| |
Aan de nagedachtenis van Lotte en Paul Auerbach
| |
| |
| |
1
Als men geen klassieke opvoeding heeft genoten en de Madeleine in Parijs (om van het gerechtsgebouw te Leeuwarden nog maar niet te spreken) in gepaste zwijgzaamheid heeft gepasseerd, behoort er enige moed toe het besluit te nemen Griekenland te gaan bezoeken. Welwillende vrienden, allen ex-gymnasiasten, juichten het plan toe, hoewel ze er zelf nooit geweest waren (behalve één, die daar ergens zijn hart verloren heeft), mijn eigen gezonde verstand zei: je hebt Ampuries, Tarragona en Nîmes, Arles en Narbonne gezien; voor een man, die eerst zijn encyclopedie moet raadplegen om te weten, wanneer een of andere Romeinse keizer geregeerd heeft, is het niet raadzaam nog verder in de grijze Oudheid, nog meer in Oostelijke richting terug te lopen, in aanmerking genomen, dat het gezicht steeds naar het heden en het Westen gekeerd blijft: een soort kreeftengang dus en bij gevolg onvermijdelijk een averechtse waardering. In de overweging echter, dat Rome weinig te maken heeft met Athene, en dat er in Griekenland misschien ook nog wel wat anders te vinden zou zijn dan halfkapotte zuiltjes, waar men met geleerd gezicht bij moest gaan staan kijken, wellicht onbewust overtuigd, dat de enige manier voor een niet-klassicus om tot de klassieke gedachte te evolueren een bezoek aan het ‘land’ moest zijn, nam ik met van angst toegeknepen ogen mijn kaartje naar Piraeus.
Op de boot was men te beleefd om mij te vertellen, wat men van mijn plan om in Griekenland te gaan wonen dacht: slechts bij stukjes en beetjes werd de arme verdoolde ingelicht. Bij de koffietafel sprak de kapitein een paar gevoelvolle woorden over de luchthartige onbetrouwbaarheid der Grieken en 's avonds, als het schip flink schommelde, bekende mij de stuurman, dat hij de Akropolis eenmaal bezocht had en hard weggelopen was. De volgende ochtend sprak de machinist de hoop uit, dat het niet al te hard zou regenen bij aankomst (het regent daar altijd!), want dat men dan in Athene een voet diep in het slijk van de ongeplaveide straten zonk. We waren nog voor Malta en ik trachtte deze
| |
| |
sombere vooruitzichten te verjagen met de enigszins hoogmoedige gedachte: al ben ik geen klassicus, ik ben toch ook geen zeeman, die de charme van een aanloophaven afmeet naar het aantal en de kwaliteit of de toeschietelijkheid van de leden der schone sexe, die hij op zijn pad ontmoet. Doch het ging niet van harte: de kapitein had zijn vrouw mee op reis en machinist zowel als stuurman maakte een degelijke indruk... en wat meer zegt: ze waren er geweest!
Wij passeerden Zakynthos en Kephallinia en de kapitein riep mij op de brug: heel aardige eilanden en sympathiek volk; die voelen zich ook geen Grieken, die zijn meer Italiaans georiënteerd, maar vannacht slaapt u op de rede van Patras, de eerste stad van uw toekomstig vaderland.
Zijn stem klonk bijna dreigend (zoiets van: jongeman, jongeman, hoe kon je zoiets doen, maar je zult de vruchten van je onberadenheid plukken). Tegen twaalf uur werd ik wakker, doordat de schroef niet meer draaide en in pyama klom ik aan dek. Het was koud, het woei hevig en ik kwam hoestend weer beneden. Patras: zoiets als Rotterdam in de herfst maar dan kleiner, was mijn indruk.
's Ochtends zag het er gelukkig anders uit. Een Frans stadje, tegen de bergen aangebouwd, in de hoogte een soort fort met een horizontaal blauw-wit gestreepte vlag, aan de overkant drijvende bergen en rondom ons verder doodstil, lichtblauw water, als een meer.
Men was reeds aan het lossen, maar we konden toch een uurtje naar de wal. Onder de hoede van des gezagvoerders autoriteit deden we onze eerste schreden en op elke ons onverstaanbare vraag, antwoordde hij voor ons: ‘ávrio’, zoals hij op Malta steeds ‘to-morrow’ en in Gibraltar ‘mañana’ beloofd had. En toen openbaarden zich reeds de symptomen van een ziekte, die men weliswaar in elk land, waarvan men de taal niet spreekt, in meer of mindere mate door moet maken, maar die in Griekenland angstwekkende vormen aanneemt: het opschriften lezen. Brievenbussen en urinoirs, café's en banken, schoenwinkels en apotheken werden tot enige verbazing van min of meer met de taal bekende passanten, als daar zijn: politie-agenten, schoenpoetsers en havenarbeiders, kraaiend gedetermineerd.
Wij kregen ook onze eerste lessen: de kapitein zag een poppetje met rokjes aan, een mannetje in nationaal costuum en vroeg naar de prijs. ‘Tien drachmen,’ zei de verkoper en de kapitein bood vijf. Hij kreeg het poppetje niet. ‘Zie je wel, je moet altijd afdingen,’ verklaarde hij, geheel voldaan.
Intussen begon het al warm te worden en de meer bezadigde leden van ons gezelschap vonden het nodig zich in een café terug te trekken. De aanstaande Grieken wilden meer van de zaak weten en begaven zich langzaam bergopwaarts. Het Franse stadje werd allengs minder Frans of Franser al naar men wil; dat wil zeggen: het werd minder pittoresk en het werd vuiler. Nu bestaat er een zekere code onder welopgevoede toeristen: naarmate een stadje een viezer aan- | |
| |
zien krijgt wordt het interessanter, maar Patras leerde ons, dat er graden van viesheid bestaan, waarbij de neus het oog gaat overheersen. Drogende geitenen lamshuiden, luchtende bedden en naar knoflook stinkende, in schapenvellen gehulde voorbijgangers kunnen samen met modderplassen, scheve lantarens en krakende karren misschien een schilderachtig geheel vormen, maar als er dan nog allerlei ondefinieerbare luchtjes bijkomen, als voorts hier een half afgebouwd huis, daar een bijna afgebroken schutting en verderop een bank in neo-klassiek marmer staat, als de straat dan eens geasfalteerd en even daarna met steengruis bedekt is, als een gloednieuwe, in Byzantijnse stijl opgetrokken kerk alleen maar door middel van een trap, uit hevig vermolmde treden bestaande, bereikt kan worden, als men hier een zwaar opgemaakte dame ziet winkelen en daar een in lompen gehuld individu zich ziet krabben, als men de kippen in hopen krenten ziet scharrelen, die later in je kostelijk krentenbrood komen (en hier liggen ze in de modder) dan vlucht men naar het stuk vaderland, dat nog in de haven ligt te wachten en men denkt aan de kleine, doch zindelijke kooi, aan de biefstuk met gebakken aardappelen en het kopje koffie en dan vraagt men zich af, waar men die infernale neiging vandaan heeft om steeds maar weer opnieuw te gaan reizen. Vader en moeder waren toch nette burgerlieden, waar ook niet dàt op te zeggen viel?
Op weg naar het schip bracht een begrafenis, waarbij het weliswaar zeer plechtig toeging, maar waarbij plotseling bij wijze van apotheose het deksel van de kist genomen werd om de toeschouwers de schrik op het lijf te jagen, een nieuwe schok en toen de schuitenvoerder, nu we niet meer onder bescherming van den kapitein waren, ons voor een afstand, die niet groter is dan de breedte van het Singel een voor onze begrippen te hoog bedrag durfde te vragen, informeerde ik onmiddellijk bij den gezagvoerder, of we onze tocht niet voort konden zetten tot Constantinopel. Dan maar liever naar de Turken, zo was mijn overweging. Liever Turks dan Grieks. Helaas: in Patras was net het bericht binnengekomen, dat in Piraeus een echtpaar onze hut voor de rest van de reis besproken had... We zaten in het schuitje en moesten er af.
De mens is wreed van nature en tijdens de reis om de Peloponnesos (het kanaal van Korinthe was te duur) ontbrak het mij niet aan vriendelijke zeelui, die mij beurtelings wezen op de volkomen boomloze, hopeloos kale kust, die in de brandende zon lag te bakken. ‘Daar ergens op die berg zit u eenzaam genoeg’, hoorde ik achter mijn rug brommen en als ik dan omkeek, klonk het naast me: ‘Geitenborst en wantsen’, waarop ik me verontwaardigd omdraaide en in het vriendelijk lachend gelaat van een officier keek, die me troostte: ‘Ja, maar dit is de Peloponnesos, daar komt u niet: op de eilanden is het altijd frisser, zo fris, dat je het niet waagt met één van die wankele Griekse schuitjes, die altijd slagzij maken, naar de kust terug te varen. Stormen, dat het hier doet!’ Ik had de heren in de golf van Biscaye, terwijl onze magen een buikdans uitvoerden, de- | |
| |
zelfde heren rustig zien schaken en de ene sigaar na de andere zien opsteken; het woord ‘storm’ was niet over hun lippen gekomen en hier praatten ze van orkanen als van dagelijks voorkomende gebeurtenissen. ‘Toch vind ik het altijd leuk om tussen deze eilanden door te varen,’ merkte een ander op. ‘Zolang je er niet een week behoeft te liggen...’
‘Wat dat betreft geen zorg voor de heren toeristen,’ begon er weer een. ‘Minstens ééns in de maand een boot naar Athene. Nachtboten, dus je verliest om zo te zeggen geen tijd, ten minste als je kan slapen te midden van knoflookgeuren en maneschijn.’
‘U weet toch zeker, dat uw kennissen u van de boot komen halen,’ informeerde de kapitein nu ernstig. ‘Als uw vriend vlot Grieks spreekt, bespaart u dat veel moeilijkheden. De douane kan hier anders nog wel eens lastig zijn.’
Intussen stoomden wij het ene kale eiland na het andere voorbij. Ik hoorde bekende klanken, al ben ik dan geen klassicus: Aigina, Salamis. Daar ginds Piraeus.
‘Zorg er voor, dat je van zee uit de Lykabettos niet voor de Akropolis aanziet,’ had mijn vriend me gewaarschuwd en ik hoopte vurig, dat hij de trein naar Amsterdam niet voor die naar Piraeus had aangezien. ‘Ze zullen er wel niet zijn,’ zei ik zo voor me heen. ‘Ze wisten toch al niet, of ze tot zo lang konden blijven.’
‘Klefti, klefti,’ de hofmeester maakte een welsprekend gebaar met zijn handen in de richting van zijn broekzakken. ‘In Piraeus laten ze alleen gloeiend ijzer liggen. In Patras hebben ze al een splinternieuw touw, waarmee ze hun lichter vast moesten leggen, geleend en vergeten terug te geven.’
Ik herinnerde mij het woord kleptomaan en bedacht, dat dit waarschijnlijk niet zonder reden van Griekse afkomst was. Bij wijze van troost greep ik naar een kijker (van een ander) en trachtte de Akropolis te ontdekken, een griezelig laag heuveltje met iets als een vervallen gebouwtje er boven op. Piraeus kwam nader en wij ontmoetten een groezelig stoombootje: ‘Uw pleizierjacht, als u naar de eilanden gaat,’ verklaarde iemand, die begaan was met mijn lot.
‘Huisjes genoeg,’ de kapitein kwam de brug af om mij gerust te stellen. Hij wees op Piraeus. ‘Maar of je daar kunt zwemmen?’ En hij wipte weer naar boven. Inderdaad: huisjes genoeg en rottende citroenen in het water, hier en daar wat plekken olie en een modderige kust....
‘We leggen aan de kade aan,’ werd er aangekondigd, ‘en het schijnt, dat daar uw vrienden zijn. Ik zie ten minste een paar heren en een dame wuiven.’
Gelukkig: na Holland nog eens Holland en nog geen Griekenland. Doch de derde was een Griek, die Hollands sprak, zoals ik nog eens Grieks hoopte te spreken. Met de voortvarendheid van een Noorderling beval hij een hoopje zonderlingen onze koffers op te pakken en weg te slepen, daarna loodste hij ons de trap af, gaf ons de raad ons buitenlands papiergeld bij de douane te decla- | |
| |
reren, maakte daarna ruzie met onze kruiers, pakte een chauffeur bij zijn kraag en zette hem achter het stuurrad van zijn wagen, telde het aantal colli, zei ‘entaxi’, hetgeen niet ‘in de taxi’, maar ‘in orde’ betekende en voor we het wisten zaten we in een hotel te Athene uit te blazen van vermoeienissen, die we niet doorstaan hadden. Beneden in de hall zat onze Griekse vriend bijna te huilen: hij had toch nog tien drachmen betaald, die hij niet had moeten betalen. ‘Die afzetters,’ zo schold hij op zijn landgenoten. Het is kenmerkend voor de Grieken, dat zij den vreemdeling waarschuwen, dat hij in hun vaderland bedrogen zal worden. ‘Ja,’ zei ik. ‘Klefti, klefti,’ en hij keek verwonderd op. Het was mijn eerste bok op Griekse bodem. Quod licet Jovi, non licet bovi (het is wel geen Grieks, maar enfin).
Men heeft mij altijd verteld en gezaghebbende schrijvers hebben er ook steeds voor gewaarschuwd: benader Athene niet van Piraeus uit. Men komt door een chaotisch conglomeraat van fabrieken en huizen van allerlei formaat, schots en scheef door elkaar gebouwd, modern en wit, zonder stijl en vies, groen, blauw, rood en stoffig. Of men nu de trein neemt, eigenlijk een soort metro ofschoon hij slechts het laatste deel onder de grond gaat, of dat men een auto neemt en langs de moderne Syngros-boulevard rijdt, men zet een zuur-zoet gezicht van: dat is nu Athene, nou, nou!
Intussen ziet men de bekende foto's voorbijtrekken, als men een wagen neemt: de Zeus-tempel en de Hadrianus-poort en nogal ver weg (op de kiekjes stond toch altijd de Zeustempel vlak voor de Akropolis!) de beroemdste heuvel van Griekenland, van Europa, van de wereld... Het zal aan de emoties van het douane-onderzoek liggen en de begroeting van oude bekenden, maar... enfin, hij is gelukkig al weg voor ik een pijnlijke opmerking heb kunnen plaatsen, waardoor ik laat blijken dat al dit moois aan mij verspild is.
Het beste is, geloof ik, als het hart al te zeer van verwachting klopt, zijn ogen dicht te knijpen op weg naar het hotel. Een verreisd man is een slechte waarnemer en een taxi een slecht instrument voor het opwekken van de stemming, waarin men zou willen verkeren, als men de belangrijkste cultuurmonumenten van Europa benadert. De spanning is te groot, de monumenten op het eerste gezicht klein, verloren in een stad, die zich over de vlakte en tot op de bergen ordeloos heeft uitgespreid, een stad vol begerige toeristen, temperamentvol verkeer, stof, zon, massale hoeveelheden autobussen en daarenboven verdrinkend in een kakofonie van de vreemdste geluiden.
Zo'n eerste teleurstelling kan gemakkelijk gevolgd worden door een tweede als men in Athene onmiddellijk na een vluchtig herstel op de grootste ‘sensatie’ afholt om zijn naar schoonheid dorstend hart (of ziel of wat men toevallig bij de hand heeft) vol te zuigen, in de niet geheel gerechtvaardigde veronderstelling, dat de bezienswaardigheden eens weg konden lopen.
| |
| |
Het zij verre van mij enige blaam te werpen op geestdriftige lieden, maar men past zodoende de verkeerde methode toe. Men krijgt meteen de volle lading en deze heeft het vereiste effect en dan is men bedorven voor alle volgende sensaties van mindere orde of men is teleurgesteld en dan is men zijn stuur helemaal kwijt.
In Athene pleegt men onmiddellijk de Akropolis te bestijgen en voor het Parthenon te gaan zitten. Dit meesterlijke bouwwerk, dit gedicht in steen, dit enz. enz.... ik weet niet, of men werkelijk wel erg onder de indruk komt, als men zo van het hotel uit, behangen met de gedachten en gevoelens van het dagelijks leven, dit marmerpaleis gaat bekijken. Het is natuurlijk best mogelijk, dat een klassicus er meteen ‘in’ is, een schilder wellicht eveneens, maar een zogenaamd amateur? De auto's stoppen nog een twintigtal meters onder de ingang van de Propylaeën en misschien is de klim naar boven voldoende om ook een ‘gewoon’ mens voor te bereiden op het plechtige ogenblik.... Aan de andere kant is die stijging niet voor iedereen aangenaam en hoe dichterlijk en fijnzinnig de uitlating van Jacques de Lacretelle ook is: ‘Malgré soi, on regarde le sol, comme le faisaient les jeunes hommes et les jeunes filles des Panathénées avant d'accéder aux sanctuaires’, men vraagt zich af, of dit niet geschiedde, omdat men voor die tijd aldoor heeft moeten kijken, waar men zijn voeten neerzette.
Streng geleid door een terzake kundigen gids gingen wij dus eerst het theater van Herodes Atticus bekijken, steeds lichtelijk schuw opkijkend naar het zo vurig begeerde Parthenon, dat op zijn hoog bevel voor ons gesloten bleef als het Heilige der Heiligen voor een stelletje ongelovigen. Het Odeion van den Atheensen weldoener was van binnen niet zo aardig als van buiten en de enkele brokken steen, die hier en daar op de grond verspreid lagen konden ons geen ‘ruïne-sensatie’ verschaffen. Integendeel: wij zagen nu eerst, hoe wij daar op die heuvel beetgenomen zouden zijn, als we hijgend omhoog waren geklommen en haalden onze neus op bij de resten van het Asklepieion. Wat is dat? vroeg ik vol agressiviteit aan mijn vriendelijken gids. De tempel van Asklepios lichtte hij vriendelijk in, waarop ik: Daar is ook niet veel van over. Hij schudde zijn wijze hoofd; hij had het Parthenon en vele andere Griekse tempels reeds vele malen bewonderd en kon zich niet voorstellen, dat ik niets zag, maar weet mijn houding alleen aan het feit, dat ik niet over mijn door hem opgelegde verbanning heen kon komen. Het kwam niet in zijn hoofd op te veronderstellen, dat ik werkelijk niets zag. Een paar muurfundamenten, een stompje zuil, werkelijk niet meer dan een stompje en verder een bron met een heiligenbeeld er in en een paar spelende kinderen. Intussen keek ik nog eens naar boven, waar een aantal toeristen op de muren troonden en mijn blik zwierf wrevelig verder de stenen langs tot daar waar een paar echte zuilen heel gevaarlijk op een rotsplateau balanceerden. Zonder twijfel: die dingen stonden daar toch gek, zo
| |
| |
helemaal in de hoogte en toch niet op dat ding, waar wij nog niet mochten komen.
‘Grappig,’ zei ik, ‘zoals die zuilen daar staan’, maar niemand was enthousiast. Korinthische zuilen van Romeins maaksel, die niets te maken hebben met het monument van Thrasyllos, dat er vlak bij gelegen was, las ik in de gids en ik moest tot mijn schaamte bekennen, dat het eerste, wat mij op Griekse bodem was opgevallen niets met het oude Hellas te maken had.
En toen kwam het Dionysostheater. Het Dionysostheater rees, naarmate ik daalde en hier zag ik voor het eerst mensen. Gelukkig waren we niet afgedaald in het theater van Herodes Atticus, anders had ik ze daar voor het eerst gezien en dan was de oud-Griekse cultuur voor mij verloren geweest, want Herodes Atticus leefde ook al veel te laat voor een aankomend klassicus. Maar nu was het Dionysos en Aischylos en Sophokles en Euripides en Aristophanes en ik vroeg de priester van Dionysos Eleuthereus of hij even op wilde staan en ging op zijn plaats zitten.
Voor mij zag ik de daken van een paar lelijke huizen aan de boulevard van Generaal Condylis, maar die keek ik weg. Rechts achter het toneel stond een fotograaf en verderop naderde een vrolijk gezelschap, doch zij bestonden niet. De toneelvoorstelling was nogal vaag en bestond uit enige brokstukken, die plotseling door mijn herinnering schoten en wat er op de orchestra gebeurde was me ook niet duidelijk, maar naast mij en achter mij zag en hoorde ik gestalten. Zij spraken op gedempte toon. De voorstelling was blijkbaar juist afgelopen.
Ik stond op vóór het applaus weerklonk als dat er geweest is (misschien was de voorstelling slecht) en zwierf naar de artistenuitgang, langs den fotograaf, die mij op dat ogenblik kiekte (tien minuten later had hij als met duivelskunst de foto kant en klaar en bood me deze aan). Daarna achter het toneel om weer terug, voor de scène langs het proskenion van Phaidros met de beelden uit de tijd van Nero (laat of vroeg, Romeins of Grieks, het kon me niet meer schelen, ik vond ze mooi en ze pasten hier), schuin over de orchestra, de trappen op, langs één der rijen, daarna weer naar beneden, naar het toneel nog eens, terug, rechts, links. Dit is één der eerste eigenaardige hebbelijkheden, die men ontwikkelt bij het bezoeken van een Grieks bouwwerk: dit zwijgend, bedaard rondstappen, doelloos schijnbaar, zonder gids, zonder richting, zonder gedachten, met even een gevoel van voldoening, van geluk misschien, als een hondje, dat na lang rond te hebben gezworven en met stenen van deur tot deur gejaagd eindelijk een vriendelijk tehuis heeft gevonden. Natuurlijk is het verbeelding... men loopt rond: daar stroomde water, daar zei men pardon (of iets anders), daar zat misschien de schrijver, de criticus, de... neen, hier waren menselijke spanningen, maar nu zijn ze er niet meer, Goddank.
Een leeg theater heeft altijd iets onaangenaams, zegt men, en dat geldt zeker
| |
| |
voor onze moderne schouwburgen, zelfs voor sommige Griekse theaters, voor het Dionysostheater hindert het niet, men hoort de tram buiten, men voelt het leven van de grote stad om zich heen en dan realiseert men zich plotseling: dit is een theater-ruïne, hier kan niets meer geschieden zonder dat de sfeer bedorven wordt, hier werden eens de beste gedachten der klassieke oudheid uitgesproken op de beste manier en voor de beste toeschouwers, de tijdgenoten, hier mag men niet laten herleven, wat nu eenmaal voorbij is. In het theater van Herodes Atticus zag en hoorde ik later een acteur een paar zangen van de Ilias voordragen in Nieuw-Grieks en begeleid door een harp, hij had een lauwerkrans in zijn haar en de schoolkinderen zaten op de stenen verspreid; het was niet aardig, maar het was nauwelijks belachelijk, in het Dionysostheater was het een blasfemie geweest. Hier ligt menig stuk marmer, ja zelfs menig beeldfragment verstorven op de plaats waar het nu, op dit ogenblik ‘voortdurend’ wordt achtergelaten en het ligt er goed.
Dit alles niettegenstaande de goed geconserveerde zetels, de precieuze betegeling van de orchestra, de beeldengroepen van het proskenion, het witte, helwitte, gewassen marmer, de overvloed van détails, waardoor het geheel zo gemakkelijk gereconstrueerd wordt. Misschien dat men daardoor zo indrukwekkend overtuigd raakt van een onterugvorderbaar verleden?
Men kan hier dromen, lezen, filosoferen, alles doen, wat met de geest verband houdt, men kan er niet meer spelen: het lichaam stoort, het zou spookachtig aandoen als een gedaante in harnas in een Middeleeuws slot of plomp als een dikke vrouw op te hoge hakken.
Het noodlot in de gedaante van mijn vriendelijken gids voerde me van deze subtiele dode naar het levende stiefkind van het oude Athene: het Hephaisteion, vroeger Theseion genaamd.
Vol hoop liet ik mij er heen brengen, hoewel de kennismaking met het Dionysostheater mij al een speciaal ‘oog’ had gegeven. Ik twijfelde... Het Hephaisteion geldt onder ‘kenners’ voor een karakterloos bouwwerk en het merkwaardige is, dat iedereen het op dat punt met iedereen eens is. De een zegt: het gebouw is te gaaf, een tweede: de proporties zijn te correct, een derde: het doet te veel denken aan de beroemde neo-klassieke gebouwen in het overige Europa, waarvan de Madeleine te Parijs zo'n twijfelachtig specimen is, een vierde schuift de onooglijkheid op de ligging en een vijfde op het feit, dat het gediend heeft als kerk van de Engelse Protestanten (of omgekeerd: dat het uiterlijk de Engelse Protestanten aantrok). Het Hephaisteion heeft bovendien nog zijn aardige naam verloren: aan Theseus denkt men steeds met enige achting en met genoegen, Hephaistos was de lelijkerd, die eerst door zijn moeder en later nog eens door zijn vader van de Olympos werd geslingerd. Dat van alle tempels in Griekenland juist die, welke aan dezen misvormde gewijd werd, gaaf moest blijven is een te infame speling van het noodlot en het ware voor het gebouw
| |
| |
beter geweest, dat het zijn fictieve bestemming bewaard had. Nu verwekt deze bijzonderheid slechts een gevoel van wrevel.
Men heeft geen eerbied voor dit dorre geval en het feit dat er een stoffige weg langs mag lopen, bewijst, dat de Grieken er zelf ook zo over denken. Zo verandert de leek-toerist reeds na een bezoek aan één of twee ruïnes: hij ziet liever twee Korinthische zuilen en een vervallen theater dan het enige gebouw in Griekenland, dat hem redelijkerwijze had moeten imponeren. Bij het bezoek aan de zuilengalerij wijst men hem op de verplaatsing die de zuilentrommels hebben ondergaan ten gevolge van een aardbeving en even komt de gedachte op: als de aarde een beetje harder gestoten had? Zouden wij dan niet ach en wee schreeuwen bij de heerlijke puinhopen? Zo ondankbaar is de mens, zo destructief en spaarzaam, zo oorlogszuchtig en pacifistisch...
Zo kan men al doorbordurend op een in een bepaalde richting gedreven gedachte tot allerlei meer of minder belangrijke conclusies komen en dan hoeft het uitgangspunt niet eens altijd juist te zijn. Want de vraag is, of de leek-toerist, die bezig is zich te bekeren, die de ruïnes van Griekenland gaat ‘zien’ in zijn ijver, de ijver van den bekeerling, wel gelijk heeft. Het moge dan waar zijn, dat het Hephaisteion van de grote weg, die er langs loopt niet zo'n geweldige indruk maakt, maar van de nu door de Amerikanen blootgelegde agora gezien, vormt deze tempel een bijna onmisbaar accent boven het toch wel bijzonder kale veld. En wat bedoelt men eigenlijk met proporties, die te ‘correct’ zijn? Wat is ‘te’ gaaf? Geven wij, zo redenerend, niet de voorkeur aan een eigen Athene ‘in gedachten’ boven een door de feiten gesteund beeld?
Benadert men Griekenland op deze wijze, dan slaat men aan het romantiseren. Wie dat wil moet het niet laten, hij kan er veel plezier bij beleven, maar hij moet weten, dat hij bezig is zichzelf te weerspiegelen. Al doet iedereen dat ten opzichte van elk verleden, de een in meerdere, de ander in mindere mate, er zijn grenzen. Of zijn ze er niet en schuilt daarin juist de merkwaardige bekoring van deze magische puinhopen? Dat men zichzelf er in terug vindt, zijn kennis, zijn belangstelling, zijn gevoelens ook? De archeoloog zijn beeld van het Griekse leven, de toerist zijn landschap en zijn zon, de romanticus de ‘ideale’ mensen, de scepticus onze eeuwige zwakheid, de cultuur-historicus de ‘wieg’ van onze beschaving, de theaterliefhebber zijn ‘eerste’ voorstelling, de mens zijn vergankelijkheid en zijn onvergankelijkheid tevens.
Het simpele feit, dat het Hephaisteion gaaf is of te correct, verkeerd of althans niet indrukwekkend staat, rechtzinnig van lijn zou kunnen zijn brengt een bezoeker tot overwegingen, die hem ver verwijderen van zijn dagelijks leven, zijn daagse gedachten. Men kan nuchter constateren, dat de stedebouw der oude Grieken ondanks alles nog wel te wensen overliet en tegelijkertijd hun ongelofelijk inzicht voor het uitzoeken van een plaats voor een tempel waarderen, men kan hun geest bewonderen en tevens schelden op hun eeuwige ru- | |
| |
ziezoekerij, men kan Perikles een naar soort volksmenner vinden en Thukydides een al te somberen profeet, maar men wordt steeds, reagerend of nadenkend gedwongen over de belangrijkste verschijnselen van het leven na te denken, zowel bij een bezoek aan het Hephaisteion als aan het Parthenon, zowel bij het zien van een vestingwal als van een marmeren tempel.
Waar men zich in Athene ook bevindt, steeds kijkt men even naar de Akropolis. Het is alsof elke toerist met onzichtbare draadjes aan deze heuvel verbonden is, draadjes die trekken en die de boodschap overbrengen: Je verknoeit je tijd daar beneden, aanstonds zit je weer in je eigen land en zie je me nooit meer terug en dan zul je er spijt van hebben.
Die eerste dagen van vrijwillige verbanning in Athene keek ik naar de scherp gesneden randen van deze bedevaartplaats met de weemoed van een uitgestotene der gemeenschap.
Intussen besloop ik de Akropolis als een woudloper een vijandelijk Indianenkamp. Het meest irriterende was die scherpe rand, die de heuvel zo vlijmscherp afsneed en het meest verontrustte mij de vraag of zich daarboven nu een zuiver plat vlak uitstrekte of dat er hier en daar bobbeltjes te zien waren. Een ogenblik werd de drang om te weten zo sterk, dat ik het besluit nam om de Lykabettos te beklimmen die kennelijk hoger is, maar de afstand was te groot om iets te kunnen onderscheiden en het werd warm... De luiheid won het van de geestdrift en ik vergenoegde mij met het Moesaion of wel de heuvel van Philopappos. Het Philopappos-monument lijkt van verre gezien op een reusachtige phallos, symbool van de virile kracht der oude helden en ik beklom zijn heuvel onder een verschietende hemel. Hier en daar regende het zachtjes en over de stad trokken de stralenbundels van de zon als hemelse zoeklichten. Onder het stijgen werd de Akropolis groter en tegelijkertijd kleiner, Athene breidde zich uit en kreeg het formaat van een wereldstad, de grauwe kleuren van de huizen verdwenen, de stad werd wit, de bergen diepbruin en de bomen (waarachtig, ik had het nog niet gezien, maar er zijn bomen in Athene, er is zelfs een groot parkcomplex) helgroen. En achter dat alles sloot de Hymettos als een grijze, verweerde borstwering de wereld af.
Van oudsher ben ik een panorama-toerist: er kan zich niet ergens een berg of een toren in mijn buurt vertonen, of ik steven er op af ten einde mijzelf op een afstand van mijn omgeving te plaatsen. Psychologisch kan men daar de onaangenaamste conclusies aan vastknopen: gebrek aan liefde voor de mensheid, exclusiviteit, meer- of minderwaardigheidscomplex, maar op reis heeft het zijn genoeglijke zijde en in Griekenland is dat streven zich te verheffen een hebbelijkheid, die, mits men er met mate aan toegeeft (niet die vreselijk hoge Hymettos of de droge Lykabettos, maar mijn eigen gezellige Moesaion, geen Olympos of Parnassos of Helikon, waar men moet huiveren bij de aanwezigheid
| |
| |
van al de groten der aarde, die daar in den geest verzameld zijn, maar de bescheiden Philopappos, die zich langzaam verheffend met de bodem verbonden blijft, vruchtbaar in de regen en dus niet exclusief of mensenschuw) tot dieper inzicht leidt. Van deze heuvel af ziet men voor het eerst, dat de Akropolis een vesting was, een geduchte sterkte, die haar grimmige muren naar de zee richtte, zij is niet meer de heuvel, die met draadjes trekt, niet de basis van enkele beroemde gebouwen, geen preciosum in watten verpakt, zij is niet mooi of lelijk. Zij is geen ding om te bezichtigen, zij laat zich niet graag bekijken, dat is haar bestemming niet, zij dreigt, zij weert af. Men krijgt neiging haar te gaan beschieten, in navolging van andere barbaren...
Welk een nietswaardig heuveltje is zij, wanneer men haar van zee uit nauwelijks tussen haar grotere zusters onderscheidt, welk een aardig miniatuurtje, juist zo goed passend in het stadsbeeld als men op de hoek van Stadionstraat en Aiolosstraat een hoopje bruin en wit ontwaart, speelgoed voor belangstellende klassici en toeristen, hoe trots en ongenaakbaar, hoe mannelijk trots, hoe vrouwelijk ongenaakbaar is zij in het oog van Philopappos, den van het leven genietenden ouden Griek, die eigenlijk eerder Syriër en Romein was.
Zo klim ik, verre van stil genietend met gestadig draaiend hoofd en kraaiende stem de heuvel van den ouden dichter op en het is mij zelfs niet gegeven mijn toch niet te hoog gestelde aspiraties ten volle te bevredigen (waaruit men weer ziet, dat het in de menselijke natuur ligt steeds meer te willen dan men doen kan), want plotseling sta ik voor een hek van prikkeldraad... ik ben verkeerd begonnen (en had misschien beter een ander gezelschap dan dat van een dichter kunnen zoeken?) Achteraf is het niet zo erg: dit bergje is nog tien meter lager dan de Akropolis en ik had dus toch niet op het wel of niet gewelfde vlak kunnen kijken. Afdalend kom ik per ongeluk langs een stuk rotswand, waarin een paar gaten gehouwen zijn, afgesloten met ijzeren hekken en ik herken de zg. gevangenis van Sokrates. Enige Griekse toeristen (die zijn er blijkbaar ook, het doet mijn hart goed) kijken niet zonder schroom naar binnen en geven onverstaanbare commentaren. Ik dank de hemel, dat ik niet weet wat ‘interessant’ in het Grieks is. Die arme Sokrates! Dat hij niet in zo'n cachotje gezeten heeft; als iemand recht had op een tastbaar blijk van onsterfelijkheid, was hij het. Met dat al is dit de enige ‘curiositeit’ in het antieke Griekenland en men wordt in alle gidsen er voor gewaarschuwd, dat zij het niet is.
Nog even naar het Dionysostheater, eenvoudig onbeleefd om niet naar binnen te gaan, als men er voorbij komt. Zo denkt een bakkersjongen er ook over. Hij stapt voor ons uit met twee ronde broden onder zijn armen en gaat een ogenblik op een van de zetels zitten. Hij kijkt wat rond en verdwijnt met zijn geestelijk voedsel, terwijl hij de overigens onmisbare maagvulling stevig tegen zijn lichaam klemt, want de stenen zijn wat glibberig.
Dit is één der raadselen in de mentaliteit van het Griekse volk: een zanger ver- | |
| |
telt mij op de dag van aankomst meteen, dat hij nog nooit op de Akropolis geweest is, hij schaamt zich niet, hij is er niet trots op, hij is er alleen maar nog nooit geweest, een violist gaat een paar dagen later met mij wandelen en brengt mij naar het moderne stadion (mijn vriend had mij al gewaarschuwd: als een Griek je de stad laat zien begint hij bij het Stadion). ‘Mooi,’ zegt hij voldaan (hij spreekt Hollands, want hij woonde vier jaar in Amsterdam, waar hij veel fietste, naar hij me glimlachend meedeelt: zijn fiets moet nu nog op het Rembrandtplein staan), ‘heel mooi, alles marmer, Penthelikon.’ Wij passeren de Ilissos, een miezerig, ja wat? riviertje, beekje, ik zou het gootje willen noemen. Veel water, is zijn ironisch commentaar. Natuurlijk: de intellectuelen kennen hun oudheden en zij weten wat zij waard zijn, men kan met hen spreken over allerlei ingewikkelde cultuur-historische stromingen, of dit beeld tot die periode behoort of men aan dat reliëf geknoeid heeft, maar het volk? In Spanje behoeft men slechts met een scheef oog naar een of ander aardig huis, een kleurige baai, een stijlvol gebouw te kijken of men hoort meteen achter zich: ‘Bonito, muy bonito’ en onmiddellijk krijgt men het aanbod door den enthousiasten vaderlander rondgeleid te worden, die rustig een deel van zijn arbeidsdag voor u opoffert. In Griekenland merkt men weinig van dit enthousiasme voor de schoonheid van het verleden. ‘Prágmata archjéa’, oude voorwerpen, dat zijn van die dingen, waar de vreemdelingen zo dol op zijn, ze zijn, nu ja, ze brengen geld in het land... En toch: zo nu en dan ziet men een jongen of een vrouw of zelfs een familie even van de rechte weg afwijken om een ogenblik in een theater te verwijlen, met de hand langs een zuil te strijken, men ontmoet Grieken op de Aphaia-tempel van
Aigina, die toch niet bepaald langs de grote weg ligt, maar men weet niet of zij daar komen, omdat men er zo prettig kan picniccen of omdat er een ‘oud ding’ staat.
Eén ding is zeker: de klassieke monumenten worden met rust gelaten, zowel door de overheid als door het volk, hetzij uit onverschilligheid, hetzij uit piëteit. De hekken van het Hephaisteion en de Zeustempel zijn de enige storende elementen, welke de mens van heden aanbracht om zijn aanwezigheid te demonstreren. In onze West-Europese landen werkt men gaarne met nette paadjes, geschoren grasrandjes, wit geschilderde hekjes, tentjes met koffie, thee en limonade, entrée-hekken en geüniformeerde wachters om het geheel een ‘verzorgd’ aanzien te geven. In Griekenland bestaan zulke storende verfraaiingen niet. Het naastbijzijnde café is op een flinke afstand van de ruïnes gelegen of het bestaat uit een oud boerenhuis in de nabijheid, waar niets aan veranderd is, behalve dat in de voormalige geitenstal nu flesjes limonade zijn opgeborgen. Komt er een toerist, dan zet men gauw een tafeltje buiten en zodra de klant verdwijnt, gaat het tafeltje weer naar binnen.
Een stuk marmer is geen stuk porselein en iedereen klimt over de puinhopen, zoals hem dat het beste past. Men rekent op beschaafd bezoek en niet op
| |
| |
vandalen of wel... men rekent helemaal niet? Het kan ons weinig schelen: voorlopig mag men tevreden zijn met dit gebrek aan zin voor exploitatie en de Goden mogen ons sparen voor al te grote bemoeizucht van de Staat. Ik kan mij niet voorstellen, dat een ambtenaar niet snel de charme van deze onbedorven ruïnecomplexen zou kunnen wegregelen.
Het hek van de Zeustempel is overigens onopvallend en heeft de tempel geenszins ‘bedorven’, daarvoor staat het te ver weg, daarvoor zijn de zuilen te kolossaal, is de vlakte te uitgestrekt, zijn de verhoudingen te groots. Ik weet mij te herinneren, dat ik over een laag muurtje klom, waar een cafétje met verveloze stoeltjes verzonk tussen het groen en van daaruit keek ik over het enorme veld met de enorme hoog oprijzende pilaren. Bruin zijn deze pilaren, van een onbeschrijfelijk teer en toch krachtig bruin, niet verweerd bruin, niet verroest bruin, bruin van in zon gebakken steen, zacht gebakken, het goudbruin misschien van een op de Olympos gebakken pannekoek, maar dan geen meel, doch steen. Ik weet niet of het zo wel goed is en zulke beschrijverij is ook dikwijls een onaangenaam surrogaat. Het doel is toch de werkelijkheid of althans de werkelijkheid, zoals die zich in mij manifesteerde nabij te komen, maar onwillekeurig tracht men met woorden, met een weinig ‘poëzie’ goed te maken wat men in zuivere beeldingskracht te kort schiet. Ik geef het iemand te doen een ander, die nog nooit het bruin van de Zeustempelzuilen gezien heeft precies te vertellen, hoe dat bruin is. Het is helemaal geen bruin, want wij vergeten het groen er om heen, de cypressen, weliswaar op tamelijk grote afstand. Bovendien is het geel... Het Olympieion wordt in de reisgidsen niet eerlijk behandeld. De vierde en vijfde eeuw voor Christus had tot voor kort in het oog der deskundigen slechts betekenis, daarom kon men zich hier van het Olympieion afmaken. Hadden die twaalf kolommen maar eens ergens anders gestaan! Het is niet netjes met getallen te werken (ten eerste niet, als men zelf niets gemeten heeft en ten tweede, omdat de kwaliteit van een gebouw niet bepaald wordt naar zijn afmetingen), maar voor deze ene keer kan ik niet nalaten een vergelijking te maken: de zuilen van het Parthenon zijn 10,43 M. hoog, die van het Olympieion 17,25 M!
Daarentegen bedraagt de diameter van de eerste aan de voet 1,90 M. en aan de top 1,48 M. Bij het Olympieion zijn deze afmetingen resp. 1,70 M. en 1,49 M. Het terras van de tempel, de stylobaat, meet bij het Parthenon 69,51 M. bij 30,86 M., bij het Olympieion 107,75 M. bij 41,10 M.! Het Parthenon heeft 46 zuilen, het Olympieion 104 welgeteld (dat wil zeggen: lang geleden).
Deze maten maken toch indruk: de zuilen zijn bijna tweemaal zo lang en bijna niets dikker, dus oneindig veel slanker. Het geheel is een Godenpaleis vergeleken met de nederige stulp op de Akropolis. En men kan zeggen wat men wil: staat men als eenvoudig sterveling onder de dertien kolossen, die zich op de ene hoek hebben gehandhaafd, dan voelt men zich een klein mannetje in de nabijheid van Zeus, terwijl het Parthenon... doch daarover later. De vergelij- | |
| |
king mag niet al te ver gaan: veel hebben de beide tempels niet gemeen, alleen staan ze nu eenmaal in elkaars gezicht en dan zou men het Parthenon het volmaakte, zelfbewuste, nog geen Godenschemering vermoedende in steen uitgebeelde lichaam van de Godin zelve kunnen noemen, terwijl het Olympieion, een krampachtige, doch hoe heroïsche poging van de mensheid was om een ondermijnd geloof voor het laatst tot zijn meest grootse uitdrukking te brengen. Titus Livius schreef: ‘De tempel van den Olympischen Jupiter te Athene is de enige ter wereld, welke geconcipieerd is op een niveau, dat in juiste verhouding staat tot de majesteit der Godheid.’ Hij wist niet wat komen zou en zag dus slechts het volmaakte. Wij kunnen althans in dit geval twee volmaakten zien: dat van de innerlijke, in zich bezonken vrede en dat van de laatste strijd, het Parthenon en het Olympieion, de Baroktempel der Oudheid.
Doch misschien is dit alles slechts ‘hineininterpretieren’; ongetwijfeld zou men door kunnen gaan met deze schone gedachte: zoals de Romaanse stijl geheel vervuld is van de Christelijke gedachte... en de Gothiek reeds in haar fiere devotie het Protestantisme ziet naderen.
Hoe dit zij, wij laten het Olympieion niet in de steek. Als één groep zuilen voor altijd in ons hoofd zal spoken, dan is het deze galerij van afgedankte koningen, zelfs niet meer bespot, doch genegeerd door het gemene volk, maar nog steeds rechtopstaand en zich statig verheffend boven de brede vlakte.
De boog van Hadrianus, die toevallig in de buurt van het Olympieion is verzeild geraakt en volkomen dwaas in het stadsbeeld staat en verder ook op zichzelf van elke eigenschap, die een zich respecterend stenen gevaarte kan hebben, ontbloot is, brengt ons in een sfeer van rommelige gezelligheid en op zo'n ogenblik kan men de ‘Toren der winden’ gaan bezoeken.
Ik heb me van die toren altijd veel voorgesteld, als ik de plaatjes van Athene bekeek. Hier had je nu eens een echt gebouw, geen grapjes met Goden, waar niemand meer aan gelooft, niets of bijna niets kapot en met een aantal reliëfs, waar je tenminste wat aan kon zien, reliëfs, waarvan de betekenis niet onzeker was, winden, gesymboliseerde winden, kan het mooier, en dan daar binnen een wateruurwerk, contact, onmiddellijk, menselijk contact met de antieke wereld, wel, wel, die archeologen hebben natuurlijk geen gezicht op dingen, die een normaal mens interesseren. Als ik ooit in Athene kom ga ik de Toren der Winden ontdekken en dan zullen ze weten, dat ze tot nu toe met hun neus hebben gekeken.
Mijn onvolprezen gids deed een beetje neerbuigend over deze toren, het was wat ver en dat konden we wel zonder zijn geleide zien en hij was er niet zo dol op, maar ik had het toverwoord horen vallen en voor mij woei de wind nog maar uit één richting.
We passeerden de bibliotheek van Hadrianus, die wel aardig was volgens mijn geleider. Ik zag alleen een blinde muur van grote stenen en liet me niet van
| |
| |
het rechte pad afleiden. Nooit van gehoord, bromde ik zachtjes (je kan niet te voorzichtig zijn met zo'n klassicus, aanstonds begint hij te preken) en hij schikte zich in het onvermijdelijke en klom verder naar boven, zuchtend... Tja, de toren, het torentje, het huisje was wat klein, twaalf meter hoog lees ik nu, maar ik schatte het op een goede verdieping van een onzer étagewoningen in Plan Zuid, een hokje eigenlijk, een muizenval. Van binnen was er niet veel te zien toen we door het hek naar binnen gluurden. Daar kwam het water vandaan, legde mijn gids uit, maar ik keek niet eens meer. De reliëfs, ach, waarom zou ik op de reliëfs gaan schelden: ze hebben me niets gedaan en ze zijn niet slechter dan andere reliëfs, ze doen geen kwaad... dat wil zeggen: eerlijk gezegd heb ik ze niet goed bekeken.
We liepen de Romeinse agora op met zuilen van blauw stoepmarmer en ik zag daar voor het eerst van mijn leven een echte sarcophaag, zo maar tussen de ruïnes. Zonder mij te realiseren, hoe dat ding op de markt verzeild kwam, stevende ik er op af met de geestdrift van een beginneling. ‘Aardig,’ zei ik, maar het kwam er zo kritiekloos uit, dat het een uitroep van bewondering leek. Een brede glimlach plooide zich om het gladde hoofd van mijn metgezel: ruwe Romeinse arbeid, in het museum zul je daar betere exemplaren van zien en dan zie je wel langzamerhand het onderscheid. Hij lachte tot in zijn speknek en ik bloosde. Al had ik dan een paar kleinigheden gezien zonder bepaald een stompzinnige opmerking te maken: ik was toch nog geen... vult u maar in, ik was wèl een leek en een leek en een leek.
Ik trachtte mij niet te verdedigen: hoe minder over deze misstap gesproken werd, hoe beter en ik vervloekte in het onaangename gevoel betrapt te zijn geheel onrechtvaardig alle torens en alle winden. Ik had hier toch ièts mooi te vinden! Maar ik zag niets en wij liepen door de nauwe straatjes terug naar het hotel, ons verwonderend over de vele cafétjes, die stampvol met mannen zaten. Ze maakten geen erg goede zaken, die cafétjes, want nergens zag men een consumptie en eens zagen we een kellner een tafel van minstens twaalf hevig discussiërende heren bedienen, een dienblad torsend met één zegge en schrijve één onnozel taartje en twaalf glazen water. En water is gratis in Griekenland... Ongeveer een week later daalde ik van de Akropolis komend even na zonsondergang in deze wijk af. Het indirecte licht van de hemel verhelderde de kleuren en ik ontdekte een aardig kerkje met ronde koepeltjes van rode dakpannen, ik liep langs de poort van Athena Archegetis, waar de jongens over de stenen krijgertje speelden, mat okergeel die poort en zeker het mooiste deel van de hele Agora (niemand van ons had het de moeite waard gevonden om er heen te gaan, mijn klassicus had naar zijn zin al veel te veel gelopen), langs een onzegbaar stoffig weggetje sloffend kon ik over een laag muurtje in de bibliotheek van Hadrianus kijken, waar twee zuilen liefelijk en vredig tussen het groen stonden, er was een sfeer, als bij ons in de lente...
| |
| |
In Griekenland heeft men deze lente elke dag. Men begint immers in de zomer eerst na zonsondergang te leven.
Waarmee ik maar wil zeggen, dat men in zijn enthousiasme te ver kan gaan en geen agora's moet bezoeken op het heetst van de middag en beter kan letten op de tegenzin van luie vrienden. Men bederft het zo licht voor later en schrijft dan lelijk over dingen, die op een ander tijdstip bekeken moeten worden. Zelfs de Toren der Winden stond wel aardig tussen het groen...
Ik ken iemand, die vroeger bij alles wat hij mooi vond, zijn bewondering uitdrukte met de woorden: prachtig en prachtig. Men kan verder gaan en vermenigvuldigen: prachtig maal prachtig, machtsverheffing: prachtig tot de prachtigste.
Het is ondoenlijk aan het bewonderingskoor, dat de lof van het Parthenon zingt, ook maar één stemmetje toe te voegen, dat dit supreem volksgezang op enigerlei wijze zou kunnen aanvullen of verbeteren. Bij het eerste bezoek aan de Akropolis pijnigt men vergeefs zijn hersenen af om iets te zeggen, dat niet onmiddellijk als gemeenplaats klinkt, men zwijgt dus maar liever. Maar op een gegeven moment moet men er aan geloven: de neiging een verklaring te vinden, waarom dat hoopje kapotte zuilen zulk een indruk maakt neemt de overhand en men slaat ijverig aan het analyseren (intussen stiekem in de gids kijkend, niemand mag het weten, maar misschien staat daar wel in alle onschuld de oplossing van het raadsel).
Allereerst spreekt men van proporties. Ik heb meer van die dooddoeners gehoord. Het paleis op de Dam, zei mijn vader altijd, heeft zulke uitstekende proporties en dan ging hij voor de schutting staan, die er nu niet meer is, U herinnert zich misschien nog wel, de schutting van het Damplantsoen, maakte van zijn rechterhand een kokertje om door te kijken en dan keek ik mee. Ik vond het Paleis maar matig en ik vind het nog matig, niettegenstaande alle proporties, die het mag hebben, maar ik geef toe, dat dit de schuld van mijn vader is.
Nu zijn er aan het Parthenon meer proporties dan alleen lengte, breedte en hoogte: we hebben nog de hoogte van de basis, de dikte en hoogte van de zuilen, de architraaf, het fries, hoogte, breedte, dikte, hoogte breedte dikte, diagonaal, wat u maar wilt. Alles is in orde bij het Parthenon, alles is heel goed in orde, neem ik aan, maar ik vraag mij af: als dàt nu eens niet in orde was? Dan zou het Parthenon geen mooi gebouw zijn. De conditio sine qua non van een mooi gebouw is, dat de proporties goed zijn. Er zijn meer mooie gebouwen op de wereld, maar het zijn niet allemaal Parthenons, ergo, het kunnen niet alleen de proporties zijn. Natuurlijk kan men zeggen: dit zijn bijzondere, dit zijn de volmaakte proporties. U zegt het en ik kan het niet ontkennen, maar waar haalt u die wijsheid vandaan? Er bestaat zoiets als harmonische eenheid in elk kunst- | |
| |
werk, rhythme en klank in een gedicht, compositie en kleur in een schilderij, woord en gebaar in een toneelstuk, om nu maar bij twee eigenschappen te blijven (ik heb er geen bezwaar tegen, dat een ander er nog een paar bijvoegt), maar ik draai weer terug: conditio sine qua non. Harmonische eenheid, het conglomeraat van veelheden, dat op elegante wijze plotseling een eigen gestalte aanneemt, deze karakteristiek onderscheidt de kunstwerken niet, maar gooit ze allemaal op een hoop. Een hoop, die door 90% van de mensheid met minachting en soms met enige vrees of ook dikwijls met onverschilligheid wordt behandeld en die door 10% (de Griekse lucht maakt blijkbaar optimistisch) als het zout der aarde wordt beschouwd.
Dan hebben wij de beroemde curvatuur: de zuilen, die een tikje naar binnen staan, de stylobaat, die een lichte kromming vertoont, bouwkundige fijnheden (het gaat om centimeters), die het Parthenon wel onderscheiden van zijn soortgenoten. Het is met die curvatuur een raar geval. Zij is er ongetwijfeld, maar om te beoordelen, welke indruk ze maakt, zou ik een levensgroot model van het Parthenon moeten hebben, precies gecopieerd, zoals het reilt en zeilt en dat zou ik dan onder dezelfde omstandigheden niet ver van het origineel willen laten opstellen. Ik denk, dat de meningen zouden verschillen: de een zou het zien en de ander niet. Ik wil niet eigenwijs zijn en de curvatuur gaarne aan de creditzijde van de rekening met het hoofd Parthenon boeken (ik zou trouwens niet weten, wat er aan de debetzijde zou moeten staan), maar ik doe dat op gezag van deskundigen. Dit is geen aangename bezigheid als men zoekt naar een eigen oordeel, ten slotte is bouwkunst nog geen hogere wiskunde. Een slimmerd heeft beweerd, dat die curvatuur gemaakt is om het aflopen van het water te vergemakkelijken; voor mij legt dat geen gewicht in de schaal. Er zijn duizenden voorbeelden te vinden, dat juist practische voorzorgsmaatregelen de schoonheid van een gebouw hebben verhoogd. Ik weet alleen niet, of de curvatuur het nu wel juist is, dat is het griezelige.
Het materiaal: Penthelisch marmer. Deze vakuitdrukking zegt mij niets meer, sedert ik in Athene bij elke voetstap over het Penthelisch marmer struikel. Het Hephaisteion is vrijwel geheel van Penthelisch marmer en het Olympieion om nu maar bij de tempels te blijven en elk gebouw heeft een andere kleur, een andere ‘huid’. Eerlijk gezegd kijk ik het zo goed als nooit na wat voor soort marmer is gebruikt. Elke huid van deze ruïnes is anders en ik ken geen enkele, die lelijk is.
De ligging is prachtig, zonder twijfel; men waardeert die het meest bij het eerste bezoek en als men voor Athene nog niets anders van Griekenland gezien heeft. Het gezicht op de stad, de Hymettos nu dreigend en niet beschermend, de zee (Athene ligt niet aan zee, het is een ontdekking, waar men niet gauw over heen komt!), de slome massa van Salamis en de flauwe, doch spitse punt van Aigina, de Lykabettos (ik heb iets tegen die berg, maar dat komt misschien, omdat ik
| |
| |
te lui geweest ben om er op te klimmen) en dan mijn kleine Moesaion... De loodrechte kanten, men kan zich een God voelen, als er niet te veel bezoekers zijn en er is altijd wel een plekje te vinden, waar men zich kan isoleren, het licht, het onvolprezen licht van Attika (er wordt veel over dat licht geschreven, dat het helder is, helderder dan ergens anders en toch de kleur tot haar recht doet komen en sommige schrijvers worden dan helemaal wild en praten van doorzichtig en tastbaar, men wordt dan als dichter gauw hysterisch, omdat men zo erg graag zou willen pakken wat ongrijpbaar is), en dan de associaties, men heeft toch wel iets gelezen van de klassieken, al was het dan in een vertaling, men heeft een vaag idee en een welomschreven eerbied, waarachtig, de spotters kunnen wegblijven, niemand heeft ze gevraagd naar Griekenland te komen, maar goed, wij hadden het over de ligging.
Ik wil het nu al vast verklappen: de ligging is mooi, heel mooi, maar zij is geen openbaring, zoals bij sommige andere klassieke plaatsen in Griekenland. Op het bovenvlak van de Akropolis zelf (het is niet recht afgesneden als het snijvlak van een Edammer, maar rond en scheef als een flauw gebogen eierschaal) staat het op de beste, de hoogste plaats en het domineert ontegenzeglijk het gehele complex, de Akropolis zelf is wellicht de meest geschikte heuvel van Athene en zo ligt het Parthenon misschien op de mooiste plek van de stad, maar er zijn meer tempels in Griekenland... Men kan zeer tevreden zijn met de ligging van het Parthenon, maar dan moet men geen ander Grieks landschap in zijn hoofd hebben. Als ruïne heeft het Parthenon zijn goede en slechte eigenschappen: dat hangt van de beschouwingswijze af. Eén van mijn kennissen, een verwoed Philhelleen, wees mij op de cementen trommels, die gebruikt waren bij de restauratie van een aantal zuilen. Kijk, zei hij, dat is nu zo goed gezien van de Grieken. Als ze restaureren, doen ze het in een ander materiaal, zo zichtbaar, dat iedereen meteen kan zien, wat echt en wat niet echt is. Dat verdoezelen van de werkelijke staat van zaken is mij een gruwel. Het Parthenon kan andere restaurateurs ten voorbeeld gesteld worden. Ik knikte instemmend.
Een ander, verwoed aestheet: kijk, zei hij, dat is nu die vervloekte stompzinnigheid van de Grieken. In plaats van de ruïnes in hun oorspronkelijke vorm als ruïnes zo goed mogelijk te conserveren, hebben ze er een schoolmodel van willen maken en de zaak weer door middel van die afschuwelijke cementen trommels voor een deel overeind gezet. De lijn van zo'n zuil is voor altijd bedorven, om maar niet te spreken van het gebrek aan smaak om cement tussen marmer te lassen, en oud tussen nieuw.
De Philhelleen had het eerst tot mijn hart gesproken en ik verdedigde dus den afwezige. Kijk, zei ik van de weeromstuit, op die manier kom je tot rare consequenties. Als er nu eens een aardbeving zou komen, waarbij een deel van het gebouw, dat nu nog zonder restauratie geheel intact is, zou instorten, wil je de archeologen het recht ontnemen om de stukken bij elkaar te rapen en de oude
| |
| |
toestand weer te herstellen? Je ziet, ik kom je halverwege tegemoet, geen cementen trommels, maar dan stuit ik op een nieuwe moeilijkheid. Bij het Olympieion en op verschillende andere plaatsen liggen volledige zuilen, met de trommels als sneetjes koek netjes naast elkaar op de grond. Zo'n zuil mag je niet overeind zetten?
Neen, zei hij beslist, als de zuil door natuurlijke oorzaken gevallen is, moeten de kanten van de trommels beschadigd zijn en dan is de oorspronkelijke lijn voor altijd weg. Beter een mooi liggend lijk dan een rechtopstaande invalide. Bij talloze zuilen is de oorspronkelijke lijn onherroepelijk beschadigd door weersinvloeden, enfin, door allerlei oorzaken en die zou je dan ook maar beter omver kunnen halen, sprak ik, op die manier blijft er niet veel staan.
De beschadiging aan een staande zuil is heel anders dan die aan een, welke gevallen en weer opgericht is, antwoordde hij kortaf, maar hij had mij al opgegeven, als behorende tot de categorie ‘schoolmeesters’.
Wij staan hier voor een pijnlijk probleem. Het Parthenon zou het Parthenon niet zijn, als men het niet gerestaureerd had. Er zou zo weinig zijn, dat de beroemde ‘proporties’ in ieder geval in gevaar zouden komen. Het aantal geheel of gedeeltelijk uit cement bestaande trommels is lang niet gering, afgezien nog van de verbeteringen aan architraaf en aan de kapitelen. Een archeoloog, een architect, een klassicus zou de ontbrekende delen er bij kunnen denken, een leek, die zo van de trein of de boot komt, hij mag dan nog zoveel foto's gezien hebben en duizendmaal hebben gelezen dat hij voor het bouwwerk der bouwwerken komt te staan, moet, als hij nog een greintje eigen oordeel over heeft, zeggen: het kan de moeite waard zijn, maar mij doen die brokstukken niets. Hij zou zich omkeren en als hij een consequent man was met de volgende trein of boot teruggaan.
Het Parthenon speelt in psychologisch opzicht een geweldige rol in de verandering, die men ondergaat tijdens zijn verblijf in Griekenland: van belangstellend, doch steeds op zijn hoede blijvend toerist (ik wil het graag mooi vinden, maar ik laat me geen knollen voor citroenen verkopen) tot niet bepaald kritiekloos, doch oprecht Philhelleen.
Het is een kruising tussen een goed geconserveerd mooi gebouw en een romantische, voorlopig weinig zeggende ruïne. Als men het verlaat na het eerste bezoek, denkt men onwillekeurig: het is niet zo prachtig tot de prachtigste macht als men mij heeft willen doen geloven, maar ik vermoed, dat het aan mij ligt, ik moet het meer zien en ik moet meer van deze dingen zien. Het Parthenon heeft de functie van de plaatjes, die buiten een bioscoop hangen en waaraan men beoordeelt of men naar binnen zal gaan. Het kan tegenvallen, maar er bestaat redelijke kans, dat men niet teleurgesteld wordt.
Heeft men eenmaal andere ‘heilige’ plaatsen bezocht, dan is de steun van het Parthenon, zoals het in zijn tegenwoordige vorm is, niet meer nodig en dan zou
| |
| |
men wensen, dat men alle beschadigingen van aardbevingen ten spijt het zo goed mogelijk in de staat, waartoe het nu eenmaal vervallen was, gehouden had. Men is dan ‘ingewijd’ of ‘overtuigd’ of wat anders, één zuil, één mooie of, nu ja, één zuil is voldoende, men bouwt niet bepaald op, men ziet niet direct iets ‘voor zijn geestesoog voorbijtrekken’, maar men is tevreden met dat wat er is. Maar voor de eerste stoot is het Parthenon onmisbaar, d.w.z. het Parthenon, zoals het nu is, met zijn cementen trommels, die werkelijk foeilelijk zijn. Een schoolmodel, toegegeven, maar hoe geraffineerd geconstrueerd van hetgeen is en hetgeen moest zijn. Men zal zich misschien afvragen: maar het goed geconserveerde Hephaisteion dan en de sublieme ruïne van het Olympieion, zouden die niet desnoods in samenwerking met het niet-gerestaureerde Parthenon dezelfde functie kunnen vervullen? Ik weet het niet, ik twijfel er aan en in ieder geval: het Parthenon is gerestaureerd. Zulke vragen, waarop geen antwoord kan volgen, leert men af in Griekenland. Dat is getheoretiseer. Hier is het zo... of niet natuurlijk.
Men kan nu wel met veel vertoon van gewicht iets, dat reeds eindeloos herhaald is met een nieuw vernisje nog eens aan de man brengen (de gulden uitspraak ‘papier is geduldig’ is nergens zozeer van toepassing als bij het theoretiseren over kunst), het grote woord moet er uit: het Parthenon heeft op mij een grote indruk gemaakt en ik weet niet waaraan dat ligt, ik weet misschien zelfs niet of ik mij niet heb laten intimideren en in de rij van lieden, die zich een oordeel over dit bouwwerk hebben aangematigd en zullen aanmatigen, prijk ik met een nul. Het troost mij, dat ik de enige niet ben...
Voor het Parthenon ben ik gezakt en ik kan geen nieuw gezichtspunt leveren, misschien als ik na jaren er nog eens terugkom, misschien over een paar weken, maar dan moet het mij aanwaaien, ik ga er niet ijverig naar zoeken.
Een van de opmerkingen, die men ten aanzien van de gebouwen op de Akropolis onmiddellijk maakt is deze: op het ogenblik ziet alles er zo prettig leeg en onbeschilderd uit, maar in Perikles' tijd stond het hier vol en de hele zaak was hier en daar versierd met allerlei kleurtjes. Zouden wij dat wel zo mooi gevonden hebben? Het juiste antwoord op deze vraag kwam van een schilder: ik weet het niet, maar ik veronderstel toch, dat daar waar de Grieken overigens blijk geven over een verfijnd aesthetisch apparaat te beschikken, ze ook zeker voldoende smaak betoond zullen hebben bij het aanbrengen van hun kleuren en het rangschikken van beelden en gebouwen.
Men is natuurlijk niet voor 100% zeker, doch een zeker vertrouwen lijkt mij niet misplaatst en in ieder geval de uitspraak staat in eenvoud gelijk met het ei van Columbus.
Is het Parthenon mannelijk, het Erechtheion is vrouwelijk (het staat er nog een beetje mooier van mannelijke kracht en zo en vrouwelijke charme met wat er bij komt). De uitspraak, zie ik tot mijn schrik, is van den architect Magne, een
| |
| |

Een hoek van het Parthenon op de Akropolis te Athene: beginpunt van elke reis door Hellas
| |
| |

De Akropolis van Athene was een burcht, die in later tijden een heiligdom is geworden
| |
| |

Een kore uit de zesde eeuw voor Christus, ingetogen doch zeer rijk gekleed
Het Olympieion, de tempel van den Olympischen Zeus, is in 132 na Christus voltooid
| |
| |

Evenals in de tijd van Sokrates debatteert men in het huidige Griekenland op straat
| |
| |
autoriteit, eerste klas. Ik ben geen klassicus, maar een mannelijk maagdenhuis en een vrouwelijke tempel gewijd aan een slangenkoning of koningsslang klinkt me wat omgekeerd in de oren. Het Erechtheion staat vol vrouwen, dat is waar, maar dat is toch wel wat simplistisch. Overigens, waarom niet deze karakteristiek? De ene is niet veel beter dan de andere.
Doch neen, hier heb ik een eigen mening: dat de Grieken, nadat ze zich voorgesteld hadden een eenvoudig, doch groots gebouw neer te zetten en dit ook bereikt hadden, plotseling hun opgave veranderden en nu in een moderne constructie hun zin voor verhoudingen, voor ‘blokverhoudingen’, zoals men dit zo dikwijls bij onze moderne bouwkunst aantreft, gingen uitleven. Het Erechtheion is in 406 afgemaakt, terwijl het Parthenon reeds ongeveer dertig jaar vroeger klaar was. De jaartallen zijn eerst later door mij gecontroleerd: op het eerste gezicht vond ik het Erechtheion jonger, ingewikkelder, een soort cubistische nieuwe zakelijkheid.
Dat deze ‘nieuwe zakelijkheid’ daarbij sierlijk aandoet voor ons, die geen pilaar of beeld aan een modern bouwwerk verwachten is niet verwonderlijk, bij nadere beschouwing valt het ook niet meer zo op en blijft alleen de indruk van een ‘vernieuwing’ van de stijl. De drie portieken, het verschil in niveau, de onregelmatige regelmaat van het geheel verlenen het gebouw een eigenaardige charme, niet groots misschien als het Parthenon, waarin de ‘proporties’ tot hun recht komen, maar gedurfd door de uitbalancering der vlakken, pilaren, dieptes en breedtes tegen elkaar, de ‘verhoudingen’. Het is moeilijk precies het verschil in toonwaarde van de beide termen verhoudingen en proporties te definiëren; men zou het verschil misschien ook aldus kunnen uitdrukken: terwijl de bouwmeester van het Parthenon getracht heeft binnen de perken der traditie het hoogste te geven, wat bereikt kon worden en dit ook werkelijk bereikt heeft, heeft die van het Erechtheion geprobeerd harmonie te vinden, niettegenstaande hij krachten gebruikte, die van nature de neiging hebben elkaar tegen te werken. De bouwmeester van het Parthenon beklimt een berg en komt boven, die van het Erechtheion wandelt langs een afgrond en valt er niet in. Het eerste gebouw straalt uit, het tweede perst samen, beide zonder veel moeite- of krachtsvertoon.
Zo zit men, voor men het zelf weet, midden in de speculatieve gedachten, vooral speculatief, omdat men bij dit alles moet bedenken, dat het verschil in niveau en het feit, dat de tempel geen ‘eenheid’ vormde en een aantal welonderscheiden heilige plekken bevatte, oorzaak waren, dat de vorm ingewikkeld moest worden. Het is dus de vraag of men er veel wijzer van wordt.
Aan de zonsondergang kan men enige lyrische ontboezemingen wijden, het marmer, dat dan roze wordt en binnen in het Parthenon helblauw, het herdersklokje, waarmee de laatste schapen in de stal gedreven worden, het is alles onbeschrijfelijk mooi, maar het is inderdaad onbeschrijfelijk.
| |
| |
Elke keer, dat ik het Parthenon betrad heb ik met enige sentimentaliteit naar de brede groeven gekeken, die de deuren bij het draaien in het marmer van de vloer hebben uitgesleten: twee zuivere kwartcirkels... het enige teken van eenvoudig-menselijke activiteit. Als er een portier was, een vastaangesteld ambtenaar, die de brede, zware toegangspoort moest openen en sluiten, dan zal hij dikwijls gebromd hebben, en zeker zal hij maling hebben gehad aan proporties of verhoudingen, curvaturen of in evenwicht gehouden vlakken...
|
|