het is misschien ‘toeval’.
Met schrik denk ik aan mijn Parthenon en Epidaurostheater. Ben ik nu met deze beide geheel en al verzoend? Ben ik bewoner van Hellas geworden door bemiddeling van Aphaia? Ik aarzel: beide gebouwen zijn mij vertrouwder geworden, maar in het Parthenon heeft de archeoloog het toeval toch wel heel erg grondig verbeterd met cementen trommels en in het theater heeft het toeval nauwelijks iets verricht, het is nog helemaal gaaf. Maar toen beide nog volledig waren, moet de architect ook de goddelijke combinatie van natuur en kunst hebben toegepast? Ik sta op het punt mij gewonnen te geven en ik kijk langs de weinig edele brokken poros van Aphaia... Parthenon, het huis der maagden, toch ook onsympathiek, al denkt men er niet altijd aan, maar goed, voorlopig mogen dan de Goden bij de mensen komen staan. Intussen kijken wij vol angst, maar tevens met enig verlangen uit naar het in het dorp aangekondigde limonadetentje. Het blijkt gelukkig slechts een oud schuurtje te zijn, geheel verscholen in het groen achter de tempel, maar de voorraden zijn helaas nog niet aangekomen. Onze metgezel ontvouwt ingewikkelde theorieën omtrent het lot van limonadeflesjes in de nabijheid van tempels en beweert zelfs, dat men ons de verfrissende drank in het dorp geweigerd heeft, omdat het de gewoonte is vreemdelingen op door ezelruggen geschudde limonade te vergasten, aangezien ze daar prijs op stellen.
Deze schijnbare eenvoud is niets anders dan raffinement, beweert hij, het is veel aardiger later thuis te vertellen, dat men in een boerenschuurtje warme limonade gedronken heeft vlak naast de Aphaiatempel dan koele gasósa in een dorp op enige afstand van de ruïne. Inderdaad komen eerst na een minuut of tien de edele gastheren opdagen, die dus veel later dan wij uit het dorp vertrokken moeten zijn en nadat wij als kamelen voor een gehele dag genoeg gedronken hebben, vragen zij ons of we nog iets verlangen. Als het antwoord ontkennend luidt, vertrekt de karavaan weer en de overgebleven flesjes worden mee- | |
| |
genomen. Ik moet toegeven, dat de exploitatie van deze ‘herberg’ mij enigszins gecompliceerd voorkomt, daar limonade hier niet duurder is dan elders.
Men heeft ook van andere zijde voor ons gezorgd: een paar Griekse dames komen ons druiven aanbieden en een schoon tafelkleed, waar we in onze dankbaarheid onmiddellijk op morsen. ‘Dembirázi’ zeggen zij vriendelijk en wij knikken beamend. Het doet er hier inderdaad niet toe. Men verliest alle begrip van bezit en deelt broederlijk samen.
De gewoonte van het uitwisselen van geschenken, een soort trouwhartige ruilhandel, is op het land nog veel in zwang. Men geeft wat men heeft, maar al verlangt men daarvoor niets terug, men verwacht het. Onze buurvrouw brengt ons moerbeien of vijgen of een bord soep of gebakken vis (die we in haar bijzijn moeten opeten) en ‘leent’ dan een kopje suiker, een paar scheppen thee, wat rijst of ze vraagt of ze het jampotje mag hebben, als dat leeg is. Het is soms moeilijk in dit aangename verkeer van geven en nemen de juiste maat te vinden, maar al spreekt men de taal gebrekkig, men heeft met redelijke mensen te doen: de ene keer is het voordeel aan de ene, de volgende keer aan de andere kant en dat is het beste, want al wil men niet schriel zijn, men mag evenmin de vrijgevigheid overdrijven: het maakt een vreemde indruk en het schaadt de omgang op voet van gelijkheid. Evenmin als de Spanjaarden hebben de Grieken veel begrip voor ‘stand’; ofschoon ze de zelfbewuste onafhankelijkheid van den Castiliaan missen, ziet de arme geen verdienste in het bezit van geld en is nooit serviel. De omgang tussen de mensen is daardoor wat gemoedelijker en een lange slanke vrouw wekt geen nijd bij voor haar tijd afgeleefde sexegenoten, maar wordt eerder met enige verwondering betast en bekeken.
Een vreemdeling is nog steeds heilig in Griekenland en maakt gemakkelijk kennis met allerlei mensen van verschillende klasse. Jarenlang heeft het land alleen reizigers aangelokt, die wisten wat ze zouden gaan zien en die uit hoofde van hun diepgaande belangstelling nauwelijks als toeristen beschouwd konden worden. Het wekt in zekere kringen nog enige verbazing, als men bekent als niet-klassicus Hellas te bezoeken en een vriendelijke Griekse dame vond het nodig mij in te lichten over het bestaan van Achilleus en Herakles, over de muzen en de Erinyen, alsof ik zo uit de wieg Griekenland was binnengestapt. Op het ogenblik overheersen echter reeds de snelle gidslezers de talmende liefhebbers. Het is te hopen, dat de eersten niet de overhand zullen krijgen: met de liefde van de inwoners voor de buitenlandse bezoekers is het dan gedaan, omdat een zekere oppervlakkigheid in het reizen samen pleegt te gaan met enige onverschilligheid tegenover het volk, wiens gast men is.
Degenen, die zich alleen voldaan voelen, als zij op ‘historische’ bodem staan en die gaarne plaatsen bezoeken, waaraan een herinnering verbonden is (zij doen mij altijd denken aan schilderijenliefhebbers, die naar het verhaaltje kijken en aan concertbezoekers, die de Pastorale niet willen volgen zonder ver- | |
| |
klarende handleiding), zullen aan de tempel van Aigina weldra uitgekeken zijn. Er is buiten het hoofdgebouw niet veel te zien: de overblijfselen van de priesterwoningen; Propylaeën, die nauwelijks te ontdekken zijn, een cisterne, een watergootje, dat is vrijwel alles. Maar doordat het tempelcomplex zelf betrekkelijk klein is, krijgt het bos gelegenheid tot vlak aan de top te klimmen, waardoor de grijze steen als het ware opgeheven wordt in een tuil van lichtgroen.
Iedereen vindt hier overigens wat hij zoekt. De in wezen ongevoelige wordt gestraft met een anti-climax, bij de anderen vloeit de extase in alle richtingen uiteen en tenslotte is elk afzonderlijk verdiept in zijn eigen wereldbeeld. Er bestaat gelukkig geen universele opvatting omtrent deze ruïnes: leek of deskundige, aestheet of archeoloog, Helleen of vreemdeling, man of vrouw, elk heeft hier zijn eigen stemmingen, zijn eigen gedachten.
Men reageert zelfs op verschillende plaatsen verschillend: uit de open ruimte stroomt een ongekende hoeveelheid gedachten en gevoelens aan en de overtuiging, dat zij de beste zijn, die men kan hebben, verleent het anders zo kleine ego een enorme spankracht en een kosmisch volume. Onwillekeurig acht men zijn eigen zienswijze de juiste en aanvankelijk heb ik in anderen ongeveer dezelfde associaties vermoed als bij mijzelf.
Ik kan onze bouwvallen niet te dikwijls bezoeken, bekende mij echter een Grieks schilder. Ze maken me treurig en beschaamd, alsof ik persoonlijk verantwoordelijk ben voor de ondergang van deze cultuur. Na een bezoek aan Delos is het mij overkomen, dat ik een week lang niet kon werken. Niettegenstaande dat trekken ze mij toch...
Daarentegen interpreteert een ander zijn besef van vergankelijkheid aldus: Gelukkig, dat dit geweest is, dat wil zeggen: Gelukkig, dat het er wàs, omdat men gesterkt wordt als mens onder mensen, die dit konden bereiken en gelukkig, dat het voorbij is, want nu kunnen wij tonen, dat de kiem nog niet verdroogd is, maar opnieuw vrucht kan dragen. Dus toch ‘elck wat wils’, zij het niet in natuur of kunst, maar als resultaat van beide.
In Griekenland komt men voor het eerst tot een verzoening met de dood. Het is nog aarzelend: als men tientallen jaren geleefd heeft in de overtuiging, dat men elk onrecht, elke laagheid, elke menselijke dwaling zou kunnen verdragen, als men er maar steeds bij mocht blijven om het gevoel te hebben op een gegeven ogenblik in te kunnen grijpen of althans met klare ogen toe te zien, niet verblind door de schijn, dan is de dood een wrede vijand, die de ogen uitsteekt, de tong afrukt, de handen verplettert, het oor verstopt en het hart doet verbloeden. Deze haat tegen de dood is wellicht wat schoolmeesterachtig als van een onderwijzer, die het niet waagt zijn klas te verlaten, omdat de instincten der kinderen, nu nog even in bedwang gehouden, aanstonds zullen losbarsten. Een zekere bezorgdheid van iemand, die niet aan overmaat van bescheidenheid lijdt: wat zal er van hen terechtkomen, als ik er niet meer bij
| |
| |
ben, een zekere werkelijkheidszin ook: het kan me niet schelen, wat er geschiedt, als het maar niet achter mijn rug plaatsvindt, als ik het maar zie, een zekere jalousie: zij amuseren zich zonder mij.
De nieuwsgierigheid voor het leven, dat hoe bizar en onbegrijpelijk ook, mij vasthoudt als de rijkste toneelvoorstelling, helaas met een vervolg, dat de volgende dag gegeven wordt en dat ik niet meer zal zien, omdat mijn kaartje dan niet meer geldig is, de angst bij het genot: ik zal de afloop niet kennen, de heldin niet meer kunnen bewonderen, den held niet meer kunnen toejuichen, den boef niet meer kunnen haten. Tientallen jaren van angst, dat er eens een laatste voorstelling voor mij zal zijn, terwijl misschien kort daarop een prachtige ontknoping zal volgen.
De liefde voor het leven, voor ons allen, zoals we op het ogenblik op dit kleine in het heelal zwevende bolletje niet al te broederlijk naast elkaar zitten. Tientallen jaren het gevoel van kosmische onjuistheid, het volkomen onnodige en onlogische van de dood, die zich eeuwig vergist en er op het verkeerde ogenblik een eind aan maakt, blind als een mens, die door te grote hem verleende macht wild geworden is. Eens niet meer zijn: de onverbeeldbare toestand voor een mens met ogen, een neus, oren en handen, met organen van wellust en kracht, zo compleet, zo in alle opzichten zijnde.
Tientallen jaren onverzoend met het leven, omdat de dood er op volgt, dat rare verschijnsel, dat men anders alleen aantreft bij dieren en planten, het pijnigende en vernederende gevoel slechts de hoogste te zijn onder de lageren. Men kon mij van kringlopen en apotheosen, van hiernamaals en wedergeboorte, van volmaakte rust en entropische noodzakelijkheid vertellen wat men wilde. Wij allen, de arme en de rijke, de domme en de verstandige, de mooie en de lelijke, maar waarom wij allen? Ik wenste geen leven na dit leven, dat mij boeide: het scheen mij trouweloos naar iets te verlangen, dat ik niet kende, terwijl ik het hier goed had. En dan de spaarzaamheid, de zucht tot behoud: ik heb dit leven en niemand garandeert mij het volgende. De angst van den kleinen man om zijn klein bezit.
Het lelijke van de dood, het stinkende en ontbindende, het onverdraaglijk opdringerig opkomen van het nieuwe, dat weer van voren af moet beginnen, terwijl zoveel met moeite verkregen ervaring in het wereldruim vervliegt, het spilzieke van de dood, het enige beletsel voor een werkelijke evolutie (en we willen zo graag beter worden), de Michaël, die ons belet het Paradijs op aarde weer te betreden na zo lang in het zweet onzes aanschijns gezwoegd te hebben. In Griekenland komt men tot het inzicht, dat wij mensen, het vuurwerk van de kosmos, niet geboren zijn voor de eeuwen. Wij hebben geen keus tussen een langzame dood en een korte, zelfvernietigende opbloei en al kan ik mij met deze dwang nog niet verenigen, laat de opbloei dan zo krachtig mogelijk zijn om daarna ten minste grondig en afdoende te kunnen sterven.
| |
| |
Deze dode tempels en steden zwijgen, maar hun lichamen getuigen: eens waren wij het beste der aarde, omdat wij onze ondergang niet vermoedden.
Het motief is nog wat ‘paedagogisch’: wil men wat bereiken, dan trachte men zich te ontvouwen, al stelt men zich dan ook wat meer bloot: een vlinder op een tak is onzichtbaar, maar in de wind loopt hij kans meegevoerd te worden en eindelijk mogen we dan kiezen en komen tot één van onze typisch-menselijkparadoxale uitspraken: onsterfelijk is hij, die de dood niet vreest. Het is wat schraal, maar het is ook slechts een redenering.
Het is de sfeer, die mij het onvermijdelijke nader brengt. Eén of ander heeft waarschijnlijk wel eens gezegd: de dood is de kroon, de voleinding van het leven. Ik heb bij deze bonne-mine-à-mauvais-jeu-makende uitspraak vroeger steeds mijn schouders opgehaald en ik doe het nog, maar het is niet helemaal gek, als men zoiets verkondigt, staande op een Griekse ruïne. Het blijft nog altijd apodictisch en fout, of hoogstens voor bepaalde gevallen geldend en het klinkt in ieder geval arrogant, in de eerste plaats om het alomvattende, generaliserende, in de tweede plaats, omdat men de dood daarmee terugduwt tot een soort sluitsteentje; een laatste krul nog en het gebouw is af. Dat is beledigend voor onzen besten vijand, beledigend en onbeleefd.
Staande op één der laatste brokstukken van een Griekse tempel begint men echter te overwegen of de dood wel een vijand is. Het is, toegegeven, een onsympathieke instelling, maar waarom maak ik zo enorm veel bezwaar tegen de dood en niet tegen het feit, dat de aarde rond is of de hemel schijnbaar blauw? Het is kortzichtig te veronderstellen, dat de dood mij meer aangaat en mij meer schade doet. Ik weet niet wat de rondheid van de aarde en het blauw van de hemel mij onthouden. Ik weet alleen, wat de dood mij ontneemt, maar men zou nooit tot het besef komen, dat men er was, als er niet een tijd kwam, dat men er niet was, dat wil zeggen: leven zonder dood is geen leven, dat is niets, desnoods dood; maar dat is de welbekende philosophie van een zeker allooi.
Mijn bezwaar tegen de dood (terwijl ik mij niet verzet tegen het feit, dat de aarde rond is) moet onredelijk zijn. Dat zeggen mij deze roerloze stenen, deze aangevreten pilaren, deze Godenworp van brokstukken, die zo in alle delen de natuurlijkheid van de dood demonstreren. De dood is natuurlijk als het verlies van warmte en het leven is eigenlijk veel vreemder en mijn bezwaar tegen de rusttoestand is onredelijk, redeloos en dom als de klakkeloze aanvaarding van mijn dynamische kracht: dat leerde mij Hellas (doch daarom behoef ik de dood nog niet prettig te vinden), de dood heeft zelfs waardigheid en een dood lichaam is mooier en volkomener en eerlijker dan een gewond. De onsterfelijke ruïnes, zoals men merkwaardigerwijze wel eens zegt, zijn in ontbinding en hebben de laatste strijd, die de trekken tot een krampachtig masker verscheurt, reeds lang achter zich. In vele legenden der volken heeft
| |
| |
men troost gezocht en gevonden door na de wereldondergang weer een nieuwe te concipiëren, het is een compromis natuurlijk, maar men is geneigd zichzelf als zulk een soort nakomeling van de Hellenen te beschouwen. Het waren onze vaderen van voor de wereldondergang en we kunnen trots op hen zijn, maar het is goed, dat zij stierven, want er was geen plaats voor ons beiden. En onze zonen zullen ons wellicht met dezelfde piëteit beschouwen en vergeten, dat we kibbelig waren en ruzie maakten en ons in het algemeen als een stelletje mensen gedroegen, maar alleen kijken naar datgene wat we probeerden in onze beste ogenblikken en ze zullen het goed vinden, dat wij er niet meer zijn, want er is slechts plaats voor één van ons beiden.
En dan zien wij onze eigen tijd, die niet spaarzaam is, doch destructief en met hevige spanningen geladen, vol haat en wrok en dood en verderf, die ons deden wanhopen of we nog de tijd zouden krijgen iets tegen elkaar te zeggen, maar dan slaan wij het oog op de brokstukken van onze rumoerige voorvaderen, die elkaar het hoofd onder water hielden, terwijl de barbaren stonden te wachten om de laatst-overlevende de nek om te draaien en dan zijn wij verzoend, want de barbaren zullen onze zonen zijn, als wij eenmaal het veld geruimd hebben.
En al was dat niet het geval: al is er geen troost, naast deze kapitelen geeft de dood geen verdriet; hij is zakelijk en droog als een natuurkundige wet en men kan niet sentimenteel bij de ondergang van zijn eigen belangrijke zelf worden. Onze metgezel beweert te midden van deze stenen, dat hij één ogenblik van volkomen ontspanning verkiest boven een van vrees weggedoken wegkwijnen en dus oorlog boven vrede. Alleen de lafaards en de dommen zijn pacifistisch. Ik vind het in dit verband een mooie uitspraak, maar ik twijfel, of de tegenstelling wel goed gekozen is. Het klinkt goed en men moet veel wagen om veel te winnen, maar ik sta nog niet op goede voet met dood en destructie. Al heb ik de eerste nu erkend: hij is nog geen huisvriend.
Hoe heb ik mij trachten te verzetten tegen dit verstard Hellenisme, overweeg ik, terwijl wij de heuvel afdalen, dit theoretisch klassicisme, hoe sceptisch ben ik geweest, hoe jongensachtig koppig, hoe gaarne had ik willen ontdekken, dat Hellas slechts een chimaere was in het verwarde hoofd van enkele archeologen of een rammelend geraamte in de geest van een paar schoolmeesters, die de jonge geleerden met Herodotos en de jonge kunstenaars met Praxiteles lastig vallen. En nu betrap ik mij er op, dat ik steeds omkijk naar de even nog tussen het groen schemerende zuilen, in het getemperde licht nog fel rechtopstaand, gelukkig in hun verheven eenzaamheid nu in de verte, terwijl zij zoëven nog een veilig tehuis vormden.
En dan keren wij ons definitief om en spreken over onze wederzijdse kennissen, hun fouten en deugden, hun ‘mentaliteit’ en ‘psychologische constitutie’ en doen hevig ons best niet meteen te gaan roddelen.
|
|