Tijdschriften
Blaetter für die Kunst. Eine Auslese aus den Jahren 1892-1898. Georg Bondi, Berlin, 1899
Ongeveer anderhalf jaar geleden maakte De Vl. S. voor het eerst melding van het tijdschrift, waarin een kleine, doch hoogst interessante groep jonge Duitse dichters van 1892 tot dan toe het beste van hun gezamenlik letterkundig werk had laten verschijnen, namelik, de Blaetter für die Kunst.
Met welverdiende waardeering spraken wij bij die gelegenheid over het edele streven van deze jongeren, die, wars van alle reklame en marktgeschreeuw, zonder eenig ander doel dan de kunst te dienen, afgezonderd van de grootheden van den dag, ja, haast zonder enig verkeer met de literatoren van beroep, hun temperament ontwikkelden en hun aangeboren gaven louterden en rijpten, en - elk zijn eigen liedje op eigen wijze zingend - allen toch in stilte koesterden éen zelfde hoop op een eerlange renovasie en verheffing van de Duitse woordkunst.
Zonder een enkele van de vele bestaande en - elk door eigen apostelen voor alleen zaligmakend verklaarde richtingen en ismen te verketteren of uit te sluiten, wilden zij toch, op het gebied van de gedachte, reageren tegen het al te starre realisme, dat de grenzen van de poëzie had durven afbakenen naar de grenzen van de - waarheid, terwijl zij, op dat van de uiterlike vorm, voor de Duitse poëzie weinig anders wilden verrichten dan wat, even vòor en na 1870, de Parnassiens voor Frankrijk gedaan hadden.
Tans, na een goede zes jaren van stille, doch onafgebroken arbeid, bieden deze jongeren het betere gedeelte van het Publiek, de paar dozijn werkelik ingewijden, die weten en voelen wat kunst is, een bloemlezing aan uit de vier reeksen, welke van hun gezamenlike uitgaaf het licht zagen, en stellen, wie maar kan en wil oordelen, met deze overigens uitstekend samengelezen garve in staat, zelf, door eigen onderzoek te ontdekken, of zij ten bate van de kunst iets wezenliks verricht hebben en hoeveel dat iels, met betrekking tot wat anderen schreven en uitgaven, eigenlik waard is.
Ik geloof wel, dat elk rechtvaardig en bevoegd beoordelaar het hierover zal éens wezen, dat - van allen, die sedert tien jaar en meer in Duitsland als dichters optraden en zelfs naam maakten, alleen Hauptmann, Liliencron, misschien ook noch Flaischlén, H. Hart, Dehmel en een paar anderen zoveel, of ongeveer zoveel betekenen als Stefan George, Hugo von Hoffmannsthal, Wolfskehl, Oehler, in éen woord: de besten van deze nieuwe pleiade.
Ik haast me, te zeggen, dat mij lang niet alles bekend is, wat deze twaalf Graal-ridders hebben uitgegeven. Te oordelen, echter, naar wat hier tans in deze Auslese en ook in de mij alleen bekende derde en vierde reeks van Bl. f.d. K. van hun werk vóor mij ligt, schijnen mij George, Hoffmannsthal, Wolfskehl en Oehler de voorsten en vorsten van de gehele groep.
Van George troffen mij, in deze bloemlezing, het meest, Weihe, Im Unterreich, Frauenlob, een voortreffelike, in haar beperking meesterlike karakteristiek, de bij uitstek sobere en mooie verzen op bl. 49, n. I op bl. 52, evenals V op 55, zo vol van geluid als gedrongen en rijp van gedachten, het werkelik göthiaans-mooie Manuel und Leila, éen weelde van kostelik-fijne invallen, en dan: Lofrede auf Jean Paul, een brok van het volmaakste, stijlvolste proza, dat