| |
| |
| |
2
Nauwelijks heeft men Athene van de Oostkant verlaten, of men ziet een berg, die de indruk maakt gewond te zijn. Zonder aarzeling herkent men de Penthelikon aan deze felwitte plekken, die schitteren, als de zon er op valt en die het massief een reusachtige voorwereldlijke plant doen schijnen, waarvan men het sap bezig is af te tappen. Het ziet er griezelig uit en toch verwondert men zich, dat al dat beroemde Penthelische marmer uit een gaatje gekomen is, dat ten slotte nog maar een klein gedeelte van de enorme romp beslaat. Men zou denken, dat van die gehele Penthelikon niet veel meer over kon zijn, maar het blijkt, dat de muizen slechts aan de kaas hebben geknaagd, flink geknaagd weliswaar, maar zij is nog heel goed te herkennen en zo uit de verte gezien is het een schaafwond, die er lelijk uitziet, maar geen gevaar oplevert voor de patiënt.
Wij zijn op weg naar Marathon. Er is wel niet veel te zien, zegt mijn gids, maar zo maak je kennis met een deel van Attika en je zult er alleen niet zo gauw toe komen. Hij bedoelt het natuurlijk goed, redeneer ik bij mezelf, als we zo door het vrij eentonige land tuffen, maar hij houdt er geen rekening mee, dat ik niet voor het eerst in het buitenland rondneus. Het is me hier te bekend: het zou Zuid-Frankrijk, Spanje kunnen zijn, hier en daar zelfs de Veluwe, nu ja, een beetje anders, de huizen wat verschillend en de wegen niet zo goed en veel olijven, maar daar heb je bij ons wel weer wat anders voor, ik ben een beetje bijziend en die bijziendheid misbruik ik graag als ik overeenkomsten wil ontdekken. Alle bomen zijn gelijk, zei mijn vader altijd en daarom liep hij maar het liefst de Kalverstraat op en neer.
Er zijn twee categorieën van toeristen, die men slechts onder het nemen van de meest uitgebreide voorzichtigheidsmaatregelen bij elkaar moet brengen: zij, die overal iets bijzonders ontdekken en zij, die nooit iets exotisch zien. Soms heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand twee vertegenwoordigers van deze
| |
| |
in wezen vijandelijke kampen in alle onschuld samengekoppeld... Terwijl de een danst van enthousiasme, spreekt de ander minachtend van sightseeërij. Zo worden mijn overpeinzingen door een levendige discussie afgeleid, want het gehele gezelschap is het er over eens, dat dit nu een landschap is, dat nergens op lijkt, een landschap, waarin men zuilen verwacht... Ten einde de stemming niet te doorkruisen met een opmerking, die de algemene vreugde verstoort, bepaal ik mij er toe uit te kijken naar de verwachte zuilen. Onze gids wijst ons op de bergen, die kaal zijn als rattenstaarten: zo zijn alle bergen van Griekenland, vertelt hij ons vol trots, alsof hij ons het paradijs op aarde toont, in de Peloponnesos is dat nog sterker. Er klinkt een vleugje romantiek in zijn stem van: ‘dit dorre land, dat ik zo liefheb, dit gevloekte gewest, waar ik mijn hart aan verpandde’ en ik denk aan andere boomloze streken, de Mancha bijvoorbeeld en de hopeloos platte Camargue, om van de Ankeveense plassen en de Drentse hei nog maar niet eens te spreken...
Grijs is dit landschap (grijs heb ik meer gezien) en de boerenwoningen (als ze nu over de boerenwoningen beginnen, met alle lyriek, die aan een exotische boer en een exotische woning verbonden is, een boer zou zich schamen als hij exotisch genoemd werd, ik kom zelf van de klei, dan zal ik werkelijk moeten ingrijpen), prachtig die kromming in de weg met een paar scherpe bochten naar beneden het dat in en dan weer naar boven (ik zou mijn vrouw toch wijzer willen hebben, zoiets zie je overal elders mooier, nu ja, niet in Holland natuurlijk), het graan staat zo mager (is het wel graan? en heus, ik kan het met de beste wil van de wereld niet zo mager vinden, het is hier geen vette grond, maar wie verwachtte die hier dan? natuurlijk staat het graan mager). O, hoe dikwijls ergerde mij zulk gepraat: steeds ‘uit’ willen zijn, steeds ‘waar’ voor je geld willen zien (ook als de waar er niet was, het geld was nu toch eenmaal uitgegeven) en vooral dit als-toerist-zich-buiten-het-volk-en-het-land-plaatsen, anders dan thuis (hoe heerlijk, hoe interessant, hoe merkwaardig). Zo lang men zich vreemdeling voelt, zal men vreemdeling blijven en alleen bezienswaardigheden zien en vreemde zeden en gewoonten en geen mensen. En het gezelschap, waarin ik verkeerde was nog het beste, dat ik me kon denken: twee charmante, niet domme vrouwen en een intelligent klassicus, ik kon huilen bij de gedachte, uit welke elementen de meeste toeristengezelschappen bestaan...
Die dames en heren, die in Nederland uitkijken naar een pofbroek, in Frankrijk wijn drinken en Roquefort eten onder het lezen van de Vie Parisienne, in Beieren jodelen, in Italië guitaar spelen, in Spanje een schoenpoetser, die cante jondo demonstreert, een peseta in zijn hand drukken, in Hongarije zigeuners bestellen en in Griekenland een evzone fotograferen. Die van de Arc de Triomphe naar de St. Pieter en van het Alhambra naar de Akropolis toeren, geen Gothische, Romaanse, Renaissancistische kerk overslaan, al weten ze thuis niet het verschil tussen een dominé en een pastoor, Pitti en Louvre en Prado en
| |
| |
Kaiser Friedrichmuseum doorgeloodst zijn zonder één schilderij te zien (thuis komen ze nooit op een tentoonstelling en gaan zeker niet om met ‘artisten’), die horde... vijandig kijk ik mijn gezelschap aan en ik zie drie tevreden gezichten, die zich volmaakt gelukkig laten voortdeinen in een ten slotte niet onbelangwekkend landschap. Zij kijken gebiologeerd naar rechts en ik draai mijn hoofd om...
‘Thalatta, thalatta’ moeten de beroemde tienduizend geroepen hebben, toen ze de zee terugzagen. ‘Godverdomme’, zei ik. Zij is niet als godslastering bedoeld, deze merkwaardige Hollandse uitdrukking. Zij geeft alleen uiting aan een bijzonder sterke sensatie. Ik hoop, dat men er nog eens iets anders voor vindt, iets, dat anderen niet kwetst en dat toch zo volledig lucht geeft, maar ik twijfel, of dat wel mogelijk is.
Wij waren aan de kust en reden even boven het water en voorbij het water dreef weer land, een hoge rug land: Euboia. De zee was geen zee en toch zee, het land was geen land en toch land. Het zag er onwerkelijk-sprookjesachtig uit, niet het décor voor een verhaal van tovenaars en prinsessen, maar een voor helden en reuzen, voor magische spreuken en spookschepen. Het was niet vriendelijk, dit landschap en nauwelijks mooi, niet overdonderend door geweldige contrasten, maar ongelofelijk fascinerend door zijn oneindige variatie op een enkel motief: bergen en water. Alles was blauw: lichtblauw en donkerblauw, ultramarijn, grijsblauw en groenblauw, coulisse achter coulisse, nauwelijks gescheiden en toch scherp omlijnd, en alles drijvend... Heel Griekenland drijft op het water, dat zag ik hier voor het eerst, soms doelloos, dikwijls in een bepaalde richting: tegen de wind in. De geest van Hellas is alleen te benaderen van de kust of van de eilanden uit, hoorde ik later iemand beweren en niemand was het vollediger met hem eens dan ik, denkende aan de tocht naar Marathon. Op een onverwacht ogenblik sloegen wij een zijweggetje in en kwamen na enig gehobbel aan de voet van een heuveltje. Een heuveltje zonder pretentie, de sôros of tumulus van Marathon. Aan de voet staat een copie van het beeld van een krijgsman, dat in Velanideza gevonden is. Na het indrukwekkende landschap, waar we nu in zitten, zodat we het niet meer kunnen overzien, komt het me hier wat rommelig voor, het smalle trapje naar boven, de glibberige modder, het vormeloze gebladerte van de nog niet vruchtdragende wijnstruiken, men komt hier niet gemakkelijk in de stemming, die men behoort te hebben. Dat is het onaangename (voor de oorlogszuchtigen) of het aangename (voor de pacifisten): dat er van een veldslag niets overblijft. Men realiseert zich niet, dat men een grafheuvel van 192 helden beklimt en boven interesseren zich alleen de mannelijke leden van het gezelschap voor de tactiek en de
strategie der Atheners. Ze kwamen uit dat valleitje, zegt mijn gids. Ik spreek hem tegen en wijs een ander dat aan en werkelijk, ik heb gelijk.
Nu ja, zegt hij, hoofdzaak is, dat ze uit een dat kwamen en ik ben het roerend
| |
| |
met hem eens. Ik haal mijn geestesoog te voorschijn en tracht hollende hopliten te ontdekken (een bijzonder voorval, dat alleen bij Marathon op lange afstand te bewonderen viel), maar ik zie alleen het eindeloze groen. Pausanias vertelt, dat men 's nachts nog het gehinnik van paarden en het kletteren van zwaarden hoort en ik luister (zoiets doen geesten ook wel eens overdag voor belangstellende toeristen), maar het blijft stil. Bij het Völkerschlachtdenkmal in de buurt van Leipzig trachtte ik ook eens op een verloren namiddag de bewegingen der troepen te reconstrueren en ik ging, als ik het me goed herinner zelfs op Napoleon's plaats staan, maar elke goedgemeende poging faalde hopeloos. Niets schijnt zo gemakkelijk te verouderen of te verdwijnen als een goedgeslaagde veldslag en dit is ten slotte logisch, als men bedenkt, dat er alleen maar opgeruimd wordt, wat ook verder het resultaat moge zijn.
Het kan ingeboren vredelievendheid zijn, maar het valt me moeilijker een veldslag uit het niets te doen herleven dan een tempel met behulp van enkele stenen te herbouwen. Er is geen enkel aanknopingspunt, want dat één der strijdende partijen zich bevond op de plek, waar nu die ezel staat, geeft mij hoogstens de overtuiging, dat de ezel gelijk heeft. Overigens komt misschien mijn antipathie om mij te midden van het strijdgewoel te verplaatsen niet voort uit vredelievendheid, want ik volg gaarne het verloop van een veldslag aan de hand van een kaart, zoals bijvoorbeeld generaals dat doen.
Intussen staan wij steeds met de rug naar zee en de practische en verstandige helft van ons viertal heeft zich reeds lang naar de andere zijde gekeerd. Het is duidelijk, waarom de Perzen verloren hebben: zij keken steeds om naar de zee om van het gezicht op Euboia te genieten en werden dan door de Atheners, die aan dat schouwspel gewend waren en er bovendien het volle gezicht op hadden, neergeveld.
Ik tracht me nog snel even voor te stellen, waar de Marathonloper begon te draven en waar de broeder van Aischylos een hand verloor (een directe aanduiding aan een precies omschreven ongeluk maakt altijd meer indruk dan de droge opsomming van zoveel duizend tegen zoveel duizend, zoveel honderd dood en zoveel gewond), maar dan krijgt het landschap de overhand en de vlakte van Marathon wordt de vlakte van Marathon, een wijde, een mooie vlakte vol zilveren olijven en zonder Perzen of Grieken. Dat wil zeggen: twee Grieken. De chauffeur, die zich beneden op onze zitplaatsen heeft uitgestrekt en een boer, een landarbeider naar zijn kleding te oordelen, die boven komt, even rondkijkt en weer verdwijnt. Het lijkt op den bakkersjongen in het Dionysostheater...
Wij rijden juichend terug door het juichende landschap en de kinderen juichen ons toe: Jássas, hetgeen heel vriendelijk bedoeld is, maar mij voorlopig nog wat onwennig in de oren klinkt.
Reeds voor mijn aankomst was ik half en half besloten in dit land te blijven en
| |
| |
sprak vaag over het huren van een huisje op Mykonos of ergens in de buurt van Athene en nu draait de chauffeur plotseling een weggetje in naar de kust en ik maak kennis met mijn eerste Griekse vissersplaats, genaamd Rafina. Het eerste wat mij opvalt is een cafétje aan zee, niet zoals bij ons met gezicht op de zee, maar naast de zee, met een veranda van dennentakken en oude, wankele stoeltjes en tafeltjes (er bestaan in Griekenland in de provincie geen nieuwe stoelen, zij worden, geloof ik, meteen oud en wankel gemaakt.) We drinken gasósa met veel gas en krijgen daar de nodige glazen water bij. Hoewel het dorpje een wat kale indruk maakt, is het aardig gelegen aan een baai met aan één kant een hoge rots en er is een busverbinding met Athene. ‘Zou je hier willen wonen?’ vraagt mijn vriend en ik knik: ‘waarom niet? Het gezicht op Euboia is nog even mooi en de huisjes staan hier geïsoleerd, elk op een stukje grond; liefst iets aan de buitenkant natuurlijk,’ voeg ik er bij.
En nu worden de raderen in het werk gezet en mijn vriend spreekt met de waard en de waard met een vreselijk vuil mannetje en die weer met een ook niet zo zindelijke vrouw en de laatste gaat verderop en binnen tien minuten weet het hele dorp, dat er vreemdelingen zijn (dat wisten ze overigens al lang, maar dat er één zelfs Grieks spreekt wekt de algemene verbazing), die een huis willen huren. Het is een prettig en veilig gevoel te weten, dat er in je belang gewerkt wordt en voor iemand die nooit meer dan twee man personeel onder zich gehad heeft, die hem bovendien nog met weinig eerbied behandelden, is het een sensatie, alsof hij groot-industrieel, directeur van een handelsonderneming, groot-huizenhuurder geworden is.
In ons privé-kantoor (het cafétje met de wrakke stoelen) ontvangen wij de gegadigden. Voorlopig is het er maar één, een vrouw. Wij volgen haar naar boven en mijn vriend hijgt, maar ik denk: hoe hoger hoe beter en veel te vroeg zijn we al aan ons doel. Het uitzicht is goed en wij kijken om naar mijn vrouw, die ten slotte de beslissing moet geven. Zij is echter blijven hangen bij een kapelletje met een priester, die erg neutraal kijkt, als hij de naar zijn begrippen vreemd opgetuigde vreemdelinge dansend van enthousiasme zijn ikonen ziet begluren.
Intussen vinden wij het huis zindelijk en het uitzicht mooi; daar kan ik een tafel neerzetten om te schrijven, er is een bed. Mijn vriend is bepaald enthousiast en ik zou desnoods...
De kapelletjesfetichiste komt boven en vertelt stralend, dat de priester een knoetje heeft. Zij wordt tot de orde geroepen en bestormt onzen tolk met vragen. Waar is het water? In de put bij de buren, drie huizen verder. Dit huis is nu bewoond, waar gaan de mensen heen? Die trekken er uit en huizen zo lang in dat schuurtje daar. Er zijn maar twee stoelen en het bed is te smal, keukengerei? Naar mate de vragen en antwoorden loskomen, betrekt het gezicht van den tolk. Zijn rond gezicht, dat zo goed verbrand is onder de Zuiderzon, krijgt
| |
| |
een huiskleurtje. Ten slotte: de W.C.? De vrouw wijst op een onooglijk gebouwtje, twee turven hoog, een turf breed en diep en dan komt de laatste vraag: moeten die mensen daar ook op? Ja. Het komt er vlot uit bij de vrouw, zeer aarzelend, alsof hij geen Grieks meer verstaat, bij onzen gids.
Mijn vrouw heeft het al begrepen: Dan liever geen W.C., zegt ze en stapt weer naar het kapelletje. Wij praten nog even en vragen uit beleefdheid naar de prijs, doch luisteren nauwelijks, de kamer (het was maar één kamer, ik had dat niet zo gauw gezien) was lelijk, net een kamer voor ongedierte, het rook er niet erg fris. We daalden af. Ik zou graag in Griekenland wonen, maar zouden wij ooit iets vinden? Niet te duur en toch geen varkensstal?
Het was alleen maar om ons te oriënteren, stelden we vast om de stemming niet te bederven. In ieder geval: ook in Griekenland verhuurt men kamers. Bij wijze van troost stelden wij dat onder elkaar vast, alsof het een wonder was, waar men zich niet genoeg over kon verbazen.
De waard kwam nog met het nieuwtje, dat er meer te vinden was, maar wij achtten het beter het hierbij te laten (teneinde niet helemaal ontmoedigd te worden, waarschijnlijk) en genoten op de terugweg bepaald energiek van het mooie landschap. ‘Hoe curieus die boerderijen... en het koren staat hier zo mager en die kale bergen,’ zei ik, geheel verzoend met Attika, met het exotische Attika voor mijn part. Ik reed met ogen, koortsachtig schitterend van bewondering door dit klassieke land met even achter in mijn bewustzijn een vage vrees, dat het misschien niet zo vlot zou lopen met het huren van huisjes, dat we misschien zelfs gedwongen zouden zijn naar een ander land te gaan. Of de Goden mijn gedachten op de heenreis hadden geraden? Je kan niet te voorzichtig zijn met zulke heren, die zo tastbaar werkelijk in steen gehouwen zijn. De even opkomende mogelijkheid, dat ik deze streken zou moeten verlaten zonder gezien te hebben, wat ik wilde zien, maakte me plooibaar, bijna geneigd iets minder kritiek uit te oefenen. Je bent al ver heen, berispte ik mezelf. Op weg om tot de categorie van ongearticuleerd schreeuwende, van geestdrift stamelende en zich verslikkende, onmannelijk zwijmelende sentimentalisten te gaan behoren, die men hier trots onder de soortnaam ‘Philhelleen’ rangschikt. Een beter genre barbaar. Ik houd het met Radboud, die liever met zijn voorvaderen in de hel zat.
Maar ik had buiten mijn onvolprezen gids gerekend, die aan het einde van deze tocht een ritje ‘in de richting van Eleusis’ aankondigde. We stappen daar niet uit, we gaan wat verderop, zei hij met een geheimzinnig gezicht en we moeten vroeg opstaan. Om zeven uur overmorgen ben ik met een auto aan jullie hotel. In de richting van Eleusis... Delphi of Korinthe, was mijn conclusie, maar het eerste was onmogelijk. In een dag kon men niet heen en terug gaan. Korinthe dus en misschien nog iets verder? Maar waarheen dan: Sikyone, de Isthmos, Nemea? Waarachtig, als hij Mykene eens bedoelde! Het gouden Mykene,
| |
| |
ik had de gouden maskers gezien in het Nationaal Museum, de lange repen goud met figuren van vlinders en spiralen, eindeloos lang en veel, de dolken met sluipende tijgers, de Kretensische zegelringen, de besneden stenen, de vrouwen met smalle middeltjes, felle borsten en wijduitstaande rokken. Agamemnon, Klytaimnestra, de Atriden, de Pelopiden, de gevloekten. Ik durfde er niet aan denken, bang, dat ik teleurgesteld zou kijken, als het bleek, dat we niet verder dan Korinthe zouden gaan. Korinthe was waarschijnlijk méér dan genoeg voor één dag. Non licet omnibus adire Corinthum: het is niet een ieder gegeven om naar Korinthe te gaan, herhaalde ik steeds bij mezelf. Er waren wel geen duizend Aphrodite-priesteressen meer, maar deze stad van liefde en geld, deze principieel karakterloze stad, die nauwelijks aan de Peloponnesische oorlog deelnam, terwijl een conflict tussen haar en Kerkyra er de onmiddellijke aanleiding van was, dit ‘verdorven’ oord van hetaeren en kooplieden, dat de vijand dacht te verslaan door haar courtisanes aan Aphrodite de overwinning af te laten smeken, moest op mij, den in mijn hardnekkigheid bijna dogmatischen libertijn een geweldige bekoring uitoefenen. Als het Korinthe was, zou het al goed zijn, voldoende, meer dan voldoende...
Wij deden de volgende dag inkopen; eieren kookten we, die wij ergens in Griekenland, ergens voorbij Eleusis zouden eten.
De Piraiosstraat uit, langs het Kerameiko. Je moet daar vooral eens naar toe gaan, je komt er niet gauw toe, maar het is merkwaardig, lichtte onze gids ons in. Ik had even een visioen van witte stenen, aardig, een meisje, blijkbaar een toeriste, in een gids turend, Korinthe, dacht ik, Korinthe is nog heel iets anders. De olijf van Plato, ik zag hem nog net, een knoestige stam, meer niet. Daphni, mooi, oud, een rare muur er voor, de gekken (mijn vriend maakte klaarblijkelijk een grapje) wonen daar in die huisjes. De gekken wonen mooi, zei ik, ik wilde, dat ik gek was. We waren allemaal even overmoedig gestemd. Wij tweeen om de spanning van de verrassing, zij beiden om de verrassing zelf. We rijden nu op de heilige weg naar Eleusis. Een mooie weg; na de bergen langs het water, achter Salamis. Achter Bornholm, zeggen de zeelieden (ik was nog geen tien dagen geleden van een Hollandse boot afgestapt, het leek al zo lang geleden) en dan bedoelen ze niet achter Salamis. In Eleusis wees onze gids naar links, die kant uit zijn de ruïnes. Alweer voorbij.
Ik ontwaakte uit mijn Korinthe-droom. Dat gaat toch wel wat gek, overwoog ik, gelukkig niet hardop, we vliegen daar een aantal beroemde plaatsen voorbij zonder ook maar een seconde te stoppen. Eleusis, Daphni, de hele heilige weg, niets van gezien... Ik kijk om, ten einde het verzuimde te achterhalen, maar we schieten verder, alsof de hoe heten ze ook weer, niet Eumeniden, neen, hun ‘voorzaten’ de, kom, die onvriendelijke dames van Orestes, de Erinyen ons op de hielen zitten. Nu goed uitkijken en niet aan Korinthe denken. Aanstonds valt het tegen, dat zul je altijd zien. Het landschap achter Salamis is trouwens
| |
| |
mooi genoeg. Niet alleen het gezicht op zee en op het eiland, dat snel met ons meedrijft. De steile bergen rechts, de pijnbomen vlak aan het blauwe water. Hier wonen, denk ik, was hier maar ergens een huisje, een dorpje. Een spoorwegovergang en een baanwachtershuisje. Hier baanwachter zijn, 1½ trein per dag en verder in de zon of in de schaduw zitten. Wat ben je van je beroep? Baanwachter tussen Megara en Eleusis. Parsifal of een van zijn collega's had niet trotser kunnen antwoorden: ridder zonder vrees of blaam.
Maar de Goden verhoren mijn onuitgesproken gebed en plotseling zie ik kleine tweepersoonshuisjes langs de kust, op vijf passen van het water (misschien niet precies tweepersoons, maar wat doet het er toe? Hier wonen!) verderop van de weg af onzichtbaar, doordat ze tussen de pijnbomen verscholen liggen en even heb ik het gezicht op een plein, geplaveid met zachte bruine dennennaalden en caféterrassen, als altijd beschaduwd met takken, aan zee, blauw, onwaarschijnlijk doorzichtig blauw, en kleine roeibootjes aan de kant, een ideaal oord. ‘Hoe heet het hier?’ vraag ik en mijn vriend geeft de vraag onverstaanbaar omgezet door aan den chauffeur. Megalo-Pevko: de grote pijnboom. Een plaats om te wonen, goed onthouden. We rijden verder tussen pijnbomen in zee en bergen, een feestelijk begin, en komen dan in Megara. De stad ligt mooi, maar ik heb iets tegen die plaats, waarschijnlijk omdat de naam er van doet denken aan Medusa, waar ik als jongen erg bang voor was. Een vrouw, die je laat verstenen: ik had spijt, dat ik het verhaal gelezen had en vond zelfs Perseus niet een plezierige held, omdat hij zo stiekem niet keek, terwijl hij haar het hoofd afsloeg. De weg wordt hier hersteld en wij krijgen even een proefje van de oorspronkelijke bestrating, die ons in alle windrichtingen laat wippen. En dan wordt het landschap vlak achter Megara plotseling groots: steile, felgele rotsen vallen op ons neer, de Geraneia, van deze kant af een fantastische formatie, die ik wil fotograferen, maar Megara of Medusa zit achter ons aan en we hebben geen ogen genoeg om te kijken en geen monden genoeg om onze bewondering te uiten, een zenuwslopende toestand, als je na een seconde ontdekt, dat het achter je rug mooi was, terwijl je vol geestdrift vooruitstaarde. Ik heb later nagelezen, dat zich hier de zogenaamde Skironse rotsen bevinden, waar de rover Skiron, die door Theseus gedood werd, de reizigers in zee wierp, hij behoefde niet hard te duwen,
want het land hangt hier boven het water. Gelukkig wordt het landschap nu weer wat kalmer, waardoor de gemoederen bedaren. En Salamis naast ons en verderop al de hoge toppen van de Peloponnesos, maar we zijn voorbij en slaken een zucht van verlichting als we ons in de kussens schikken in de overtuiging, dat dit niet lang had moeten duren, anders waren we meteen in de buurt van Daphni bij de gekken gaan wonen. De schiereilanden, die de zee instaken, als leeuwenklauwen het water grijpend en vasthoudend. Het land is hier machtiger dan Poseidon, want Poseidon ligt achter Bornholm-Salamis en we rijden dan ook langs een slapende zee.
| |
| |
Nu we wat rustiger worden, naarmate de rotsen van de oever wijken, merk ik hier en daar struiken, die vol roodpaarse bloemen zitten, meer rood dan paars, aan stijve stengels. En ik herken ze uit onze parken, maar ze groeien hier in het wild bij bossen, langs droge rivierbeddingen, midden op het land, plotseling een ruiker groen en rood, opspruitend als een toef stijve, dikke sprieten, in habitus even gelijkend op de pluim van een paardebloemvrucht, een boeket stijve dahlia's zo van den bloemist met de stelen bij elkaar in de grond geplant en naar alle richtingen in verschillende lengte uitstekend, maar dan natuurlijker: oleanders, platgeslagen door het al te felle zonlicht, dat hun geen gelegenheid liet uit te dijen tot de weelderige bomen in de tuinen. Ze staan hier, alsof ze nooit van hun leven er aan gedacht hebben kweekplant te worden, als hevige kleurvlekken in het nu grijsgroene land.
De Akrokorinth, roept mijn vriend nu en voor zijn doen is zijn stem geestdriftig. Hij wijst op een ronde, bruine bult, die opvallend afsteekt tegen de wazige bergen. De Akrokorinth... de naam zegt me niets (ik ben nog steeds geen klassicus), maar het is een rare berg, dat geef ik toe en hij zal wel iets met Korinthe te maken hebben. De oleanders hebben nu mijn aandacht, ik kan niet aan alles tegelijk denken, maar plotseling herinner ik me iets: de berg van de Aphrodite-tempel. Of je zo hoog zou moeten klimmen om het genot om naar Korinthe te kunnen gaan voldoende te beseffen? Voor heren van middelbare leeftijd geen aphrodisiacum, zo'n klim, maar neen, de duizend dames waren beneden, in de stad. Ik bemerk, dat mijn gezicht zich ontspant. Astarte en Aphrodite, alles goed en wel, maar zoveel betalen en dan zo'n eind lopen? De Korinthiërs waren practische lui met handelsgeest, zo'n gebrek aan ‘service’ zouden ze nooit geduld hebben.
Wij zijn aan de Isthmos en merken niets van de Isthmos. De linker, ik bedoel de Oostelijke kanaaluitgang was aardig als een leerzame schoolplaat, waar toch nog wat ‘gezelligs’ op te kijken valt voor de kinderen, maar nu is het kanaal weg, terwijl we er toch vlak langs moeten rijden. De gleuf in de aarde is onzichtbaar, je zou als verstrooid man zo door kunnen lopen en hals over kop naar beneden kunnen buitelen. Niets wijst er op, dat het land hier als een wig van elkaar geduwd is, schuin afgesneden als roggebrood.
Bij de brug kunnen alle Eumeniden, Erinyen, Megara en Medusa doen wat zij willen, ik zeg: stop. De chauffeur verstaat plotseling Hollands en stopt.
Ik heb weinig eerbied voor technische meesterwerken en de techniek van dit geval zal wel geweldig zijn (en dan nog zoveel baggermachines of andere werktuigen om zo'n kanaal in stand te houden, zoveel ton per dag, mijnheer, zoveel personeel en de hoogte is dit en de diepte dat en de breedte van het eigenlijke kanaal zus en de diepte zo en dat geloof ik wel), maar in de eerste plaats valt het mij op, dat het een nog veel gekkere sensatie is om van zee tot zee te zien dan ik dacht. De gladde roggebroodwanden en het puntje zee in de verte, die
| |
| |
doorgesneden aarde, het is geen roggebrood, het is onnatuurlijk, dit technische wonder, maar het heeft een zekere onnatuurlijke charme. Niet de ‘poëzie van de arbeid’, ‘symphonie van ijzer en staal’, de ‘hartklop van het menselijk vernuft’ en dergelijke heerlijke titels, waarmee men tegenwoordig het meest nuchtere ding op aarde, de machine, pleegt te betitelen. Eerder een fantastisch toevallige aardbeving; Europa, dat met één van zijn staarten, ditmaal de Peloponnesos kwispelde, zo hevig, dat hij afknapte.
Of een dikke jongen, die daar ergens midden in het bergland ging zitten en zo lang wipte, dat het harde aardmateriaal niet meer boog, maar barstte. En aan de andere kant zien wij een voorproefje van de golf van Korinthe. Maar Medusa met haar zusters is nu vlak bij ons en wij vluchten zo snel wij kunnen.
Nea-Korinthos, gloednieuw, geheel van de eerste steen af opgebouwd na een aardbeving, vertelt mijn vriend. Wat zei ik? Eén aardbeving en je hebt een kanaal. Het moet na te gaan zijn, dat de Grieken slechts gezégd hebben, dat ze een kanaal groeven. We slaan een obscuur kronkelweggetje in en stappen uit in een dorpje. Ik vrees al het ergste (je niet te veel voorstellen van wat je gaat zien, voortaan), maar we doen tien stappen en staan voor de straat, de Lechaionstraat. Ik geef jullie hier niet meer dan anderhalf uur, zegt onze gids onverbiddelijk, maar ik heb de opgravingen al tweemaal grondig bezocht en ik zal je het voornaamste wijzen. Heb je wat nagekeken? vraagt hij streng en ik antwoord beschaamd: ja. Hij meesmuilt zachtjes en is blijkbaar verheugd, dat hij me niet heeft overschat. Mykene heb ik ook ‘nagekeken’, maar daar praat ik niet over en overigens zijn we nu in Korinthe. In de straat van de mooie meisjes (misschien was het een andere), in de stad der liefde, denk ik merkwaardigerwijze plotseling aan Holland (misschien de associatie der tegenstelling). De Korinthiërs moeten een soort Hollanders van op sexueel gebied vrijgevochten allooi geweest zijn. Het is waarschijnlijk niet eens waar, maar voor het eerst in Griekenland verbind ik iets van deze bodem met mijn vaderland. Mijn vaderland, dat ik liefheb, als een vader zijn blind- en doofgeboren kind, dat zo intelligent was geworden, als het niet misdeeld was. Mijn volk, dat in pure nuchterheid, onverdraagzaamheid, kuisheid en spaarzaamheid wadend, zich overeind tracht te houden met de slogan: ‘Waarin een klein land groot kan zijn’. Aan mijn kennissen, mijn vrienden, waarin die nuchterheid en kuisheid en spaarzaamheid gelukkig nog niet zo duidelijk tot uiting komen, zodat ik aan de andere kant geloof, en zo graag wil geloven, dat wij nog allemaal zeerovers zijn, die slechts op een gelegenheid wachten... en intussen trachten een ‘rechtschapen’
(die prachtig huichelachtige koopmansterm) indruk op onszelf en de buitenwereld te maken. Wij hebben deze ‘oefening’ echter te lang volgehouden en zijn bevroren of geboeid, maar niet dood, nog niet dood. Nog lang niet, hoewel het soms zo lijkt. Ons behoud is wellicht dat restje gemeenschappelijke immoraliteit, of althans ‘anders dan anders zijn’, niet helemaal zo normaal-ethisch- | |
| |
gestandariseerd, als wij ons wel willen voordoen, soms wellicht ‘niet nuchter’? Maar wij hadden geen en hebben weinig minnaressen (onze eigen keus) en Korinthe had duizend Aphroditepriesteressen en daarom benijd ik Korinthe. En toch werd Korinthe (of juist daarom?) een puinhoop. Korinthe was vredelievend, maar destructief, het spleet zichzelf open als een te snel ontloken bloem en verstarde; wij zijn vredelievend, maar behoudend. Met welk doel? Waarom niet als dit zeevolk, als Venetië, een zelfmoord in weelde en genot, uit vele zelfgeslagen wonden bloedend en neerzijgen, voor de eerste en de laatste keer een beker in de hand en een vrouw in de arm? Waarom deze degelijke spaarzaamheid? Ik wil niet geloven, dat we daar zonder reden mee behept zouden zijn. Het reeds eeuwen durend gemis aan drang tot zelfvernietiging, onze tegenzin in wedergeboorte uit puinhopen, onze neiging tot herstel, zorgvuldig herstel, in plaats van verval, moet een doel hebben. Wij zijn versteend als dit veld van verwoesting, doch merkwaardigerwijze volledig geconserveerd en een toverstaf (hoeveel daarvan zijn er niet per dag?) kan ons doen herleven of in stof doen uiteenvallen.
Korinthe, het slimme en slechte Korinthe doet mij aan ons lage land denken, aan zijn nijvere en ordelievende bewoners. Het moet de tegenstelling zijn en verder wellicht de aanwezigheid van de zee. En toch... ook Korinthe had geen tragedie... Het stierf krachteloos en viel niet heldhaftig, het liet zich willoos en gelaten leegplunderen. Gelukkig of helaas? Dembirázi, zegt de Griek en maakt daarbij een veelzeggend gebaar met zijn handen. Het betekent niet precies: het doet er niet toe. Het is nog onverschilliger, vol actief negativisme. De wijde horizon hier herinnert me wellicht aan het feit, dat ik Noorderling ben, die niet kan nalaten te filosoferen over dingen, welke onfilosofeerbaar zijn. Helaas voor mij: ook de filosofen huisden niet in Korinthe. Maar Athene was ook een handelsstad...
Niets is ergerlijker dan een ‘denker in Hellas’, waarschuw ik mezelf. Kijk nu en denk later. Er is hier al genoeg gedacht. De Goden geven niet meer. Wij zijn de straat ten einde gelopen en dalen af naar de Pirene-bron. Het water klatert onzichtbaar achter de geheimzinnige bogen en men zou zich niet verwonderen, als men hoorde, dat hier vreselijke misdaden hadden plaatsgevonden, of dat de Korinthiërs de gewoonte hadden hun gevangenen op deze plek langzaam van dorst te laten sterven om hen daarna langs een ondergronds kanaal naar andere oorden te doen verhuizen. Het is hier nu liefelijk met de donkerrode klaprozen tussen de oude stenen en vroeger moet dit ook een liefelijk plekje geweest zijn. Maar de phantasie is nu eenmaal sterker dan het gezicht en de leer.
Als we weer naar boven gaan, valt het me op, dat Korinthe zo plat als een pannekoek is, vergeleken met Athene en veel kaler. Wat was er in de hoofdstad eigenlijk veel te zien! Hele tempels en theaters zijn nog zo goed als compleet.
| |
| |
In Korinthe: een straat, heel mooi, maar wat weinig als men geen huizen ziet, een bron, nu ja, in ons land heb je ook veel water, maar hier is dat iets bijzonders, toch kan die bron me niet imponeren, nog een straat en dan portieken, winkels waarschijnlijk. Als ik zeg: die is mooi, verbetert mijn gids mij bescheiden. Romeins, zegt hij, daar achter is de Griekse portiek. Ik kijk ‘daarachter’ en zie weinig of niets. Er is een gebouwtje, waar de priester water in wijn veranderde of omgekeerd, maar ik zie geen water, geen wijn en geen gebouwtje. Bijna alles wat hier staat is Romeins of iets anders, niet Grieks.
En toch stelt Korinthe mij niet teleur. Ik zie alleen in, dat ik Athene niet voldoende op prijs heb gesteld. Dat ik inwendig heb gemopperd of gecritiseerd en dat ik, zoals het behoorde, met mijn hoedje af, langs het Parthenon, Erechtheion, Olympieion en Hephaisteion had moeten lopen. Ik ben een ondankbare, brommerige ‘je-moet-het-wel-zien’ toerist geweest, die waar voor zijn geld wil hebben en nu word ik plotseling tevreden, nu ik minder krijg voor dezelfde belofte.
We gaan naar het museum, een net gebouwtje, waar niet veel te zien is. Enkele vazen, Korinthische vazen. Het spijt me, maar ik houd niet van vazen. Roodfigurig of zwartfigurig, knap ongetwijfeld, maar ik houd er niet van. Het zijn geen gebruiksvoorwerpen meer. Ik zou niet als de oude Grieken uit die vazen durven schenken. Er zit te veel werk aan om het risico te lopen zo'n kostbaar voorwerp te breken. Ik zou ze zelfs niet bij één oor durven vastpakken. De voorstellingen zeggen mij weinig en de kleur is mooi, maar wordt wel wat eentonig. De vorm is bepaald lelijk, precieus. Deze vazen zijn als mannen, die hun lippen verven en hun haar friseren. Een naakte man kan mooi zijn, toegegeven, een goedgeklede man eveneens, en er zijn ook mensen, die geschminkte mannen zouden willen zien, maar zonder direct te willen beweren, dat ze ongelijk hebben, moet ik bekennen, dat ik niet tot die categorie behoor. Het is met de vazen natuurlijk precies andersom: hier sta ik in gezelschap van een kleine minderheid, misschien alleen. Ik hoop, dat iemand zich nog eens over me ontfermt en het geheim van lekythen, loutrophoren, amphoren en andere oren voor me ontsluiert. Mijn vriend deed het niet en ik was nog niet lang genoeg in Griekenland om hem te durven tegenspreken. Hij vertelde alleen, dat je in Berlijn en elders betere vazen vindt. Ik heb in Berlijn gedacht, dat ik de vazen niet mooi vond, omdat ik Griekenland niet kende. Omdat ik de ‘sfeer’ niet verstond. Ik beweer niet, dat ik de ‘sfeer’ nu verstond, maar ik was in Griekenland en de vazen bleven beschilderde mannen of tennisrackets met gouden handvat of roeiriemen bezet met edelgesteenten. Een koning drinkt uit een gouden beker en vrouwen doen extravagante dingen om op te vallen (hoe extravaganter, hoe mooier, vind ik zelf), maar koningen en vrouwen zijn geen mannen of roeiriemen. Deze vazen vertegenwoordigen voor mij reeds het einde van het bloeitijdperk, niettegenstaande ze in die
periode gemaakt zijn volgens de archeo- | |
| |
logen. Het is eenvoudig een verschil in opvatting van het begrip ‘bloei’. Ik wil hier niet ‘de eenvoud, die het kenmerk van het ware is’ verdedigen, maar de luxe is hier naar mijn mening weinig smaakvol toegepast, zonder stijl, zonder houding en dan... een handwerk, verheven tot kunst; waarom die vazen zo prachtig en de grafstelen, waarvan iedereen het eens is, dat ze ‘in serie’ gemaakt zijn, gewoonlijk slechts ‘massaproducten?’ Daarentegen de geometrische vazen: steeds mooi van kleur, soms zelfs gedurfd, en bijna altijd een eerlijke en tegelijkertijd zwierige vorm, waarin men de gevoelige handen van den pottenbakker ziet bewegen bij het kneden van de klei. Ook hier is de vorm wel eens onaanvaardbaar precieus, maar dat is een uitzondering; deze ‘primitieve’ vazen blijven gebruiksvoorwerpen. De latere Grieken boorden door die ‘primitiviteit’ heen en bereikten ongetwijfeld iets, maar niet in de vazen, of liever daarin te veel.
Overigens: een lekythe heeft nog zin. Die was voor de doden en ik kan me voorstellen, dat je iets doet voor iemand, die er niet meer is. Het is voor het laatst welbeschouwd en dan kun je nog eens voor het laatst je best doen, maar dat doet niets af aan het feit, dat een lekythe ook lelijk is, d.w.z. dat ik een lekythe ook lelijk vind. De rest blijft even abnormaal als altijd: overdreven, zegt de Fries, overdreven.
En ten slotte: al geeft men dan nog na alle tegenzin tegen het ‘principe’ van de beschilderde vaas toe, dat sommige stukken zeer mooi zijn, dan moet men toch de roodfigurige uitsluiten, deze ‘lege gaten’, voortbrengselen van een te ver voortgeschreden techniek, die ter wille van een zuiver ‘aesthetisch’ kunstje de fundamentele verhouding, welke tussen rood en zwart bestaat, verloochende. ‘Mooischrijverij’ in de vazenkunst.
We komen nog in een klein kabinet met offers aan Asklepios, een griezelige uitstalling van halve benen, een vrouwenborst, een grote hoeveelheid phalloi, een neus, een paar ogen enz. in klei gebakken. Om de genezing van een ziekte, het lichaamsdeel betreffende, af te smeken. De phalloi overheersen en dat is niet verwonderlijk in Korinthe. Het is de enige herinnering aan de duizend priesteressen, die overigens evenmin als duizend soldaten van een veldslag in staat blijken een duidelijk spoor achter te laten.
Even krijgen wij hier een kijk op het godsdienstige leven der Grieken, dat in de geest zo moeilijk te benaderen is. Men kent een massa ceremoniën; het grootste deel van hetgeen in Griekenland staat heeft iets met de godsdienst te maken, geleerde mannen schreven geleerde boeken, maar de geest laat zich niet gemakkelijk vangen. Is hij sympathiek, antipathiek, primitief, magisch? Delphi en Eleusis zullen ons later moeten helpen.
We bestijgen het terras van de Apollo-tempel en zien nu voor het eerst, waarom Korinthe ons niet teleurstelt. Voor die tijd had ik reeds op een ogenblik, dat onze gids niet keek een blik geslagen op het landschap, terwijl de ruïnes toch
| |
| |
zoveel interessanter waren, maar nu mogen we vrijuit zuilen en landschap samen bewonderen. Ze staan er voor (de zuilen).
Over de golf van Korinthe kijken wij nu, zoals deze zich door het land heeft gevreten, naast ons de Akrokorinth, in de verte de bergen van de Peloponnesos, de Parnassos, een machtig massief, de landengte, de steden.
De kleur van het geheel is een doorzichtig grijsgroen en de lijnen zijn, of liever, er zijn geen lijnen. Alles vloeit ineen tot een harmonisch sereen geheel. Dat is de merkwaardige tegenstelling: het slimme, zondige Korinthe is in zijn dood kuis en rein als een maagd in een wit kleedje. Het heeft zijn haren en zijn streken afgelegd. Voor ons uit zien wij de verre kusten vergrijzen en ten slotte is er geen scheiding tussen land en water. Het is Holland, een eerlijker, zuiverder Holland, een land naar de zee gericht met een beschuttende berg achter in de rug. Zonder vooroordelen, zonder winzucht, zonder hypocrisie.
Wij worden van de imponerend stoere zuilen en het wegvliedende land weggerukt en in snelle vaart langs het odeion en het theater gesleept, beide tamelijk vervallen of tamelijk onderhouden naar men het opvat (zo half en half) en gaan een nieuwe onbekende bestemming tegemoet. Mykene, het moet Mykene zijn, denk ik. En in onze opwinding lachen we om het treintje, dat in het dal met ons meesukkelt, maar ten slotte amechtig achterblijft, we groeten de vriendelijke bevolking en tellen de oleanderbossen. Het heuvelland wordt nu langzamerhand kaal en droog, een hard land, niet hard als Spanje, dat vijandig en heroïsch kan zijn, maar onherbergzaam en afwijzend, negativistisch. Er is niet.
Bij Nemea bedreigt het bergland de vlakte (we slaan Nemea over, jammer, drie zuilen!), we kruipen tussen de rotsen door en rijden langs enige reusachtige pyramiden, die vol waardigheid het landschap beheersen. Ik tuur vooruit en meen zee te zien, maar dat kan natuurlijk niet. En toch: het ziet er uit als water. Ach wat: we zijn midden in het bergland.
Let eens goed op, hoe prachtig Mykene in strategisch opzicht gelegen was, waarschuwt onze gids. Ik zie geen Mykene, maar als het op één van die enorme bergpieken daar troont, dan is de ligging inderdaad zonder weerga voor een volk, dat veel strijd te voeren heeft. De bergen zijn indrukwekkend steil en als Mykene daarmee in overeenstemming blijft, dan stem ik niet meer op Athene of Korinthe, maar op Mykene. We slaan links af en komen langs een bord: la belle Hélène de Menelaos. Verdorie, denk ik, dus niet van Paris: we zijn hier in een oord, dat partij kiest. Overigens: geen Orestes, geen Agamemnon, geen Elektra. Klytaimnestra en Aigistheus gaat natuurlijk niet, dat zijn onsympathieke karakters, maar waarom Helena waar al dat gedonder om begonnen is? Een mooie vrouw, waarschijnlijk toch nog de populairste van deze luguberen.. en ze was niet vervloekt, een dochter van Zeus: ook gunstiger voor de naam van een hotel.
| |
| |
Langs de zuilen van het Parthenon kijkt men op de Propylaeën en de laaggelegen stad
| |
| |
De toeschouwersruimte van het Dionysostheater aan de voet van de Akropolis te Athene
| |
| |
De koningsgraven (boven) en de Leeuwenpoort (beneden) van de vesting der Atriden: Mykene
| |
| |
Het halfronde silhouet van de Akrokorinth beheerst het landschap in de buurt van Korinthe
| |
| |
Nogmaals slaan wij linksom en ik zoek vergeefs alle bergen af naar Mykene en eerst nadat de chauffeur vaart begint te minderen, zie ik, dat de reuzen een kindje in hun schoot hebben, een werkelijk minuscule baby van een bergje: de Akropolis van Mykene. Het is wat klein voor een strategische ligging, zo oppervlakkig gezien.
We stappen uit en voor ik me kan bezinnen, sta ik voor de beroemde leeuwenpoort. De leeuwen zijn ook wat klein uitgevallen en het spijt me te moeten bekennen, dat ik gauw doorliep naar de andere kant om te zien of er daar nog een paar waren (vier kleine zijn gelijk aan twee grote), maar daar was niets. Decoratie uitsluitend voor de vijand. Voortvarend stap ik verder en kom voor een reusachtig en eigenaardig gevormd gat te staan, een exotisch bouwsel en mijn gids belet mij een flater te slaan en fluistert als een tactvol souffleur: de graven, waarop ik met deskundig gezicht mijn vrouw de koningsgraven wijs. De graven zijn aangenaam gevormd en groot en zij imponeren. Al dat goud, dat uit dat gat gekomen is, ik moet er niet aan denken.
Ik heb in verschillende boekjes gelezen en vrienden hebben het me voorgezegd: Mykene is tragisch (en het ligt strategisch zo prachtig). Bij de graven is Mykene inderdaad somber en groots. Wij staan nu al vrij wat hoger dan de weg, die wij gekomen zijn en de ligging, strategisch of niet, begint mee te vallen. Het is warm en als de bewaker ons voorgaat naar de top van de Akropolis wordt het steeds strategischer en warmer en ik beklaag Orestes en andere heetgebakerde helden, die hun moordenaarsvuur brandende moesten houden, terwijl ze hijgend en zwetend naar boven klommen. De koninklijke weg mag er zijn en als ik in het paleis aangekomen ben, zou ik zo in het bad willen gaan zitten, waarin volgens den Grieksen gids Klytaimnestra Agamemnon vermoordde. Over het randje van mijn burcht kijk ik heel strategisch naar beneden in het dal van de Chavos en ik verwonder me enkele dagen later dat ik maar zestig meter diep gekeken heb en dat het hoogteverschil tussen de graven en de top slechts dertig meter bedraagt. Ik merk nu, dat ik niet vredelievend van aard ben. Een kasteel, een burcht is heel iets anders dan een slagveld. Op een slagveld hoor je niets, in een vesting zie je alles. Ik zie daar Argos en ik neem me voor het de heren van Argos de volgende keer in te peperen. Dat wil zeggen: als ik Agamemnon ben, zijn het mijn onderdanen, maar ben ik een latere Atride, een onbekende duisterling uit dit duistere geslacht (en ik word liever niet door mijn vrouw in het bad vermoord, hoe heroïsch en tragisch dat ook mag zijn) dan kan ik het tegen de Doriërs niet volhouden en dan bal ik mijn vuisten in, naar later zal blijken, tamelijk machteloze woede.
Argos ligt daar te provocerend in de verte en ik begrijp nu iets van de eeuwigdurende conflicten in deze onheilvolle vlakte. Ben ik nog inwoner van het ‘gouden Mykene’, dan kijk ik langs Argos naar de zee, de golf van Nauplia... en plotseling ben ik weer mezelf en verwonder me: Athene en Korinthe, de grote
| |
| |
zeehavens van Hellas liggen nauwelijks dichter bij zee dan Mykene, dat in mijn gedachten als een adelaarsnest in de bergen had moeten hangen. Ook Mykene kijkt uitbundig op zee uit, het is in de rug beschermd door pyramidale hoogten van bijna 1000 meter, zoals Korinthe zijn Akrokorinth en Athene zijn Hymettos, Penthelikon en Parnes heeft (Athene komt er nog het slechtst af, want de beide laatste zijn wel wat ver om te beschermen), Mykene is een zeestad. Het veroverde naar de zee toe en het was een collega van Kreta. Dat Athene en Korinthe niet onmiddellijk aan zee lagen, verwonderde mij, dat Mykene er bijna aan ligt, verbaast mij nog meer. Zo beleeft men al spelenderwijze klassieke geschiedenis, want in de boeken stond weliswaar, dat Mykene de hoofdstad van een machtige zeemogendheid was, maar ik heb er glad overheengelezen, toen ik de geschiedenis er van nakeek.
Neen, Argos is niets voor Agamemnon; zijn vijand, zijn slachtoffer ligt voorbij dat water, dat in de verte zo zilverig glinstert: een mooie vrouw of de zucht veroveringen te maken, koloniën te stichten, een hebbelijkheid, die wij, Europeanen van de oude cultuurvolken hier in Hellas hebben overgenomen. La belle Hélène? Het mocht wat! La belle Troie! Het is te gek om voor je broers vrouw je dochter te offeren, maar voor een nieuw gebied offer je graag iets meer. Mykene is een begerig stadje en wie begerig is moet daar de consequenties van dragen. Het tragische is, dat de geschiedenis zich herhaalt. En tragischer nog, dat de geschiedenis zich schijnt te moeten herhalen.
Op deze puinhoop ligt de essence van het menselijk dwalen en lijden geconcentreerd. Het lot der volken is niet meer verbonden met het lot van een enkel koningsgeslacht en zo kunnen wij de gemoedstoestanden en daden van die volken niet meer personifiëren zonder in grove massapsychologie te vervallen. Men kan niet zeggen, dat Duitsland Rusland in zijn bad wil vermoorden, omdat dit laatste land Oostenrijk heeft geofferd, of omdat het zelf Italië tot minnaar wil hebben, terwijl Frankrijk dan Rusland komt wreken. Ik wil hier geen politieke allegorie in elkaar timmeren en men mag de namen der landen onderling rustig verwisselen, maar hoe belachelijk het ook schijnt, men zou zoiets moeten schrijven, wilde men het formaat van de gebeurtenissen in Mykene bereiken. Achter één gebaar van Agamemnon staat meer dan achter tien gebaren van een millionnair, misschien slechts honderd man tegenover duizend millioen dingen, maar de mensen vormen het tragische element en niet de voorwerpen. Ook het persoonlijke element was hier aanwezig, toegegeven, maar hoe goed verweven in een patroon van groot, grootscheeps en groots.
Op het ogenblik denk ik: koning kun je je natuurlijk noemen, zelfs als je in een dag om je rijk kunt rijden. Ik heb Nederland altijd als een klein land beschouwd, maar ik begrijp nu niet, waarom Dirk III, na iets bij Dordrecht te hebben verricht, zich niet meteen tot koning heeft laten uitroepen. Het is niettegenstaande alle associaties wat klein voor een modern mens, dit grote Mykene.
| |
| |
Wij, half-Amerikaanse Europeanen laten ons alleen nog maar imponeren door wolkenkrabbers. Het toneel Mykene geeft ons hier echter meteen al het begin en het einde, het tragische slot, tragisch, omdat de menselijke geest zo wijd en tegelijkertijd zo beperkt is. Zo zie ik het ten slotte: een verlaten toneel, terwijl verderop in groter formaat een moderne bewerking gegeven wordt, wat pompeus en met een al te druk beschilderd achterdoek en zodoende niet zo direct, niet zo pakkend.
Vijf, zes mensen vormen een tragedie, vijf, zes volken een even groot aantal ‘ondefinieerbare massa's’.
In afwachting lopen wij hier nu maar als koningen rond, inspecteren de onderaardse trap naar de bron buiten, de ‘dienstboden-uitgang’ in de vestingmuur, maar steeds keren we weer terug naar het paleis.
Neen, wij hebben zelfs niet eens de troost tragisch te zijn: hoogstens dom, blind en belachelijk tasten wij rond met en onder onze tijdgenoten. Het absoluut verhevene, het tragische lijden heeft plaats gemaakt voor het betrekkelijk lage en de zorgen voor het dagelijks brood. Het is niet minder belangwekkend, maar het is niet zulk goed materiaal...
Sophokles had het beter en zelfs Shakespeare, hoewel hij de belangeloze medewerking der Goden moest missen; koningsdrama's, Hamlet, Macbeth...
Wij verlaten deze barre heuvel en gaan eten bij de schone Helena om daarna nog even in Nauplia te kunnen kijken. Het is zo dicht bij en je hebt een mooi gezicht op de baai, verklaart mijn vriend. Ik weet niet, waarom hij plotseling zoveel oog heeft voor de schoonheid van baaien, maar ik vind het best; van hier uit ziet de rots van Nauplia er al fantastisch uit. Dichterbij zal zij zeker het kleine uitstapje rechtvaardigen.
Wij passeren Argos en het spijt me, dat wij niet even stilhouden. Het kasteel ziet er militanter uit dan de Akropolis van Mykene en Argos heeft toch ten slotte gewonnen. De burcht beheerst hier het land en men ziet het duidelijk: Argos moest Mykene overleven. Maar we rijden met een flinke vaart door het zakelijk uitziende stadje, dan door een wijde vlakte en Nauplia komt al heel dicht bij.
Plotseling stoppen wij, en ik veronderstel, dat er iets aan de auto hapert. Intussen ontdek ik een heuvel, die er ruïneachtig uitziet en ik ben al bang, dat we verder zullen rijden, als onze gids ons vraagt uit te stappen en hevig grijnst, als hij mijn verbaasde gezicht ziet. Ik geef me gewonnen en vraag, wat dat voor resten zijn. Tiryns, antwoordt hij en ik zwijg beschaamd. Deze verrassing is volkomen gelukt. Tiryns had ik hier niet verwacht, ik had het eigenlijk nergens verwacht, ik had me nooit gerealiseerd, waar het lag en overigens: ik had de naam wel eens horen noemen, maar wist verder van niets.
De entrée van Tiryns, de stad der torens, ligt zwaar in de vestingmuur en plotseling schieten me, met behulp van een snel opgeslagen reisgids een paar
| |
| |
namen te binnen: Perseus, Amphitryon (van von Kleist en Giraudoux) en Herakles. Vooral de laatste naam is gemakkelijk te vereenzelvigen met dit reusachtige, platliggende bouwwerk, dat er van buiten zo onnozel en gemakkelijk veroverbaar uitziet. Muren van 7½ meter dikte, nauwelijks prettig om tussen te lopen. Dat was me een vesting, bewondert mijn oorlogszuchtig deel, enorm. Onze gids brengt ons onmiddellijk naar de ‘Gothische gang’, de onderaardse, binnen de muren gebouwde galerij met kazematten, die in tijden van vrede als voorraadkamers, in tijden van oorlog als toevluchtsoord dienst deden. In Mykene is ook zo'n soort constructie, maar die geeft toegang tot de trap voor de bron buiten de vesting. Geheimzinnig, maar niet zo indrukwekkend van bouw als deze uitholling van de vestingmuur zelf. Ik tast de enorme stenen af, die zo gestapeld zijn, dat ze een puntig naar boven toelopende boog vormen en voor ik het merk, is mijn gezelschap al verdwenen. Het tempo is wel wat snel, we moesten nu toch genoeg tijd hebben; de ‘bijenkorf’ van Atreus te Mykene, de ondergrondse koepel met zijn strenge ingang, die alvast de dood aankondigt, was zo donker, dat men geen hand voor ogen kon zien, zodat een lang verblijf daar geen zin had, maar hier, in deze opzettelijk ondergraven vestingmuur, die door het schuren van de schapen tegen de wanden, door de eeuwen heen, glad en vettig geworden is, hier blijf ik rondneuzen en haal het gezelschap pas weer in bij de grote Propylaeën en ik luister verstrooid naar een verward verhaal van de Griekse gids in behoorlijk Hollands vertaald, alleen wat kòrt (lezen jullie het later maar na, dat is veel beter) over het paleis en de tweede Propylaeën (ik dacht, dat je die dingen alleen maar bij tempels vond) en het megaron van de vrouwen, dat eigenlijk niet van de vrouwen was, want die speelden een belangrijke rol in het publieke leven (waarom mogen ze dan geen megaron hebben?) en over
het megaron, dat wel een megaron was, een ontvangzaal van het koninklijk paleis. Dan was er nog een klein megaronnetje en van wie dat was zei niemand, evenmin wat het megaron van de vrouwen, dat niet van de vrouwen was, dan wèl was. O ja, dat was het megaron solo, en het megaron van de vrouwen dan? Dat was daar. Maar zoëven kon er geen megaron van de vrouwen zijn, omdat de vrouwen zo'n grote rol in het publieke leven speelden. Het was geen harem-megaron, maar een ontvangmegaron, of had het misschien nog een andere functie?
Lees maar na en ik las het na en ik ben er nog niet achter of in het megaron, noch in of achter dat van de vrouwen, van de mannen, de solo of de kleine. Voor archeologen krijg ik hoe langer hoe meer eerbied. Die kijken naar een paar fundamenten en halen er meteen een stuk of drie, vier megarons uit, met of zonder vrouwen. Het is ontzaglijk knap en ik zou willen weten, wat de bewoners van Tiryns nog meer deden dan steeds maar ontvangen... Maar dan zet de archeoloog een deskundig gezicht en ik trek mij terug: dat was een domme vraag natuurlijk.
| |
| |
Langs een achterdeurtje, een geheime trap, waarlangs men kon vluchten, als het in de vesting te warm werd (foei, foei, Herakles, wat hoor ik daar?) sluipen we naar beneden, weer tussen de muren. Wij zijn plotseling geen archeologen meer, maar bewoners en we zien deze mannen- en vrouwentrap als een trap, een glibberige trap weliswaar, maar zonder twijfel nuttig en aangenaam, als je bang begint te worden. Het wordt alleen pijnlijk, als je, buitengekomen, bemerkt, dat de burcht omsingeld is en dat de vijanden met gevelde speren gereed staan en ik kijk voor alle zekerheid even om het hoekje, maar de weg is veilig en zodra we eruit zijn is Tiryns weer een platte, nietszeggende heuvel. Op weg naar de auto ontdek ik, dat ik hier voor de gek gehouden ben. Ik kwam om indrukken op te doen van het oude Hellas, maar Mykene en Tiryns behoren daar nauwelijks toe. Mijn Grieken bouwen hun vestingen of tempels of paleizen niet op zulke derderangsplaatsen. Mykene gaat desnoods nog, ofschoon een rechtgeaard Helleen zeker op één van de hoge pyramides een plaats gevonden had, maar Tiryns is een blasphemie. Mooi gezicht op de baai van Nauplia, zei de Griekse gids, maar hij hoort bij de ruïne en weet niets van andere uitzichten. Mijn Korinthe en mijn Athene zijn duizendmaal mooier gelegen en strategisch minstens zo goed.
Mykene en Tiryns vertegenwoordigen een andere tijd en een ander volk: men kan dit niet voldoende beseffen, als men het zelf niet met eigen ogen geconstateerd heeft. De hele Mykene- en Tirynszaal in het Nationaal Museum krijgt een ander aspect: de collectie moest in een ander gebouw ondergebracht worden. Daarachter bevindt zich de Egyptische zaal en hierbij horen ze eerder dan bij Attika. De goudzaal van Mykene doet me plotseling even denken aan de schatten van Lombok in ons Rijksmuseum. Al dat moois is uitheems, de ‘veroveringen’ van een zeemogendheid. Uit Egypte en Kreta, wie weet uit landen nog dieper in Afrika of Azië gelegen.
Deze beide steden liggen zuiver per ongeluk, incidenteel in Hellas, maar ze zijn even Helleens als ik het ben en ik begrijp niet, dat men deze overjaarse vondelingen zo maar heeft geadopteerd. Zij behoren duidelijk tot een andere cultuur en een ander volk. En toch: als men van de ruzies leest, die de grote helden van Troje onder elkaar hadden, dan is het of men midden in de Peloponnesische oorlog zit: een troep hoogst intelligente, misschien heldhaftige en zeker kunstzinnige onruststokers...
Hoofdschuddend rijd ik de nauwe straten van Nauplia binnen, de nauwe straten van een ditmaal vrij moderne vestingstad, waar men met de ruimte moest woekeren. We lopen even langs de haven, kijken van beneden bij het fort Palamidi op, dat je kunt bereiken met een trap van 857 treden, een onfatsoenlijk groot getal, zo groot, dat we niet eens kunnen besluiten de Akronauplia te beklimmen, die maar 85 meter hoog is. Uit de verte zijn deze beide rotsen van Nauplia aanlokkelijk, een heerlijk panorama, enz., enz., maar van dichtbij
| |
| |
wordt de moedigste een kind en geeft er de voorkeur aan een kop thee te drinken en uit te kijken op een rond kasteeltje, dat plompverloren midden in de baai ligt en dat als luxe-hotel is ingericht, nadat het eeuwen lang beulen heeft gehuisvest. Romantisch, maar een beetje ‘waterig’, kaarslicht 's avonds en een bootje 's morgens en verder overgeleverd aan de conversatie van de overige gasten. Het zou me niet verwonderen, als daar nog eens ‘Mykeense drama's’ plaats vonden, alleen iets burgerlijk-bezadigder, dames, die elkaar niet groeten op deze paar vierkante meter en heren, die niet mogen kaarten van hun eega's. In Nauplia kijk ik heel stilletjes Epidauros na zonder dat mijn vriend het ziet. Het is drie uur en midden Mei en Epidauros is maar 29 km, met een auto in een half uur, drie kwartier te bereiken. Je kan nooit weten... We gaan naar huis, zegt onze leider, maar hij zegt wel eens meer wat. Van die megarons bijvoorbeeld. Hij heeft den gids niet goed verstaan en wilde het niet bekennen... We gaan Nauplia uit en zijn onmiddellijk op de verkeerde weg. Hé, zeg ik onschuldig, zoëven reden we toch anders? Plotseling doen twee van ons gemaakt onverschillig: we rijden een eindje om. Helaas staat een paar honderd meter verder een bord: Epi lees ik snel en de rest is bekend. Onze vierde is op archeologisch gebied een kleuter en kijkt alleen maar verwonderd met grote ronde ogen. Ze weet, dat ik in de geographie moeilijk te vangen ben en vraagt dus aan mij, waar wij heengaan. Er kan nog een zijweg komen en ik fluister dus slechts de naam. Als ik misraad heb ik me een al te begerige gast getoond en dat is voor geen van beide partijen prettig. Neem me niet kwalijk: Korinthe, Mykene, Tiryns, mij dunkt, het is genoeg.
Maar wij rijden op het ogenblik in een geheel ander landschap, geen vlakte meer, maar dicht op elkaar staande, hoewel niet zeer hoge bergen. Tweemaal achter elkaar passeren wij een ruïne, die op een heuvel gelegen is, maar ik ontdek geen theater. We maken de ene bocht na de andere en ik zie in de ronde hellingen nu zoveel theaters als ik wil, alleen niet het èchte. Dit laatste komt onverwacht: we bereiken een brede vallei, die bezaaid is met naaldhout, een complete ‘verandering van de scène’, geen enkel huis, doch een groot ruïnenveld, een stadion zelfs en zien dan een aantal grijze halfcirkels achter de bomen schemeren.
Het theater van Epidauros is het eenvoudigste bouwwerk van heel Griekenland. Als een fanatiek mathematicus eens zou willen beweren, dat een bouwwerk, berustend op de simpelste geometrische vormen de meeste indruk maakt, kan hij dit theater als voorbeeld aanhalen. Maar dan komen wij weer met onze proporties en verhoudingen en we kijken door een kokertje, dat we van onze rechterhand maken, maar moeten onmiddellijk bekennen, dat het kokertje hier geen dienst kan doen, omdat men geen afstand kan nemen tot deze alles omvattende cirkels.
De theaters in Griekenland zijn alle goed gelegen en mooi geconstrueerd,
| |
| |
maar dat van Epidauros heeft een speciaal raffinement, namelijk: men is er in of men is er buiten. Bij onze moderne theaterhuizen met deuren en couloirs is dat niets bijzonders, bij een openluchttheater is het uitzondering. Men voelt zich in een openluchttheater, vooral als het leeg is, in de eerste plaats in de lucht en pas in de tweede plaats in een theater. Het bouwwerk is er om de mensen gelegenheid te geven gemakkelijker te zitten dan dit het geval zou zijn als men ze op de berghelling liet plaats nemen. Het zou niet erg comfortabel zijn, maar het zou kunnen. Men zou ook de scène tamelijk hoog kunnen bouwen en de toeschouwers op de vlakke grond laten zitten. Er zijn vele oplossingen, maar ze zijn niet allemaal goed...
Polykleitos de Jongere, de architect van het Epidaurostheater, bouwde de zitplaatsen niet alleen als ‘stoelen voor de toeschouwers’. Er heerst hier een onmiddellijk verband tussen scène en tribune, een contact, dat verhoogd wordt door de ronde steencirkel van de orchestra. Zodra men gaat zitten is men toeschouwer, zodra men de scène betreedt heeft men het gevoel toneel te spelen, zodra men het theater verlaat, bestaat het niet meer.
Zou het gaan regenen, dan verwondert men zich, zozeer is men de ‘open lucht’ kwijt en het landschap achter de scène is décor, een prachtig décor weliswaar, net echt, maar een décor.
Nu bekijken we dit meesterlijke bouwwerk als een modern openluchttheater, maar het is heel anders. De oude Grieken waren gewoon toneelspel in de open lucht te zien. Voor hen was het landschap alleen maar landschap. Het begrip ‘décor’ verbonden met ‘echt’ was hun vreemd, elk décor was echt en onwerkelijk tegelijk.
Als we bedenken, dat tot in de vijfde eeuw het décor nog zeer summier was en er nog geen sprake was van de later zo gecompliceerde toneelbouw, dan zouden we de gevolgtrekking kunnen maken, dat de Grieken het landschap als décor beschouwden en het als het ware in het spel betrokken. Opvallend is immers, dat vrijwel alle theaters in Griekenland een prachtig uitzicht hebben. Anderzijds zou men echter met deze conclusie het wezen van het theater verkeerd interpreteren: de ontwikkeling van het theater is er immers juist op gericht de aandacht van den toeschouwer op een bepaald punt, een bepaalde persoon, een beperkte ruimte te concentreren en de keuze van de ligging kan dan niet bepaald zijn door het ‘uitzicht’, zelfs niet bij de oudste theaters, waar de orchestra het brandpunt van de handeling vormde. Dit ‘uitzicht’ kon immers slechts een verre achtergrond zijn en was niet met de handeling verbonden. De neiging in latere tijden om een hoge toneelbouw op te richten, waardoor het uitzicht behalve voor de toeschouwers van de hoogste rijen geheel werd uitgeschakeld, wijst er ook al niet op, dat men bijzonder belang hechtte aan het landschap, dat men van de rangen af kon zien. In Epidauros, Delphi en andere plaatsen kijken wij overigens nu op de ‘natuur’, maar in de klassieke
| |
| |
tijd breidde zich ‘achter’ het theater van Epidauros een gehele stad uit, terwijl men van het theater van Delphi op de Apollotempel neerkeek.
Het theater was voor den Griek een theater, als er gespeeld werd en een droog cirkelvormig ding, als het leeg was en wij hebben wellicht wat te veel fantasie en wat te weinig verbeeldingskracht. En toch: dit theater vormt onmiskenbaar een eenheid, een eenheid, die zo opvallend is, omdat de rangen een halve cirkel vormen en ons als het ware in één richting drijven. Maar daar ontmoeten onze ogen de scène en de krachten spelen terug en alles, wat tussen toeschouwer en acteurs heen en weer gaat blijft besloten in deze ruimte; gedachten en gevoelens schieten heen en terug als onophoudelijk weerkaatsende ballen en wij blijven gevangen als het licht tussen twee tegenover elkaar geplaatste spiegels.
Het Parthenon en het Epidaurostheater leren ons, wat een tempel en een theater in die tijd vermochten; de tempel trekt de buitenstaander aan en zegt: kom en blijf buiten; het theater houdt den toeschouwer gevangen en zegt: kom en blijf binnen.
Het Parthenon lokt als het Paradijs, doch stoot tevens af als een te hel stralend vuur, het Epidaurostheater houdt u vast in dit leven en zijn tragiek, maar het bewaart ons tevens voor de dood. Zonder poëzie of wat er op lijkt: het Parthenon en dit theater, beide volmaakt (men kan er omheendraaien zoveel men wil, maar men kan niet zeggen: het doet me niets, van geen van beide) hebben in hun uitwerking iets gemeen: de omvatting. De tempel trekt, houdt afstand, en het theater pakt en houdt gevangen, een eenvoudige oplossing en doodnatuurlijk goed beschouwd. Het is alleen gek, dat de tempel-van-Goden-ontdaan nu nog trekt en dat het theater-zonder-spel-of-toeschouwers nog pakt.
Het is niet prettig tegenover het volmaakte te staan. Het volmaakte valt niet te karakteriseren, het heeft geen hokje, waar het in past, het valt steeds uit het kaartsysteem, dat gerangschikt is naar de gulden trappen van vergelijking: goed, beter, best. Het volmaakte irriteert en maakt ons machteloos. Dit is het enige dat men redelijkerwijze het Parthenon of dit theater zou kunnen verwijten.
Gelukkig is het Parthenon niet helemaal volmaakt: ik ben de cementen trommels nog niet vergeten en het theater trekt, maar niet op zijn grootste kracht. Er wordt niet gespeeld... Men concentreert als toeschouwer zijn aandacht op de scène, maar deze wordt niet teruggekaatst, zij verliest zich in de ruimte en vergaat in gemijmer. Men ziet een mooi landschap en een magische ring, maar verder vindt men niets.
Men zou willen gaan fluiten: die toneelspelers zijn natuurlijk weer te laat, maar zo gek is men nog niet, of men weet, dat het niet helpt. Het Epidaurostheater is geen ruïne, zoals het theater van Dionysos. Het is geen ontheiliging hier te spelen, het gehele gebouw vráágt om klank en kleur en beweging, om dramatische gebaren, om het geïnspireerde woord. Men roemt de acoustiek:
| |
| |
waarom nu nog? Voor de enkele toeristen en zangvogels? Nutteloos staat hier dit voorbeeld van theaterbouwkunst, en deze nutteloosheid wordt nog verhoogd, doordat het zo goed bewaard is gebleven. Ik betrap mezelf even op een wanhopige blik in het rond, maar de vallei ligt volkomen verlaten, kilometers van de bewoonde wereld, te ver van elk centrum om het toneel hier te doen herleven. Droeviger dan de meest gehavende ruïne is dit zo volledige, zo ledige bouwwerk, dat slechts eenmaal per jaar tijdens het festival wordt gebruikt.
Op weg naar het museum werp ik nog een blik door de bomen; achter het groen stijgt de steen in grijze kringen op en even voel ik mij beklemd door die donkere schaduw, door dat gevoel van hopeloze eenzaamheid.
Het is een verademing hierna een kijkje te nemen in de hokus-pokuskraam van Asklepios. Deze God was een veel groter heer, dan ik ooit heb vermoed. Zeus komt men tegen, zelfs Hera, en Aphrodite begrijpelijkerwijze al wat meer, Apollo geniet grote populariteit, waarschijnlijk, omdat hij zo goed kon voorspellen, maar Asklepios is letterlijk overal. In Holland heb ik hem nooit au sérieux genomen, maar hier geneest hij me, waar ik kom en of ik wil of niet. De kwakzalver.
Er kan niet ergens een bron zijn of Asklepios gaat er bij zitten, verklaart het water geneeskrachtig, zet een gewichtig gezicht, plaatst een offerbus en meteen rammelen de duiten. Hij en zijn collega Amphiaraos, die de patiënten in hun slaap genas in ruil voor een goud- of zilverstuk, dat men daarna in de heilige bron moest werpen (hoe visten de priesters het er weer uit, vraag ik me af) zijn gewiekster dan alle dure dames van Korinthe.
In Epidauros is hij op zijn best en voortreffelijk ingericht met een groot hotel voor zijn gasten, een stadion, het beroemde theater, een odeion, een bibliotheek, in één woord een compleet herstellingsoord.
In het museum maak ik voor het eerst kennis met de tholos. De tholos is een heerlijk gebouw voor een leek, want hij is gemakkelijk te herkennen en men hoeft er niets van te weten. Ziet men ergens in een ruïnencomplex een cirkelvormig vlak, dan zegt men heel deskundig: tholos en tien tegen één heeft men gelijk. Verder kan men zich de naam van bekwaam archeoloog verwerven door een nieuwe bestemming bij de vele andere te bedenken, hetgeen wil zeggen, dat de geleerden het er niet over eens zijn, met andere woorden: het niet weten.
Ook voor de archeologen is de tholos een prachtige uitvinding. In de eerste plaats door (op grond van diepgaande studie natuurlijk en niet zo te hooi en te gras radend als een leek) de functie van de tholos te bespreken, maar voor heel geraffineerde geleerden is de tholos nog meer welkom: zij bekennen schaamteloos, dat het doel van de tholos onbekend is en suggereren daarmee een grote mate van betrouwbaarheid en vestigen de overtuiging, dat hun overige theorieën onomstotelijk vaststaan. Zoiets als de beroemde ingenieur, die het spoortje
| |
| |
van zijn zoon niet kan maken of de mathematicus, die zich in een optelling vergist. De tholos van Epidauros is daarbij nog een bijzondere tholos, want hij is gebouwd door Polykleitos de Jongere, bouwmeester van het theater en hij kan blijkbaar voor alles gebruikt worden. In de eerste plaats duidt een inscriptie aan, dat deze tholos een altaar is (ik heb eerbied voor het geschreven woord en begrijp niet, waarom men het daar niet bij gelaten heeft), in de tweede plaats zegt een geleerd man, dat er heilige maaltijden gehouden werden, in de derde plaats beweren twee geleerde mannen, dat hier de heilige bron was en in de vierde plaats gelooft een modern geleerde, dat de tholos geen tholos is maar een fundament van een ouder gebouw plus een tholos er boven op.
Dit fundament van de tholos is een merkwaardige constructie: het bestaat uit een aantal concentrische cirkelvormige muren, die op een paar plaatsen doorbroken zijn, zodat de ruimten tussen de muren onderling in verbinding met elkaar staan. Als dat eens een foefje van de priesters was? opper ik tegen mijn vriend. Stel, dat die het praatje rondstrooiden, dat de bron onuitputtelijk was? Zodra men water uit de binnencirkel schepte, zou het aangevuld worden door het onzichtbare reservoir van de buitencirkels. Het niveau van de binnencirkel zou dus zo goed als niet veranderen en in ieder geval veel minder dan men redelijkerwijze moest verwachten. Het lijkt me echt iets voor de priesters van Asklepios om zoiets te bedenken. Een wonderbron, die berust op een vernuftige bouw van de fundamenten met een geheim reservoir. Mijn vriend bromt afwezig: hij houdt niet van zulke speculaties en we bewonderen de reconstructies van de boventholos, waarvan enkele originele stukken in het museum bewaard worden. Ik vind ze niet mooi en ik vind het theater wel mooi en beide zijn van denzelfden man, dus ik vind ze, nu ja, interessant. Onze gids wijst ons op een hoeveelheid inscripties, die verslag geven van wonderbare genezingen en op een gedicht in steen van Isyllos, een plaatselijk dichter (misschien zou men hem nu chef van de propaganda noemen?) ter ere van Asklepios.
We zwerven langs het hotel en het odeion, langs de tempel en de baden en de bibliotheek en komen aan onze tholos. Ik beweer nogmaals, dat het een foefje is van de priesters en mijn vriend fotografeert het geval en één van onze gezellinnen valt van pure nieuwsgierigheid in de heiligheid en wordt er uitgehesen met een geschaafde knie. En dan spelen we zelf Asklepios met een flesje jodiumtinctuur en stappen ten slotte in de wachtende auto na nog snel aan de overkant het stadion beglimpt te hebben.
Op de terugweg zitten we stil naast elkaar, knippend tegen het licht van de ondergaande zon met beduusde gezichten van kinderen, die te veel St. Nicolaascadeautjes hebben gekregen. Mijn vriend voldaan, omdat hij me bij Tiryns te pakken heeft gehad en omdat ik twijfelde en volgens zijn vaste overtuiging nooit aan Epidauros gedacht zou hebben, als ik de naam niet op het bordje
| |
| |
gelezen had. Ik voldaan, omdat ik hem in die waan kan laten en allen voldaan, omdat het zo prettig was.
En als we juist na zonsondergang langs de bergen tussen Korinthe en Megara rijden, alles zilvergrijs in de lucht en alles drijvend en zwevend, dan besef ik, wat deze tocht mij gedaan heeft: ik ben door deze tour-de-force overtuigd Philhelleen geworden.
Het is niet goed om Korinthe, Mykene, Tiryns en Epidauros op één dag te bezoeken en ieder serieus mens zal mij met de vinger nawijzen en zeggen: dat is de man, die het nog sneller dan Cook doet, maar ik kan ieder, die sceptisch staat tegenover ‘die dode brokken steen’ aanraden mijn voorbeeld te volgen. Als dit niet helpt, kan men beter meteen de trein terug nemen. Het is een paardenmiddel, maar wij, niet-klassici voelen ons aanvankelijk als paarden in een porseleinwinkel (vooral bij al die Griekse vazen) en als het tot resultaat heeft, dat men de rest beter bekijkt en misschien nog eens terugkomt, dan doet het er niet toe, of men voor Cook heeft gespeeld.
Als ik aan deze tocht terugdenk, acht ik hem de mooiste van mijn leven en als ik zou moeten zeggen, wat de meeste indruk maakte, dan antwoord ik: Korinthe of Mykene of Tiryns of Epidauros of omgekeerd.
En als ik dan zou moeten schiften, valt Tiryns het eerst weg en dan Mykene en dan met een zucht: Epidauros (zonder theater?) ik twijfel, nu goed: Epidauros en dan blijft Korinthe over, Korinthe, de lachspiegel van mijn vaderland, laf en geldzuchtig en zondig en karakterloos, maar hoe verademend en weids. Ofschoon ik, achteraf, de volgorde toch maar liever verander, doch hoe dat moet gebeuren weet ik niet, want ze zijn alle verschillend en mij alle even lief.
|
|