De zangvogeltjes. Deel 5(ca. 1900)–Franz Abt– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 21] [p. 21] 16. Alpenlied. Matige beweging 1. Waar der bergen trotsche ge-vel Zich ver-heft in majes- teit, Een gewaad van sneeuw en nevel Om de schouders heen-ge- spreid.}Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! 2. Waar de beekjes blij ontspringen, Ruischende o-ver rotsen heen; En der kudden lief-lijk klingen Met hun bruisen smelt in een;}Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! 3. Waar des maanlichts bleeke stralen 't Bergmeer kussen, prachtig schoon; En de gemzen a-dem-halen, Vrije en zui-vre lucht ge- woon;}Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! 4. Waar de kloven weder-galmen, Van des herders blijden zang, En zijn wèl-ge-stem-de halmen, De echo wekken, zoet van klank:}Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! Waar de roos der Alpen bloeit, Daar is 't oord, dat meest mij boeit! Vorige Volgende